HOOFDSTUK 19
DE ZEVEN
JUWELEN EN DE ZEVEN STADIA VAN INWIJDING.
Deze poorten
leiden de aspirant over de wateren ‘naar de andere oever’. Elke poort
heeft een gouden sleutel om haar deuren te openen; deze sleutels zijn:
1. DÂNA,
de sleutel van barmhartigheid en onsterfelijke liefde.
2. SÎLA,
de sleutel van harmonie in woord en daad, de sleutel die oorzaak en
gevolg in evenwicht houdt en geen ruimte laat voor karmisch handelen.
3. KSHÂNTI,
zachtmoedig geduld, dat door niets kan worden verstoord.
4. VIRÂGA,
gelijkmoedigheid ten opzichte van genot en leed; de illusie is overwonnen,
alleen de waarheid wordt waargenomen.
5. VÎRYA,
de onverschrokken kracht die zich uit het slijk van aardse leugens
al strijdend een weg baant naar de hoogste WAARHEID.
6. DHYÂNA,
waarvan de gouden deuren, eenmaal geopend, de Narjol [Naljor] naar
het rijk van het eeuwige Sat en de onafgebroken overpeinzing ervan
voert.
7. PRAJÑJÂ,
de sleutel hiervan maakt van de mens een god, een bodhi sattva, een
zoon van de dhyâni’s.
Dit zijn de gouden sleutels tot de poorten.
– H.P. Blavatsky, De Stem van de Stilte,
Fragment iii
De tekst uit De Geheime Leer (1:235) waaraan we vanavond vooral aandacht zullen schenken, is al tweemaal gelezen en houdt zich bezig met de ‘altijd levende menselijke waringin’. Omdat wij tevens een alinea op blz. 465 van hetzelfde deel zullen bestuderen, zal ik deze citeren. Ze vormt het begin van paragraaf XII, ‘De theogonie van de scheppende goden’:
Voor een volledig begrip van
de gedachte die ten grondslag ligt aan iedere oude kosmologie, is
het nodig alle grote religies van de oudheid in een vergelijkende
analyse te bestuderen, want alleen op deze manier kan de grondgedachte
duidelijk worden gemaakt. Als de exacte wetenschap bij het herleiden
van de werkingen van de natuur tot hun uiteindelijke en oorspronkelijke
bronnen zo’n hoge vlucht zou kunnen nemen, zou zij deze gedachte ‘de
hiërarchie van krachten’ noemen. Er was oorspronkelijk één transcendentale
en filosofische opvatting. Maar de hoofdgedachte werd geleidelijk
versluierd door een weelderig groeiende menselijke verbeelding, naarmate
de stelsels iedere eeuw meer en meer de eigenaardigheden van de volkeren
begonnen te weerspiegelen en naarmate de laatsten na hun scheiding
verschillende groepen gingen vormen, waarvan elk zich ontwikkelde
volgens eigen nationale of stamtraditie. Terwijl in sommige landen
aan de KRACHTEN, of liever aan de intelligente
machten van de natuur, goddelijke eer werd bewezen waarop zij nauwelijks
aanspraak konden maken, wordt in andere – zoals nu in Europa en de
beschaafde landen – zelfs de gedachte dat een dergelijke kracht
‘intelligent’ zou kunnen zijn, absurd gevonden en voor onwetenschappelijk
uitgemaakt.
Hebben we ons ooit afgevraagd en erover nagedacht waarom de leringen die we in de afgelopen maanden hebben bestudeerd altijd zo geheim zijn gehouden? Er zijn drie algemene redenen voor, of liever twee, want de derde vloeit voort uit de tweede. De eerste is dat deze leringen sinds onheuglijke tijden worden beschouwd als de hoge en sublieme beloning voor hen die zich onherroepelijk en met hart en ziel aan de leraren geven en aan de aards-hemelse orde die zij vertegenwoordigen. Dat is de minst belangrijke reden tot geheimhouding. De voornaamste is dat zonder voorafgaande scholing en opleiding deze leringen, die zo diepzinnig en subtiel van aard zijn dat ons arme stoffelijke brein moeite heeft ze te begrijpen, welhaast moeten worden misverstaan. Het vereist letterlijk jaren van studie en training het denken zo te ontwik kelen dat het deze prachtige ideeën, deze verheven leringen, die we hebben bestudeerd, met tenminste enige intelligentie kan verwerken. Wat zou het gevolg zijn als ze zonder onderscheid wereldkundig werden gemaakt? Intuïtieve maar overigens ongeschoolde geesten zouden de leraren, de meesters, als goden vereren; de domoren onder de grote massa zouden hen vervolgen en proberen hen als ‘duivels’ om het leven te brengen, als ze in het openbaar zouden verschijnen en openlijk onder de mensen zouden leven; en een derde groep van het publiek, de sceptici, zou niet alleen met de leraren zelf, maar ook met hun heilige boodschap de spot drijven.
Deze regels van geheimhouding berusten op natuurwetten en op een scherp inzicht in de werkingen van het menselijk denken. Deze leringen werden in de vroegste tijden door machtige intellecten en goddelijke denkers onder woorden gebracht. Wie ze na bestudering en nauwkeurig onderzoek als speculaties of louter theorieën beschouwt, moet wel blind en van kwade wil zijn. Wat een compliment werd H.P. Blavatsky gemaakt door diegenen die in hun blinde onwetendheid meenden dat zij ze had uitgevonden! Bedenk wat dat betekent en wat een bijzondere vrouw zij volgens hen moet zijn geweest! Het is duidelijk dat juist het tegenovergestelde waar is. Beweerde zij ooit dat ze van haar afkomstig waren en door haar waren geformuleerd? Nee; vanaf het begin heeft ze gezegd: ‘Ik ben slechts een stem die spreekt voor hen die mij hebben gezonden’.
Deze terughoudendheid en voorzichtigheid zijn niet een speciale en elders onbekende regel van de transhimalaya-school waartoe wij behoren. Ze waren een vaste regel in alle grote mysteriescholen van het verleden. Zelfs in de jongste van de exoterische religies, de christelijke, vindt men hetzelfde, en wel in de meest onvriendelijke woorden tot uitdrukking gebracht – bijna wreed door het hooghartige voorbehoud dat eruit blijkt. Maar als ze goed worden begrepen, zijn ze dat toch niet. Ik heb het over bepaalde waarschuwingen die de mythische Jezus in de Bergrede uitspreekt; bedenk dat die rede wordt voorafgegaan door de verklaring dat hij een heuvel beklom om te ontkomen aan de menigte die toestroomde en zich om hem heen verdrong, en dat hij toen zijn discipelen bijeenriep en voor hen de zogenaamde Bergrede hield, die duidelijk een mysterieleer is. Op deze verborgen betekenis zullen we vanavond dieper ingaan. Maar hier volgt de tekst:
Geeft het heilige niet aan de honden en werpt uw paarlen niet voor de zwijnen, opdat zij die niet vertrappen met hun poten en, zich omkerende, u verscheuren.
Bidt en u zal gegeven worden; zoekt en gij zult vinden; klopt en u zal opengedaan worden. Want een ieder die bidt, ontvangt, en wie zoekt, vindt, en wie klopt, hem zal opengedaan worden. – Mattheüs, 7:6-8
Het is uiterst twijfelachtig
of de werkelijke Jezus, de spil waaromheen de legenden over de mysteriefiguur
Jezus ontstonden, ooit dergelijke taal gebruikte. Maar afgezien van
de bewoordingen, geeft het wel de geest van de esoterie weer en is het
een getrouwe afspiegeling van de esoterische methoden van het Nabije
Oosten. Het getuigt van de grote voorzichtigheid en zorg waarmee de
openbaarmaking van een deel van de oude mysterieleringen steeds gepaard
ging. Dat is sinds onheuglijke tijden altijd zo geweest.
En nu nog iets. De straf op verraad van de mysteriën
was in latere tijden de dood. Nooit, onder welke omstandigheden ook,
heeft de loge of een leraar geweld gebruikt of uit haat gehandeld tegen
een verrader of een trouweloos mens, hoe zwaar het vergrijp ook mocht
zijn geweest. Hun straf was dat ze strikt aan zichzelf werden overgelaten;
en de innerlijke straf bestond uit het zich terugtrekken van de onsterfelijke
wachter, het innerlijke hogere zelf, dat bij de intrede in de mysteriën
bewust en met succes was opgeroepen en waartegenover zij in de hogere
graden van inwijding letterlijk van aangezicht tot aangezicht hadden
gestaan. De oude en automatische straf was de innerlijke dood door het
verlies van de ziel. De verrader verloor zijn ziel. Laat mij
u terloops nog zeggen dat praktisch alle burgerlijke gebruiken in de
oudheid, waaronder straffen, berustten op wat in de mysteriescholen
plaatsvond. Dat was bijvoorbeeld het geval met de kruisiging bij de
Romeinen, die rechtstreeks aan een van de inwijdingsceremoniën, de ‘mystieke
dood’, was ontleend; eruit overgenomen of gestolen en in latere tijden,
tijden van verval, door de staat tot een in strument voor legale moord
werd gemaakt. Een ander voorbeeld, ook aan de ceremonie van de mystieke
dood ontleend, was de ‘beker’, in India bekend als de Soma-dronk. In
Griekenland zien we dat Socrates werd gestraft met het drinken van de
gifbeker; en dit herinnert ons aan Jezus die bad dat de ‘beker’ aan
hem voorbij zou gaan. Men kan nog talrijke andere voorbeelden aanhalen.
Hetzelfde zien we in Egypte en in andere landen
wanneer perioden van geestelijke onvruchtbaarheid, waarover Plato ons
vertelt, die van geestelijke vruchtbaarheid opvolgden. Toen die perioden
in de wereld aanbraken, begon de staat op eigen gezag het verraad van
de mysteriën te bestraffen, die in die tijd gewoon een staatsinstelling
waren geworden en niet veel meer dan een onderdeel van de gevestigde
religieuze orde. Alleen al uit Athene in Griekenland zijn ons twee of
drie gevallen bekend. Het ene was Socrates, 5de-4de eeuw v. Chr., die
ongewild enkele geheimen van de mysteriën verried, en al had hij zich
niet aan een bewuste overtreding schuldig gemaakt, toch heeft men deze
grote figuur, zij het met tegenzin, gedood. Een ander was de filosoof-dichter
Diagoras, 5de eeuw v. Chr., die van goddeloosheid, van zogenaamd atheïsme,
werd beschuldigd en Athene ontvluchtte. Een derde was de treurspeldichter
Aeschylus, 5de eeuw v. Chr., die naar Italië moest vluchten om aan de
dood te ontkomen. Hij werd om dezelfde reden beschuldigd van wat heiligschennis
of goddeloosheid werd genoemd.
Een heel ander voorbeeld dat we kunnen noemen,
is het dragen van een kroon of een diadeem door wereldlijke heersers,
een officiële handeling bij de kroning van een koning – een ceremonie
die uit de mysteriën werd overgenomen. Sommige van de oudste kronen
die werden gedragen, hadden naar buiten stekende punten die aan de doornenkroon
van Jezus herinneren; maar ze kunnen ook de vorm hebben gehad van het
Griekse diadeem, dat in Griekenland de plaats innam van de kroon uit
Midden-, West- en Noordwest-Europa. Zoals gezegd, was ook dit een symbool
in een van de ceremoniën van een van de inwijdingsstadia, een ceremonie
die aangaf wat er gebeurde wanneer degene die een beproeving onderging
zich in een toestand van samâdhi bevond, zoals de hindoes
zeggen, en zijn hoofd was omgeven door een aureool of aura die van het
brein uitstraalde zoals de punten van de vroegere kroon; in die toestand
was ook het lichaam en het hoofd door een nimbus of aura omgeven, maar
in veel minder sterke mate.
We zullen ons nu meer in het bijzonder bezighouden
met ons hoofdthema. U zult zich herinneren dat we sinds deze bijeenkomsten
ongeveer een jaar geleden begonnen, de zogenaamde zeven schatten of
juwelen hebben bestudeerd. En nu zullen we bepaalde aspecten van het
zevende of hoogste juweel bestuderen, en met name zijn relatie tot het
wonderlijke wezen, dat ook als de grote inwijder, de eenzame wachter,
de stille getuige en met andere soortgelijke namen wordt aangeduid.
Vorige week vestigden we de aandacht op bepaalde analogieën die ons
eigen menselijke leven vertoont met het kosmische wonderlijke wezen
– in het bijzonder op de analogie van de oneindig kleine wezens, de
oneindig kleine levens die in en op de kosmossen of heelallen leven,
die in ons eigen stoffelijk lichaam zijn besloten, de oneindig kleine
atomaire wezens; en op het feit dat ons persoonlijke zelf het hoogste
zelf is voor die bijna ontelbare aantallen atomen; dat dit zelf die
oneindig kleine immense kosmos bijeenhoudt, en alles daarin als een
mystiek vuur doordringt en in alles zijn invloed doet gelden. Ook wezen
we erop dat elk atoom, dat op zichzelf een heelal is, niettemin zijn
eigen volledige hiërarchie heeft, zijn eigen reeks van tien graden of
stadia, gerekend vanaf zijn eigen allerhoogste, zijn eigen parabrahman
en mûlaprakriti, omlaag tot zijn eigen ‘absolute stof’.
Op dezelfde manier kan onze eigen universele
kosmos worden gezien als een belichaamde ziel, of liever als een belichaamd
zelf, dat uit bijna ontelbare kosmische atomen of zonne- en planetaire
lichamen bestaat, die met een oneindig aantal metgezellen in het gebied
van het grenzeloze leven. Door deze studie van het zelf begonnen we
enigszins te begrijpen hoe het ene in zekere zin het vele kan worden,
maar toch eeuwig het ene blijft; we noemen het alleen het ene omdat
het de top of het ZELF is van die allerhoogste hiërarchie die we ons
kunnen voorstellen. Maar voorbij haar grenzen zijn er ontelbare andere
soortgelijke enen en voorbij al die enen zijn er ontelbare menigten
van oneindig veel grotere enen, en zo ad infinitum! De beste manier
om ons het grenzeloze voor te stellen, waarin ze alle bewegen, leven
en hun bestaan hebben, is door het eeuwenoude symbool van de nul – onbeperkte
grenzeloosheid.
Dat symbool is ook in een ander opzicht van
betekenis, omdat het op zo’n duidelijke en mooie manier de leer van
de leegte illustreert, die in het boeddhisme sûnyatâ wordt genoemd,
wat ‘leegheid’ betekent. Het is werkelijk verbazingwekkend dat westerse
geleerden deze dingen altijd verkeerd begrijpen en er daarom een verkeerde
voorstelling van geven. Ze hangen zo aan de letter dat, als ze zich
op een bepaald woord richten, ze dat woord letterlijk doodredeneren.
Ze houden zich bezig met de vorm van de gedachte, het lichaam, en zien
weinig of niets van de ziel erachter. Ze schijnen geen besef te hebben
van de mystieke betekenis van deze prachtige gedachte van de leegte.
Herinnert u zich dat we op een eerdere bijeenkomst
spraken over een middeleeuwse mysticus in Frankrijk, Bernard van Clairvaux,
die zei dat waarnaar een beoefenaar van de mystiek zou moeten streven,
is zich leeg te maken; alles wat persoonlijk of beperkend, begrensd
en eindig is, volledig uit te bannen? In die geestestoestand kan de
wind van de oneindigheid als het ware vrij door ons heen waaien!
Laten we hier een ogenblik bij stilstaan. De
leegte is een symbool van het grenzeloze; daarom is het alles, omdat
het niet iets is. ‘Niets’, zo u wilt. Niet ‘niets’ in de christelijke
theologische zin, maar niet iets, niet iets wat gemanifesteerd
is. Het is niet een bewustzijn, omdat het bewustzijn van alles
is, wat in elke persoonlijke en beperkte zin onbewustheid is; bewustzijn
is een menselijke term. Het is ook geen onbewustheid, omdat het in elke
persoonlijke of beperkte zin onbewustheid van alles is, en onbewustheid
is een menselijke term. Het is zowel de begrensde als de onbegrensde
tijd en de eeuwigheid; alles, en daarom niet iets. Door er een naam
aan te geven beperkt men het. Het is dat wat IS
en WAS en in alle eeuwigheid altijd zal ZIJN.
En omdat het niet iets eindigs is, omdat het niet iets is, omdat het
niet één of twee of drie is, maar boven iedere telling verheven, en
omdat het al het menselijke denken, alle overeenkomsten en vergelijkingen
te boven gaat, en het niet in woorden kan worden uitgedrukt, wordt het
genoemd naar wat de menselijke geest bereikt wanneer hij zich zo goed
hij kan openstelt voor een abstractie: de leegte, die ook de volstrekte
volheid is.
Onze studie van vanavond vraagt ons een stap
verder te gaan. We hebben ons de laatste tijd met moeilijke onderwerpen
beziggehouden die alle, als ze goed worden begrepen, voor ons een grote
stap vooruit betekenen op het esoterische pad. Vanavond zullen we bij
onze opmerkingen meer in bijzonderheden treden.
Deze zeven schatten vertegenwoordigen in de
vorm van leringen de zeven stadia van inwijding. Ons is geleerd dat
er tien stadia of graden van inwijding zijn, wat betekent dat er drie
meer zijn dan de hierboven genoemde zeven schatten. Maar aan deze drie
andere hoeven we geen aandacht te schenken. Ze gaan ons bevattingsvermogen
volstrekt te boven. Ze behoren, zo zegt men, bij wezens die ons zover
vooruit zijn dat ze in werkelijkheid niet langer menselijke entiteiten
kunnen worden genoemd, ofschoon ze op grond van vroeger evolutionair
karma bij onze planeetketen behoren.
Er is ons geleerd dat elk stadium of elke graad
van inwijding na de derde van de zeven wordt gekenmerkt door iets dat
meer is dan onderricht. De eerste drie inwijdingen of stadia of graden
van inwijding bestaan uit leringen. Vanaf de vierde graad wordt een
andere methode gevolgd. Welke methode is dat?
Een van de fundamentele leringen van het occultisme
is dat niets werkelijk kan worden gekend dat niet is ervaren,
doorleefd. Natuurlijk weten we dit allemaal uit eigen ervaring.
Een van de zogenaamde wetten van ons wezen, een van de essentiële voorwaarden
van onze menselijke natuur is dat om iets door en door te kennen, er
diep in door te dringen, het volledig te begrijpen, we het moeten zijn,
we het moeten worden. We kunnen het pad niet betreden
voor we dat pad worden en zijn. De verschillende stadia of graden van
inwijding zijn daarom in feite een soort versneld proces voor bepaalde
uitverkoren geesten, bepaalde uitverkoren zielen die zich waardig hebben
getoond: een ‘versneld’ ontwikkelingsproces dat hen in staat stelt door
werkelijke, individuele ervaring de verborgen geheimen van het zijn
te beleven en te doorgronden, die het langzame proces van de evolutionaire
ontwikkeling hen anders pas na verloop van eeuwen zou hebben onthuld.
Het is in feite een aansporing of opwekking van de mens zich van zijn
innerlijke kennis en kracht bewust te worden. Aan deze verschillende
stadia of graden van inwijding gaan allereerst voorbereidende louteringen
vooraf. Dan volgt de ‘dood’, een mystieke dood. Het lichaam en de lagere
beginselen worden als het ware verlamd en de ziel wordt tijdelijk bevrijd.
En tot op zekere hoogte wordt de bevrijde innerlijke mens door de inwijders
geleid en geïnstrueerd en geholpen als hij naar andere sferen en gebieden
gaat en de aard daarvan leert kennen door ze te worden, wat de
enige manier is waarop deze kennis wortel kan schieten in de ziel, in
het ego: door ze te worden.
Een initiant is iemand die een inwijding ondergaat
– en bedenk dat inwijding ‘begin’ betekent; een initiant is een ‘beginneling’,
terwijl een ingewijd persoon, een ingewijde, iemand is die een verbintenis
is aangegaan. Bedenk ook dat een adept iemand is die ‘bedreven’ is;
daarom zijn zelfs in ons dagelijks leven een scheikundige, een dokter,
een theoloog, een werktuigkundige, een ingenieur, een leraar in talen,
een sterrenkundige, allen ‘adepten’, mensen die ieder in hun eigen beroep
bedreven zijn. Die twee woorden hebben in het algemeen gesproken ook
in de esoterische school dezelfde betekenis: een adept is iemand die
in de esoterische wijsheid, in de leringen over het leven, bedreven
is; een initiant is iemand die is begonnen ze te leren. Als we zeggen
dat u en ik beginnelingen zijn, d.w.z. initianten, is dat een voor de
hand liggende waarheid. Het is ook een gemakkelijk woord, want het zegt
niets bepaalds over de graad of het stadium; het is een algemeen woord.
Iemand zou daarom terecht kunnen vragen: ‘waar en waarmee begonnen?’
Ik zou op de onderste sport van de ladder van inwijding kunnen staan
en u op de bovenste; toch staat ieder van ons aan het begin,
want vooruitgang kent geen einde.
Laten we dan in ons eigen belang al deze of
andere soortgelijke uitspraken diepgaand onderzoeken. We hebben geleerd
om alles wat ons wordt verteld nauwgezet na te gaan en grondig te onderzoeken;
ons bewust te worden van het wezen van de dingen, het leven
te leiden, het te zijn, het te worden; want zo is
de oude leer van ontelbare eeuwen geleden.
De passage uit De Geheime Leer waarnaar
we vanavond hebben verwezen, die nu ons hoofdthema vormt en waarin H.P.
Blavatsky over de ‘altijd levende menselijke waringin’ spreekt, heeft
ook betrekking op de arhats (een Sanskrietwoord dat ‘waardigen’
betekent) die tot het zevende stadium van de geestelijk-psychische hiërarchie
behoren, dat slechts één stap is verwijderd van de oorsprong van hun
hiërarchie, het wonderlijke wezen dat we nu bestuderen, dat zich dus
op het achtste van de tien gebieden bevindt waaruit die hiërarchie bestaat.
Er is een nog groter en wonderlijker wezen op het negende gebied; het
hoogste van alle, de top van alle, bevindt zich op het tiende.
Laten we nog een stap verder gaan. Er is ons
geleerd dat bij de vijfde inwijding een deel van de prachtige ervaring
die de initiant in die graad moet doormaken daaruit bestaat dat hij
die op het mystieke pad wordt beproefd, na de juiste en voldoende voorbereiding
en loutering van het lagere zelf en de ziel in hem, gedurende ‘een vluchtig
moment’ van aangezicht tot aangezicht komt te staan met zijn hogere
zelf, zijn eigen innerlijke god. Wee hem als er iets in hem is dat de
beproeving niet kan doorstaan! De waarschuwingen die ons in dit opzicht
zijn gegeven zijn inderdaad ernstig. De onsterfelijke wachter weet alles
en aanvaardt geen verontschuldigingen. Zij die falen, krijgen in een
ander leven of in andere levens inderdaad een nieuwe kans, maar in deze
zware beproeving kan nu of later geen onedel metaal worden geaccepteerd.
De innerlijke natuur moet van zuiver goud zijn dat in het vuur is beproefd,
geen namaak of iets dat zwak is en bezwijkt of tekortschiet wanneer
het wordt getoetst. Men moet dan volkomen gereed zijn om de plaats in
de beschermingsmuur in te nemen; een zwakkeling kan daar niet stand
houden.
Verder is ons geleerd dat de initiant in de
zesde graad in plaats van zijn eigen hogere zelf een ander ontmoet,
een onderwerp waaraan we vanavond stilzwijgend zullen voorbijgaan. In
de zevende graad speelt zich hetzelfde af als deel van de mystieke dood,
de aspirant ‘ontmoet van aangezicht tot aangezicht’ – kunnen we het
zo zeggen?, nee, hij wordt een vluchtig moment de wonderlijke wachter
zelf; en hij keert onder de mensen terug als een –——, of hij verdwijnt
om nooit meer te worden gezien. In het eerste geval weet hij,
omdat hij is geworden!
We hebben vanavond over de christelijke mythos
gesproken. We kozen deze term met opzet omdat het werkelijk een mythos
is. Het hele verhaal over Jezus zoals dit in de zogenaamde evangeliën
voorkomt, is een mysterieverhaal. Er heeft nooit een mens of wezen zoals
de Jezus uit de evangeliën geleefd. Bedenk wat een mythos is. Het is
een vertelling of allegorie die een geheime waarheid bevat. In dit geval
is het het verhaal van de mysteriën, deels verteld in symbolische en
allegorische vorm en deels opgesmukt op een wijze die van onwetendheid
getuigt. Als geheel geeft het echter bijna weer, schildert het als het
ware, wat in de mysteriën van Klein-Azië plaatsvond. De verhaaltrant
hing in al dergelijke gevallen af van de manier waarop men gewoon was
deze mysteriën in de verschillende landen te vieren en van de geestesgesteldheid
van de volkeren waaronder een bepaald stelsel van inwijding voorkwam.
Maar de Jezus uit de evangeliën is alleen maar een mysteriefiguur: een
samengestelde figuur gebaseerd op mystieke leringen. Ongetwijfeld leefde
er in die tijd een jonge Syrische ingewijde om wie zich al deze verschillende
vertellingen en verhalen groepeerden, die min of meer in hun geheel
waren ontleend aan de mysteriescholen van Klein-Azië en vooral aan die
van Alexandrië, omdat de Alexandrijnse mystiek de voornaamste bron is
van het theologische christendom dat in die stad zijn opkomst beleefde.
Deze Syrische ingewijde, waarschijnlijk een jonge joodse rabbi, heette
misschien werkelijk Yêshûa, Iêso~us in het Grieks, Iêsûs in het Latijn.
Het Hebreeuwse woord yêshûa betekent ‘verlosser’. De latere christenen
maakten zich natuurlijk van deze naam meester – of schonken hem later
aan hun veronderstelde stichter – om er een mystiek verhaal omheen te
weven en op die manier zijn zending op aarde als die van een ‘verlosser’
te symboliseren. We kennen allen het christelijke verhaal. Maar vanaf
het allereerste begin, zoals de evangeliën dit weergeven: vanaf het
verhaal over de wijzen die de ster volgen tot de mystieke dood door
kruisiging en de opstanding uit het graf op de derde dag,
is het niets anders dan een min of meer onzuivere, vage en slecht samenhangende
kopie van de grote werkelijke mysteriën, de mysteriën van enkele
inwijdingsceremoniën, waarvan de eerste christenen zeker enige kennis
bezaten (zie bijvoorbeeld Origenes en Clemens van Alexandrië). Maar
het verhaal toont door zijn vele onvolmaaktheden duidelijk dat het niet
meer is dan een slecht geschreven allegorie of mythos van wat er werkelijk
tijdens de inwijding plaatsvindt.
Apollonius van Tiana, de Griek, was waarschijnlijk
even edel als de Syrische Yêshûa of Jezus. Iêsûs is de Romeinse vorm
van de naam. Over de wonderen van Apollonius van Tiana, over zijn leven
en werken, lezen we in het mystieke ‘Leven’ dat door Philostratus werd
geschreven. Maar Apollonius is een historische figuur, en Jezus
is dat niet. De geschiedenis van Apollonius is interessant. We lezen
hoe hij voor de ogen van Domitianus ‘verdween’, toen hij voor deze excentrieke
en strenge vorst terechtstond; en nog veel meer. Waarom zou Jezus zijn
‘gekruisigd’? In werkelijkheid werd hij niet gekruisigd. Zoals ik al
heb gezegd, is het een mysterieverhaal en niet noodzakelijk een joods
of een Grieks mysterieverhaal. Elk volk had zijn eigen mysteriën, die
veel op elkaar leken, maar in bijzonderheden verschilden. Maar alle
kenden de ‘mystieke dood’, ‘de afdaling in de onderwereld’ of ‘de hel’;
altijd was er een ‘opstanding’, een verrijzenis, gewoonlijk na ‘drie
dagen’, en de ‘verheerlijking’ aan het einde van de beproeving.
Heel veel van wat in de mysteriën gebeurde,
werd overgenomen in de openbare activiteiten van de staat en bepaalde
zo het karakter van veel instellingen in het maatschappelijk leven in
de oudheid. De koning en zijn ministers of dienaren als ambtenaren of
functionarissen van de staat waren kopieën van de leraar en zijn discipelen
of dienaren uit de oude mysteriën. Dit is één (van de twee) redenen
dat de Ouden over hun goddelijke dynastieën uit vroegere tijden schreven;
en daarop berustte oorspronkelijk ook het denkbeeld van het ‘goddelijk
recht van koningen’ – dat in latere eeuwen volkomen verkeerd werd begrepen
en werd misbruikt. Zelfs de kalenders van de oude volkeren berustten
op hetzelfde: ze waren aan de mysteriën ontleend, eruit overgenomen.
Oorspronkelijk steunden ze op astrologische waarheden, op werkelijke
kennis van de tijdsperioden, maar later werden ze verkeerd begrepen
en verkeerd toegepast.
Heeft u er bijvoorbeeld ooit bij stilgestaan
dat de christelijke feest dagen Goede Vrijdag en Pasen met drie dagen
ertussen, praktisch gelijk zijn aan de winterzonnestilstand op 21-22
december en Kerstmis, drie dagen later op 25 december? Beide berusten
op dezelfde oorspronkelijke gedachte van de mystieke dood en de drie
dagen latere geboorte of opstanding van de ‘niet overwonnen zon’, voorgesteld
door de ‘dood’ en drie dagen daarna de ‘opstanding’ van de succesvolle
neofiet in de mysteriën! Waarom, vraag ik u, namen de christenen zowel
het oude hei dense feest van de winterzonnestilstand als de oude heidense
mythos van de opstanding over, waarvan ze Pasen maakten – het eerste
voor de viering van de veronderstelde geboorte van hun Jezus (Kerstmis)
en het laatste voor het feest van zijn ‘opstanding’? Omdat ze hun nieuwe
godsdienst graag in verband wilden brengen en verenigen met de persoonlijkheid
van de grote joodse profeet of ingewijde, die later Jezus werd genoemd;
en ze wilden hem tegelijkertijd met de archaïsche mysterie leringen
van de school van wijsheid verbinden. Omdat het joodse of liever Syrische
feest in de maand van de lentenachtevening plaatsvond, of liever, op
de dag van de volle maan na de lentenachtevening, kopieerden ze
ook hier de oude mysteriën, en wel als volgt: ze verdeelden het symbool
als het ware in tweeën en noemden het ene deel Kerstmis, als herdenking
van de geboorte van het stoffelijk lichaam van hun veronderstelde Jezus;
het andere deel noemden ze de opstanding of Pasen als herdenking van
de ‘geboorte’ van de transcendente christos. Het was een merkwaardige
tour de force, zoals de Fransen zeggen, een zeldzaam staaltje van ‘mystieke
gymnastiek’, zoals Katherine Tingley het zo kernachtig uitdrukt. Maar,
let wel, deze twee data waren in de oude mysteriën werkelijk nauw verbonden
en stemden sterk overeen met de gedachtegang die de christenen volgden!
Als we nu denken aan de mystieke kalender waarover
we vorige week in bedekte termen spraken, dan is het opmerkelijk hoe
die aansluit op de mysterieleringen die verband houden met dit wonderlijke
wezen, de grote inwijder. Wat het artikel in Lucifer (januari
1890) betreft, waarnaar wij verwezen en waarin H.P. Blavatsky over de
datum spreekt die de esoterici het begin van het nieuwe jaar zouden
moeten noemen, namelijk 4 januari – is er iemand die werkelijk denkt
dat ze bedoelde dat juist 4 januari bijzondere magische of mystieke
eigenschappen of invloeden bezit? Nee, dat deed ze niet. Onze kalenderdag
voor 4 januari is een datum van een zuiver mechanische kalender die
niets mystieks of verborgens in zich heeft. Als wij in een periode van
volslagen onwetendheid zouden geraken, zoals met de volkeren rond de
Middellandse Zee gebeurde toen het christendom sterk was opgekomen,
zouden we zelfs vergeten hoe we met onze zuiver mechanische kalender
moeten omgaan, en zouden we niet in staat blijken te zijn deze met de
wisselende jaargetijden in overeenstemming te brengen. We zouden dan
in dezelfde moeilijke positie verkeren als de Europeanen in de zestiende
eeuw, toen paus Gregorius XIII een aantal wiskundigen uit zijn tijd
de oude Juliaanse kalender liet hervormen, omdat deze door de pure onkunde
van Gregorius’ voorgangers onbruikbaar was geworden. Zij wisten niet
hoe ze de benodigde dagen op de juiste tijd moesten inlassen en in februari
1582, toen de Juliaanse kalender door een pauselijke bul of edict werd
hervormd, waren ze op het werkelijke jaar elf tot twaalf dagen achter.
Hetzelfde was het geval toen Julius Caesar de kalender in het jaar 47
v. Chr. hervormde; het was toen nog veel erger omdat, ongetwijfeld als
gevolg van politieke intriges van verschillende Pontifex Maximi, de
kalender van de Romeinen, zoals ik vorige week opmerkte, zover bij het
natuurlijke jaar van de seizoenen achter was geraakt dat de eerste januari
van de kalender viel op wat in feite volgens de natuur 13 oktober was;
en de winterzonnestilstand van de kalender, 21 of 22 december, viel
rond 3 oktober. Als Caesar de toenemende wanorde en verwarring niet
had weggenomen, zou het kalenderjaar door het voortdurende verlies van
dagen, als gevolg van verkeerde of verzuimde invoegingen, steeds meer
gaan achterlopen en misschien het hele natuurlijke jaar doorlopen. Zo
ziet u dat wanneer we over H.P. Blavatsky en de astrologische kalender
spreken, we beslist niet alleen de algemeen gebruikte mechanische kalender
bedoelen, en H.P. Blavatsky deed dat evenmin. Zij had een datum op het
oog die met werkelijke astrologische feiten samenhing.
Bedenk dat de astronomie zuiver het mechanische
aspect is van de ware, oude astrologie; en de astronomie houdt zich
dus alleen bezig met de posities, bewegingen en stoffelijke waarneming
van de planeten, de zon en de sterren. Ze is feitelijk slechts een tak
van de oude astrologie, een edele wetenschap van de hemellichamen. We
doelen hier niet op wat hedendaagse schrijvers ten onrechte astrologie
noemen – op zijn best een denkbeeldige wetenschap. Op andere bijeenkomsten
hebben wij ons krachtig tegen die misvatting uitgesproken.
Ons werkelijke jaar, ons mystieke jaar, wijkt
nogal af van het burgerlijke of gewone chronologische jaar. Het burgerlijke
chronologische jaar zou op de werkelijke datum van de winterzonnestilstand
kunnen beginnen, dat wil zeggen op de dag en op het moment dat de zon
zijn zuidelijkste punt bereikt en zijn reis naar het noorden weer begint.
Dat is een van de natuurlijke perioden voor een tijds- en seizoensindeling
en het is ook een astrologische tijdsperiode, als we een tijdcyclus
willen vast stellen, maar met één belangrijke wijziging. Wat zou die
astrologische cyclus zijn? We zouden ons burgerlijke jaar kunnen beginnen
met de winterzonnestilstand, wanneer het nieuwe maan is. Maar
veertien dagen na de ware zonnestilstand of op wat volgens onze
tegenwoordige kalender 4 januari is, is het volle maan; en die
dag begint onder de dominerende invloed van de planeet Mercurius of
Hermes, de speciale gids en leider van inwijdingen en van de leraren.
Dit, let wel, is het geval wanneer die planeet bij zonsopgang in benedenconjunctie
staat, of nauwkeuriger wanneer de zon, Mercurius, de aarde en de maan
alle in syzygie – in een rechte lijn – staan, met Mercurius tussen de
zon en de aarde in, en de maan vol is. De planeet Mercurius beheerst
dan het eerste uur van de 14de dag na de winterzonnestilstand, maar
die zonnestilstand moet samenvallen met nieuwe maan, en Mercurius moet
op de 14de dag erna bij zonsopgang in benedenconjunctie staan. De 14de
dag (4 januari) is dan een echte ‘woensdag’ of Mercuriusdag. Zo begint
de cyclus. Ik heb geen gelegenheid gehad te onderzoeken hoe lang die
cyclus duurt. Onze astronomen hier kunnen dit uitwerken. Maar op die
manier zouden we twee jaren hebben: een dat we het burgerlijke jaar
(in wezen een astrologisch jaar) kunnen noemen, aan de hand waarvan
de gewone burgerlijke tijd kan worden berekend, en het jaar van de budhische
cyclus. Het burgerlijke jaar zou dan met de dag van de winterzonnestilstand
beginnen, laten we zeggen 21-22 december, in de nacht van 21 op 22 december.
De volgende dag zou dan de eerste dag zijn van de eerste maand van het
nieuwe burgerlijke jaar; maar ons mystieke jaar, ons budhisch jaar,
zou veertien dagen later bij volle maan beginnen, op een echte
woensdag of Budha-dag.
We richten onze aandacht nu op nog een belangrijk
onderwerp. Ik doel op het schema dat we op de vorige bijeenkomst kort
hebben besproken en dat we toen door tijdgebrek niet in detail konden
toelichten.
Dit paradigma, dit symbool kan betrekking hebben op de mens of, mutatis
mutandis, op het heelal van een volledige hiërarchie, het doet er
niet toe welke. Merk eerst op dat zich bovenaan het schema de archetypische
wereld bevindt, die de wortel of het zaad is, als we haar opvatten als
de oorsprong of het begin van de dingen, als de plaats waar de kosmische
evolutie en vooruitgang begint; of die de bloem, het einde, de voltooiing
van de dingen is, als we haar zien als de tot volle bloei gekomen kosmische
evolutionaire cyclus. Ze kan zogezegd in drie gebieden worden verdeeld
die de hoogste of goddelijke triade vormen. Het tweede van deze gebieden
wordt de paramâtman of het hoogste zelf genoemd. Het eerste vertegenwoordigt
het parabrahman, met zijn sluier mûlaprakriti; de hoogste triade in
deze voorstelling is van toepassing op elke willekeurige hiërarchie,
omdat dit paradigma op alle hiërarchieën slaat. De paramâtman
vertegenwoordigt de eerste of ongemanifesteerde logos. Het derde of
laagste gebied van de triade stelt de derde of gemanifesteerde logos
of Brahmâ-purusha-prakriti voor. Als we het schema naar omlaag
volgen, komen we bij de zeven gemanifesteerde beginselen en elementen,
die uit de drie zogenaamde arûpa of vormloze gebieden en uit de vier
rûpa gebieden of gebieden van vorm bestaan. Het eivormige omhulsel van
de hiërarchie is verdeeld in deze zeven gebieden, en in zes centra van
bewustzijn met hun onafscheidelijke zes voertuigen of ‘zielen’. De verticale
lijn die door het ei heenloopt, stelt het inwonende zelf voor: dat zelf
dat één is in u en mij en in alles; dat wat in ons allen zegt ‘ik ben’.
Het verschilt niet in u of in mij, want het is één, het universele zelf
van de hiërarchie. Maar wat is het in u of in mij of in wie ook dat
zegt ‘ik ben ik, niet u’ – dat wat zelf-bewustzijn
is? Dat is het ego, het ‘ik’, maar niet het zelf, want het zelf gaat
een dergelijke beperking van bewustzijn te boven. Het erkent geen onderscheid
tussen u en mij.
U herinnert zich de prachtige legende van de
soefi’s, die verhaalt hoe de ziel, op zoek naar waarheid, tenslotte
bij het huis van God komt en aan de poort klopt. In antwoord daarop
weergalmt de donder door de hemelruimten en God roept: ‘Wie zijt gij?’
En de ziel antwoordt: ‘Ik’. En God zegt: ‘Ik ken geen ik’. Dan
zwerft de ziel opnieuw vele eeuwen in tegenspoed en smart rond, en keert
tenslotte bij de poort van het huis van God terug en klopt nogmaals
aan. En de stem van God weerklinkt en zegt: ‘Wie zijt gij?’ En de ziel
antwoordt: ‘Gij’. Dan zegt de stem van God: ‘Treedt uw huis binnen,
want wij zijn één’. Er is geen onderscheid tussen ik en u – een prachtige
legende die een van de diepzinnigste denkbeelden van de oude wijsheid
belichaamt.
We hebben verder geprobeerd het steeds geringer
wordende bewustzijn, begripsvermogen, macht, invloed, kracht, uitgebreidheid
en bevattingsvermogen schematisch voor te stellen door de zes naar omlaag
steeds kleiner wordende cirkels langs de verticale lijn die het zelf
weergeeft. Het is onmogelijk van een zuiver metafysisch onderwerp een
bevredigende voorstelling te geven op een plat vlak, maar wat we daarmee
willen aantonen is dat hoe hoger de cirkel of sfeer ligt, hoe geestelijker
de sfeer of het centrum is; en hoe groter en meeromvattend het is in
kwaliteit en invloed, maar niet noodzakelijk in omvang. Verder hebben
we geprobeerd door een sterkere arcering duidelijk te maken dat deze
centra of sferen stoffelijker worden naarmate ze lager staan in het
schema. Het hoogste centrum is de goddelijke ziel of het monadische
omhulsel. Het is het eerste of hoogste voertuig van âtman en als
een egoïsch centrum is het het goddelijke ego. Het volgende daaronder
is de geestelijke ziel of de individuele monade. Deze en die erboven
vormen samen de innerlijke christus; en met de geestelijke ziel of individuele
monade correspondeert de jîvâtman of het geestelijke ego. Het
is dat deel van onze geestelijke structuur dat als geïndividualiseerde
ego onsterfelijk is; onsterfelijk tot het einde van het mahâmanvantara
van het zonnestelsel. Wanneer in de grootse voleinding van de tijd de
zonnepralaya aanbreekt, komt er een moment, een laatste ogenblik, waarop
alles in dat stelsel tot voltooiing of vervulling is gekomen; en dan
worden onmiddellijk, letterlijk in een oogwenk, alle planeten en de
zon zelf als het ware ‘uitgeblazen’. Het laatste van alle gemanifesteerde
wezens is op dat ogenblik naar hogere gebieden gegaan; en omdat er helemaal
niets is achtergebleven om de fysieke stof ergens binnen het zonnestelsel
bijeen te houden, valt dat stelsel onmiddellijk uiteen en verdwijnt
(zoals ik al eerder heb gezegd) als een schaduw die over een muur glijdt.
Het tweede centrum omvat buddhi, zowel de vrucht
als het zaad van manas. Dit is het centrum of het zaad, de wortel of
de grondslag van het reïncarnerende ego. In ons schema komt daaronder
de hogere menselijke ziel, bestaande uit de lagere buddhi en het hogere
manas met, zoals hierboven al is opgemerkt, het zelf dat haar doordringt.
Daarmee corres pondeert als egoïsch centrum de bhûtâtman, of anders
gezegd het menselijke ego, dat op de vorige bijeenkomst is toegelicht.
Dan volgt de menselijke ziel of de mens: deze bestaat uit manas, kâma
en prâ.na, en het egoïsche centrum dat ermee samenhangt is de
prâ.nâtman of het persoonlijke ego, dat sterfelijk is.
Er is daarin en in de andere eronder geen blijvend
beginsel; in de ‘mens’ is geen enkel blijvend beginsel. Het volgende
is de dierlijke ziel of de vitaal-astrale ziel, de kâma-prâ.na;
haar quasi-egoïsche centrum is, zo u wilt, het dierlijke ego: dat elementaire
beginsel van egoïteit in het dier dat het gedurende zijn bestaan bijeenhoudt.
Volgens onze leringen heeft elk levend wezen een ziel; niet een menselijke
of een goddelijke of een geestelijke ziel, maar een ziel die met
zijn soort overeenkomt. Wat het is, welk soort het is, wordt
bepaald door zijn ziel, zodat we gevoeglijk kunnen zeggen dat de
verschillende dieren elk hun ziel hebben, het ene een eendenziel, het
andere een struisvogelziel, een stierenziel of een koeienziel, een kippen-
of een nachtegaalziel, enz. De lagere entiteiten, gezien als een rijk,
zijn gedifferentieerd in deze verschillende families van levende wezens
door de verschillende zielen in elk van hen; en in elke individuele
entiteit staan achter de ziel – waaraan die entiteit ontspringt – natuurlijk
alle andere beginselen die ook de mens bezielen. Maar in het dier
zijn alle hogere beginselen latent. Daarom behoort de mens tot een
ander rijk – het mensenrijk, want in hem is het buddhibeginsel min of
meer actief. Manas komt uit buddhi voort zoals een vrucht uit een bloem,
maar manas zelf is sterfelijk en valt bij de dood uiteen. Alleen wat
er geestelijk in is, leeft na de dood voort en dat kan er als het ware
aan worden onttrokken. H.P.B. noemt het het aroma van manas, vergelijkbaar
met de rozenolie of essence van rozen, die de scheikundige uit de roos
haalt.
Het laatste is de stoffelijke ‘ziel’ of het
lichaam: het sthûlasarîra, het grofstoffelijke lichaam, prâna
en het lingasarîra.
We hebben al eerder gezegd dat de verloren ziel
zich aan de ene pool van het bewustzijn bevindt en de meester aan de
andere. Tussen de hogere menselijke ziel en de menselijke ziel (of de
eigenlijke mens) ligt de psychologische grens die men moet passeren
op de weg omhoog of omlaag, vooruit of achteruit, en die tot regeneratie
of degeneratie leidt. Als we omhooggaan en omhoog, of liever naar binnen,
blijven gaan, zullen we tenslotte het meesterschap bereiken. Bedenk
dat we bij al deze beschrijvingen gewone taal moeten gebruiken; in werkelijkheid
gaan we niet omhoog in de ruimte; waar we over spreken en waar het om
gaat is de kwaliteit, de verbetering van de kwaliteit van het
menselijke ego, en het doordringen als het ware achter de laatste omhulsels
van ons innerlijke wezen. Als we daarentegen omlaaggaan en de kwaliteit
van onze egoïsche ziel totaal verslechtert, verliezen we tenslotte het
egocentrum, het zielencentrum dat, als het is losgeraakt van de levensdraad
naar omhoog, uiteenvalt en tenslotte, zoals gezegd, wordt vernietigd.
Aan de ene pool van het bewustzijn vinden we dus het geval van een verloren
ziel en aan de andere pool dat van de meester. Wanneer het sterfelijke
het onsterfelijke wordt, wanneer het vergankelijke het onvergankelijke
wordt, bereiken we het volledige bewuste meesterschap en worden we een
meester van het leven.
Zoals gezegd, als het bewuste centrum dat we
nu zijn, volledig toegeeft aan de bekoring en aantrekkingskracht van
de stof, neemt de invloed daarvan toe naarmate de tijd verstrijkt en
het een gewoonte wordt, en raakt dat deel van ons waar ons egoïsche
bewustzijn dan zetelt, de ziel, als het ware door slijtage uitgeput
en verdwijnt ze tenslotte. Ze wordt uitgewist, vernietigd; er blijft
niets van over. Ze verzinkt in de achtste sfeer, de planeet van de dood,
waar ze tenslotte haar verschrik kelijke lot ondergaat. De monadische
(de geestelijke) essentie van ons wezen zal dan voor toekomstige reïncarnaties
een nieuw bewustzijnscentrum of egoïsch voertuig moeten ontwikkelen.
Hieruit blijkt de ernst van de zaak. Ze moet een nieuw zielencentrum,
een nieuw egoïsch centrum ontwikkelen om de draad in de reeks levens
weer te kunnen opnemen; het kan zijn dat in bepaalde omstandigheden
vele eeuwen voorbijgaan voordat het nieuw ontwikkelde voertuig van het
monadische bewustzijn de verloren tijd en kansen kan inhalen. Intussen
heeft de levensgolf van het ras zich op het pad van het lot voortgespoed
en de ‘mislukten’ ver achter zich gelaten.