Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De duur van de devachanische periode


Er zijn geen klokken, geen uurwerken in devachan, . . . hoewel de hele kosmos in één opzicht een reusachtige chronometer is. Ook merken wij stervelingen – ici bas même – weinig of niets van de tijd gedurende perioden van geluk en zaligheid, en vinden die altijd te kort; een feit dat ons allerminst belet toch van dat geluk te genieten – wanneer het zich voordoet. Heeft u ooit de eenvoudige mogelijkheid overwogen dat misschien juist omdat zijn beker van gelukzaligheid tot de rand is gevuld, de devachani ‘alle gevoel van tijd’ verliest; en dat dit bij hen die in avichi terechtkomen niet gebeurt, hoewel, evenals de devachani, ook de bewoner van avichi geen besef van tijd heeft – d.w.z. van onze aardse berekeningen van tijdsperioden? Mag ik u in dit verband ook eraan herinneren dat de tijd iets is dat geheel door onszelf wordt geschapen; . . . Eindige vergelijkingen zijn ongeschikt om het abstracte en oneindige uit te drukken; evenmin kan het objectieve ooit het subjectieve weerspiegelen. Om de gelukzaligheid van devachan of de ellende in avichi te kunnen beseffen, moet u ze in u opnemen – zoals wij dat doen.

     De Mahatma Brieven, blz. 211-2

Er is een wet in het occultisme, geheel gebaseerd op de werkingen van de natuur, dat een mens in normale gevallen niet reïncarneert binnen een periode van honderdmaal het aantal jaren dat hij op aarde leefde. De gemiddelde levensduur zou op het ogenblik ongeveer vijftien jaar zijn, maar dat is slechts een statistisch gemiddelde en er zijn natuurlijk miljoenen mensen die veel ouder worden, en hun devachanische periode zal dus naar verhouding langer zijn. Maar ieder ego heeft zijn eigen devachan, zowel wat de aard als de duur betreft. Sommige mensen zijn veel langer dan 1500 jaar in devachan, terwijl anderen, met sterk materialistische neigingen en eigenschappen, een devachan hebben dat misschien maar een paar honderd jaar duurt.*

*Bepaalde mensen hebben zo’n zwakke band met hun spirituele natuur dat wanneer de dood komt, er in het pas geëindigde leven niets is opgebouwd dat de devachanische toestand kan doen ontstaan. Het gevolg is dat ze in een toestand van volledige onbewustheid verzinken, waarin ze blijven tot de volgende incarnatie, die heel snel volgt.

Verschillende voorbeelden van bijna onmiddellijke wederbelichaming zijn gemeld die, als ze echt zijn, die zeldzame en buitengewone gevallen vertegenwoordigen van schijnbaar normale mensen die, om de een of andere karmische reden, misschien wel binnen een paar jaar na de dood reïncarneren. Vergeleken met de grote meerderheid van gemiddelde mensen die tussen de incarnaties zowel kamaloka als devachan ondergaan, zijn ze zeer gering in aantal. Zulke mensen zijn in geen geval slecht of verdorven, maar zijn wat men spiritueel passief of neutraal zou kunnen noemen; en omdat ze zich tijdens het leven niet bewust zijn geworden van dat karakteristieke spirituele leven dat de devachanische ervaring voortbrengt, brengen ze korte tijd in kamaloka door en incarneren dan weer.

Het lijkt misschien tijdverspilling zoveel jaar in devachan door te brengen; maar er zijn in feite honderdduizenden mensen om ons heen die zich in een half-devachanische toestand bevinden, die zo vol dagdromen is, dat we ze onpraktisch, dromerig, idealistisch, enz., noemen. De oorzaak van die toestand ligt in het verlangen van de slapende karakterzaden om naar de aarde terug te keren, een verlangen dat voortijdig in devachan ontwaakt als zaden van impulsen, gedachten en begeerten, waardoor de devachanische periode wordt beëindigd voordat ze haar volledige karmische einde heeft bereikt. Vage dromen van de gelukkige toestand waarin men verkeerde, blijven dan in het reïncarnerende ego leven; en voorzover het bewustzijn van het hersenverstand door deze herinneringen wordt beïnvloed, is de entiteit nog steeds in devachan. Deze toestand is niet goed, want zulke mensen zijn niet volledig wakker, en hun gedeeltelijk devachanische toestand verhindert het reïncarnerende ego om attent te zijn op de kansen om te groeien en meer bewust te worden tijdens zijn verblijf op aarde. We moeten de neiging om ons leven te verdromen, overwinnen door spiritueel en mentaal actief te zijn, door dit te willen, en door ernaar te streven steeds edeler te leven. Boekenstudie alleen, hoewel op zichzelf waardevol, is niet voldoende. Juist de spirituele natuur dient onder alle omstandigheden te worden ontwikkeld, zelfs in de moeilijke situaties van het menselijk bestaan.

Er zijn op aarde ook mensen, hoewel veel en veel kleiner in aantal, die zich in werkelijkheid in een van de hogere toestanden van avichi bevinden – en die als het ware worden achtervolgd door steeds terugkerende ‘dromen’ van ellende en verschrikking. Anderzijds zijn er mensen van edele aard, die zelfs terwijl ze in het lichaam leven, zich op een of meer van de lagere gebieden van nirvana bevinden; maar die zijn heel zeldzaam.

Als een gewoon mens door een of andere magische kracht uit devachan kon ontsnappen, dan zou hij waarschijnlijk halfidioot op aarde terugkeren, omdat zijn tussennatuur zo vermoeid zou zijn en zijn energie zo uitgeput, dat hij veel weg zou hebben van iemand die zo lang niet heeft geslapen, dat hij zich in een toestand van fysieke uitputting en mentale verdoving bevindt. Niettemin wordt iedere neofiet die er spiritueel sterk naar verlangt om zich geheel aan het grootse werk van de hiërarchie van mededogen te wijden, op iedere mogelijke wijze geholpen om snel te evolueren, zodat zijn devachan met elke incarnatie korter en korter wordt en hij tenslotte het punt bereikt waarop devachan niet werkelijk noodzakelijk is – behalve voor korte perioden. Maar zelfs de verst gevorderden hebben op zijn minst een tijdelijke onderbreking en vergetelheid nodig om zich psychisch en mentaal te herstellen; er komt een ogenblik dat de innerlijke constitutie de spanning niet langer kan verdragen.*

*Er is gevraagd of een spirituele leraar die zich in devachan bevindt rechtstreeks een volwassen lichaam kan binnengaan, of dat hij eerst op normale wijze moet worden geboren en pas daarna de verandering ondergaat. Wanneer een boodschapper devachan binnengaat, is dat gewoonlijk een zeer korte ervaring voor deze dienaar van de Wet, en hij moet die rusttoestand verlaten vóór hij zijn werk op aarde weer kan opvatten. Het gebeurt praktisch nooit dat een boodschapper devachan verlaat en onmiddellijk in een volwassen lichaam incarneert.

Bovendien is het voor hem heel goed mogelijk devachan in te gaan zonder door de vallei van de dood te gaan zoals gewone mensen doen. Het fysieke lichaam is weg, dat is waar; maar er is een manier waarop bepaalde hoge chela’s worden geholpen hun devachanische rust te krijgen en toch voldoende van de vorm van de individualiteit, en van de vroegere persoonlijkheid, te behouden om een levend volwassen lichaam in te gaan. Ook zijn er gevallen waarin men noch nirvana, noch de devachanische toestand meemaakt, maar slechts een heel korte periode van volledige onbewustheid; en hiervan wordt gebruikgemaakt om een boodschapper in staat te stellen zijn krachten te herwinnen voor hij zijn plichten weer opneemt.

Devachan is het strikt mathematische resultaat van de spirituele toestand van een mens op het moment van de dood. Tot op een bepaald punt geldt dat hoe spiritueler de mens is des te langer is zijn devachan; hoe materialistischer hij is, des te korter. Er is echter een manier waarop devachan flink kan worden bekort: en wel door toewijding, door het opgeven van het zelf ter wille van de zaak van de boeddha’s van mededogen. De keuze is aan ons – mits we voldoende zijn geëvolueerd om die keuze te doen met de wilskracht die dat mogelijk maakt. Zelfs het doen van die keuze zal de devachanische periode bekorten.24

Nog een reden waarom de devachanische perioden ons zo lang toeschijnen, is dat de mens een belichaamde straal is van de spirituele monade, en die monade moet alle tijd krijgen om de postmortale omzwervingen te volbrengen; en die kunnen alleen plaatsvinden als haar schakel – via haar egoïsche straal – met de aarde (of met andere werelden of bollen) is verbroken, waardoor ze vrij is voor avonturen in andere sferen. Deze reïncarnaties van ons zijn lang niet het hele gebeuren, en we moeten hier opmerken dat de perioden van manifestatie en rust voor een bol van een planeetketen van gelijke duur zijn. De sleutel tot dit mysterie ligt in het feit dat het menselijke ego op zijn eigen gebieden, waar zijn grotere bestemming ligt, een monade of een spiritueel wezen is, die met deze lagere stoffelijke gebieden alleen in aanraking komt in geval van incarnatie door het uitzenden van een egoïsche straal, die de ‘mens’ vormt zoals wij die kennen.*

*Als evoluerende ziel is de mens verder gevorderd dan de aarde waarop hij woont en hij heeft daarom, in ruimere mate dan de geest van de aarde, mooie dromen, onzelfzuchtige verlangens, prachtige ingevingen van spirituele en verstandelijke grootsheid, en geen enkel mensenleven is lang genoeg om die in vervulling te doen gaan. Daarom heeft hij een naar verhouding langere tijd van rust nodig om die te verwerken en in zich op te nemen; een bol daarentegen is niet zover geëvolueerd als een menselijke monade, maar verkeert bijna in evenwicht op de lijn tussen de hogere en de lagere stoffelijke werelden, waardoor zijn perioden van belichaamd-zijn en niet-belichaamd-zijn praktisch even lang zijn. Als we spreken over manvantara en pralaya denken we aan de levensperioden van zichtbare en fysieke dingen, waarin de schaal in evenwicht is; in ons zonnestelsel bijvoorbeeld is, in zijn manvantara en pralaya, de dag even lang als de nacht.

Het is heel begrijpelijk dat actieve, normale mensen bijna instinctief afkerig zijn van de gedachte bijna honderdmaal zo lang door te brengen in de slaap-droom-toestand van devachan, dan in de zelfbewuste en actieve toestand van belichaamd leven. Toch ‘verluiert’ de devachani zijn tijd niet, omdat de bevrijding van de menselijke monade van de kluisters van het aardse leven hem – de ware mens – de tijd en de gelegenheid geeft voor zijn zeer noodzakelijke en onvermijdelijke omzwervingen, waarin hij zijn bestemming volgt.

Het leven van de aardse mens, dat maar een fase van het manvantarische bestaan van de menselijke monade is, is geen maatstaf van vergelijking; ook is het niet de belangrijkste basis van waaruit de omzwervingen van de menselijke monade beginnen. Precies het omgekeerde is het geval, want de straal van de menselijke monade die de aardse mens voortbrengt, is maar een periodieke projectie van bewustzijn van de menselijke monade, die niet alleen onze planeetketen als werkterrein heeft, maar ook, als gevolg van haar schakel met de spirituele monade, het zonnestelsel. Daarom zijn de herhaalde belichamingen van haar straal op aarde slechts fasen in de kringloop van omzwervingen en brengt ze een veel langere periode in en op de onzichtbare bollen van onze keten door.

De natuur maakt uiteindelijk geen grote fouten, en de tijd die in devachan wordt doorgebracht, wordt in elk van de gevallen door de onveranderlijke natuurwetten aangepast aan de behoeften en spirituele en intellectuele gezondheid en stabiliteit van het evoluerende ego. Daarom is het filosofisch onjuist om de tijd die het ego in devachan doorbrengt als te lang of onnodig te beschouwen. Zulke lange perioden zijn voor de menselijke monade beslist noodzakelijk, niet alleen ter wille van haar omzwervingen, maar ook voor het verwerken van de opgedane ervaringen van de devachanische entiteit als belichaamde mens.

De devachani is zich niet bewust van het verstrijken van tijd zoals bij de aardse mens het geval is. Ons tijdsbesef hier is heel sterk, als gevolg van de voortdurende opeenvolging van gebeurtenissen die in ons bewustzijn de tijdsperioden bepalen en ons begrip daarvan voortbrengen, zoals onze dagen en nachten en de seizoenen, en ook de fasen van het menselijk denken en voelen waarin het bewustzijn van de geprojecteerde straal is afgedaald, en waaraan het psychisch is gebonden. Maar in devachan verdwijnen alle dingen die als invloeden van buitenaf op ons inwerken. Het lijkt heel veel op wat er met een mens in diepe slaap gebeurt; of hij zich nu in het sterke droombewustzijn svapna bevindt, of in de droomloze slaap sushupti, hij heeft totaal geen idee van het verloop van de uiterlijke tijd, zodat hij als hij ontwaakt, nauwelijks in staat is te zeggen of hij twee of acht uur heeft geslapen. Dat geldt in nog sterkere mate voor de devachani. Voor hem bestaat de tijd niet meer, behalve in het droombewustzijn van de opeenvolgende gedachtebeelden en gelukzalige fantasieën die zijn bewustzijn vullen. In de hogere en hoogste sferen van devachan gaan de onuitsprekelijk mooie visioenen over in iets dat nog verhevener is en dat voor ons belichaamde menselijke bewustzijn ‘onbewustheid’ is – of de ware sushupti-toestand.

In de verre toekomst, wanneer de mensheid spiritueel en verstandelijk zover is geëvolueerd dat ze niet langer behoefte heeft aan devachan, zullen deze perioden van rust natuurlijk niet meer voorkomen. De monade zal waarschijnlijk eenvoudig van het ene, dan etherische, aardse lichaam overstappen in het andere, met nauwelijks enige onderbreking van het zelfbewustzijn.

We hebben de vier algemene toestanden al genoemd waarin het menselijk bewustzijn zich kan bevinden. Ten eerste jagrat, het waakbewustzijn; dan svapna, de slaap met dromen; en de reden dat we ons onze dromen niet beter herinneren, is omdat ze vaak te etherisch en te intens zijn voor de hersenen om de herinnering daaraan te bewaren nadat we zijn ontwaakt. Het is niet omdat ze te vaag zijn. Als een mens slaapt en volkomen onbewust is, verkeert hij in de sushupti-toestand. Dit bewustzijn is zo scherp, zo spiritueel, en heeft een zo groot bereik, dat het arme beperkte brein – zowel de fysieke als de astrale hersensubstantie – het niet kan bevatten of vastleggen.

De vierde en hoogste toestand die wij als mensen kunnen bereiken is turiya-samadhi, en dat is in feite het bewustzijn van het goddelijke in ons. Als de sushupti-toestand al zo machtig is dat onze hersenen er geen herinnering aan kunnen bewaren, dan geldt dat duizend keer zo sterk voor de turiya-toestand. Het is alsof onze zwakke hersenen het bewustzijn van de hiërarch van ons zonneheelal proberen te vatten. Al deze bewustzijnstoestanden kunnen zelfs als de mens op aarde is belichaamd door hem worden ervaren, en in heel zeldzame gevallen gebeurt dat ook.

Wanneer een mens sterft, gaat hij van jagrat over in svapna, voorzover het zijn astrale lichaam betreft. Zijn menselijke ziel is onbewust in sushupti; maar de geest in hem, die naar zijn ouderbron is gegaan tot hij weer naar de aarde wordt teruggeroepen, verkeert in turiya-samadhi. In toekomstige eeuwen, als we halfgoden op aarde zijn, zal een afschaduwing van dat goddelijke bewustzijn ons allen vertrouwd zijn. Dan begrijpen we omdat we weten. Wie heeft zelfs nu niet enig vermoeden van het goddelijke? Ieder normaal mens kan, als hij zich oefent, zijn bewustzijn, zijn ware zelf, verheffen en in het hogere deel van zijn wezen concentreren; als hij dan spreekt, zijn zijn woorden waar en overtuigend.

 


Bron van het occultisme, blz. 662-7

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag