HOOFDSTUK 18

    
    DE GEESTELIJK-PSYCHISCHE HIËRARCHIE VAN ADEPTEN. HET WONDERLIJKE WEZEN, DE BOEDDHA’S, NIRMÂNAKÂYA’S, DHYÂN-CHOHANS.

    Toen sprak de Gezegende, en zei:
    ‘Weet, Vâsettha, dat (van tijd tot tijd) in de wereld een Tathâgata wordt geboren, een volmaakt Verlichte, gezegend en achtenswaardig, vol wijsheid en goedheid, gelukkig, met kennis van de wereld, onovertroffen als gids voor dwalende stervelingen, een leraar van goden en mensen, een gezegende Boeddha. Hij doorgrondt uit zichzelf het heelal, en ziet het als het ware van aangezicht tot aangezicht – de wereld beneden met al haar geesten, en de werelden boven, van Mâra en van Brahmâ – en alle schepselen, sama.na’s en brahmanen, goden en mensen, en maakt dan zijn kennis aan anderen bekend. De waarheid, schoon in haar oorsprong, voortgang en voleinding, verkondigt hij naar de letter en naar de geest: het hogere leven maakt hij bekend in al zijn zuiverheid en volmaaktheid.’ Tevijja Sutta (naar vert. in The Sacred Books of the East, Deel XI, blz. 186-7)

    Wij lezen vanavond nogmaals het gedeelte uit het De Geheime Leer (1:235), dat we op de vorige bijeenkomst hebben gelezen:

    De arhats van de ‘vuurnevel’ van de 7de rang zijn maar één stap verwijderd van de oorsprong van hun hiërarchie – de hoogste op aarde en van onze aardketen. Deze ‘oorsprong’ heeft een naam die alleen door een samenstel van een aantal woorden kan worden vertaald – ‘de altijd levende menselijke Waringin’. Men zegt dat dit ‘wonderlijke Wezen’ in het eerste deel van het derde tijdperk, vóór het scheiden van de geslachten tijdens het derde Ras, uit een ‘verheven gebied’ is neergedaald.

    Vanavond zullen we in sommige opzichten een stap verdergaan, veel verder dan we ooit bij een dergelijke gelegenheid zijn gegaan. Het voornaamste doel van de twee voorafgaande bijeenkomsten was een toelichting te geven op enkele inleidende denkbeelden die verband houden met deze prachtige leer van het wonderlijke wezen.
    Laten we eerst opmerken dat het sleutelwoord van deze leer het woord waringin is. U weet ongetwijfeld allen wat een waringin is, een bekende boom in India die Ficus bengalensis wordt genoemd, de ‘Bengaalse vijg’, omdat hij aan de vijgenboom verwant is. Hij groeit snel en heeft algauw heel respectabele afmetingen. Van zijn takken hangen ranken naar omlaag die, wanneer ze de grond bereiken, daarin wortel schieten. De rank die omlaag is gegroeid en in de grond wortel schiet, wordt ook een boomstam die op zijn beurt takken vormt; deze takken brengen weer andere ranken voort, die op hun beurt nieuwe wortels worden, en deze groeien weer uit tot nieuwe stammen waaraan andere takken ontstaan, die op hun beurt nieuwe ranken ontwikkelen, enz. Het is een prachtige beeldspraak die voor dit onderwerp is gekozen.
    Dit wonderlijke wezen is een geestelijke waringin. Als we zouden zeggen dat het ons hogere zelf is, zouden we een misleidende uitdrukking gebruiken; het zou de feiten geweld aandoen. Niettemin is het in zekere zin ons hogere zelf, onze paramâtman. Geestelijk zijn we eraan ontsprongen; en wanneer de levensgolf op deze planeetketen in de loop van de cyclussen haar ronden heeft doorlopen, zullen we opnieuw in de hiërarchische waringin worden teruggetrokken. Wat deze planeet en meer in het bijzonder haar denkende entiteiten betreft, is het in feite onze Vader in de hemel. Het wonderlijke wezen waarop hier wordt gedoeld, moet niet worden verward met zijn lagere evenbeeld, de verheven inwijder, het grote offer, het hoofd van de geestelijk-psychische hiërarchie van adepten, het onderwerp dat ons nu direct bezighoudt.
    U zult zich herinneren dat we op vorige bijeenkomsten erop hebben gewezen dat de loop van de evolutie van de mens, vooral van zijn psychische natuur, niet alleen een kopie in het klein is van de ontwikkeling van werelden op macrokosmische schaal, maar ook van verschillende hoge geestelijke wezens die de leidende intelligenties van de kosmos zijn en van hun voertuigen in het heelal. Wanneer de tijd voor manifestatie, voor het uitzenden van een levensgolf aanbreekt, begint, vervolgt en voltooit ze haar evolutionaire loop eerst op het hoogste ‘gebied’ van haar neerwaartse en voorwaartse reis. Dan vertrekt ze uit dat gebied, gaat naar een lager en laat op het gebied of de sfeer waartoe ze het eerst werd aangetrokken en waarin ze was doorgedrongen, voertuigen achter van velerlei aard, die min of meer actief blijven, hoewel de hoofdstroom van de levensgolf verder is getrokken. Hetzelfde gebeurt op alle zeven gebieden of sferen van manifestatie – eerst in de geestelijke wereld, dan in de psychische, vervolgens in de astrale en tenslotte in de stoffelijke wereld, waar de grens wordt bereikt waartoe de actieve impuls of kracht van de evolutiegolf in dat manvantara kan komen en die wij de absolute stof voor die bepaalde levensgolf noemen: vier gebieden vanaf haar begin, naar beneden geteld. Drie andere gebieden naar omhoog voltooien de manvantarische cyclus.
    Bedenk hierbij dat in onze leringen geen ‘absoluten’ volgens de gangbare betekenis van dat woord kunnen voorkomen, want in feite zijn alle absoluten betrekkelijk. Het absolute zelf, onze Vader in de hemel, is slechts het absolute van onze hiërarchie, haar kroon, haar toppunt, haar glorie; of, als we het beschouwen als de oorsprong van de gemanifesteerde wezens, hun wortel of hun zaad. En omdat de hele natuur in tweepolige fasen werkt, is ‘absolute stof’ het diepste punt dat een geestelijke impuls in die bepaalde manvantarische cyclus kan bereiken. Lager staan andere volledige hiërarchieën, terwijl zich boven onze hiërarchische (niet individuele) Vader in de hemel het laagste gebied bevindt van weer een andere, maar hogere hiërarchie, een van de ontelbare hiërarchieën die gezamenlijk de universele kosmos vormen.
    Op de vorige bijeenkomst hebben we opgemerkt dat we voorzichtig moeten zijn wanneer we over het ene spreken. De reden daarvoor is dat er een oneindig aantal van dergelijke enen bestaat, en dat volgt noodzakelijk uit wat we vanavond en bij andere gelegenheden hebben gezegd.
    Als de monade in de stof afdaalt, of liever, als haar straal – een van de ontelbare stralen die van haar uitgaan – in de stof dringt, brengt ze uit haarzelf door uitscheiding en afscheiding op elk van de zeven gebieden waar ze doorheen gaat, verschillende voertuigen voort; alle worden door het zelf overschaduwd, hetzelfde zelf in u en mij, in planten en in dieren, in feite in al wat is en tot die hiërarchie behoort. Het is het ene zelf, het verheven zelf of de paramâtman van de hiërarchie. Het verlicht en volgt elke individuele monade en al haar ontelbare stralen. Elk van deze monaden is een geestelijk zaad uit het voorafgaande manvantara, dat zich in dit manvantara als een monade manifesteert; en deze monade brengt uit zichzelf door middel van haar stralen al haar voertuigen voort, eerst door uitscheiding en daarna door afscheiding, en die voertuigen zijn in de eerste plaats het geestelijke ego, die de weerspiegeling of kopie in het klein is van de monade zelf, maar die door de manvantarische evolutie is geďndividualiseerd en het voertuig of de drager is van de monadische straal. Laatstgenoemde kan niet rechtstreeks met de lagere gebieden in contact komen omdat hij tot de monadische essentie zelf behoort, een nog hogere straal van het oneindige grenzeloze dat uit een oneindige veelheid in eenheid bestaat.
    Het volgende voertuig is de geestelijke ziel, de drager van het geestelijke ego. Op zijn eigen hogere gebied is dit voertuig als het ware een bundel of zuil van licht. Hetzelfde geldt voor de verschillende ego’s en de daarmee verbonden zielenvoertuigen op de lagere gebieden; alle worden voortdurend dichter naarmate de stoffelijke gebieden, waarin de monadische straal doordringt, naar beneden toe zich geleidelijk meer en meer verdichten tot de laatste ‘ziel’. De laatste ziel is het stoffelijk lichaam, het algemene voertuig of de drager van alle. Zoals de term ziel hier wordt gebruikt, moet hij worden beschouwd als een algemene uitdrukking voor elk voertuig of elke drager van een egoďsch centrum of ego.
    Wanneer we dit hiërarchische wonderlijke wezen ons hoogste zelf noemen, bedoelen we dat het het oorspronkelijke zaad is waaruit we voortkomen en ons tot samengestelde entiteiten ontwikkelen, het on sterfelijke goddelijke deel van onze natuur en ons wezen. In één opzicht kunnen we het beschouwen als een bundel goddelijk licht die in een manvantara in ontelbare individuen of entiteiten (monaden en monadische stralen) uiteenvalt, om zich wanneer de pralaya aanbreekt, weer in zichzelf terug te trekken, maar verrijkt en veredeld door de individuele ervaringen die zijn ontelbare aantallen gemanifesteerde monaden en mona diche stralen hebben opgedaan, omdat ze, hoewel aanvankelijk niet- zelfbewuste godsvonken, nu zelfbewuste godheden zijn. De ontelbare verschillende individuele bewustzijnen winnen aan macht, heerlijkheid en zelfkennis door middel van het leven en de levens waar ze doorheen zijn gegaan. Vandaar de prachtige leer die hieruit voortvloeit.
    In het afgelopen voorjaar hebben we erop gewezen dat het enige doel van alle manvantarische evolutie is de verheffing van het sterfelijke tot het onsterfelijke, en als illustratie van deze gedachte noemden we de prachtige invocatie van Katherine Tingley, ‘moge ik van vergankelijk onvergankelijk worden; moge ik uit het duister treden in het licht’. Dat is inderdaad het doel van de kosmische evolutie. Hebben wij, u en ik, zo’n toestand al bereikt? Nee, dat hebben we niet; onze onsterfelijkheid als mensen bestaat niet, of beter, ze is voorwaardelijk en zal dat blijven tot wij ‘het vergankelijke tot het onvergankelijke hebben verheven’.
    Om het nog meer te verduidelijken, vestigen we uw aandacht op het volgende: geen enkele deelnemer aan deze bijeenkomsten hoeft zich ontmoedigd te voelen door de verwarring die volgens hem misschien ontstaat doordat op verschillende plaatsen woorden zijn gebruikt zoals geestelijk, goddelijk, wonderlijk wezen, het ene, hiërarchie, en vele andere, die elders en in andere situaties een afwijkende betekenis schijnen te hebben. Een dergelijk gebruik is in feite onvermijdelijk. Geen enkele Europese taal heeft passende termen of uitdrukkingen ontwikkeld voor deze majestueuze en (voor ons) vaak ingewikkelde leringen; daarom moet een spreker in dit opzicht doen wat hij kan. Maar let wel, er hoeft geen enkele verwarring te bestaan en op den duur zal die er ook niet meer zijn als de onderzoeker of lezer de volgende feiten voortdurend in gedachten houdt. De hele kosmos of natuur is trapsgewijs opgebouwd en berust op overeenkomsten en herhalingen, zodat in feite elk zich herhalend thema met dezelfde woorden kan worden beschreven. Dat komt omdat er nergens absoluten zijn en alles ten opzichte van al het andere betrekkelijk is. De enige verschillen zijn die in evolutionaire ontwikkeling en de relatief hogere of minder hoge mate waarin de geest of de stof is geëvolueerd of zich manifesteert. Wat goddelijk is voor de ene hiërarchie, is feitelijk voor een andere, veel hogere hiërarchie de grofste stof; maar zowel in de ene als de andere gelden strikt dezelfde regels, omdat de kosmos of de natuur één algemene lijn, één wet en één algemene en overal herhaalde gedragslijn volgt, die even strikt en volledig van toepassing is op een kosmos als op de kleinere kosmos, het atoom.
    Daarom is het wonderlijke wezen van onze eigen planetaire geestelijk-psychische hiërarchie van adepten, enz., een evenbeeld in het klein van het kosmische ene van de universele kosmische hiërarchie van het zonnestelsel, enz.
    Als we deze regel steeds in gedachten houden, zal de verwarring geleidelijk vervagen in de glorieuze pracht van de verlichting. Het is de moeite van het proberen zeker waard!
    Sommigen vinden het misschien merkwaardig dat we op de vorige twee bijeenkomsten het geval van de verloren zielen en dat van de kinderen van dit wonderlijke wezen – de boeddha’s – tegenover elkaar hebben gesteld. Vanzelfsprekend vormen de eerstgenoemden de andere of tegenpool van de boeddha’s, want deze verloren zielen komen evenals de boeddha’s uiterst zelden voor. In ons huidige evolutiestadium, waarin deze verloren zielen zich voordoen, is het andere gebeuren even zeldzaam: de verheffing van het sterfelijke tot het onsterfelijke, van het vergankelijke tot het onvergankelijke.
    Laten we ons hierin nog wat verder verdiepen. Wat gaat er eigenlijk ‘verloren’? Het is de ziel. Maar wat is de ziel? Zoals ik eerder heb verklaard, gebruiken wij het woord ziel voor een voertuig dat zich op de hogere gebieden als een bundel of zuil van licht manifesteert en op de lagere gebieden, afhankelijk van de spiritualiteit of de stoffelijkheid van het gebied, als een min of meer stoffelijk lichaam. Deze zielen zijn in alle gevallen levende, meer (of minder) bewuste, voelende entiteiten; samengestelde levende wezens, die alle uit ontelbare menigten kleinere (lagere) entiteiten zijn opgebouwd, zoals ons lichaam uit een bijna oneindig aantal atomaire, heel kleine kosmossen, of uiterst kleine heelallen bestaat.
    Zo’n ziel gaat verloren, wordt inderdaad vernietigd, wanneer ze haar contact, of liever verbinding, heeft verloren met wat haar onsterfelijkheid of de belofte daarvan schenkt. Want als de impuls, alle impulsen of aspiraties, gericht op de inwonende godheid of haar nauwere vereniging daarmee, zijn verflauwd of volledig zijn verdwenen, is er niets over om haar – samengesteld als ze is, zoals al is gezegd – bijeen te houden. Dan verliest ze haar samenhang en valt uiteen, zoals het stoffelijk lichaam in het vuur of in de aarde wordt ontbonden. Wat gebeurt er dan met de onsterfelijke monade die haar bezielde? Haar werk in dat voertuig wordt met geweld afgebroken. De loop van de natuur, van het lot, wordt in dat bepaalde geval verstoord en onderbroken. Toch blijft alles bestaan wat in de voorafgaande levens van die monade in andere vroegere voertuigen aan geestelijke waarden werd vergaard; en na een bepaalde periode zendt de monade een andere straal uit, een ander ego, maar de bladzijde van de verloren ziel blijft bij wijze van spreken onbeschreven – ze is als het ware volkomen uitgewist, ze bestaat niet meer. In het onsterfelijke is er niets van achtergebleven. Het is werkelijk iets verschrikkelijks, niet alleen in geestelijk opzicht, maar ook voor de hogere ziel, het geestelijke ego zelf (zie schema op blz. 234).
    Wanneer daarentegen eens in vele, vele generaties het spirituele in een ziel tot volledige bloei komt en het sterfelijke zich tot het onsterfelijke verheft, is het tegenovergestelde het geval: er wordt een meester geboren, bewust onsterfelijk, voor eeuwig met zijn hogere individuele zelf verbonden. Zoals het ene geval de ene pool is, is het andere geval de andere pool van de ontwikkelingsgang van de natuur.
    Is in het eerste geval de ziel verloren, dan wacht haar geen pijn en geen smart meer; ze wordt uitgewist en verdwijnt, zoals een schaduw die langs een muur glijdt en dan verdwijnt.
    De moderne wetenschap zegt ons in de hypothesen, die op haar jongste ontdekkingen berusten, dat elk stoffelijk atoom ten eerste bestaat uit een centrale kern, die proton wordt genoemd; en ten tweede, dat andere corpusculaire lichamen – elektronen – daaromheen cirkelen, ronddraaien of wentelen – precies zoals de planeten en vele kometen in het zonnestelsel dit om de zon doen. We zullen deze feiten gebruiken als een toelichting op ons onderwerp, omdat de gedachte in grote lijnen overeenkomt met die van de oude wijsheid. Vervolgens moeten we begrijpen dat omvang of grootte alleen geen bewijs of criterium voor grootheid is, noch wat geestelijke, noch wat fysieke kracht betreft. Het is een feit dat elk atoom in het gemanifesteerde heelal een drager of voertuig van levens is. Ons lichaam bestaat en is opgebouwd uit ontelbare aantallen van dergelijke atomen, die alle een kosmos of zonnestelsel in het klein zijn, en hun menigten oneindig kleine astraal-psychische en zelfs geestelijke wezens meevoeren. Daarboven, allesdoordringend en beheersend en aan alles een samenhangend en eigen leven schenkend, staat het leven, de overheersende kracht en aard van onze eigen persoonlijkheid, van ons eigen persoonlijke ego als mens; de paramâtman, het geestelijke zelf, de Vader in de hemel. Wij zijn niet noodzakelijk groter in essentie, dan een entiteit van deze ontelbare aantallen oneindig kleine wezens die in een of ander atoom van ons lichaam leven, zich bewegen en hun bestaan hebben. Er kunnen daaronder entiteiten zijn die veel verder zijn gevorderd dan wij, hoe paradoxaal dat ook mag klinken; en daarom herhaal ik: ‘Vernietig uw denkvormen, laat het licht binnen!’ Is iets beslist onwaar omdat het ons vreemd voorkomt en het misschien nieuw voor ons is? Zou u of ik durven zeggen: ‘Dit of dat is de enige waarheid, het enige wat kan bestaan’? Wat is hier het criterium voor de waarheid? Wat is trouwens waarheid, naar dergelijke maatstaven beoordeeld?
    Laten we een stap verder gaan. Neem ons lichaam, of bijvoorbeeld de organen ervan – het hart, de lever, de hersenen en andere, die alle van het overheersende persoonlijke ego van de mens bepaalde uitstralingen van kracht ontvangen en alle een kosmisch heelal of een universele kosmos zijn voor de menigten kleine atomaire wezens die het samenstellen. Is het u in dit verband ooit opgevallen of bij u opgekomen dat ons zonnestelsel, vergeleken met de universele kosmos, zo’n klein atomair wezen is, gevormd door zijn proton, de zon, en zijn elektronen, de planeten, waarbij elke planeet haar ontelbare menigten levens meevoert en deel uitmaakt van het voertuig, of lichaam als u wilt, van een onmetelijk grote entiteit die ons bevattingsvermogen volkomen te boven gaat? ‘God’? Maar waarom God? Welke zekerheid hebben we dat zo’n reusachtige entiteit beter is dan u of ik, zoals van God wordt verondersteld? Grootte of omvang alleen, grootte in materiële zin alleen, is absoluut geen criterium. Wat we ons voorstellen kan waar of misschien niet waar zijn. Maar waar het hier op aankomt is dat, zoals ons lichaam wordt bijeengehouden door de krachten die erdoorheen stromen, die van ons afkomstig zijn en door u en mij worden uitgestraald en doorgegeven, zo zendt het ene van de universele kosmos – of van een lagere hiërarchie – het vele uit en beheerst het. Het universele kosmische wonderlijke wezen is dus ons hoogste zelf; wat in geen enkel opzicht het andere feit weerspreekt of aantast dat ieder van ons zijn eigen monadische hogere zelf heeft, een vonk ervan, die op haar beurt is bestemd in toekomstige manvantara’s het hoogste zelf van een kosmos te worden. Een diepzinnige, verheven gedachte! En het wonderlijke wezen van geringere grootte en pracht, dat de oergrond is van onze eigen planetaire geestelijk-psychische hiërarchie van adepten, een miniatuur als het ware van de kosmische hiërarchie, is het wezen waarover wordt gesproken in de passage uit De Geheime Leer die ons nu bezighoudt.
    Op de vorige twee bijeenkomsten en ook vanavond hebben we over het hiërarchische wonderlijke wezen gesproken als een entiteit, omdat het, algemeen opgevat, inderdaad een entiteit is. Er zijn echter drie vormen waarin, of gebieden waarop, deze entiteit zich manifesteert; voor de duidelijkheid en gemakshalve zullen we hier de boeddhistische termen gebruiken, termen uit het boeddhisme en uit Tibet, zoals die in het Sanskriet voorkomen. Het hoogste aspect of de hoogste subentiteit van het wonderlijke wezen wordt âdi-boeddha genoemd, waarbij âdi ‘oorspronkelijke’ (of de hoogste) betekent. Deze âdi-boeddha is in de toestand van dharmakâya: een samengesteld Sanskrietwoord met de betekenis van het ‘voortzettingslichaam’, soms evengoed – of slecht – vertaald door ‘lichaam van de wet’; beide zijn heel ontoereikende uitdrukkingen, want de vertaling van deze hoogst mystieke termen is uiterst moeilijk. De juiste vertaling volgens het woordenboek gaat geheel aan de esoterische betekenis voorbij, en juist op dat punt maken westerse geleerden soms zulke belachelijke fouten. Het eerste woord komt van de wortel dhri, die ‘steunen’, ‘instandhouden’, ‘meevoeren’, ‘dragen’ en dus ‘voortzetten’ betekent; ook menselijke wetten zijn middelen die geacht worden de beschaving te dragen, te steunen, instand te houden; het tweede element, kâya, betekent ‘lichaam’; het zo gevormde zelfstandige naamwoord kan worden vertaald met het ‘lichaam van de wet’, maar deze uitdrukking geeft de gedachte in het geheel niet weer. Het is dat geestelijke lichaam of die toestand van een verheven geestelijk wezen, waarin het gevoel een ziel en ego te zijn in een universeel (hiërarchisch) besef is opgegaan en hoogstens nog slechts in zaadvorm, dat is latent, blijft voortbestaan. Het is zuiver bewustzijn, zuivere gelukzaligheid, zuivere intelligentie, vrij van elk persoonlijk denken.
    Het tweede aspect of de tweede subentiteit wordt dhyâni-boeddha, ‘boeddha van contemplatie’ genoemd die, wat puur onpersoonlijke spiritualiteit aangaat, veel lager staat dan de eerdergenoemde. Deze wordt gedragen door de sambhoga-kâya, twee Sanskrietwoorden, die ‘vreugde-lichaam’ of liever ‘deelnemingslichaam’ betekenen, omdat de boeddha in de toestand van sambhogakâya nog steeds deelheeft aan zijn bewustzijn als individu, zijn egoďteit en zijn ziel, en deze behoudt, hoewel hij nog te ver boven materiële of persoonlijke zaken staat om zich erom te bekommeren of zich ermee in te laten; en daarom zou hij hier op onze stoffelijke aarde machteloos zijn. Zoals H.P. Blavatsky eens heeft gezegd, zou een god uit de hemelse sferen die alleen in zijn eigen natuur leeft, zonder een stoffelijk lichaam om zich in stoffelijke gebieden te manifesteren, daar volkomen machteloos zijn.
    Het derde en laagste, maar in zekere zin hoogste aspect of subwezen (hoogste vanwege de buitengewoon grote vrijwillige zelfopoffering die zijn incarnatie in een menselijk lichaam betekent) is de mânusha-boeddha, dat is de ‘menselijke boeddha’, omdat hij in een menselijk lichaam wordt geboren om onder de mensen zijn meedogende werk te doen. De mânusha-boeddha leeft en werkt, wanneer hij dat wil of nodig acht, in de nirmâ.nakâya, ‘vorm-lichaam’, waarover een prachtige leer bestaat, die later wordt toegelicht.
    De dhyâni-boeddha’s vormen een van de tien klassen van wezens die uit het voorafgaande planetaire manvantara naar onze bol kwamen. We noemen ze als volgt: de drie elementalenrijken, de laagste; het delfstoffenrijk; het plantenrijk; het dierenrijk. [De schrijver gebruikt hier voor dierenrijk het woord ‘beast kingdom’ en niet ‘animal kingdom’.] Ik onderbreek even om een opmerking te maken. Spreek in dit verband niet over ‘animal’. We moeten precies zijn. ‘Animal’ betekent een wezen dat een anima of een ‘levende ziel’ bezit. De mens is in die zin ook een ‘animal’, maar geen ‘beast’ [dier]. Zijn vitaal-astraal-stoffelijk lichaam is een dier en hij werkt in en met een menselijke ziel door een vitale of dierenziel, verlicht door een geestelijke ziel. We hopen later tijd te hebben dit punt vollediger toe te lichten.
    Na het dierenrijk komt nog een rijk: het mânusha-rijk of rijk van de mens. Tot zover hebben we dus drie elementalenrijken, 3; dan het delfstoffenrijk, 4; het plantenrijk, 5; het dierenrijk, 6; en het mensenrijk, 7. Dan beginnen de dhyân-chohans die uit drie klassen bestaan. De mens is in zijn hogere natuur in de kiem een dhyân-chohan, een heer van meditatie. Het is zijn bestemming, als hij de reis met succes volbrengt, aan het eind van de zevende ronde uit te groeien tot een heer van meditatie, als u wilt tot een geestelijke planetariër of een planeetgeest, wanneer deze planetaire manvantarische kalpa voorbij is, deze dag van Brahmâ, die de zeven ronden met elk zeven stadia omvat. Zoals gezegd zijn er drie klassen van dhyâni-chohans, en zoals u weet zijn deze drie klassen op hun beurt elk in zevenen verdeeld. De vierde van de zeven waarin de laagste van deze drie klassen is verdeeld is die dhyân-chohan die gedurende deze vierde ronde onze ‘God in de hemel’ is. Zijn geestelijk hoofd is de âdi-boeddha van de vierde ronde. Hijzelf is een dhyâni-boeddha.
    Laten we proberen dit te verduidelijken. Op iedere planeet of bol van de zeven bollen die de planeetketen vormen, ontwikkelt zich, of beter, verschijnt er, als de levensgolf de bol in een bepaalde ronde bereikt – en dat geldt voor alle zeven ronden – een boeddha, of beter gezegd, een mahâboeddha: één wanneer een bol weer tot nieuw leven komt en een andere mahâboeddha wanneer de levensgolf de planeet verlaat na haar ronde daar te hebben voltooid. In zo’n bolronde verschijnt er ook voor elk ras een boeddha, die als het ware een straal van de mahâboeddha van de planeet is en de rasboeddha wordt genoemd; en halverwege het ras of wanneer het ras zijn hoogtepunt bijna heeft bereikt, overschaduwt deze op zijn beurt een uitverkoren menselijk voertuig dat rein en edel is, of geestelijke grootheid bezit; dit laatste wordt de boeddha die de geestelijke weg bereidt voor de grote rasboeddha van het volgende wortelras, die kort voor het einde van het voorafgaande wortelras verschijnt. Zo iemand (als deze laatste) was Heer Íâkyamuni, Gautama Boeddha, die nu zoals de leraren ons zeggen, als een nirmâ.nakâya op aarde leeft. Zoals we al hebben verklaard, is een nirmâ.nakâya het laagste van de drie mystieke voertuigen. Het bestaat in zeven graden of soorten, en in de laagste hiervan behoudt het wezen, het geestelijke wezen, al zijn menselijke beginselen, behalve het stoffelijk lichaam – alle. Het is in elk opzicht een mens, afgezien van het lichaam dat het heeft afgelegd.
    Al deze boeddha’s – de tijd ontbreekt ons vanavond om de wonderlijke mysteries die met deze leer zijn verbonden toe te lichten – al deze boeddha’s van een ronde komen voort uit de dhyâni-boeddha van die ronde. Ze maken deel uit van de geestelijke-psychische hiërarchie van die ronde. Deze dhyâni-boeddha van onze vierde ronde, onze Vader in de hemel, is het wonderlijke wezen, de grote inwijder, het offer, waarover eerder is gesproken. De naam en titels zijn soms ook van toepassing op dat geestelijke wezen, de rasboeddha, dat kort vóór of aan het begin van een wortelras verschijnt. Deze kiest op bepaalde tijdstippen gedurende het bestaan van dat ras een geschikt menselijk voertuig, gewoonlijk een van de grote loge, om dit uitverkoren voertuig te overschaduwen of erin te incarneren, al naar gelang de omstandigheden – afhankelijk van de graad van materialiteit van het ras en de ronde en vele andere factoren – en dit uitverkoren voertuig dat op deze manier wordt overschaduwd, wordt de mânusha of menselijke boeddha. Strikt genomen is de ras-boeddha zelf ook een mânusha of menselijke boeddha. Zoals al eerder is opgemerkt, is waarschijnlijk geen van deze titels of benamingen strikt beperkt tot één enkele entiteit; ze worden vaak, mutatis mutandis, op meer dan één enkele entiteit of klasse toegepast. Dit geeft veel te denken.
    Op deze manier wordt dit onderwerp van het wonderlijke wezen, dat zo ingewikkeld lijkt maar in feite heel eenvoudig is, verklaard. Het lijkt ingewikkeld omdat het zo subtiel is, maar het is inderdaad erg eenvoudig. Ons stoffelijk brein belet ons te zien hoe gemakkelijk en duidelijk het is. De straal die door heel ons individuele wezen valt, waaraan we ons geestelijke leven en ons geestelijke voedsel ontlenen, komt rechtstreeks tot ons van dit hiërarchische wonderlijke wezen, in wie wij allen zijn geworteld. Hij neemt ten opzichte van ons in psychisch en geestelijk opzicht precies dezelfde plaats in als het menselijke ego, het mens-ego, inneemt ten opzichte van de ontelbare aantallen elementale entiteiten die zijn lichaam samenstellen – de oneindig kleine atomaire wezens, waar eerder op werd gewezen, worden hier niet bedoeld.
    Bedenk dat de analogie ook juist is als we haar toepassen op het universele, het kosmische, en zeggen dat dat onuitsprekelijke ene – dat het hoogste van het hoogste en het meest innerlijke van het innerlijke van ons kosmische heelal is, dat tot de verste grenzen van de melkweg reikt – zich verhoudt tot alles binnen de melkweg, zoals ons menselijke ego zich verhoudt tot de oneindig kleine, atomaire heelallen die zijn eigen stoffelijk lichaam samenstellen. De symboliek is er; de overeenkomsten zijn er; en door de overeenkomsten proberen we iets te verklaren van het mysterie hoe het ene het vele wordt; niet omdat het ene ‘in de stof afdaalt’ of werkelijk en letterlijk het ‘vele’ wordt. Volstrekt niet. Maar zoals de zon een immens en onuitputtelijk reservoir is van vitale, psychische en geestelijke stralen die hij miljarden jaren lang uitzendt zonder dat er een eind aan komt, zo verlicht dit hiërarchische wonderlijke wezen van kosmische grootte ons via zijn lagere maar verheven wonderlijke wezens van verschillende graad; het verheft en inspireert ons en leidt ons vooruit en omhoog naar de onsterfelijkheid, terwijl het door middel van zijn eigen geestelijke straal in ons voortdurend zijn best doet onze stoffelijke vergankelijkheid te verlichten en onvergankelijk te doen worden, opdat we van het persoonlijke tot het individuele zullen komen en ‘we uit het duister mogen treden in het licht!’ Er komt een tijd dat we dit werk zullen doen en bewust onvergankelijk zullen worden, met de natuur zullen samenwerken en er één mee worden; want dit wonderlijke wezen dat de fundamentele kracht is achter alles wat wij de natuur noemen, was in lang vervlogen manvantara’s een mens zoals u en ik nu zijn. Ook wij zullen zo worden, als we de kosmische reis met succes volbrengen. Een prachtige inspirerende gedachte!
    Ik zal nu een citaat lezen uit een van de voordrachten die Katherine Tingley kortgeleden hield, omdat het zo uitstekend past bij het onderwerp dat we nu bestuderen, in die zin dat als we hier komen met een rein hart en een zuiver motief, van elkaar leren in een geest van ware kameraadschap en broederlijke liefde, we allen iets zullen ontvangen dat verheven en groots is, iets dat ons zal aansporen omhoog en voorwaarts te gaan. Het zal iets heiligs en zegenrijks zijn. Luister:

    Een mens krijgt waar hij voor werkt, en als hij er niet voor werkt, krijgt hij het niet. Maar als iemand zo naar waarheid verlangt dat hij er werkelijk naar hongert, zal hij haar ontvangen. Het is als het ware de wijn des levens, de openbaring van het levensboek. Geen taal kan het beschrijven.
    Zij die naar de waarheid verlangen, die de moed hebben het nieuwe leven te beginnen en het verlangen koesteren in zekere zin te worden herboren, moeten alles overboord zetten wat hen belemmert, hun beperkingen, hun twijfels, hun angsten, hun afkeer en hun hartstochten. De mens is een verheven wezen als hij zijn eigen geestelijke natuur kent en er volhardend naar streeft te worden waarvoor hij is bestemd.

    We moeten onze lezing vanavond bekorten. Ze is al erg lang, maar we hebben nog meer te zeggen.
    We moeten er ook op wijzen dat De Geheime Leer van H.P. Blavatsky zowel een exoterisch als een esoterisch boek is. Het bevat leringen die esoterisch waren voordat dit boek werd gedrukt. Nu zijn ze ‘exoterisch’. Maar als iemand denkt – wat ik nooit deed, de onsterfelijke goden zij dank – dat hij De Geheime Leer kent als hij het boek eenmaal of zelfs een dozijn of twintigmaal heeft gelezen, vergist hij zich erg. Men moet niet alleen tussen de regels van het boek lezen, maar ook tussen de woorden. Voor mij heeft de volgende regel grote waarde: sta nooit toe dat uw gedachten over een uitspraak daarin vaste vorm aannemen; laat geen enkel denkbeeld ooit kristalliseren; vernietig de vormen, laat het licht binnen. Het is een uitstekende regel. Zodra iemand zegt: ‘Ik heb de waarheid’, pas dan voor hem op, want hij is waarschijnlijk blind. Zijn denken is verstard en hij kan het licht niet zien.
    Deze dingen, deze gedachten die we bestuderen, zijn belangrijk; we moeten er niet licht over denken. Ze betekenen omhooggaan of omlaaggaan; we moeten elke dag en elk ogenblik tussen de twee paden kiezen. Ik bedoel dit niet als een preek. Ik spreek uit mijn hart, want ik heb de waarheid ontdekt van wat ik zeg en de grote betekenis ervan.
    Laten we nu deze kwestie van zielen en ego’s, waarop vanavond is gezinspeeld, met behulp van een schema toelichten:
paradigma

    Bekijk nu deze tekening die een eivorm voorstelt. Het is geen exacte grafische weergave, dat wil zeggen, geen afbeelding; het is een paradigma. Een paradigma is een grafisch symbool, geen afbeelding van iets.
    De drie evenwijdige lijnen die boven het ei zijn getekend stellen de arűpawereld, de vormloze wereld, voor; en de zeven gebieden binnen het ei, de rűpawereld. Zeven is altijd het aantal van de gemanifesteerde beginselen, die als een individueel wezen worden bijeengehouden door de hogere triade, de arűpatriade, die er de oorsprong van is.
    De hoogste drie van de zeven gebieden binnen het ei worden ook arűpa – vormloos – genoemd, maar alleen in relatieve zin. Bedenk dat een van de eerste lessen van de esoterische wijsheid luidt: er zijn geen absoluten. We spreken wel over absoluten, maar alleen als betrekkelijke absoluten. De gangbare betekenis van dit woord, namelijk grenzeloze en eindeloze voltooiingen, is volstrekt onaanvaardbaar, omdat zulke absoluten niet bestaan, want elk ding staat wat aard, ruimte en tijd betreft in betrekking tot een ander ding en dat moet zo zijn, tenzij we de logica en het gezonde verstand opzijzetten.
    Denk u eens in: als iets absoluut was in de oude gewone betekenis, zou het alles zijn, zou er behalve dat niets anders kunnen zijn dat is gemanifesteerd, geen verandering ten goede, geen vooruitgang, geen evolutie. Relativiteit – dat wil zeggen algemeen voorkomende onderlinge betrekkingen in ruimte en tijd – ligt ten grondslag aan de gedachte dat de kosmos een geheel is van zich ontwikkelende entiteiten, voortgekomen uit oneindige beweging, oneindig leven, oneindige vooruitgang.
    We gaan nu verder met onze bespreking van het paradigma. Door dit eivormige paradigma daalt de straal uit de arűpawereld af, voorgesteld door de verticale lijn die het zelf aanduidt. Dit zelf manifesteert zich overal in elk atoom waarmee het in deze kosmos in aanraking komt – en doordringt deze allemaal – als het individuele zelf, het egoďsche zelf, het menselijke zelf, het astrale zelf, enz. Deze hoogste drie delen, de arűpatriade, worden gezamenlijk ook paramâtman genoemd, het hoogste zelf, de top of bloem van de hiërarchie, de oergrond of bron van dat zelf.
    Houd steeds in gedachten dat er een andere hiërarchie is boven ons hoogste niveau; dit deel is het laagste, de ‘absolute stof’ van die hogere hiërarchie. Alles is betrekkelijk. Absolute stof, zelfs van onze eigen hiërarchie, zou ontastbaar, onzichtbaar voor ons zijn. Waarom? Omdat onze huidige stoffelijke zintuigen niet tot haar gebied behoren en daarom in het evolutieproces niet zijn geoefend haar waar te nemen; onze zintuigen, het gezicht, de reuk, de smaak, het gehoor en de tastzin kunnen alleen die dingen kennen, al die dingen, waarvoor ze door ervaring in en via onszelf zijn gevormd. Wij zijn in dit manvantara niet afgedaald in de absolute stof van een andere hiërarchie dan de onze; we zijn slechts zover omlaaggegaan als de stadia van deze hiërarchie toelieten. Ik bedoel nu niet onze kosmische hiërarchie, maar onze planetaire hiërarchie. Wees om al eerdergenoemde redenen niet absoluut in het gebruik van bepaalde termen. Als we over een ‘hiërarchie’ horen spreken, moeten we onmiddellijk vragen welke. Als we over het ‘zelf’ horen spreken, moeten we ons onmiddellijk afvragen welk zelf. Als we over de ‘ziel’ horen spreken, laten we dan onmiddellijk vragen, welke ziel. Dit is een betrouwbare regel en leidraad om te volgen als het erom gaat allerlei passages te verklaren.
    Zoals zojuist is opgemerkt, stellen deze hoogste drie gebieden, aangeduid door de drie horizontale lijnen, schematisch de paramâtman of het hoogste zelf voor van de hiërarchie in de archetypische wereld. Laten we zeggen dat de bovenste cirkel binnen het ei het monadische omhulsel of de goddelijke ziel voorstelt, die vanuit een ander standpunt, de âtman of het goddelijke ego wordt genoemd. Laten we de cirkel op het horizontale vlak onder het monadische omhulsel de geestelijke ziel of de individuele monade noemen. Het daarmee corresponderende zelf is de jîvâtman. Dan komt de derde cirkel in dit ei, waarmee de hogere menselijke ziel overeenkomt en die uit de lagere buddhi en het hogere manas bestaat; het zelf dat daarmee correspondeert is de bhűtâtman, wat het ‘zelf van wat is geweest’ betekent, of het reďncarnerende ego. De vierde is de lagere menselijke ziel of de mens, manas en kâma; het daarmee corresponderende zelf is de prâ.nâtman of het persoonlijke ego. De volgende nog lagere cirkel – die evenals alle andere steeds duisterder wordt, wat ik heb geprobeerd aan te geven door een zwaardere arcering – is de dierlijke ziel, kâma-prâ.na. Het zelf dat daarmee correspondeert kan eenvoudig het dierlijke ego worden genoemd. De laagste ‘ziel’ van alle is tenslotte het stoffelijk lichaam. Onthoud dat het woord ziel in onze oude wijsheid voertuig betekent; natuurlijk omvat dit laagste voertuig, het stoffelijk lichaam, ook de prâ.na en het lin.gaßarîra of model lichaam dat er de achtergrond, het zaad en de wortel van is. Deze drie zijn niet te scheiden.
    Let op de rol van het zelf in dit diagram dat schematisch wordt voorgesteld door de lijn die van het hoogste gebied afdaalt, door alle gebieden onder hun archetypische oorsprong heen loopt en deze doordringt. Ik breng onder uw aandacht dat niet alleen Plato maar de hele Griekse school van mystieke filosofieën over het zelf sprak als immanent in de kosmos, en als een offer, dat de christelijke mystici soms de ‘in de stof gekruisigde christus’ noemen; en dat als we de leer van het wonderlijke wezen die we hebben bestudeerd op de exoterische christelijke godsdienst toepassen, we ontdekken dat de christelijke mythos of legende er in werkelijkheid geheel aan werd ontleend en, verdraaid weergegeven, de ‘incarnatie van de logos’ werd genoemd. In de oude Griekse filosofie werd het woord logos op vele manieren gebruikt, wat de christenen helaas slecht begrepen. De dhyân-chohan, over wie we vanavond hebben gesproken is, wat deze vierde ronde betreft, onze geestelijke logos, de planetaire logos. De geestelijke entiteit achter de zon is de zonnelogos van ons zonnestelsel. Hoe klein of groot een zonnestelsel ook mag zijn, elk heeft zijn eigen logos, de bron of oorsprong van bijna ontelbare kleinere logoi in dat stelsel. Elk mens heeft zijn eigen geestelijke logos; elk atoom heeft zijn eigen logos; elk atoom heeft zijn eigen paramâtman en műlaprakriti, want elke entiteit heeft haar eigen allerhoogste. Deze dingen en de woorden die worden gebruikt zijn betrekkelijk. Omvang en grootte hebben er totaal niets mee te maken; het werkelijke criterium is kwaliteit, geestelijke kwaliteit. Het is van groot belang en nuttig dit te onthouden. Die ene regel heeft mij ontzaglijk veel geholpen.
    Er is mij gevraagd kort over een ander onderwerp te spreken dat verband houdt met de terugkerende cyclussen van het jaar en vooral die van Nieuwjaar. H.P. Blavatsky zegt ergens in een interessant artikel, ik meen in een oud nummer van haar tijdschrift Lucifer bij het begin van het jaar 1890, o.a. dat theosofen en esoterici in het bijzonder de 4de dag van januari als het begin van het nieuwe jaar zouden moeten beschouwen. Dit is een interessante uitspraak en in ruimer verband daarmee wil ik uw aandacht vestigen op één belangrijk feit, namelijk dat de esoterische wijsheid volledig is gebaseerd op de natuur en haar fundamentele werkingen. De natuur, zoals wij dat woord begrijpen, is niet alleen het stoffelijke, zichtbare heelal. Dat is niet meer dan de schil of het lichaam van de werkelijke natuur. Voor ons betekent de natuur het geheel van al wat is, innerlijk en uiterlijk, op alle gebieden en in alle sferen van het grenzeloze.
    De betekenis hiervan is in dit verband dat de esoterische methode van tijdrekening een natuurlijke methode is, die geheel op verborgen werkingen van de natuur berust. Het is geen kunstmatige methode. U zult zien dat geen enkele van de werkelijke gedenkdagen op menselijke bedenksels is gebaseerd of op toeval, zoals het kunstmatige systeem dat de Fransen tijdens de Franse Revolutie gebruikten of de datering vanaf het stichten van een stad, zoals Rome, of vanaf de dood van een groot mens, zoals Jezus. Zulke methoden zijn in de esoterische tijdreken kunde inderdaad onbekend, ofschoon er wel degelijk parallellen be staan, die echter op natuurlijke cyclussen berusten. De oude wijsheid baseert al haar tijdsbepalingen op de kosmische klok die de natuur ons geeft en die een majestueus, onfeilbaar en volmaakt uurwerk is. Die klok is het hemelgewelf; de zon, de maan, de zeven planeten (volgens de opvatting van de Ouden) en de sterren zijn de ‘wijzers’, die de tijd cyclussen markeren. Het jaar dat de Ouden bij hun tijdsbepaling voornamelijk gebruikten is wat astronomen aanduiden als het tropische jaar, zo genoemd in verband met de wisseling van de jaargetijden. Winter, lente, zomer, herfst; winter, lente, zomer, herfst; deze keren regelmatig terug als gevolg van de beweging van de aarde om de zon, zoals een wijzer op de wijzerplaat van de kosmische klok. Het zogenaamde anomalistische jaar en het siderische jaar waren beide aan de oude sterrenkunde bekend, maar werden alleen voor zuiver astronomische (geen astrologische) berekeningen gebruikt en slechts zelden voor astrologische berekeningen.
    Let op het verschil tussen astrologie en astronomie. Astronomie is de wetenschap van de bewegingen en de onderlinge betrekkingen tussen sterren en planeten. Dat is alles. Ze zegt ons waaruit ze bestaan, waarheen en wanneer ze zich bewegen en hoe lang ze nodig hebben om bepaalde banen of wegen af te leggen. Ze is zuiver exoterisch. Maar astrologie betekent de ‘wetenschap van de sterren’ (terwijl de astronomie zich trots de ‘wet van de sterren’ noemt), precies zoals geologie de ‘wetenschap van de aarde’ betekent. De oude astrologie – niet de schijnwetenschap die tegenwoordig onder die naam doorgaat, maar de oude geestelijk-astrale astrologie, een ware en diepzinnige wijsheid over de evolutie van het goddelijke in en door de stof, en over de menselijke ziel en de menselijke geest – onderwees de wetenschap van de onderlinge betrekkingen tussen de delen van de kosmische natuur, en meer in het bijzonder de toepassing van die wetenschap op de mens en zijn lot zoals de hemellichamen dit aangeven. Zoals gezegd ontstond uit die grootse en edele wetenschap een exoterische pseudowetenschap, afkomstig van haar beoefenaars in landen rond de Middellandse Zee en in Azië, die leidde tot de moderne stelsels van de zogenaamde astrologie – een armzalig, verwaterd en onbruikbaar overblijfsel van de oude wijsheid.
    Alle volkeren bezaten een methode om de duur van het jaar te berekenen en het begin ervan te bepalen. Niet alle volkeren lieten het jaar op dezelfde datum beginnen; sommige rekenden vanaf de winterzonnestilstand, dat wil zeggen wanneer de zon zijn zuidelijkste punt heeft bereikt vóór hij opnieuw zijn langzame reis naar het noorden begint. Ik spreek als een bewoner van het noordelijk halfrond. In Zuid-Amerika en andere landen onder de evenaar is de situatie natuurlijk omgekeerd. Maar nu spreken we over het noordelijke halfrond. Bij andere volkeren begon het jaar met de zomerzonnestilstand, ongeveer 21 of 22 juni, terwijl de winterzonnestilstand plaatsvond op of omstreeks 21 december. Weer andere volkeren gingen uit van de lentenachtevening op 21 of 22 maart; nog andere van de herfstnachtevening, zes maanden later, op 22 of 23 september. De joden, bijvoorbeeld, hadden twee jaren: een burgerlijk jaar, dat in september begon met de herfstnachtevening, en een religieus jaar, waarvan het begin met de lentenachtevening samenviel. De oude Germaanse volkeren van Noord-Europa vóór de tijd van Caesar lieten het jaar met de winterzonnestilstand op 21 december beginnen; de oude Grieken op verschillende tijdstippen in de jaarcyclus, maar waarschijnlijk voornamelijk in de herfst; en de oude Romeinen in de lente. Bij de oude Egyptenaren begon het jaar in de zomer, en de oude Perzen, de Syriërs en andere volkeren hadden voor het begin van het jaar elk hun eigen periode.
    Vóór de tijd die in Europa algemeen als het jaar 1 A.D. wordt aangeduid, waren de beschavingen rond de Middellandse Zee al vele eeuwen in verval. Heel veel van de oude wijsheid en inzichten in haar grote geheimen gingen geleidelijk verloren; dat bleek niet alleen uit de manier waarop de Eleusinische mysteriën waren verzwakt en gewijzigd, maar ook uit het voortdurend veranderen en omwerken van hun kalenders en uit hun methoden van tijdsbepaling, het vaststellen van de chronologische volgorde van perioden, het begin en einde van verschillende cyclussen, enz. Vooral de Romeinen maakten zich hieraan schuldig. Zij waren in dat opzicht misschien erger dan enig ander volk dat we kennen. Als een dictator of politieke leider een paar dagen langer de macht wenste of een verkiezing wilde voorkomen of uitstellen, begon hij zich bezig te houden met de kalender, een gedragslijn die oogluikend door de opperpriesters werd toegelaten of door hun onwetendheid of onachtzaamheid kon worden voortgezet. En zo gebeurde het tenslotte dat door de ontregeling van de kalender in de tijd van Julius Caesar – om precies te zijn in het jaar 46-47 v. Chr. – de calendae van januari, dat is de eerste dag van januari, op die dag van het jaar viel die nu overeenkomt met 13 oktober; en als de verwarring voor onbepaalde tijd had voortgeduurd, zou de eerste januari in de loop van de tijd in alle maanden van het jaar zijn gevallen, zwervend van de ene maand naar de andere om tenslotte zijn weg door het jaar ergens in maart te beëindigen en de cyclus te voltooien. Hieraan moet nog worden toegevoegd dat het oude normale Romeinse jaar een maanjaar was dat ongeveer 354 dagen telde.
    Aan Julius Caesar komt de eer toe aan deze verwarring een einde te hebben gemaakt door de hervorming van de Romeinse kalender. Ik wil niet zeggen dat Caesar dit alles zelf heeft gedaan. Dat was niet het geval, want hoewel hij intelligent was en een amateur sterrenkundige, werd hij bijgestaan door Sosigenes, een bekwame Egyptische – of Alexandrijns Griekse – sterrenkundige. In het jaar 47 v. Chr., toen de eerste dag van januari viel op wat nu de 13de oktober is – wat hetzelfde zou zijn als wanneer onze eigen eerste januari dit jaar twee of drie maanden eerder in de herfst zou vallen, op de dag die eigenlijk bij 13 oktober hoort – staken deze beide eminente heren, of misschien drie, als we M. Flavius meerekenen, de hoofden bij elkaar en brachten de kalender weer in overeenstemming met de jaargetijden. Caesar was in die tijd Pontifex Maximus, en het was zijn taak de chronologie van de perioden, enz., op de juiste manier te berekenen en te controleren. Dat deed hij door twee extra maanden (één van 33 dagen en de tweede van 34 dagen) tussen november en december van dat jaar 47 in te lassen en een schrikkelperiode of ‘maand’ van 23 dagen aan de voorafgaande februari toe te voegen, wat een aanvulling van dat jaar met 90 dagen betekende en de kalender met de jaargetijden in overeenstemming bracht. Dat jaar telde toen 445 dagen en omdat het zo’n lang jaar was en gewone mensen niet goed meer wisten hoe ze hun zaken, enz., moesten regelen, werd het het jaar van verwarring genoemd, maar Macrobius noemt het handig het ‘laatste jaar van verwarring’! Daarna bepaalde Caesar dat de nieuwe kalender een jaar zou hebben van 365 dagen en dat elk vierde jaar een schrikkeljaar zou zijn van 366 dagen; een regeling die in het westen met een kleine wijziging tot in onze tijd voortduurt. Deze maatregelen betekenden natuurlijk het einde van het oude Romeinse maanjaar. Als hij in overeenstemming met de berekeningen uit de oudheid, die van de oude wijsheid, het jaar nu maar had laten beginnen zoals hij had moeten doen bij de aanvang van een van de vier jaargetijden en bij nieuwe maan – tijdens de winterzonnestilstand of, als u wilt, tijdens de lente- of herfstnachtevening of zomerzonnestilstand – als hij was uitgegaan van het oude begin van het jaar van zijn eigen volk, de Romeinen, zoals het vroeger was geweest, dat wil zeggen, op 21 of 22 december bij de winterzonnestilstand of bij de lentenacht evening in maart, van Numa, dan was alles ‘in orde’ geweest.
    Maar let eens op wat er gebeurde. Sosigenes fluisterde Caesar iets in het oor, en Sosigenes wist meer dan Caesar, maar hij vergat een kleinigheid. Hij zei – dit is een denkbeeldig gesprek, maar iets dergelijks moet volgens mij hebben plaatsgevonden – ‘Broeder Caesar, imperator! Volgens de oude methode, die van onze edele voorouders, moet het jaar niet alleen met de winterzonnestilstand beginnen maar ook bij nieuwe maan. Dit jaar is het op de dag van de winterzonnestilstand geen nieuwe maan; deze valt zeven dagen later, want de zonnestilstand vindt dit jaar plaats op 24 december’. ‘Dat is juist’, zei Caesar. ‘We zullen het jaar zeven dagen na de zonnestilstand laten beginnen. We zullen die dag de calendae van januari noemen’ – of, zoals wij zouden zeggen, de eerste januari. Caesar bepaalde dat december 30 dagen zou hebben; dit werd later in 31 veranderd. En zo ontstond onze gewoonte om het jaar op de eerste januari in plaats van op de dag van de zonnestilstand, 21 december, te laten beginnen. Had Caesar in zijn edict afgekondigd (waartoe hij als Pontifex Maximus de macht had) dat de kalender, zoals deze door hem was herzien, zou beginnen bij de eerste gelegenheid dat de winterzonnestilstand en een nieuwe maan zouden samenvallen, of bij het begin van een van de andere drie jaargetijden wanneer dit met een nieuwe maan zou samenvallen, dan zou dit precies juist zijn geweest en overeenkomstig de oude wijsheid; omdat, let wel, al deze oude methoden van tijdsbepaling niet slechts waren gebaseerd op het feit dat iemand een stad had gesticht of op een bepaalde dag was gestorven, maar op gecoördineerde astronomische en aardse gebeurtenissen. De oude methoden berustten op de tijdsaanwijzing van de kosmos. Caesar had moeten wachten tot een nieuwe maan samenviel met een van de twee zonnestilstanden of met een van de twee nachteveningen, en het nieuwe jaar moeten laten beginnen op het ogenblik dat de maan die nacht nieuw was. Kennelijk was Caesar van mening dat hij niet kon wachten, of misschien wilde hij niet wachten, of ontbrak hem de kennis.
    Naarmate de tijd verstreek en het christendom in latere jaren opgang maakte, bleef men natuurlijk de eerste januari als het begin van het jaar beschouwen – de datum die daarvoor in de Juliaanse kalender was vastgesteld. Maar tenslotte kwamen de christenen op de gedachte dat zij in verband met de veronderstelde geboorte van Jezus als begin van het nieuwe jaar in religieuze zin hun eigen dag behoorden te hebben; en daarom kozen de oosterse christenen, vroeg in de geschiedenis van het christendom, de 12de dag na 25 december ofwel 6 januari om de mystieke epifanie en de geboorte (en doop) van Jezus te vieren. Het was in religieuze zin het begin van hun jaar. De Engelsen noemen dit feest ‘Twelfth-day’, omdat het op de twaalfde dag na 25 december valt. Wat een merkwaardige vermenging van oude denkbeelden en nieuwe dogma’s! Zijn ‘geboortedag’ werd later naar 25 december verschoven.
    Waarom werd 6 januari gekozen in plaats van de 4de? Om de volgende reden. Toen Caesar en Sosigenes in de kalender hun correcties aanbrachten, lieten ze de winterzonnestilstand op 24 december vallen. De volgende nieuwe maan viel toen op de eerste januari, op grond waarvan volgens Caesar het nieuwe jaar op die dag, de calendae van januari, moest beginnen. Daarna, vele jaren later en 14 dagen na de dag waarop volgens de toenmalige christenen de winterzonnestilstand plaatsvond, namelijk 23-24 december (december had toen 31 dagen en niet 30 zoals Caesar had beschikt), was het de zesde januari, die de christenen de epifanie noemden, een woord en denkbeeld dat ze aan de oude heidenen hadden ontleend. Epifanie is een christelijke term die afkomstig is van de mysteriën van de oude heidense Griekse religie en van de oude wijsheid; het betekent ‘verschijning’ van een god en werd in de christos mythe overgenomen en daaraan aangepast.
    Keren we nu terug naar H.P. Blavatsky en haar artikel in Lucifer. We hebben gezien dat kalenders kunnen worden veranderd; dat kalenders door mensen kunnen worden gemaakt; dat ook de Romeinse kalender werd veranderd en door mensen was gemaakt, en dat de Juliaanse kalender met wijzigingen aan ons is overgeleverd en nu in Europa en Amerika wordt gebruikt. Deze kalender is niet geschikt om door esoterici te worden gebruikt voor de berekening van esoterische cyclussen of het begin van het ware esoterische jaar.
    Waarom koos H.P. Blavatsky de 4de januari van de gangbare kalender als begin van het esoterische jaar? Het ware esoterische jaar moet beginnen op de 14de dag na de winterzonnestilstand, mits de winterzonnestilstand met een nieuwe maan samenvalt. De 14de dag daarna zou natuurlijk volle maan zijn. De dag van de winterzonnestilstand zou desgewenst kunnen worden gebruikt als een begin van het burgerlijke jaar en de 14de dag daarna als het begin van het esoterische jaar. Als Caesar had gewild, of liever als hij meer had geweten, had hij zijn kalender kunnen afstemmen op de nieuwe maan tijdens een winter- of zomerzonnestilstand of tijdens een van de nachteveningen. Maar H.P. Blavatsky koos 4 januari, omdat dit de 14de dag was na de winterzonnestilstand – niet omdat het de 4de was of een andere dag van de maand.
    4 Januari valt 14 dagen na de winterzonnestilstand op 21 december, en wanneer dat samenvalt met een volle maan is het een astrologische datum. Het is geen datum die door de mens is bepaald. Hij is niet gebonden aan een kalender die door mensen is gemaakt. Hij valt veertien dagen na de viering van de ware winterzonnestilstand, en wanneer de winterzonnestilstand ook nog samenvalt met een nieuwe maan, begint er een geheime cyclus. Ga uit van de datum van de winterzonnestilstand; tien dagen daarna valt dan op de eerste januari van onze tegenwoordige kalender. Let op het getal tien. H.P. Blavatsky zegt in haar artikel ook dat esoterici het nieuwe jaar moeten vieren in verband met de budha-wijsheid, een woord dat van dezelfde wortel komt als waarvan Boeddha, de titel van Heer Gautama, is afgeleid, een wortel die ‘ont waken’ betekent. Wat betekent nu budha van dezelfde wortel? Budha is de Sanskrietnaam voor de planeet Mercurius, die de Grieken Hermes noemden en de Latijnen Mercurius en die wij, die de Latijnse naam hebben overgenomen, ook Mercurius noemen. Hermes is bij vele, zo niet alle volkeren altijd de speciale beschermer van de mystici geweest. In het oude Griekenland kreeg hij de titel psychagoog en psychopompos, en dit betekent ‘geleider van zielen’ naar de onderwereld, zoals in de mysteriën. In welke vorm de oude wijsheid in vervlogen tijden ook werd uiteengezet, steeds blijkt dat de planeet Hermes, of Mercurius, nauw is verbonden met de mysterieleringen die zich met het leven na de dood bezighouden. In India heette Hermes, zoals gezegd, Budha, en men noemde hem de zoon van Soma, de maan.
    In Homerus’ Odyssee kan men bijvoorbeeld lezen hoe Hermes de zielen van de overleden minnaars ‘krijsend als vleermuizen’, naar de ‘weiden met affodillen’ (boek 24) leidt. Deze toespeling op het werk van Hermes, de psychopompos, de ‘helper’, is een ‘mysterie’ dat recht streeks aan de Eleusinische mysteriën of misschien wel aan nog oudere mysteriën werd ontleend.
    Onthoud dus dat ons nieuwe jaar 14 dagen na de winterzonne stilstand zou moeten beginnen, mits die dag een Mercuriusdag is. Maar hoe moeten we weten of het een Mercuriusdag is of niet? Dat is juist de moeilijkheid. Heeft u enig idee hoe de dagen van de week aan hun naam zijn gekomen in de volgorde die ze nu in vele ver van elkaar gelegen delen van de wereld hebben en eeuwenlang hebben gehad? Waarom de ene dag zondag, een andere maandag en weer een andere dinsdag – Tiu’s (Mars-)dag wordt genoemd? Kent u eigenlijk de oude Angelsaksische namen ervoor? Wodnesdaeg, woensdag, voor Mer curiusdag; Frigedaeg, vrijdag of Venusdag; Thunresdaeg, donderdag, of Jupiterdag; Saeternesdaeg, zaterdag, of Saturnusdag, enz. Het systeem was als volgt: het eerste uur van een dag, vanaf het moment dat het middelpunt van de zon op de oostelijke horizon van die dag staat, ondervindt volgens het oude stelsel de rechtstreekse invloed van een van de zeven heilige planeten. Als bijvoorbeeld Mercurius de planeet was die dat eerste uur beheerste, werd de hele dag die op dat uur volgde Mercuriusdag genoemd. Elk daaropvolgend uur van diezelfde dag stond, zei men, onder invloed van een van de andere planeten, die elkaar in een bepaalde orde opvolgen, te weten: Saturnus, Jupiter, Mars, zon, Venus, Mercurius, maan – waarbij de zon en de maan echter de plaats innamen van twee geheime planeten. De dag heeft 24 uur: als we bijvoorbeeld met Mercurius beginnen en de zeven planeten elkaar de volle 24 uur in de bovengenoemde orde opvolgen, dan zou in het 25ste uur, dat het eerste uur is van de volgende dag, Jupiter de heerschappij voeren en zou die dag donderdag zijn, enz., tot we weer bij Mercurius komen – één week van zeven dagen. U kunt dit gemakkelijk voor uzelf bewijzen. Wat de ware esoterische Budha-dag, woensdag, of Mercu rius -dag betreft, zeg ik hier alleen het volgende: als de winterzonne stilstand samenvalt met een nieuwe maan plus nog iets anders, is die dag een werkelijk astrologische Budha-dag; 14 dagen of twee weken later is er natuurlijk weer een Budha-dag, maar bij volle maan. Verb. sap.!
    Laten we nog een stap verdergaan. De 4de januari 1890 viel op een zaterdag, hoewel H.P. Blavatsky in dat artikel over Hermes sprak. Maar dat kwam alleen omdat zij de namen van de dagen van de week en de dagen van de maand van de gangbare kalender moest gebruiken, hoe ontregeld deze ook is. Het is daarom volkomen duidelijk dat het jaar waarop zij doelde het esoterische astrologische jaar was en niet het gewone jaar van de in gebruik zijnde kalender. Deze hierboven ver melde wijze van berekening van tijdsperioden volgens de kosmische klok werd in de oude wijsheid steeds gevolgd. Omdat de natuur zelf in de ronden, in de rassen, in de kalpa’s, enz., volgens deze manier of methode werkt, verwierpen de Ouden elke andere manier.
    


Beginselen van de esoterische filosofie, blz. 222-44

© 1998  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag