HOOFDSTUK 16

ÂTMAVIDYÂ: HOE HET ENE HET VELE WORDT: ‘VERLOREN ZIELEN’ EN ‘ZIELLOZE WEZENS’. DE MENS, EEN SAMENGESTELD WEZEN: ER IS GEEN BLIJVEND BEGINSEL IN DE MENS.

    De leer van de Egyptenaren over de beginselen, uitgaande van het hoogste tot aan de laatste dingen, gaat daarom uit van één beginsel en daalt af tot een menigte die door dit éne wordt beheerst; en overal staat een niet-afgebakende natuur onder de heerschappij van een bepaalde en begrensde beschikking en van de verheven enige oorzaak van alle dingen. – Iamblichus, Over de mysteriën, par. 8, 3
    (naar vert. Thomas Taylor)

    Maar na het beëindigen van de kleinere cyclus, na de voltooiing van alle zeven ronden, wacht ons geen andere genade dan de beker van goede daden van verdienste, die op de weegschaal van de vergeldende gerechtigheid zwaarder weegt dan die van slechte daden en schuld. Slecht, onherstelbaar slecht moet dat ego zijn, in wie niet iets van zijn vijfde beginsel leeft en dat moet worden vernietigd, om in de achtste sfeer te verdwijnen. Zoals ik zeg, als er slechts iets uit het persoonlijke ego is vergaard, is dat al voldoende om hem dit droeve lot te besparen. Zo is het echter niet na de voltooiing van de grote cyclus: òf een lang nirvâna van gelukzaligheid (al is hij daar onbewust, volgens uw grove opvatting); waarna – een leven als een dhyan chohan gedurende een heel manvantara, òf anders ‘avîchi nirvâna en een manvantara van ellende en verschrikking als een ––– u moet het woord niet horen, en ik – het niet uitspreken of schrijven. Maar ‘zij’ hebben niets te maken met de stervelingen die door de zeven sferen gaan. Het collectieve karma van een toekomstige planetariër is even schoon als het collectieve karma van een ––– vreselijk is. Genoeg. Ik heb al te veel gezegd.
    – De Mahatma Brieven, blz. 185-6

Vanavond vatten we onze studie weer op waar we de afgelopen zomer waren gebleven en beginnen met het lezen van enkele passages uit De Geheime Leer (1:235-6):

    In exoterische boeken worden vier graden van inwijding genoemd, . . . Nog drie hogere graden moeten worden veroverd door de arhan die de top van de ladder van arhatschap zou willen bereiken. . . . De arhats van de ‘vuurnevel’ van de 7de rang zijn maar één stap verwijderd van de oorsprong van hun hiërarchie – de hoogste op aarde en van onze aardketen. Deze ‘oorsprong’ heeft een naam die alleen door een samenstel van een aantal woorden kan worden vertaald – ‘de altijd levende menselijke Waringin’. Men zegt dat dit ‘wonderlijke Wezen’ in het eerste deel van het derde tijdperk, vóór het scheiden van de geslachten tijdens het derde Ras uit een ‘verheven gebied’ is neergedaald.
    . . . Dit nageslacht was geen Ras. Eerst was het een ‘wonderlijk Wezen’, de ‘Inwijder’ genoemd, en na hem was het een groep half-goddelijke en half-menselijke wezens. Ze zijn in de archaïsche genese voor bepaalde doeleinden ‘apart gehouden’ en men zegt dat in hen de hoogste Dhyani’s zijn geïncarneerd, . . . om op deze aarde en tijdens deze cyclus de kweekplaats te vormen voor toekomstige menselijke adepten. Deze ‘zonen van wil en yoga’, die als het ware op onbevlekte manier zijn geboren, bleven, zo wordt verklaard, geheel afgezonderd van de rest van de mensheid.
    Het zojuist genoemde ‘WEZEN’, dat naamloos moet blijven, is de boom waarvan in de volgende eeuwen al de grote historisch bekende wijzen en hiërofanten . . . zich als takken hebben afgescheiden. Als objectieve mens is hij de geheimzinnige (voor de oningewijden: de altijd onzichtbare) en toch altijd aanwezige persoon, over wie in het oosten, vooral bij de occultisten en de beoefenaars van de heilige wetenschap, de legenden algemeen verbreid zijn. Hij verandert van vorm en blijft toch altijd dezelfde. En hij is het ook die over de ingewijde adepten van de hele wereld geestelijke heerschappij uitoefent. Hij is, zoals gezegd, de ‘naamloze’ die zoveel namen heeft, en van wie toch de namen en zelfs de aard onbekend zijn. Hij is de ‘Inwijder’ en wordt het ‘GROTE OFFER’ genoemd. Want, zittend op de drempel van het LICHT, kijkt hij vanuit de kring van de duisternis, die hij niet zal overschrijden, in dat licht en hij zal zijn post ook niet verlaten vóór de laatste dag van deze levenscyclus. Waarom blijft de eenzame Wachter op zijn zelfgekozen post? Waarom zit hij aan de bron van de oorspronkelijke wijsheid waaruit hij niet langer drinkt, omdat hij niets heeft te leren wat hij nog niet weet – inderdaad, noch op deze aarde, noch in haar hemel? Omdat de eenzame pijnlijk voortstrompelende pelgrims op hun weg terug naar huis tot het laatste ogenblik er nooit zeker van zijn dat zij niet zullen verdwalen in deze onmetelijke woestijn van illusie en materie die men het aardse leven noemt. Omdat hij graag aan iedere gevangene die erin is geslaagd zich te bevrijden van de boeien van het vlees en de illusie, de weg zou wijzen naar dat gebied van vrijheid en licht, waaruit hij zich vrijwillig heeft verbannen. Kortom, omdat hij zich heeft opgeofferd ter wille van de mensheid, al kunnen slechts enkele uitverkorenen van het GROTE OFFER profiteren.

    We hebben hier een van de meest verheven passages uit dit prachtige boek gelezen, en we proberen zo mogelijk de zaken die in de zojuist gelezen citaten zijn besproken, te behandelen en toe te lichten. We kunnen dit niet helemaal rechtstreeks doen; het onderwerp is te diepzinnig, en er is onvoldoende voorbereidende studie van gemaakt, maar we kunnen het tot op zekere hoogte indirect doen. Het is nodig dat enigszins te doen, omdat dit verheven onderwerp het zevende van de zeven juwelen is (naar boven geteld). U zult zich herinneren dat deze zeven juwelen, edelstenen of schatten, als volgt werden opgesomd: het eerste of laagste is weder geboorte, of liever wederbelichaming, misschien nog beter regeneratie. In het Sanskriet wordt het punarjanman genoemd, en in het Grieks palingenesis, en beide woorden geven praktisch dezelfde gedachte weer: het eerste element in elk woord betekent ‘weer’ of ‘opnieuw’, het tweede ‘voortbrenging’ of ‘geboorte’, ‘tot aanzijn komen’.
    Het tweede juweel, naar boven geteld, is de leer of het feit in de natuur dat ‘karma’ wordt genoemd, de leer van de gevolgen. Het derde juweel is de leer van de hiërarchieën, waarvan de Sanskrietterm loka’s is. Het vierde is de leer van svabhâva, die we in vorige bijeenkomsten kort hebben bestudeerd. Dit Sanskrietwoord heeft twee algemeen filosofische betekenissen: ten eerste zelfvoortbrenging of zelfwording; daarbij is de gedachte dat de natuur ons niet doet ontstaan door puur mechanisch of zielloos te werk te gaan, want wij brachten onszelf voort in en door middel van de natuur; wij zijn een deel van haar bewuste krachten en zijn onze eigen kinderen. De tweede betekenis is dat elke bestaande entiteit het resultaat is van wat ze in haar eigen hogere natuur werkelijk is; ze brengt tot uitdrukking wat ze innerlijk is, niets anders. Een bepaald ras bijvoorbeeld is en blijft dat ras zolang de bijzondere rassvabhâva in het zaad van het ras voortbestaat en zich aldus manifesteert, enz. Hetzelfde geldt voor een mens, een boom, een ster, een god – en wat niet!
    Het vijfde juweel, nog steeds naar boven geteld, is de leer van de evolutie, die we in de theosofische betekenis al kort hebben bestudeerd. Deze esoterische leer is niet die van het transformisme, wat goed beschouwd de juiste naam is voor de materialistische leer van Darwin en van de Fransman Lamarck aan wie hij ongetwijfeld het denkbeeld ontleende. Het is eerder de theosofische gedachte van ontvouwing of ontwikkeling, een leer – met involutie als logisch gevolg – die door twee Sanskrietwoorden wordt weergegeven, waarvan het eerst pravritti is, dat de ‘ontplooiing’ betekent van de geestelijke entiteit in de stof, of van de andere kant gezien, van stoffelijke levens in geestelijke entiteiten; en het tweede is nivritti, dat de ‘inwikkeling’ van geestelijke entiteiten in de stof betekent, of van stoffelijke levens in geestelijke entiteiten.
    Het zesde en het zevende kleinood of juweel werden op een eerdere bijeenkomst terloops besproken. We zullen nu enkele gedachten toevoegen aan wat daarover al is gezegd. Het zesde juweel is de leer die eveneens door twee samengestelde woorden met een tegengestelde betekenis tot uitdrukking wordt gebracht: het eerste is amritayâna, een Sanskriet woord dat ‘onsterfelijkheidsvoertuig’ of ‘wagen of drager, of beter, pad van onsterfelijkheid’ betekent en betrekking heeft op de individuele mens; het andere is pratyekayâna, een Sanskrietwoord met de betekenis van (in eigen woorden weergegeven) het ‘pad van ieder voor zich’. Het is onmogelijk deze laatste samenstelling met een enkel woord te vertalen. Zowel het denkbeeld als het woord bestaan bij ons niet. Het kan misschien worden benaderd door de theosofische gedachte die in het woord persoonlijkheid ligt besloten. Het mysterieuze verband tussen individualiteit en persoonlijkheid komt in deze beide samengestelde woorden of technische termen tot uitdrukking, en daarop berust een hele leer of onderdeel van de prachtige filosofie van het occultisme, de esoterische leer. Met dit juweel – en ook met het zevende – zijn die leringen van de oude wijsheid nauw verbonden die betrekking hebben op de monaden van verschillende klassen: vanwaar ze kwamen, hoe ze kwamen en waarom.
    We besteden nu maar kort aandacht aan al deze diepzinnige onderwerpen, omdat ze alle op toekomstige bijeenkomsten telkens weer zullen terugkeren en dan meer uitgebreid zullen worden toegelicht en verklaard.
    Het laatste of het zevende juweel, naar boven geteld, wordt âtma vidyâ genoemd, dat letterlijk ‘kennis van het zelf’ betekent. Deze samenstelling is slechts een woord zoals de andere, maar ze belichaamt en verhult een leer die inderdaad verheven is. U zult zich herinneren dat ik in verband met dit zevende juweel verklaarde er weinig of bijna niets van te weten. Die woorden waren slecht gekozen en wekten misschien een verkeerde indruk. Vanzelfsprekend kan iedere ernstige en toegewijde leerling van de esoterische school op zijn minst bepaalde gedeelten van deze mysterieuze leer begrijpen – iets ervan – waarbij de mate van zijn begrip afhangt van zijn innerlijke toestand van verlichting, zijn loyaliteit tegenover de leraren en trouw aan de beginselen van de school, en zijn vermogen de leringen ervan te begrijpen en er enigszins in door te dringen.
    Maar al geldt dit voor leerlingen en voor ieder overeenkomstig zijn vermogen, anderen die hoger staan dan wij kunnen er meer van begrijpen, en natuurlijk hebben de leraren er een dieper inzicht in dan wij. Waarschijnlijk zijn er echter nu op aarde geen tien mensen die deze leer volledig kunnen begrijpen. Het is een wonderleer, die zelfs de meesters vermoedelijk niet volkomen hebben doorgrond. De meesters van de meesters weten er meer van dan laatstgenoemden, d.w.z. de chohans, zoals ze worden genoemd; chohan is een Tibetaans woord dat ‘heer’ betekent en wordt gebruikt in de zin van leermeester of leraar. Maar de voornaamste en wezenlijke betekenis die overal in deze wonderlijke leer aanwezig is, en er de grondtoon van vormt, is: HOE HET ENE HET VELE WORDT; en dit is het moeilijkste probleem dat de menselijke geest ooit heeft trachten op te lossen.
    Neem als analogie bijvoorbeeld de monade. Het is onjuist van de monade te zeggen dat ze in de stof ‘afdaalt’, hoewel deze term voort durend wordt gebruikt, omdat het een geschikte uitdrukking is. Als dit goed wordt begrepen, is de term misschien geoorloofd. Maar als we de feiten werkelijk bestuderen, zien en begrijpen we algauw dat de monade niet in de stof ‘afdaalt’. Zo zal ook het Ene, hoewel het gebruikelijk en gemakkelijk is om te zeggen dat het ‘het vele wordt’, nooit het vele worden, maar altijd zichzelf blijven, de top van de hiërarchie, de oergrond ervan, het wonderlijke wezen, de verheven inwijder, op welk gebied hij zich ook bevindt. Toch komt het vele uit Het voort; en Het is hun hoogste zelf, hun paramâtman.
    Dit is dus het algemene thema van onze bespreking van vanavond; maar omdat we nu geen tijd hebben om een volledige samenvatting te geven van onze studie in de afgelopen lente en winter, zullen we, om ons geheugen op te frissen, kort enkele leringen herhalen die we op vroegere bijeenkomsten hebben aangeroerd. De eerste waar we op terugkomen is de leer van svabhâva, die in betekenis verschilt van de denkbeelden die in de verwante term svabhavat liggen besloten. Dit verschil in betekenis, dat erg groot is, wordt niet algemeen begrepen en vaak worden de beide woorden helaas met elkaar verward. Hun betekenis loopt sterk uiteen, hoewel beide van dezelfde Sanskrietwortel bhû zijn afgeleid: svabhâva, svabhavat.
    Zoals gezegd zijn deze twee zelfstandige naamwoorden afgeleid van dezelfde Sanskrietwortel bhû, die ‘worden’ betekent – niet worden in passieve zin, maar tot iets ‘worden’ of ‘groeien’. Het voornaamwoordelijk voorvoegsel sva betekent ‘zelf’; het zelfstandig naamwoord betekent dus ‘zelfwording, zelfvoortbrenging, zelfontplooiing’ tot iets. Maar zoals eerder gezegd doet het essentiële of wezenlijke of op zichzelf bestaande zelf dat niet. Evenals de monaden en het Ene zendt het wezenlijke zelf een straal van zichzelf omlaag, zoals de zon van zichzelf een straal in de duisternis van de stof werpt; en het is deze geestelijke straal die in de stof ‘afdaalt’ en op zijn beurt zelf een zelfbewuste entiteit voortbrengt of wordt – terwijl het zonlicht, de zon zelf, altijd zijn eigen integriteit of ens bewaart, nooit afdaalt en zich als een entiteit nooit volledig vermengt met de talloze menigten stoffelijke levens, die zijn eigen kinderen zijn.
    Svabhavat wordt door H.P. Blavatsky vader-moeder genoemd. Het is een toestand van kosmische bewustzijn-substantie, waarin geest en stof, die zoals u weet in essentie één zijn, niet langer tweevoudig zijn zoals tijdens manifestatie, maar één: dat wat noch alleen gemanifesteerde stof, noch alleen gemanifesteerde geest is, maar waarin beide de oorspronkelijke eenheid zijn; het geestelijke âkâsa, waar de stof in de geest opgaat en beide nu werkelijk één zijn en vader-moeder worden genoemd, de vergeestelijking als het ware van geest-substantie. In onze hopeloos onvolmaakte Europese talen moeten we naar woorden zoeken om deze denkbeelden duidelijk te kunnen weergeven! Als u het Sanskriet woord begrijpt, geeft dit de gedachte onmiddellijk weer.
    Deze twee zelfstandige naamwoorden stammen, zoals u ziet, van dezelfde wortel en beide woorden zijn wat hun oorsprong betreft nauw met elkaar verbonden, maar ze hebben helemaal niet dezelfde betekenis. Svabhâva is de zelfvoortbrenging van iets, van een entiteit, van een monade. Svabhavat is de vader-moeder, de kalpische âkâsische geest-substantie, die nooit uit haar eigen toestand of haar eigen gebied afdaalt, maar het bijna oneindige reservoir van zijn is, van bewustzijn, van licht, van leven, en de bron van wat de wetenschap tegenwoordig de ‘krachten’ van de universele natuur noemt, wat een belachelijke benaming is.
    Op deze diep mystieke en heel diepzinnige thema’s zullen we in de toekomst nader moeten ingaan, maar voor het ogenblik is het voldoende te onthouden dat svabhavat kosmische geest-substantie is, het reservoir van het zijn en van wezens. De noordelijke boeddhisten noemen het svabhavat, in meer mystieke zin âdi-buddhi – ‘oorspronkelijke buddhi’; de brahmaanse geschriften spreken over âkâsa en het Hebreeuwse Oude Testament duidt het aan als de kosmische ‘wateren’.
    Het volgende onderwerp dat enige toelichting behoeft, betreft de ‘verloren zielen’ gesteld tegenover ‘zielloze wezens’. Ik wil nog even zeggen dat deze drie of vier onderwerpen vanavond nogmaals kort worden behandeld, omdat is gebleken dat sommige toehoorders deze zaken verkeerd hebben opgevat. Er is een enorm verschil tussen ‘verloren zielen’ en ‘zielloze wezens’. Een verloren ziel is iemand in wie de ‘gouden draad’ die de lagere denkende entiteit met haar hogere zelf verbindt volledig is verbroken en die is afgescheiden van zijn hogere essentie of wortel, zijn ware zelf. Dit geval is werkelijk hopeloos. Voor dat lagere zelf is geen vereniging meer mogelijk; op het moment van de definitieve breuk begint het onmiddellijk in de achtste sfeer, de zogenaamde planeet van de dood, weg te zinken. Een zielloos wezen, een zielloos mens, is iemand in wie de draad als het ware heel dun is geworden; of liever, die in dit leven en in andere levens zo weinig geestelijke en onpersoonlijke aspiraties heeft gehad en van wie de pogingen om zich met het hogere deel van het zelf te verenigen zo zwak zijn geweest, dat de geestelijke straal zich langzaam uit het lagere deel is gaan terugtrekken. Maar hij heeft zich nog niet volledig losgemaakt. Hij is er nog steeds en zelfs één enkele heilige en onpersoonlijke aspiratie kan tot hereniging leiden. Het is geen verloren ziel, maar wat het menselijke wezen betreft, wordt het terecht zielloos genoemd, omdat de entiteit bijna geheel in haar lagere beginselen leeft. Zielloze wezens zijn die gevallen die men meestal ‘gewetenloze mannen en vrouwen’ noemt. Ze schijnen geen moreel besef te hebben, hoewel hun verstandelijke en psychische vermogens nog steeds sterk en scherp kunnen zijn.
    Dit zijn de ergste gevallen van zielloze mensen. Andere zijn die van mannen en vrouwen die eenvoudig niets schijnen te geven om dingen die goed, schoon en waar, edel, hoogstaand en verheven zijn; hun verlangens zijn van de aarde, aards; hun hartstochten zijn sterk, hun intuïties zwak. Deze gevallen komen heel veel voor, zo vaak dat H.P. Blavatsky in haar Isis Ontsluierd opmerkt dat we dagelijks ‘zielloze mensen tegenkomen’. Kijk de mannen en vrouwen eens aan die u op straat ziet. Ga de stad in, waarheen u ook gaat, de situatie is werkelijk verschrikkelijk. Er is alle kans dat iemand met een zwakke ziel die misschien alleen begint toe te geven aan de begeerten en verlangens van de wil en de passies van het denken en aan de instincten van de lagere natuur, geleidelijk, maar onvermijdelijk en zeker alle verbindingen van de hogere straal met zijn lagere natuur verzwakt of doet slijten; verbindingen die, als ze in alle opzichten sterk en actief waren geweest, de man (of vrouw) tot een god onder ons zouden maken, inderdaad een geïncarneerde god. In plaats daarvan zien we in het ergste geval van een zielloos wezen in de man of vrouw niet veel meer dan een menselijke schil (levend, maar geestelijk bijna dood). Een zielloos wezen was eens een bezielde man of vrouw die, voordat die toestand ontstond, dezelfde kans had als wij allen om de reis tot een goed einde te brengen. Dit is een ernstige waarheid die, zoals H.P. Blavatsky ons heeft gezegd, telkens weer in onze leringen moet worden onderwezen en herhaald omdat ze als waarschuwing werkelijk kan helpen. Niemand van ons is volkomen veilig op dit punt halverwege onze evolutionaire reis, want niemand van ons weet waartoe hij in staat is, ten goede of ten kwade.
    Dat is de waarheid en geen zaak van gering belang. Is het dan te verwonderen dat al onze leraren herhaaldelijk hebben gezegd dat elke leer die in onze school wordt onderwezen berust op wat men gewoonlijk ethische gedragsregels noemt en in dat licht moet worden bestudeerd? Ze zijn het enige wat ons kan redden, mits we ze serieus in praktijk brengen, want in onze studie staan deze beginselen van begin tot einde centraal.
    Op latere bijeenkomsten zullen we het lot van deze beide klassen van wezens tot het einde toe moeten nagaan; maar het is misschien goed nu al enkele woorden te wijden aan het lot van de verloren zielen. Daarbij onderscheiden we in het algemeen twee klassen: de laagste, maar niet de slechtste; en de hoogste, de slechtste. Om de betekenis van dit moeilijke onderwerp te verduidelijken, moet ik ingaan op een andere en bijkomstige gedachte, die de sleutel ertoe is: de mens is een samengesteld wezen. Op dit feit van de menselijke natuur berust een heel wonderlijke waarheid die ten grondslag ligt aan de prachtige psychologische leringen van de Heer Gautama Boeddha. Ze luidt als volgt: er is geen enkel blijvend beginsel in de ‘mens’. Laat deze gedachte diep tot u doordringen. Als ze goed wordt begrepen, zal ze u voor ontelbare gevaren behoeden. De ‘mens’ is niet zijn hogere natuur; de ‘mens’ is wat de ‘menselijke natuur’ wordt genoemd. Beseft u wel hoezeer mensen leven in wat de Hebreeën nephesh noemen, dat wil zeggen, leven in hun astrale ziel? Zo’n samengaan met onze lagere beginselen is tot op zekere hoogte noodzakelijk; maar volgens de prachtige beeldspraak van de oude filosofen zou de astrale ziel ons voertuig moeten zijn, onze drager; ze zou als het ware het paard moeten zijn dat ons op onze reis vervoert of, om een ander beeld te gebruiken, een wagen waarin we rijden, een paard dat we moeten berijden. Wij, het innerlijke zelf, moeten ons astrale ros leiden en besturen, maar moeten het nooit de baas over ons laten spelen.
    Laten we, om dit wat duidelijker te maken, het onderstaande schema bekijken:
 
Hogere duade: monade per se; onsterfelijk; goddelijke ziel wanneer ze is verenigd met het 'aroma' van de lagere duade.
 
Lagere of tussenliggende duade: de 'mens' of het 'menselijke wezen'; voorwaardelijk onsterfelijk; astrale ziel.
 
Laagste triade; lichaam; sterfelijk; stoffelijke 'ziel'.

   U ziet dat de zeven beginselen en elementen van de mens in drie afzonderlijke groepen zijn verdeeld: een lagere triade, zuiver stoffelijk en vergankelijk, een tussenliggende duade, psychisch, samengesteld en grotendeels sterfelijk, kâma-manas, de eigenlijke ‘mens’ of ‘menselijke natuur’; en een hogere duade, âtmabuddhi, onsterfelijk, onvergankelijk, de monade. Bij de dood van de mens voert deze hogere duade al wat tot de geestelijke essentie behoort, het aroma van de lagere of tussenliggende duade met zich mee; en dan is de hogere duade het hogere zelf, de reïncarnerende individualiteit of egoïsche monade. In dit stadium van evolutie bevindt het gewone levensbewustzijn van de mens zich bijna geheel in de lagere of tussenliggende duade; wanneer hij zijn bewustzijn verheft om één te worden met de hogere duade, wordt hij een mahâtma, een meester.
    Dit lagere deel van de menselijke natuur is samengesteld. Het bezit in het geheel niets dat per se blijvend is; als entiteit heeft het niets dat blijft bestaan. Het is de gewone mens zoals hij nu is en die geen enkel duurzaam zelf-beginsel in zich heeft. Als men zijn gedachten en verlangens richt op de dingen van de lagere natuur, dan volgt en wordt men deze inderdaad, zoals bij de leer van svabhâva is uiteengezet en aangetoond. Zoals een mens denkt, zo is hij! De Hebreeuwse woorden in dit oude gezegde, dat is ontleend aan Spreuken (23:7), luiden in onze taal: ‘Zoals hij in zijn hart (nephesh) denkt, zo is hij’, maar het Hebreeuwse woord nephesh dat hier is gebruikt, betekent in werkelijkheid ‘Zoals hij in zijn lagere natuur denkt, zo is (wordt) hij.’ Een Sanskrietcommentator, Yâska (Nirukta, 10, 17), maakt in zijn woordverklaring van een bepaalde vedische tekst de volgende treffende opmerking over precies hetzelfde onderwerp: Yad yad rûpam kâmayate devatâ, tat tad devatâ bhavati – ‘Naar welk lichaam (of vorm, of gedaante) een goddelijk wezen (godheid) ook verlangt (wenst, dat wil zeggen, waaraan het zich overgeeft), dat wordt het goddelijk wezen’. Dat is het hele geheim. Wij zijn wat we van onszelf maken, onze eigen kinderen. Niets anders. En als onze gedachten zijn gericht op het hogere zullen we tenslotte in het gezelschap komen van de godheden; en, voordat we hen bereiken, komen we in het gezelschap van de heilige leraren, omdat we ons in die zin ontwikkelen; we worden zoals zij; en zij zullen op hun beurt daarop reageren.
    Maar als daarentegen onze gedachten omlaag zijn gericht en we de zilveren of gouden draad die ons met onze hogere natuur verbindt verzwakken, vallen of gaan we vanzelf naar omlaag, steeds lager, tot tenslotte de gouden keten of draad definitief breekt en de ziel een verloren ziel wordt, een verloren astrale ziel, en haar lot is als volgt. Zoals eerder opgemerkt, bestaan er twee klassen van deze soort zielen. De eerste klasse is de laagste maar niet de slechtste; ze bestaat uit die mensen op deze planeet (of op een andere planeet met een mensheid zoals de onze) die als gevolg van een aangeboren zwakheid van ziel en door het gebrek aan een omhooggerichte geestelijke aantrekkingskracht na een zeker tijdsverloop, dat al naar de omstandigheden lang of kort kan zijn, te gronde gaan: het lagere deel van de natuur dat samengesteld, onbestendig, niet duurzaam is, volgt de natuurwetten, en valt tenslotte eenvoudig uiteen, verdwijnt zoals ook het menselijk lichaam sterft en ontbindt. Dat is het einde ervan; het wordt tenslotte vernietigd.
    De monade van zo’n ziel zal intussen, omdat er niets is, geen aroma van omhooggerichte aspiraties of verlangens dat uit dat leven of die levens kan worden meegenomen – en bedenk wel dat het inderdaad zo is dat verloren zielen evenals bezielde wezens kunnen reïncarneren; dat kunnen ze inderdaad; er worden kinderen als verloren zielen geboren; een zeldzaam feit misschien, maar het kan voorkomen en komt ook voor – ik herhaal, de monade van zo’n verloren ziel zal na verloop van tijd weer ‘reïncarneren’; de episode als verloren ziel is als een onbeschreven bladzijde in ‘het boek van zijn levens’.
    De tweede klasse, en verreweg de slechtste, bestaat uit degenen in wie de ziel grote vitale kracht bezit. Zij zijn het die geestelijk slecht zijn, hoe paradoxaal dat ook mag klinken, en die de christelijke leraren in het Nieuwe Testament wezens van geestelijke verdorvenheid en zonde hebben genoemd. Men vraagt zich misschien af hoe een wezen dat de gouden draad heeft verbroken nog geestelijke kwaliteiten of beginselen kan bezitten. Dat is een van de duistere en diepzinnige mysteries waar we later meer in detail op in moeten gaan. Vanavond hebben we daar geen tijd voor; we kunnen er wel op wijzen dat om het te verklaren we de esoterische psychologie en de aard van hoogontwikkelde astrale stof moeten begrijpen. Maar laat me dit zeggen: als een ziel een indruk of impuls kan ontvangen, en dat kan ze zeer zeker, zal die indruk of impuls haar doen voortgaan tot de oorspronkelijke kracht ervan is uitgeput, tot de impuls is uitgewerkt en niet langer bestaat. Gedurende vele, vele levens van geestelijk kwaad doen hebben deze wezens, die tenslotte verloren zielen werden, door de intensiteit van hun wil als het ware een reservoir gevormd van bepaalde natuurkrachten, van slechte en puur stoffelijke impulsen, die vurig en sterk zijn. En wanneer ik vurig zeg, bedoel ik dat niet in de gewone emotionele zin zoals wanneer men spreekt over ‘vurige begeerte’. Al die begeerten zijn dood. Nee, vurig zoals de vlammen van de hel: wraakzuchtig, vol haat en vijandschap tegenover alles wat verheven en goed of edel en schoon is en al dat soort dingen. Deze impulsen zijn aanwezig en ze hebben een geestelijke oorsprong, want het zijn ontaarde geestelijke energieën, als het ware in de stof verzonken en verstarde geest. Dit diepzinnige onderwerp is inderdaad moeilijk te verklaren, maar dit is de kern ervan. Tenslotte kan ik eraan toevoegen dat deze wezens onder bepaalde omstandigheden nog veel dieper kunnen zinken (en dat ook doen): ze betreden het pad naar omlaag en zakken nog verder weg; en als het kwaad in bepaalde zeldzame gevallen heel groot is, is hun verschrikkelijke lot wat de leraren een avîchi-nirvâna hebben genoemd (avîchi is een algemene term voor wat gewoonlijk de hel wordt genoemd), eonen van onuitsprekelijke ellende die men zichzelf heeft bezorgd, waarna de uiteindelijke ontbinding volgt – en de natuur hen niet meer kent.
    U herinnert zich natuurlijk dat we het onderwerp van de hellen en hemelen hebben bestudeerd, maar tot nu toe hebben we geen tijd gehad hier uitvoerig op in te gaan. Avîchi is een algemene term voor plaatsen waar het kwaad uitwerkt (niet voor het ondergaan van straf in de christelijke betekenis), waar de wil om het kwade te doen en de onbevredigde lage verlangens naar pure eigenbaat de kans krijgen om te groeien en tenslotte de entiteit zelf vernietigen. Avîchi heeft vele stadia of graden. De natuur heeft alles in zich; zoals ze hemelen kent waar goede en rechtschapen mensen rust, vrede en gelukzaligheid vinden, zo kent ze ook andere sferen en toestanden waarheen zij worden aangetrokken die een uitlaat moeten vinden voor de lage hartstochten die in hen branden. Zij vallen aan het eind van hun avîchi-nirvâna uiteen, worden vermalen en verdwijnen tenslotte als een schaduw voor de zon – vermalen in het laboratorium van de natuur.
    U herinnert zich dat er in andere bijeenkomsten op is gewezen dat onze esoterische leringen geen ‘wetten’ van de natuur kennen en wel om twee redenen: ten eerste omdat er niet zoiets als de ‘natuur’ bestaat. De natuur is geen entiteit; het is een abstractie. De natuur is niet een godin of een god, niet een wezen of een planeet, niet een gebied of een heelal. De natuur is bij wijze van spreken het abstracte, immense geheel van alle wezens en dingen die zich vermengen en op elkaar inwerken en op elkaar reageren: geestelijke, tussenliggende en lagere; hun onderlinge vermenging en verbondenheid brengen wat we de natuur noemen tot stand. De hier bedoelde wezens bestaan natuurlijk in allerlei graden, van de meest stoffelijke en laagste tot de hoogste van een hiërarchie. De tweede reden is dat dit geheel van wezens, dat we gemakshalve met de term natuur aanduiden, niet door ‘wetten’ wordt ‘bestuurd’. Wie of wat maakt wetten, die de natuur zal of moet volgen of al volgt? Niemand, god noch duivel. Maar de vraag kan en moet worden gesteld: volgt de natuur niet bepaalde wegen, en als de omstandigheden en voorwaarden gelijk zijn, zijn dan die wegen, die wij wetten noemen, niet altijd dezelfde? Natuurlijk is dit zo; niemand ontkent een feit. Wij ontkennen de juistheid van de verklaring. Verklaringen zijn belangrijk. Als iemand naar u toekomt en iets tegen u zegt en u vindt dat hij alleen maar wat praat en het bij woorden laat, terwijl u het brood des levens verlangt, neemt u dan wat hij zegt voor waar aan? Hoort u alleen de woorden aan en bent u tevreden met het kaf? Of denkt u na en zegt u: ‘Mijnheer, ik heb nagedacht over wat u me vertelde; wat u zegt zijn alleen woorden; niemand ontkent bestaande feiten, maar ik wil een verklaring van die woorden en feiten. Ik wil iets dat mijn ziel voedt.’ Krijgt u voedsel voor uw ziel wanneer u alleen hoort praten over mechanische, onbegrijpelijke natuurwetten? Beseft u dat geen enkel groot denker in de oudheid ooit dergelijke nietszeggende taal heeft gebruikt zoals over natuurwetten en de daarmede samenhangende denkbeelden – of het gebrek aan denkbeelden? Nooit. Het begrip ‘natuurwetten’ is een product van onze tijd dat aan twee bronnen is ontleend: ten eerste aan de christelijke godsdienst en ten tweede aan het moderne wetenschappelijke materialisme. De mens is zich door alle eeuwen heen volledig ervan bewust geweest dat de natuur bepaalde heel regelmatige en steeds dezelfde wegen volgt, tegenwoordig wetten genoemd; maar onze voorouders hadden voor deze regelmatigheden in de natuurverschijnselen andere en verstandiger verklaringen, want zij wisten meer van de innerlijke mysteriën van het zijn, omdat ze ware religie achter en in zich hadden; ze bezaten een universele filosofie en tenslotte, en dat was niet het minst belangrijke, hadden ze wat men ingewijden noemde, mensen die zelf in en achter de natuur konden doordringen en daarover directe kennis konden verkrijgen.
    Waardoor werkt de natuur zoals ze werkt? De hedendaagse wetenschapper zal u zeggen dat hij met natuurwetten die opeenvolgingen van gebeurtenissen bedoelt, die altijd op dezelfde manier plaatsvinden wanneer de omstandigheden en voorwaarden dezelfde zijn; de regelmatige opeenvolging van verschijnselen en krachten. Als de christelijke theoloog u vertelt wat hij met natuurwetten bedoelt, zal hij vermoedelijk ongeveer het volgende zeggen: ‘Wel, broeder, het is waarschijnlijk de wil van de almachtige God. Het is waar dat Hij ons geen volledige verklaring van deze moeilijke problemen heeft willen geven, maar het is in wezen de goddelijke wil die eens en voor altijd het mechanisme van de natuur heeft geschapen en in werking heeft gesteld.’ Ongeveer twee- of vijf- of zeshonderd jaar geleden hadden deze heren een andere verklaring, die wat afweek van de bovenstaande, omdat de moderne wetenschap nog niet was begonnen met het nadrukkelijke uitspreken van meningen of van een eigen opvatting. Deze andere theologische verklaring was dat het de almachtige God zelf is die deze dingen, die de natuur voortbrengt, persoonlijk en daadwerkelijk leidt en regelt. ‘Hij laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen; Hij laat de zon schijnen en de regen vallen’, en veel meer in dezelfde trant. Maar toen kwamen bepaalde sceptische denkers die zeiden: ‘Ha, ha, God de Schepper! Dan heeft Hij ook ziekten geschapen en het kwaad in het hart van de mens. Zo moet het zijn en niet anders, omdat Hij de mens en alle andere dingen heeft geschapen. En omdat Hij alwijs is, moet Hij hebben geweten wat Hij deed. Waarom wordt iemand dan gestraft voor iets dat hij wel moest doen, want God heeft toch de mens en zijn denken, zijn hart en zijn wil geschapen?’
    Het schijnt dat daarom de latere opvatting van de theologen was dat God met zijn eigen almachtige hand de wereld maakte, haar in draaiende beweging bracht, en de verschillende elementen ervan elk hun eigen loop liet nemen; en dat Hij de wereld, waarop het oorspronkelijke stempel van de goddelijke intelligentie was afgedrukt, haar weg liet vervolgen.
    Ik denk dat ik de vroege theologische opvatting juist heb weerge geven.
    De ingewijden, die de geheimen van de natuur kennen, bezaten woorden die geschikt waren om precies uit te drukken wat ze wilden zeggen; woorden die indruk maken en niet slechts abstracties zijn, hoewel ze als dat hun uitkwam ook van abstracties gebruik maakten. Ze bedienden zich van zulke woorden als beginselen en elementen van de natuur. Het is volkomen waar dat dergelijke woorden trefwoorden, technische woorden zijn, maar ze wisten precies wat ze ermee bedoelden. Ze spraken ook in mystieke en theologische zin over de ‘goden’. Een van de meest betreurenswaardige dingen die het gevolg zijn van het opzettelijk, weloverwogen onderdrukken door de christelijke kerk van vele waarheden uit de oudheid, is dat de meeste geleerden of onderzoekers nu evenmin weten wat de Ouden met de goden en hun werk bedoelden als wat op dit ogenblik op de ster Sirius gebeurt. Maar als het polytheïsme wordt begrepen en goed wordt uitgelegd wat het is, blijkt het een prachtige en edele leer te zijn. Het betekent bijvoorbeeld niet dat elke god even groot en uniek, of even almachtig en alwetend is als de God zoals de christelijke theologen die zien. Volstrekt niet. De goden, dat wil zeggen geestelijke entiteiten, zijn de hogere bewoners van de natuur. Ze vormen een wezenlijk deel van de natuur zelf, want ze zijn haar bezielende beginselen; ze zijn evenzeer onderworpen aan de willen van nog hogere wezens – noem deze willen de wetten van hogere wezens als u wilt – als wij en als de dieren beneden ons. Wij zijn goden voor de wezens die ons lichaam samenstellen. De atomen in ons lichaam zijn op hun manier bewust en wij zijn voor hen als goden. En wat zij natuurwetten zouden kunnen noemen, is wat wij denken en wat wij willen. De natuur is van begin tot eind bewust in velerlei graden, al is er in werkelijkheid geen begin en geen einde, wat ijdele dromen zijn.
    Bovendien heeft de natuur twee aspecten, een positief en een negatief aspect. U moet goed begrijpen dat ik het woord natuur gebruik in de betekenis die ik eerder eraan heb gegeven, omdat deze gewone uitdrukking een geschikte term is die wordt begrepen. Als een spreker telkens opnieuw drie of meer minuten moet besteden aan een uiteenzetting van een al toegelicht woordgebruik, komt hij nooit klaar met wat hij wil zeggen. Nu we eenmaal hebben uitgelegd wat we met natuur en met wetten bedoelen, mogen we deze of andere gewone woorden gemakshalve gebruiken. H.P. Blavatsky spreekt ook voortdurend over de wetten van de natuur en de fundamentele wet van karma, en ook Katherine Tingley spreekt herhaaldelijk over de hogere wet. Wie heeft niet heel ont wikkelde mensen horen zeggen dat de zon ‘in het oosten opkomt’? Natuurlijk weten zij en ook wij dat de zon niet in het oosten opkomt. Mensen vinden het vaak nuttig en gemakkelijk om gewone taal te gebruiken als ze een gedachte begrijpelijk willen weergeven. Maar dat betekent niet dat men hen te letterlijk moet nemen, want elk verstandig mens weet heel goed dat het alleen om een gemakkelijke manier van uitdrukken gaat.
    De zogenaamde natuurwetten zijn dus de werking en wisselwerking van bewustzijnen en willen – in de kosmos – niet zozeer gezien als verpersoonlijkte bewustzijnen en willen. Wij gebruiken deze woorden meer als ab stracties die de gezamenlijke werkingen aanduiden van alle bewustzijnen en willen in de kosmos. Toch zijn deze wetten, als we teruggaan tot hun oorzaken, tot hun bron, in werkelijkheid de actieve bewustzijnen en willen van de ontelbare menigten wezens die de ‘natuur’ zelf vormen en zijn, en die door en in de ‘stof’, hun voertuig, werken – abstract de natuur genoemd. De natuur heeft twee polen of kanten: een positieve en een negatieve. Onderzoek uzelf nauwkeurig en u zult ontdekken dat zelfs uw denken tweevoudig is, zoals alles, want het weerspiegelt de natuur. Het heeft zijn passieve kant, zijn onbewuste reflexen, zoals het lichaam en de natuur die hebben. Het heeft ook zijn positieve of actieve kant. Er is een groot verschil tussen de bewuste wil en de onbewuste wil. Neem het lichaam als voorbeeld van wat ik probeer te zeggen; het kloppen van het hart, het automatische knipperen met de ogen of het proces van de spijsvertering. Dat zijn onbewust verrichte handelingen die worden beheerst door onbewuste of halfbewuste elementale entiteiten; wanneer ze normaal plaatsvinden, heeft de wil van de mens er bewust niets mee te maken. Ze vertegenwoordigen de passieve kant van zijn wil zoals die door die elementale wezens tot uiting komt. Maar hij heeft ook een actieve of positieve kant waarmee hij zijn wil gebruikt, denkt en dienovereenkomstig handelt, en voor deze laatste dingen wordt hij verantwoordelijk gehouden, haalt hij zich karmische verantwoordelijkheid op de hals.
    Dit voorbeeld van de passieve en actieve wil in de geest en het lichaam van de mens zelf, illustreert precies wat er in de natuur gebeurt. De wetten van de stoffelijke natuur zijn de werkingen en gevolgen van de passieve kant van de wezens en bewustzijnen die samen wat men de natuur noemt vormen; en hoe hoger die wezens zijn, des te minder manifesteert hun actieve of positieve kant zich op de lagere gebieden.
    Werk daarom met de natuur mee en niet tegen haar; overtreed geen van haar wetten als u gezondheid en geluk verlangt. Onthoud wat H.P. Blavatsky in De Stem van de Stilte zegt – laten we het in eigen woorden weergeven: werk met de natuur samen en volg haar; word één met haar en ze zal u eer bewijzen als een actieve, zelfbewuste medewerker – een meester. Geluk kan alleen worden gevonden als men trouw is aan deze fundamentele waarheid van onscheidbare eenheid. Er schuilt geen geluk in onbroederlijkheid, in zelfzuchtige daden of in pogingen uw persoonlijke wil aan anderen op te leggen. Door te geven, door het zelf te geven aan het Al, vindt men het leven in al zijn schoonheid. Er is geen geluk dat daarmee is te vergelijken en er is voor de leerling geen snellere, zekerder en veiliger weg om tot innerlijke ontplooiing te komen dan die van het opgeven van het persoonlijk zelf voor edele onpersoonlijke doeleinden. Het is de weg naar vrede en innerlijke kracht.
    Laten we de enkele minuten die ons nog resten gebruiken om op een interessant natuurverschijnsel te wijzen, dat de afgelopen zomer plaatsvond. Ik bedoel dat de planeet Mars dicht bij de aarde kwam, en ik spreek er met opzet over omdat het licht werpt op een aspect van ons onderwerp.
    U zult ongetwijfeld hebben gehoord dat onze wetenschappers tot de conclusie zijn gekomen – en ze denken dat hun theorie op waarheid berust, maar volgens de theosofie is ze absoluut onjuist – dat de planeet Mars ouder is dan de aarde. De enige reden dat ze dit zeggen, is dat wanneer ze onderzoeken wat ze van de oppervlakte van Mars door hun tele scopen kunnen zien, ze geen enkel voor iedereen duidelijk en overtuigend teken van zelfs maar plantaardig leven vinden. Blijkbaar zien ze op die rode bol geen enkele organische werkzaamheid en trekken daaruit direct de conclusie dat Mars dood is en in een toestand verkeert die enigszins op die van de maan lijkt, en daarom veel ouder is dan onze planeet aarde. In de eerste plaats kan voor wie de oude wijsheid bestudeert, de ‘ouderdom’ van een planeet twee dingen betekenen. Wordt er bedoeld ouder in geestelijke ervaring – u weet dat een planeet in Grieks-Latijnse zin een ‘animal’ is, wat ‘levend wezen’ betekent; het is een hiërarchie van levens – of betekent het alleen dat de stoffelijke bol ouder is dan de onze?
    De oude wijsheid leert dat Mars jonger is dan de aarde. Zijn lichaam, de stoffelijke bol, is jonger. Hij verkeert nu echter in een toestand van ‘verduistering’, die we misschien slaap kunnen noemen, maar die in werkelijkheid meer is dan slaap alleen, want verreweg de meeste van zijn talloze levens, van zijn levende entiteiten, hebben hem verlaten om naar hogere gebieden of bollen van de planeetketen van Mars te gaan. Maar ook dit betekent niet – men moet bij onze studie heel voorzichtig zijn in het gebruik van uitdrukkingen – dat er op Mars geen leven is. Wanneer ons eigen stoffelijk lichaam slaapt, betekent dit dan dat het in verval is, dat het dood is? Zijn er in het slapende menselijke lichaam geen levensprocessen aan de gang? Natuurlijk wel, en zelfs vele: herstel en versterking van de banden van de innerlijke natuur, niet van de innerlijke natuur zelf, maar van de banden die de vitaal-astrale entiteit ermee verbinden.
    Er bevinden zich op de planeet Mars in zijn tegenwoordige toestand van verduistering – en dit werpt licht op een ander punt – bepaalde wezens die daar door de levensgolf van Mars zijn achtergelaten toen deze bij het begin van de verduistering van die planeet zich daarvan terugtrok. Deze wezens worden in het Sanskriet sishta’s genoemd, wat ‘achterblijvers’ of ‘overgeblevenen’ betekent, dat wil zeggen, wezens die tot taak hebben de levenszaden op die planeet in stand te houden totdat in het volgende manvantara de stroom wezens van de terugkerende levensgolf deze voor hen gereedstaande en in alle opzichten geschikte lichamen zullen vinden. Er zijn zeven soorten sishta’s: drie elementale, de minerale, de ‘plant-’, het ‘dier’-type daar, dat de mens op Mars vertegenwoordigde, en nog een. Bepaalde sishta’s behoren in het geheel niet tot de lagere typen; ze moeten hoger hebben gestaan dan het gemiddelde van de mensheid van die planeet toen haar verduistering begon om de meer ontwikkelde mensheid in haar volgende ronde goede en geschikte voertuigen voor de nieuwe levenscyclus of het nieuwe manvantara daar te verschaffen. In het algemeen zijn de sishta’s die hogere klassen – elk van haar eigen soort en rijk – die op een planeet worden achtergelaten wanneer deze in verduistering gaat, om als levenszaden te dienen voor de volgende toestromende levensgolf wanneer het nieuwe manvantara op die planeet aanbreekt.
    Venus daarentegen is nu bezig aan haar laatste ronde. Anderzijds is de planeet Mercurius pas begonnen aan zijn laatste ronde. Deze beide planeten zijn veel ouder dan de aarde. Mars is jonger – ik spreek hier niet over de geestelijke ouderdom, maar alleen over de ouderdom van het stoffelijk lichaam, de bol. Het is, zoals u zich zult herinneren, in het algemeen een wet (ik gebruik deze term ‘wet’ gemakshalve), het is in het algemeen gesproken in ons zonnestelsel een feit in de natuur dat hoe verder een bol (of planeet) van de zon af staat, hoe jonger in fysiek opzicht hij is. Mars heeft zijn derde ronde voltooid. Wij op aarde zijn in onze vierde ronde; Venus is in haar zevende en laatste, en Mercurius is juist aan zijn zevende begonnen.
    Ik heb deze kwestie ter sprake gebracht omdat enkelen de leer van H.P. Blavatsky in De Geheime Leer over de zes begeleidende bollen van de planeetketen van de aarde verkeerd hebben begrepen. Zij zeggen dat wij naar de aarde kwamen vanaf de planeet Mars, die dus als een van de bollen van de planeetketen aarde werd gezien; dat we nu op aarde zijn en dat we in het toekomstige (volgende) manvantara naar Mercurius zullen gaan, die dus ook tot de bollen van de planeetketen aarde werd gerekend.
    Dit is volslagen onjuist. Zoals gezegd bevindt Mercurius zich in zijn zevende ronde; wij zijn in onze vierde en onze volgende ronde zal onze vijfde zijn. Het is juist dat Mars zijn derde ronde heeft voltooid, maar hoewel de planeten die verder van de zon zijn verwijderd in het algemeen in stoffelijk opzicht jonger zijn dan de planeten die dichterbij staan, betekent dit niet dat ze daarom ook geestelijk jonger moeten zijn. Neem bijvoorbeeld de planeet Saturnus. De planeet Saturnus is geestelijk verder gevorderd dan de planeet Mars of dan onze planeet Terra.
    Als u een boek over sterrenkunde opslaat en de verschillende gegevens vergelijkt over de dichtheid van de planeten, zoals die in tabellen staan vermeld, vindt u daarin een praktische en in het algemeen nauwkeurige regel om vast te stellen welke stoffelijke planeten fysiek ouder zijn dan andere. Maar dit heeft dan geen betrekking op de geestelijke ouderdom of evolutie; en dit feit toont hoe ingewikkeld het voor de onder zoeker is als hij deze leringen bestudeert, die in werkelijkheid heel eenvoudig zijn, maar ons ingewikkeld toeschijnen omdat ons denken op de stof is gericht en niet op de geest. Het is moeilijk over zulke dingen na te denken met het denkvermogen dat we bezitten, omdat dit uit stof is opgebouwd en bij onze dood uiteenvalt. Deze onderwerpen berusten op geestelijke feiten. Vandaar de verwarring waar Sinnett en anderen die hem volgden, last van hadden – en die zelfs zover ging dat ze hun eigen leraren loochenden!
    De planeet Saturnus is omgeven door ringen – ik ben hier op zeer gevaarlijk terrein en zal langzaam spreken om geen verkeerde indruk te wekken – de planeet Saturnus is, van de zon af gerekend, de laatste van de zeven heilige planeten van de Ouden. Uranus en Neptunus behoren in werkelijkheid niet tot ons zonnestelsel en zeker niet de laatstgenoemde. In stoffelijk opzicht doen ze dat wel, omdat ze onder invloed van dat stelsel staan ongeveer zoals bezoekers die als gast worden ontvangen. Maar ze behoren niet tot of maken geen deel uit van het zevental heilige planeten uit de oudheid waarover u allen ongetwijfeld heeft gelezen. Die zeven heilige planeten kunnen voorlopig als volgt worden genoemd: Saturnus, Jupiter, Mars, zon, Venus, Mercurius en maan. Ik zeg voorlopig omdat er veel meer achter deze zeven heilige planeten zit dan op het oog schijnt. De zon en de maan bijvoorbeeld worden in bovengenoemde reeks beschouwd als twee plaatsvervangers van de twee werkelijke planeten; voor Mars geldt – tot op zekere hoogte – hetzelfde. We kunnen hier niet meer erover zeggen.
    Zullen we zeggen dat de zon en de maan twee andere planeten vertegenwoordigen? Laten we voorlopig de reeks nemen zoals ze gewoonlijk wordt gegeven, waaronder de zon en de maan: elk van deze zeven bollen is een lichaam zoals onze eigen aarde, in die zin dat elk een zevenvoudige keten, zevenvoudig van samenstelling, is – met zes andere hogere bollen van ijlere stof boven de stoffelijke bol, precies zoals wij mensen onze zes beginselen hebben boven deze drager of dit voertuig dat ten onrechte als een beginsel wordt beschouwd en dat we ons lichaam noemen. Dit geldt niet volledig voor de maan, omdat de maan dood is; niettemin heeft zelfs de maan haar zes begeleidende bollen. Terloops merk ik op dat de mysteries rond de maan bijzonder interessant zijn en we zullen te zijner tijd daarop ingaan voorzover dat ons mogelijk is; maar met uitzondering van de manen hebben de andere bollen en planeten van het zonnestelsel elk zes begeleidende bollen van ijlere stof, die alle vol leven zijn, tenzij ze in verduistering zijn; en in het leven van de planeten vertonen deze een bijzondere analogie met de zeven beginselen van de mens, want als we onze eigen beginselen konden zien, konden zien wat de structuur van elk beginsel is, zouden we merken dat het in feite een rûpa of vorm is. Laat mij hier echter een voorbehoud maken: de zes begeleidende bollen van een planeet of een ander siderisch lichaam zijn niet werkelijk de zes beginselen van zo’n lichaam, want elk van deze zeven bollen, die deel uitmaken van een keten, heeft zijn eigen individuele zeven beginselen en elementen. Zo heeft elke planeet of elk siderisch lichaam zijn zes begeleidende bollen, die samen een planeetketen vormen, en alleen die bollen die zich op hetzelfde kosmische gebied van de natuur bevinden, zijn fysiek zichtbaar voor elkaar. We kunnen bijvoorbeeld alleen de bollen van elk van de andere planeet- of siderische ketens zien van het vierde (planetaire) gebied, omdat wij, evenals zij, op het vierde planetaire gebied zijn. Als we op het kosmische gebied boven ons zouden zijn, zouden we twee Jupiters en twee Saturnussen zien, enz.
    Zoals zojuist is opgemerkt, is ook de zon zevenvoudig. In dit verband bestaat er een prachtige leer. Al is de maan dood, ze heeft eveneens zes begeleidende bollen. Als we deze aarde verlaten, wanneer ze aan het eind van deze ronde haar verduistering begint, en naar de bol erboven gaan, zullen we de twee maanlichamen zien die tot dat gebied behoren en ook twee zonnen.
    We besluiten nu deze bijeenkomst en spreken de hoop uit dat we de volgende keer meer gelegenheid en vrijheid zullen hebben om enigszins uitvoerig in te gaan op het verheven onderwerp dat H.P. Blavatsky in De Geheime Leer voor ons heeft uiteengezet in de citaten die we aan het begin van deze avond hebben gelezen.


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 187-206

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag