|
HOOFDSTUK 15
DE
EVOLUTIE VAN HET ‘ABSOLUTE’. EEN ALGEMEEN EVOLUTIEPLAN OP ALLE GEBIEDEN.
ZEVEN SLEUTELS TOT WIJSHEID EN TOEKOMSTIGE INWIJDINGEN.
Terwijl hij in de ene top van zijn eigen hyparxis alle dingen bevat, staat hij zelf geheel daarbuiten.
Thomas Taylor, Proclus on The Theology of
Plato , blz. 212
U zult het niet begrijpen zoals u iets
bepaalds begrijpt.
– Damascius (Cory, Ancient
Fragments , blz. 281)
Goddelijke zaken kunnen niet
worden bereikt door stervelingen die het stoffelijke begrijpen,
Slechts zij die lichtgewapend zijn bereiken de top.
– Proclus, Commentaar
op de ‘Cratylus’ van Plato
Als inleiding lezen we vanavond uit De Geheime Leer (1:629):
Terwijl de christenen wordt geleerd
dat de menselijke ziel een ademtocht van God is – door hem geschapen
om eeuwig voort te bestaan, d.w.z. met een begin, maar zonder einde
(en daarom mag de ziel nooit eeuwig worden genoemd) – zegt de occulte
leer: ‘Niets wordt geschapen, maar het wordt slechts omgevormd .
Niets kan zich in dit heelal manifesteren – van een hemellichaam tot
een vage snelle gedachte – wat niet al in het heelal aanwezig was. Alles
op het subjectieve gebied is een eeuwig ZIJN,
zoals alles op het objectieve gebied een steeds worden is, want
het is vergankelijk.’
U zult zich herinneren dat we ons op
de vorige bijeenkomst moesten bepalen tot een kort overzicht van het onderwerp
van de hemelen en de hellen, zoals dit in de leringen van de verschillende
exoterische religies voorkomt. En bij de beschouwing van verschillende
theologische of filosofische of mythologische leringen daarover waren
we gekomen bij het standpunt van de middeleeuwse christelijke theologie
zoals dit in de Divina Commedia van de grote Italiaanse dichter,
Dante, wordt weergegeven. In dit werkelijk prachtige dichtwerk vonden
we, evenals in andere stelsels die we hebben genoemd, opnieuw het wonderlijke
getal negen als het grondtal voor verdeling.
We bespraken ook kort de oude Scandinavische opvattingen
over dit onderwerp, zoals die in de jongere Edda, de Edda in proza, zijn
te vinden en maakten slechts vage toespelingen op de leringen daarvan.
We spraken ook over de opvattingen van de Griekse en Latijnse stoïcijnen;
en bovendien hadden we erop kunnen wijzen dat in een belangrijk zogenaamd
Hermetisch werk, dat Egyptisch van oorsprong zou zijn maar dat later onder
christelijke invloed aanzienlijk is veranderd – het werk waar ik op doel
heet De Goddelijke Pymander – over zeven sferen of stadia wordt
gesproken, terwijl in vage termen ook nog op een achtste wordt gewezen
en zelfs op een negende wordt gezinspeeld.
Als we nu onze aandacht weer op het oude Griekenland
richten, lezen we hoe de grote dichter Homerus in het achtste boek van
de Ilias zijn Zeus, als deze zich tot de goden en godinnen richt,
laat spreken over de gouden keten. Zeus vertelt de andere godheden in
meesterlijke taal over zijn grote kracht en zegt dat als zij allen, de
goden en godinnen van de machtige Olympus, die keten aan één einde omlaag
zouden trekken en hij het andere zou vasthouden, hij, Zeus zelf, alleen,
haar met alle goden en godinnen en met alle zeeën en aarden omhoog zou
kunnen trekken, en die gouden keten met hen allen aan het ondereind aan
een van de hemeltoppen zou kunnen ophangen. Wat is de betekenis van dit
merkwaardige verhaal? De volgende:
Deze gouden keten stelt de aaneenschakeling voor
van de levende hiërarchieën die we eerder hebben bestudeerd – de gouden
keten van alle bestaan, zowel innerlijk als uiterlijk. In dezelfde toespraak
tot de vergadering van de goden van de Olympus zegt Zeus: ‘Ieder van u
die minachting heeft voor mijn woorden en wensen, zal ik in de duistere
Tartarus werpen . . . die even ver onder de Hades ligt als de aarde onder
de Olympus.’ Daaruit blijkt enigszins hoe Homerus zich de bouw van de
kosmos dacht, namelijk ongeveer als volgt: de aarde, of liever het heelal,
werd voorgesteld als een bol; de Olympus werd aan de boven- of noordkant
of de noordpool geplaatst; wat de aarde werd genoemd was het volgende
deel eronder; onder de aarde lag de Hades; en aan de tegenpool van de
Olympus werd de Tartarus geplaatst. Homerus zegt ons bij monde van Zeus
dat de aarde even ver onder de Olympus ligt als de Tartarus onder de Hades.
Ook de Griekse dichter Hesiodus vertelt ons in
zijn Theogonie , te beginnen bij vers 721, dat als men een koperen
aambeeld van de Olympus op aarde zou laten vallen, dit negen dagen nodig
zou hebben om op de tiende dag de aarde te bereiken; en als datzelfde
koperen aambeeld zijn weg zou vervolgen en van de aarde in de Tartarus
zou vallen, zou dat opnieuw negen dagen vergen en zou het op de tiende
dag de Tartarus bereiken. Bij de Romeinse dichter Virgilius (Aeneis
, 6, 577-9) vinden we dezelfde gedachte terug.
We zien dus in het Griekse en Latijnse mystieke
denken hetzelfde beginsel van hiërarchieën en verdelingen in negenen en
tienen dat we al eerder hebben aangetroffen. De theorie gaat uit van een
continue opeenvolging van bestaansgebieden of -sferen, van hogere tot
lagere, die zich op het hele terrein van ieder algemeen hiërarchisch stelsel
van werelden voortdurend herhaalt. Bij de Tartarus bijvoorbeeld begint
een nieuwe subhiërarchie, een nieuwe sfeer, een nieuw ei van leven, precies
zoals de Olympus van een dergelijk stelsel de onderste is van een nog
hogere hiërarchie dan het stelsel zelf. En zo is het overal in het gehele
heelal.
Deze ‘val van negen dagen’ van het ‘koperen aambeeld’
van Hesiodus en andere soortgelijke voorstellingen zijn eenvoudig voorbeelden
van de bekende mythologische beeldspraak, waarbij de esoterische leringen,
de leringen van het occultisme, dat wil zeggen de feiten van het innerlijke
zijn, zoals die in de mystieke leringen van alle oude volkeren zijn te
vinden, in een voor het grote publiek met zijn sluimerende denkvermogen
gemakkelijk te begrijpen vorm worden weergegeven.
Dit onderwerp van de hellen en hemelen berust
op verschillende fundamentele esoterische factoren die wij sinds het begin
van deze bijeenkomsten in januari voortdurend hebben bestudeerd. Zoals
op de vorige bijeenkomst is opgemerkt, bestaan er in werkelijkheid in
het geheel geen hellen en hemelen in de gewone christelijke zin. Maar
er zijn sferen van vergelding, sferen van beproeving, en die vertegenwoordigen
bepaalde sferen van zijn. Sommige van deze hellen, die bijvoorbeeld in
de brahmaanse en boeddhistische religie worden beschreven, zijn feitelijk
sferen die bijna plezierig zijn te noemen, eerder aangenaam dan andersom;
ze worden als heel prettige en interessante plaatsen beschreven! Maar
toch staan ze lager dan de zogenaamde hemelen.
Aan de andere kant is het mogelijk dat we sommige
zogenaamde hemelen zoals ze worden beschreven niet zo bijzonder aantrekkelijk
vinden, want er wordt uitgegaan van de gedachte dat de omstandigheden
van de gebieden van vergelding, beproeving of loutering overeenkomen met
die van de mens op aarde: wanneer de levensreis van de mens op aarde is
volbracht, verloopt alles naar strikte analogie en in strikte overeenstemming
met de werking van de aantrekkingskracht. Iets kan niet naar een bepaalde
sfeer gaan of in een toestand overgaan als het daarvoor niet geschikt
is. Alle dingen bereiken precies die bestemming, dat tehuis of die sfeer
die bij ze passen en waarmee ze overeenstemmen.
Deze hemelen en hellen zijn natuurlijk toestanden
; ook het leven op aarde is een toestand. Maar als iets een toestand
is, is het ook de toestand van iets; en als het iets is, moet het een
plaats hebben, een positie innemen, zich ergens bevinden. Dat is duidelijk.
Hoewel deze hemelen en hellen dus toestanden zijn, zijn het tevens ruimten,
plaatsen. De oude wijsheid duidt ze in het algemeen aan met het Sanskrietwoord
tribhuvana dat ‘de drie werelden’ betekent, kort geformuleerd
drie algemene verblijfplaatsen, woningen of woonplaatsen; zoals Jezus
in de Heilige Schrift zegt: ‘In het huis mijns Vaders zijn vele woningen’.
Het zijn ziels toe standen voor de entiteiten die erin verkeren, en door
deze zielstoestanden komt de loutering van de ziel tot stand.
Waarom gaat iemand naar de hel? Omdat hij naar
de hel wil gaan. Waarom gaat iemand naar de hemel? Omdat het zijn
wens is naar de hemel te gaan. Een mens gaat waarheen hij wil
gaan . Als hij in zijn leven slecht is geweest, komt dat omdat de
impulsen en de aantrekkingskracht van zijn wezen zo waren; kan zo’n ziel
die geheel in aardse zaken opgaat zich tot geestelijke sferen verheffen?
Kunnen de activiteiten van geestelijke wezens, van de zogenaamde hogere
wetten van de natuur iemand, van wie de ziel geheel in beslag wordt genomen
door hemelse aspiraties, tot de folteringen van een van de lagere sferen
van loutering aantrekken? Nooit. Denk eens aan de betekenis die deze gedachte
heeft. We moeten daaruit lering trekken en ons leven ernaar richten. Laten
we naar deze grootse verheven leringen luisteren. Elk woord ervan is vol
diepe betekenis.
Laten we nog een stapje verder gaan. U zult zich
misschien herinneren dat we enkele maanden geleden erop wezen dat de oude
wijsheid, het oude occultisme, een leer bevatte die in feite de stoot
heeft gegeven tot een moderne wetenschappelijke theorie over de werkingen
van de natuur, al kreeg die een verwrongen materialistische vorm; het
gaat om de zogenaamde wet van behoud van energie, een van de hoofdpijlers
van de moderne materialistische wetenschap, en haar zusterdogma, de zogenaamde
wet van de omzetting van krachten. Deze beide wetenschappelijke theorieën
gingen uit van de veronderstelling dat er niets anders bestaat dan inerte,
levenloze, zielloze stof, voortgedreven door vreemde en onbekende en misschien
wel onkenbare impulsen, die krachten werden genoemd en zich op een onbekende
en misschien niet te achterhalen manier manifesteren. Hoewel de wetenschap
haar standpunten in vele opzichten wijzigt, blijven sommige materialistische
denkbeelden toch bestaan. In onze tijd wordt aangenomen dat alles in wezen
kracht is; de stof zelf wordt geacht kracht te zijn. De opvattingen zijn
nog altijd dezelfde, zoals u onmiddellijk ziet, alleen de woorden veranderen.
Toch is het een stap vooruit, al moeten we ons niet door alleen woorden
van de wijs laten brengen als de gedachte achter de woorden nog dezelfde
is en even materialistisch als vroeger.
Maar er zijn tekenen dat er in de wetenschap snel
ook andere veranderingen plaatsvinden. In de afgelopen drie weken [1924]
heb ik het verslag gelezen van een rede van een eminente Engelse natuurkundige,
die zijn land tot eer strekt en in sommige opzichten intuïtief is, die
ons vertelt wat de jongste ontdekkingen de wetenschappers van deze tijd
hebben geleerd. Wat is dit nieuwe licht? Precies wat wij enkele maanden
geleden aanduidden als een fundamentele leer van het oude occultisme,
namelijk dat kracht eenvoudig stof is in een etherische toestand; of om
het op een andere en betere manier te zeggen, dat stof als het ware gekristalliseerde
kracht is en dat kracht en stof in essentie één zijn. Deze geleerde zegt
ons verder dat hedendaagse denkers nu beginnen te geloven dat de stof
niet eeuwig is. Natuurlijk geloven ook wij dat, mits we met ‘stof’
alleen fysieke stof bedoelen , de fundamentele mâyâ –
of illusie – van het stoffelijke bestaan. Als we echter met ‘stof’ de
grondslag, de essentiële substantie van het zijn bedoelen, dan
verschillen we direct van mening, want die is inderdaad eeuwig
. Ze is mûlaprakriti, wortel-substantie, het kleed van parabrahman.
Wat bedoelen we wanneer we spreken over parabrahman
en mûlaprakriti, essentieel bewustzijn en essentiële natuur – of essentiële
substantie of ‘stof’? We bedoelen dit: dat parabrahman-mûlaprakriti voor
elk menselijk intellect eenvoudig de absolute toestand van de hiërarchie
is, het hoogste deel, de bloem, het beginsel, de wortel, het zaad ervan
– dat waaruit de rest zich ontwikkelt of tevoorschijn komt en het gemanifesteerde
heelal wordt waarin we leven, dat we kennen en waarvan we een deel zijn.
Zoals Paulus in de christelijke evangeliën zegt, ‘In hem [dat wil zeggen
in Het – het Grieks laat deze vertaling toe] leven wij, bewegen wij en
hebben wij ons bestaan’, dat wil zeggen, wij zijn Het , in die
zin dat we een essentieel deel zijn van de bloem van onze hiërarchie,
het hoogste voor ons , want Het is de wortel van het bewustzijn
van en in ons kosmische heelal of onze universele kosmos,
die alles is wat door de gordel van de melkweg wordt omsloten, namelijk
de universele kosmos die wij kennen. De top ervan is deze wortel waaruit
al deze ontelbare daarin besloten lagere werelden of heelallen zijn voortgekomen,
en zich hebben ontwikkeld. Zijn kinderen, de zonnestelsels, de zonnen,
de sterren, de planeten – alle levende wezens, alle atomen, alle werelden
of heelallen, kortom, de kosmos – alle komen uit Het voort. Het is de
top, de bloem, het hoogste punt, en ook het zaad; het is de absolute paramâtman,
het hoogste zelf.
Wat bedoelen we met het absolute? Bedoelen we
God – als dat woord u bevalt, en als u het werkelijk God wilt noemen?
Maar weet u iets van God af? Zien we niet dat zodra we ons verstand uitschakelen,
onze intuïtie verlammen en de ontplooiing van onze innerlijke vermogens
beperken door over grenzen te spreken, openlijk of in gedachten, we een
eindpunt bereiken en stilstaan? Bedenk in dit verband steeds dat er achter
en voorbij het kosmische heelal, buiten onze gezichtskring en voor ons
onvoorstelbaar, altijd eindeloos leven is, eindeloos bestaan, omdat er
nergens een einde is; en op deze gedachte werd in het oude occultisme
gedoeld wanneer zij die daarin onderricht gaven, spraken van die ‘cirkel
waarvan de omtrek nergens en het middelpunt overal is’, het ‘grenzeloze’,
het ‘zonder grenzen’. Dit woord absoluut, dat in de moderne filosofie
en zelfs door ons verkeerd wordt gebruikt, is de nauwkeurige vertaling
van het Sanskrietwoord mukti of moksha , waarop ik dadelijk
zal terugkomen. Absoluut is afgeleid van het voltooid deelwoord van het
Latijnse woord absolvere , dat ‘losmaken’, ‘bevrijden’ betekent,
en daarom ‘vervolmaakt’. Geen volstrekte, onbegrensde volmaking, zoals
de onsterfelijke goden in sommige religies geacht werden te bezitten,
wat altijd onmogelijk is, maar een betrekkelijke volmaking, de top, het
hoogste punt, de bloem, de wortel, het zaad van een hiërarchie; in het
bijzonder voor ons in die hiërarchie die voor ons de hoogste
is – ons kosmische heelal.
Nu de Sanskrietwoorden mukti of moksha
: het eerstgenoemde komt van de Sanskrietwortel much die zoals
gezegd ‘losmaken, bevrijden’ betekent; moksha komt van het Sanskriet
moksh , dat een bijna identieke betekenis heeft en waarschijnlijk
is afgeleid van dezelfde wortel much . Het betekent dat wanneer
een geest, een monade, een geestelijke radicaal zich als gemanifesteerd
wezen heeft ontwikkeld, dat hij eerst een mens is geworden en innerlijk
is bevrijd, van een mens een planeetgeest of dhyân-chohan of heer
van meditatie, en zich nog verder heeft ontplooid om innerlijk
een brahman te worden en van een brahman het parabrahman voor zijn hiërarchie,
dan is hij absoluut volmaakt, bevrijd of verlost: volmaakt voor die lange
tijdsperiode die ons bijna een eeuwigheid toeschijnt, zo lang is ze, en
door het menselijke intellect praktisch niet is te berekenen. Dit is het
absolute: beperkt vergeleken met nog immenser, nog verhevener zaken; maar
voorzover wij ons dat kunnen voorstellen, ‘bevrijd’ of ‘losgemaakt’ uit
de ketenen of banden van het stoffelijke bestaan.
Wat gebeurt er wanneer de grote periode van de
universele kosmische pralaya aanbreekt en het heelal in de schoot van
parabrahman wordt opgenomen (om de oosterse beeldspraak te gebruiken)?
De geestelijke entiteiten gaan dan hun paranirvâ.na in, wat voor
hen precies hetzelfde betekent als wanneer wij over de dood van de mens
spreken. Ze worden door hun geestelijke kracht aangetrokken tot nog hogere
hiërarchieën van bestaan, tot nog hogere geestelijke gebieden waarin ze
verder opklimmen, groeien, leren en leven. De lagere elementen van de
kosmos, het lichaam van het heelal, volgen hun eigen aantrekkingskracht
(precies zoals ons stoffelijk lichaam doet wanneer de verandering komt
die dood heet – de dood, de tweelingbroeder van het leven): het stoffelijk
lichaam naar de stof, de levensadem naar de levensadem van de kosmos;
stof gaat naar stof, adem naar adem. De andere kosmische beginselen vergaat
het net als de beginselen van de mens bij zijn dood: de kâma van
onze natuur gaat naar het universele reservoir van het kâmische
organisme, ons manas vindt zijn dhyân-chohanische rust, en onze
monaden beginnen hun eigen hogere leven. Wanneer de klok van de eeuwigheid
opnieuw het uur aangeeft waarop de kosmos ‘in het licht tevoorschijn treedt’
– wat de ‘dood’ is voor het geestelijke wezen, zoals dood voor ons leven
betekent voor de innerlijke mens – wanneer de tijd weer is
aangebroken voor het manvantara van het stoffelijke leven (de periode
van de geestelijke dood voor de kosmos is die van het stoffelijke leven
van de manifestatie), worden de kosmische levenscentra in de peilloze
diepten van tijd en ruimte opnieuw tot leven gewekt: eerst het stadium
van de gloeiende nevelwolk, dan de draaiende nevelvlek, de spiraalnevel
en de ringnevel, dan de zon en de planeten, en tenslotte de menselijke
en andere wezens die zich op de laatstgenoemde ontwikkelen. Elk van deze
planeten moet in de komende planetaire tijdperken telkens opnieuw haar
zeven ronden volbrengen in een eindeloos leven. In dit verbazing wekkende
proces liggen onbegrensde hoop en ervaringen besloten, maar voor die wezens
die zich bewust zijn geworden van morele verant woordelijkheid is er bij
elke stap op het pad steeds een scheiding van wegen, een weg omhoog en
een weg omlaag, want er is voortdurend een ‘moment van keuze’.
In deze tijd hebben we iets meer dan de helft
van de mahâmanvantarische cyclus achter ons; we zijn, wat het mahâmanvantara
van ons kosmische zonnestelsel betreft, op het punt gekomen waarop de
stof haar laatste stadium van ontwikkeling in onze hiërarchie
al heeft bereikt. Volgens de oude getallenleer hebben we ruim 155 biljoen
520 miljard zonnejaren geleefd. De helft van ons mahâmanvatara is
voorbij, er resten nog bijna 155 biljoen 520 miljard zonnejaren. Beter
gezegd, we zijn langzaam het laagste punt van de grote universele kosmische
cyclus gepasseerd. Dat laagste punt, waarop de stof voor ons, voor onze
grote levensgolf haar hoogste graad van stoffelijke manifestatie bereikte,
kwam toen de maan het midden van haar vierde ronde had bereikt, eeuwen
en eonen voor ze onze stoffelijke satelliet werd. Volgens de oude leringen
telt het grote parabrahman van ons hiërarchische stelsel 100 goddelijke
levensjaren; elk jaar heeft 360 dagen en wordt verdeeld in 12 maanden;
en omdat er 50 goddelijke jaren zijn verstreken, hebben wij op deze planeet
Terra, op deze aarde, dus de eerste goddelijke dag van de eerste goddelijke
maand van de opgaande cyclus van de tweede periode van 50 goddelijke jaren
bereikt. We hebben dus ruim 155 biljoen 520 miljard jaren in en door onze
hiërarchie de cyclische weg omlaag gevolgd tot het laagste punt ervan
op de maan; en sinds dat punt eeuwigheden geleden werd bereikt, zijn we
langzaam en moeizaam begonnen de weg omhoog te gaan naar het onuitsprekelijke,
de top van ons hiërarchisch stelsel, ons ‘absolute’. Onthoud alstublieft
goed dat we dit woord absoluut alleen gebruiken in de betekenis die we
eerder hebben uiteengezet.
Hoe werd het absolute het absolute? Door toeval?
Er bestaat geen toeval. Er is niets dan eindeloos leven, eindeloos bewustzijn
en eindeloze duur, die werken in overeenstemming met de beginselen en
elementen van de inherente natuur , in onze Sanskrietwerken svabhâva
genoemd. De grondbetekenis van dit woord svabhâva is ‘zelfvoortbrenging’,
‘zelfwording’. Wij brengen onszelf door alle tijden heen voort :
geven onszelf ons eigen lichaam, beklimmen onze eigen ladder, sport voor
sport, gaan naar onze eigen hel en ontdekken onze eigen hemel. En het
hele doel, het hele streven van de universele evolutie is, volgens deze
leer van de oude wijsheid, gericht op het verheffen van het persoonlijke
tot het individuele, van het substantiële tot het goddelijke, van de stof
tot de geest en van het grove tot het zuivere.
Vanwaar kwam dan het absolute, het opperste zelf
of de hoogste geest, de paramâtman, waarvan wij vonken zijn? Door
groei van binnen naar buiten; en van buiten naar binnen. Eens, ontelbare
eonen geleden, was het een mens. Denk eens over de verheven gedachte die
in deze leer ligt besloten en over de bijna eindeloze tijdsperioden van
het verleden. Bedenk dat wat in haar oorsprong, lang lang geleden, een
goddelijke vonk was, een vonk van een ander en vroeger absolute, nu onze
‘God’, onze paramâtman, ons hoogste zelf is, waarvan wij de kinderen
zijn en waarin we leven, bewegen en ons bestaan hebben. Wat is de voornaamste
les die we hieruit kunnen trekken? Wat was het psychologische mysterie
waarop we op de vorige bijeenkomst hebben gezinspeeld? Het is dit, en
we roeren het slechts even aan: onze menselijke ziel is een god in embryo;
onze menselijke ziel was vroeger een dierenziel; onze tegenwoordige dierenziel
zal in een toekomstig manvantara een menselijke ziel worden. Onze menselijke
ziel zal in een toekomstig manvantara een monade worden. Als de mens de
manvantarische reis met succes volbrengt, is het zijn bestemming de samengestelde
logos van een volgende hiërarchie te worden, zoals hij nu in feite in
de lagere hiërarchie, die hijzelf is, de logos is van het bijna oneindige
aantal lagere wezens waaruit zijn persoonlijke natuur bestaat. Denk lang
na over dit wonderlijke, verheven mysterie!
Zetten deze leringen ons niet aan het denken?
Geen wonder dat ze in de oude wijsheid geheim zijn gehouden en als heilig
zijn beschouwd. Waarom? Om vele redenen. In de eerste plaats omdat ze
niet konden worden begrepen zonder de noodzakelijke geestelijke
en intellectuele training. Toch is het opmerkelijk en werkelijk verbazingwekkend
hoe vaak en op hoeveel manieren er in de oude exoterische leringen van
de verschillende religies op wordt gezinspeeld. Vergeet niet dat ‘exoterisch’
in de oude religies niet ‘onwaar’ betekent. Het woord doelt alleen op
die leringen waartoe de sleutel niet openlijk is gegeven.
In enkele vertalingen uit het Welsh die prof.
Kenneth Morris, een kenner van die taal, voor ons heeft gemaakt, zijn
mij bij het lezen leringen opgevallen die denk ik aan de oude boeken van
Wales zijn ontleend. Het heeft me in hoge mate verbaasd dat deze heilige
en occulte leringen van de oude wijsheid door de barden zo vrijmoedig
en in zo openlijke taal zijn verkondigd. Maar bij nader inzien merkte
ik dat een meesterhand aan het werk was geweest en dat ondanks het openlijke
onderricht veel verborgen was gebleven. De presentatie en schoonheid van
het beeldende taalgebruik brachten al te weetgierige en scherpzinnige
geesten op een dwaalspoor. Voor wie echter de sleutel bezit, is de beeldspraak
gemakkelijk te volgen. Dezelfde methode heb ik niet alleen in de prachtige
Keltische leringen gevonden maar ook in de leringen van het oude Egypte
en van andere landen.
Op een eerdere bijeenkomst heb ik misschien te
weinig aandacht besteed aan het veelbesproken vraagstuk van goed en kwaad
zoals sommige mensen het noemen. Dat is een onderwerp dat goed past bij
het slot van onze studie over het vagevuur, de hellen en de hemelen. Christelijke
denkers hebben ervaren dat het onmogelijk is dit probleem voor een nadenkende
en bespiegelende geest bevredigend op te lossen. Maar al is het voor hen
en anderen een veelbesproken vraag, voor wie de oude wijsheid bestudeert
is het eigenlijk heel eenvoudig. Hoe kan een christen die gelooft dat
zijn God, zijn Schepper van al wat is , en die dus ook de schepper
van het kwaad moet zijn – hoe kan hij deze onvermijdelijke conclusie
rijmen met zijn andere leringen over zijn godheid, bijvoorbeeld dat God
algoed is en dat uit Hem daarom niets dan goeds voortkomt? Is het kwaad
dan het werk van de duivel? Welk kind zou dan niet vragen waar de duivel
en het kwaad dat van hem uitgaat vandaan komen? Van God? Maar is God niet
algoed? De onontkoombare gevolgtrekking moet zijn dat God òf niet algoed
òf niet almachtig is. Volgens hun theorie zou het kwaad niet bestaan en
niet kunnen bestaan behalve als een vrucht van Gods wijsheid, want als
dit niet het geval was, zou het zonder de goddelijke instemming bestaan,
dat wil zeggen tegen Gods wil, wat ex hypothesi onmogelijk is,
omdat God almachtig is. De verwarring over de logica van hun theorie is
compleet en is er niet door weg te nemen.
Wat is dan werkelijk de oorsprong van wat goed
en kwaad wordt genoemd? Goed en kwaad komen voort uit de tegenstrijdige
werking van de ontelbare zich manifesterende willen. Goed is betrekkelijk
; er bestaat geen absoluut goed. Kwaad is betrekkelijk ; er
is geen absoluut kwaad . Als het goede absoluut was, zou ook zijn
tegendeel, zijn schaduw of tegenpool, het kwaad, absoluut moeten zijn.
Beide zijn echter betrekkelijke begrippen. In de natuur wegen ze tegen
elkaar op en houden ze elkaar in evenwicht, zoals alle andere paren van
tegenstellingen, warmte en koude, hoog en laag, dag en nacht, noord en
zuid, enz. Ze ontstaan, zoals gezegd, uit de botsing van willen, bewuste
en onbewuste. Alle ontelbare veelsoortige wezens die zich hebben gemanifesteerd,
zijn ieder voor zich min of meer ‘zelfzuchtig’, zoeken min of meer hun
eigen voordeel en hongeren en dorsten naar sensatie van allerlei aard.
Er bestaat zelfs geestelijk kwaad; en er zijn machtige werktuigen van
‘geestelijke verdorvenheid’, waarover de apostel van de christenen, Paulus,
heeft gesproken, die de tegenpool vormen van de machtige bewerkers van
het goede. De bewerkers van het geestelijke kwaad worden door ons de broeders
van de schaduw genoemd, de anderen de broeders van het licht. De broeders
van de schaduw werken in en met de stof voor materiële en zelfzuchtige
doeleinden. De broeders van het licht werken in en met de natuur voor
geestelijke en onpersoonlijke doeleinden. Ze vormen een contrast met elkaar.
Deze beide groepen vertegenwoordigen twee fundamenteel
verschillende paden in de natuur, waarvan het ene in het oude occultisme
het rechterpad en het andere het linker wordt genoemd. De Sanskrietnaam
voor het linkerpad is pratyekayâna. Yâna betekent
‘pad’ of ‘weg’ en ook ‘voertuig’; pratyeka kunnen we in dit verband
weergeven door de omschrijving ‘ieder voor zich’. Zoals u zich zult herinneren,
heeft H.P. Blavatsky over pratyekaboeddha’s gesproken als weliswaar verheven
en in zekere zin heilige wezens, maar hunkerend naar geestelijke wijsheid
en geestelijke verlichting voor zichzelf alleen, zelfzuchtig en onverschillig
voor de smart en het leed in de wereld, maar daarnaast zo rein dat ze
werkelijk een bepaald soort boeddha zijn.
De andere groep volgt het pad dat in het Sanskriet
amritayâna wordt genoemd, het ‘onsterfelijke voertuig’ of
‘pad van onsterfelijkheid’.
Het eerstgenoemde is het pad van de persoonlijkheid;
het andere dat van de individualiteit. Het eerste is het pad van de stof,
het andere dat van de geest; het ene voert omlaag, het andere verliest
zich in de onuitsprekelijke glorie van bewuste onsterfelijkheid in ‘eeuwigheid’.
Dit zijn de twee groepen wezens die de beide aspecten
van de natuur vertegenwoordigen. De botsingen of tegenstellingen tussen
deze twee aspecten van de natuur en de strijd tussen de willen van de
menigten wezens in het gemanifesteerde bestaan brengen het zogenaamde
kwaad in de wereld teweeg, dat door de zelfzuchtige activiteiten van de
lagere of minder ontwikkelde of minder geëvolueerde entiteiten ontstaat.
Zelf zucht is daarom de wortel van alle kwaad. De oude leer is waar, en
daar is alles mee gezegd. Op de hoogste gebieden van het zijn bestaat
geen goed of kwaad; ook is er geen leven of dood in onze betekenis van
die woorden; er is noch begin noch einde van enig persoonlijk handelen.
Maar wel is er wat in de prachtige oude brahmaanse leringen wordt genoemd,
sat, chit, ânanda. Sat betekent ‘zuiver zijn’; chit ,
‘zuivere gedachte’; ânanda , ‘gelukzaligheid’; en dat is
de toestand die we het absolute kunnen noemen.
Tenslotte komen we nog even terug op het kosmische
werk van de monade, de geestelijke radicaal , omdat dit zo bijzonder
belangrijk is. Ze kan zelf slechts tot ontwikkeling komen door lagere
zielen en psychische voertuigen te verheffen tot zelfbewuste entiteiten
, die zó op hun beurt zelf monaden worden. DAT IS HET
UNIVERSELE EN VOLLEDIGE EVOLUTIEPLAN OP ALLE GEBIEDEN. Dat is
onze grote taak. Dat is onze verheven bestemming. Ons hoogste zelf, onze
paramâtman, onze opperste monade, de top van onze hiërarchie doet
dat werk bewust; wij als zelfbewuste mensen doen het op onze bescheidener
manier; en dat is het hele plan van het gemanifesteerde bestaan, de algemene
schets van de kosmische evolutie, zoals we zojuist zeiden. Geen mens kan
alleen voor zichzelf leven; geen mens kan zich alleen tot de geest verheffen.
Het ligt in het wezen van de natuur dat hij, of hij wil of niet, ontelbare
andere entiteiten en lagere zelven met zich mee omhoog of omlaag moet
voeren langs het opgaande of neergaande pad.
Nog een paar woorden over een belangrijk onderwerp.
De oude wijsheid zegt ons dat er zeven leringen bestaan die de sleutel
zijn tot wijsheid en toekomstige inwijdingen. In onze studie van die zeven
sleutels hebben we er vijf in het kort genoemd. Wat zijn deze sleutels?
We kunnen ze de saptaratnâni noemen, de ‘zeven juwelen,
edelstenen of schatten’. Het zijn de volgende. Ten eerste, die werking
van de natuur – natuur in de betekenis van het volstrekte geheel van al
wat is, innerlijk en uiterlijk, achter en voor, boven en beneden, rechts
en links, alles, overal – die zich in de mens manifesteert als wederbelichaming
of reïncarnatie , kan in het kort worden omschreven als de
verandering van zijn voertuig of lichaam wanneer zijn innerlijke toestand
zich wijzigt; want door de werking van de natuur wordt hij er tenslotte
toe gebracht of voelt hij de noodzaak naar een andere toestand of een
andere plaats te gaan. Dit wordt dood genoemd, maar het is een andere
vorm van leven. Dat is de eerste sleutel. Pas hem toe op onze leringen
in zijn vele en verschillende mogelijkheden.
De tweede sleutel is de leer van actie en reactie,
karma . Deze eerste twee sleutels hebben we op deze voorbereidende
bijeenkomsten slechts terloops aangeroerd. Later zal het nodig zijn daarop
meer in bijzonderheden in te gaan.
De derde sleutel is de leer van de elkaar doordringende
wezens of levens, ook de leer van de hiërarchieën genoemd, die tevens
onscheidbare en elkaar overal doordringende gebieden of sferen zijn. Alles
bestaat in al het andere . Er zijn in feite nergens absolute scheidslijnen,
hoog noch laag, innerlijk noch uiterlijk, goed noch verkeerd, boven noch
beneden. Er is in wezen niets dan een eeuwig ZIJN
en een eeuwig NU. Zoals de oude stoïcijnen het zo
prachtig hebben gezegd: ‘Alles doordringt al het andere.’ Zelfs de lucht
bijvoorbeeld die we inademen, trilt van de ontelbare levens; de monadische
essenties of levens zijn in de lucht die we inademen, in onze beenderen,
in ons bloed, in ons vlees, in alles. Denk erover na; laat uw gedachten
de vrije loop, maak u innerlijk vrij. Laat uw verbeelding u meevoeren
naar de wonderen die deze sleutels voor ons toegankelijk maken. Een nauwgezette
studie van de oude wijsheid en een zuiver en onzelfzuchtig leven zullen
uw onfeilbare gids zijn.
De vierde sleutel is de leer van svabhâva,
de leer van de essentiële karakteristiek van een entiteit, van een geestelijke
radicaal; ook de leer van zelfvoortbrenging of zelfwording in het gemanifesteerde
bestaan, die een bevestiging is van onze eigen verantwoordelijkheid. Dit
is de meest diepzinnige, de meest mystieke van de vier sleutels die we
tot dusver hebben genoemd, want dit is in feite de sleutel tot de andere
drie.
De vijfde is de sleutel tot zelfbewust leven en
bestaan, een onderwerp waarop we vanavond en ook op de vorige bijeenkomst
hebben gezinspeeld; want het doel, de methode en de werking van het universele
bestaan is geheel gericht op de verheffing van het lagere tot het hogere.
Dit grootse werk kan nooit worden volbracht door het ‘pad voor zichzelf’,
het pratyekayâna te gaan, maar door het amritayâna
, het ‘onsterfelijke voertuig’ of het pad van zelfbewustzijn in onsterfelijkheid
te volgen. Nogmaals, laat uw gedachten de vrije loop; geef ze de vrijheid!
Wat de twee andere sleutels betreft, moet ik misschien
zeggen dat ze betrekking hebben op hoge graden van inwijding. Ik weet
maar weinig van de zevende; mijn studies hebben mij er heel weinig over
geleerd, zo goed is hij verborgen. Ik weet echter dat maar heel weinig
mensen op deze aarde deze zevende sleutel kunnen begrijpen en gebruiken.
Over de zesde sleutel wordt ons geleerd dat deze door grote inspanning
kan worden verkregen in de hogere graden van inwijding.
Deze avond is de laatste van onze voorbereidende
studies. In de toekomst zullen we ons met diepzinniger onderwerpen bezighouden.
Beginselen
van de esoterische filosofie,
blz. 174-86
© 1998
Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag
|