De duur van de devachanische periode
Er zijn geen klokken, geen uurwerken in devachan,
. . . hoewel de hele kosmos in één opzicht een reusachtige
chronometer is. Ook merken wij stervelingen – ici bas même
– weinig of niets van de tijd gedurende perioden van
geluk en zaligheid, en vinden die altijd te kort; een feit dat ons
allerminst belet toch van dat geluk te genieten – wanneer het
zich voordoet. Heeft u ooit de eenvoudige mogelijkheid overwogen dat
misschien juist omdat zijn beker van gelukzaligheid tot de rand is
gevuld, de devachani ‘alle gevoel van tijd’ verliest;
en dat dit bij hen die in avichi terechtkomen niet gebeurt,
hoewel, evenals de devachani, ook de bewoner van avichi
geen besef van tijd heeft – d.w.z. van onze aardse berekeningen
van tijdsperioden? Mag ik u in dit verband ook eraan herinneren dat
de tijd iets is dat geheel door onszelf wordt geschapen;
. . . Eindige vergelijkingen zijn ongeschikt om het abstracte en oneindige
uit te drukken; evenmin kan het objectieve ooit het subjectieve weerspiegelen.
Om de gelukzaligheid van devachan of de ellende in avichi
te kunnen beseffen, moet u ze in u opnemen – zoals wij dat doen.
– De Mahatma Brieven,
blz. 211-2
Er is een wet in het occultisme, geheel gebaseerd
op de werkingen van de natuur, dat een mens in normale gevallen niet
reïncarneert binnen een periode van honderdmaal het aantal jaren
dat hij op aarde leefde. De gemiddelde levensduur zou op het ogenblik
ongeveer vijftien jaar zijn, maar dat is slechts een statistisch gemiddelde
en er zijn natuurlijk miljoenen mensen die veel ouder worden, en hun
devachanische periode zal dus naar verhouding langer zijn. Maar ieder
ego heeft zijn eigen devachan, zowel wat de aard als de duur betreft.
Sommige mensen zijn veel langer dan 1500 jaar in devachan, terwijl anderen,
met sterk materialistische neigingen en eigenschappen, een devachan
hebben dat misschien maar een paar honderd jaar duurt.*
*Bepaalde mensen hebben zo’n zwakke band met hun
spirituele natuur dat wanneer de dood komt, er in het pas geëindigde
leven niets is opgebouwd dat de devachanische toestand kan doen ontstaan.
Het gevolg is dat ze in een toestand van volledige onbewustheid verzinken,
waarin ze blijven tot de volgende incarnatie, die heel snel volgt.
Verschillende voorbeelden van bijna onmiddellijke wederbelichaming
zijn gemeld die, als ze echt zijn, die zeldzame en buitengewone gevallen
vertegenwoordigen van schijnbaar normale mensen die, om de een of andere
karmische reden, misschien wel binnen een paar jaar na de dood reïncarneren.
Vergeleken met de grote meerderheid van gemiddelde mensen die tussen
de incarnaties zowel kamaloka als devachan ondergaan, zijn ze zeer gering
in aantal. Zulke mensen zijn in geen geval slecht of verdorven, maar
zijn wat men spiritueel passief of neutraal zou kunnen noemen; en omdat
ze zich tijdens het leven niet bewust zijn geworden van dat karakteristieke
spirituele leven dat de devachanische ervaring voortbrengt, brengen
ze korte tijd in kamaloka door en incarneren dan weer.
Het lijkt misschien tijdverspilling zoveel jaar
in devachan door te brengen; maar er zijn in feite honderdduizenden
mensen om ons heen die zich in een half-devachanische toestand bevinden,
die zo vol dagdromen is, dat we ze onpraktisch, dromerig, idealistisch,
enz., noemen. De oorzaak van die toestand ligt in het verlangen van
de slapende karakterzaden om naar de aarde terug te keren, een verlangen
dat voortijdig in devachan ontwaakt als zaden van impulsen, gedachten
en begeerten, waardoor de devachanische periode wordt beëindigd
voordat ze haar volledige karmische einde heeft bereikt. Vage dromen
van de gelukkige toestand waarin men verkeerde, blijven dan in het reïncarnerende
ego leven; en voorzover het bewustzijn van het hersenverstand door deze
herinneringen wordt beïnvloed, is de entiteit nog steeds in devachan.
Deze toestand is niet goed, want zulke mensen zijn niet volledig wakker,
en hun gedeeltelijk devachanische toestand verhindert het reïncarnerende
ego om attent te zijn op de kansen om te groeien en meer bewust te worden
tijdens zijn verblijf op aarde. We moeten de neiging om ons leven te
verdromen, overwinnen door spiritueel en mentaal actief te zijn, door
dit te willen, en door ernaar te streven steeds edeler te leven. Boekenstudie
alleen, hoewel op zichzelf waardevol, is niet voldoende. Juist de spirituele
natuur dient onder alle omstandigheden te worden ontwikkeld, zelfs in
de moeilijke situaties van het menselijk bestaan.
Er zijn op aarde ook mensen, hoewel veel en veel
kleiner in aantal, die zich in werkelijkheid in een van de hogere toestanden
van avichi bevinden – en die als het ware worden achtervolgd door
steeds terugkerende ‘dromen’ van ellende en verschrikking.
Anderzijds zijn er mensen van edele aard, die zelfs terwijl ze in het
lichaam leven, zich op een of meer van de lagere gebieden van nirvana
bevinden; maar die zijn heel zeldzaam.
Als een gewoon mens door een of andere magische
kracht uit devachan kon ontsnappen, dan zou hij waarschijnlijk halfidioot
op aarde terugkeren, omdat zijn tussennatuur zo vermoeid zou zijn en
zijn energie zo uitgeput, dat hij veel weg zou hebben van iemand die
zo lang niet heeft geslapen, dat hij zich in een toestand van fysieke
uitputting en mentale verdoving bevindt. Niettemin wordt iedere neofiet
die er spiritueel sterk naar verlangt om zich geheel aan het grootse
werk van de hiërarchie van mededogen te wijden, op iedere mogelijke
wijze geholpen om snel te evolueren, zodat zijn devachan met elke incarnatie
korter en korter wordt en hij tenslotte het punt bereikt waarop devachan
niet werkelijk noodzakelijk is – behalve voor korte perioden.
Maar zelfs de verst gevorderden hebben op zijn minst een tijdelijke
onderbreking en vergetelheid nodig om zich psychisch en mentaal te herstellen;
er komt een ogenblik dat de innerlijke constitutie de spanning niet
langer kan verdragen.*
*Er is gevraagd of een spirituele leraar die zich in
devachan bevindt rechtstreeks een volwassen lichaam kan binnengaan,
of dat hij eerst op normale wijze moet worden geboren en pas daarna
de verandering ondergaat. Wanneer een boodschapper devachan binnengaat,
is dat gewoonlijk een zeer korte ervaring voor deze dienaar van de Wet,
en hij moet die rusttoestand verlaten vóór hij zijn werk
op aarde weer kan opvatten. Het gebeurt praktisch nooit dat een boodschapper
devachan verlaat en onmiddellijk in een volwassen lichaam incarneert.
Bovendien is het voor hem heel goed mogelijk devachan
in te gaan zonder door de vallei van de dood te gaan zoals gewone mensen
doen. Het fysieke lichaam is weg, dat is waar; maar er is een manier
waarop bepaalde hoge chela’s worden geholpen hun devachanische
rust te krijgen en toch voldoende van de vorm van de individualiteit,
en van de vroegere persoonlijkheid, te behouden om een levend volwassen
lichaam in te gaan. Ook zijn er gevallen waarin men noch nirvana, noch
de devachanische toestand meemaakt, maar slechts een heel korte periode
van volledige onbewustheid; en hiervan wordt gebruikgemaakt om een boodschapper
in staat te stellen zijn krachten te herwinnen voor hij zijn plichten
weer opneemt.
Devachan is het strikt mathematische resultaat van
de spirituele toestand van een mens op het moment van de dood. Tot op
een bepaald punt geldt dat hoe spiritueler de mens is des te langer
is zijn devachan; hoe materialistischer hij is, des te korter. Er is
echter een manier waarop devachan flink kan worden bekort: en wel door
toewijding, door het opgeven van het zelf ter wille van de zaak van
de boeddha’s van mededogen. De keuze is aan ons
– mits we voldoende zijn geëvolueerd om die keuze te doen
met de wilskracht die dat mogelijk maakt. Zelfs het doen van die keuze
zal de devachanische periode bekorten.24
Nog een reden waarom de devachanische perioden ons
zo lang toeschijnen, is dat de mens een belichaamde straal is van de
spirituele monade, en die monade moet alle tijd krijgen om de postmortale
omzwervingen te volbrengen; en die kunnen alleen plaatsvinden als haar
schakel – via haar egoïsche straal – met de aarde (of
met andere werelden of bollen) is verbroken, waardoor ze vrij is voor
avonturen in andere sferen. Deze reïncarnaties van ons zijn lang
niet het hele gebeuren, en we moeten hier opmerken dat de perioden van
manifestatie en rust voor een bol van een planeetketen van gelijke duur
zijn. De sleutel tot dit mysterie ligt in het feit dat het menselijke
ego op zijn eigen gebieden, waar zijn grotere bestemming ligt, een monade
of een spiritueel wezen is, die met deze lagere stoffelijke gebieden
alleen in aanraking komt in geval van incarnatie door het uitzenden
van een egoïsche straal, die de ‘mens’ vormt zoals
wij die kennen.*
*Als evoluerende ziel is de mens verder gevorderd dan
de aarde waarop hij woont en hij heeft daarom, in ruimere mate dan de
geest van de aarde, mooie dromen, onzelfzuchtige verlangens, prachtige
ingevingen van spirituele en verstandelijke grootsheid, en geen enkel
mensenleven is lang genoeg om die in vervulling te doen gaan. Daarom
heeft hij een naar verhouding langere tijd van rust nodig om die te
verwerken en in zich op te nemen; een bol daarentegen is niet zover
geëvolueerd als een menselijke monade, maar verkeert bijna in evenwicht
op de lijn tussen de hogere en de lagere stoffelijke werelden, waardoor
zijn perioden van belichaamd-zijn en niet-belichaamd-zijn praktisch
even lang zijn. Als we spreken over manvantara en pralaya denken we
aan de levensperioden van zichtbare en fysieke dingen, waarin de schaal
in evenwicht is; in ons zonnestelsel bijvoorbeeld is, in zijn manvantara
en pralaya, de dag even lang als de nacht.
Het is heel begrijpelijk dat actieve, normale mensen
bijna instinctief afkerig zijn van de gedachte bijna honderdmaal zo
lang door te brengen in de slaap-droom-toestand van devachan, dan in
de zelfbewuste en actieve toestand van belichaamd leven. Toch ‘verluiert’
de devachani zijn tijd niet, omdat de bevrijding van de menselijke monade
van de kluisters van het aardse leven hem – de ware mens –
de tijd en de gelegenheid geeft voor zijn zeer noodzakelijke en onvermijdelijke
omzwervingen, waarin hij zijn bestemming volgt.
Het leven van de aardse mens, dat maar een fase
van het manvantarische bestaan van de menselijke monade is, is geen
maatstaf van vergelijking; ook is het niet de belangrijkste basis van
waaruit de omzwervingen van de menselijke monade beginnen. Precies het
omgekeerde is het geval, want de straal van de menselijke monade die
de aardse mens voortbrengt, is maar een periodieke projectie van bewustzijn
van de menselijke monade, die niet alleen onze planeetketen als werkterrein
heeft, maar ook, als gevolg van haar schakel met de spirituele monade,
het zonnestelsel. Daarom zijn de herhaalde belichamingen van haar straal
op aarde slechts fasen in de kringloop van omzwervingen en brengt ze
een veel langere periode in en op de onzichtbare bollen van onze keten
door.
De natuur maakt uiteindelijk geen grote fouten,
en de tijd die in devachan wordt doorgebracht, wordt in elk van de gevallen
door de onveranderlijke natuurwetten aangepast aan de behoeften en spirituele
en intellectuele gezondheid en stabiliteit van het evoluerende ego.
Daarom is het filosofisch onjuist om de tijd die het ego in devachan
doorbrengt als te lang of onnodig te beschouwen. Zulke lange perioden
zijn voor de menselijke monade beslist noodzakelijk, niet alleen ter
wille van haar omzwervingen, maar ook voor het verwerken van de opgedane
ervaringen van de devachanische entiteit als belichaamde mens.
De devachani is zich niet bewust van het verstrijken
van tijd zoals bij de aardse mens het geval is. Ons tijdsbesef hier
is heel sterk, als gevolg van de voortdurende opeenvolging van gebeurtenissen
die in ons bewustzijn de tijdsperioden bepalen en ons begrip daarvan
voortbrengen, zoals onze dagen en nachten en de seizoenen, en ook de
fasen van het menselijk denken en voelen waarin het bewustzijn van de
geprojecteerde straal is afgedaald, en waaraan het psychisch is gebonden.
Maar in devachan verdwijnen alle dingen die als invloeden van buitenaf
op ons inwerken. Het lijkt heel veel op wat er met een mens in diepe
slaap gebeurt; of hij zich nu in het sterke droombewustzijn svapna bevindt,
of in de droomloze slaap sushupti, hij heeft totaal geen idee van het
verloop van de uiterlijke tijd, zodat hij als hij ontwaakt, nauwelijks
in staat is te zeggen of hij twee of acht uur heeft geslapen. Dat geldt
in nog sterkere mate voor de devachani. Voor hem bestaat de tijd niet
meer, behalve in het droombewustzijn van de opeenvolgende gedachtebeelden
en gelukzalige fantasieën die zijn bewustzijn vullen. In de hogere
en hoogste sferen van devachan gaan de onuitsprekelijk mooie visioenen
over in iets dat nog verhevener is en dat voor ons belichaamde menselijke
bewustzijn ‘onbewustheid’ is – of de ware sushupti-toestand.
In de verre toekomst, wanneer de mensheid spiritueel
en verstandelijk zover is geëvolueerd dat ze niet langer behoefte
heeft aan devachan, zullen deze perioden van rust natuurlijk niet meer
voorkomen. De monade zal waarschijnlijk eenvoudig van het ene, dan etherische,
aardse lichaam overstappen in het andere, met nauwelijks enige onderbreking
van het zelfbewustzijn.
We hebben de vier algemene toestanden al genoemd
waarin het menselijk bewustzijn zich kan bevinden. Ten eerste jagrat,
het waakbewustzijn; dan svapna, de slaap met dromen; en de reden dat
we ons onze dromen niet beter herinneren, is omdat ze vaak te etherisch
en te intens zijn voor de hersenen om de herinnering daaraan te bewaren
nadat we zijn ontwaakt. Het is niet omdat ze te vaag zijn. Als een mens
slaapt en volkomen onbewust is, verkeert hij in de sushupti-toestand.
Dit bewustzijn is zo scherp, zo spiritueel, en heeft een zo groot bereik,
dat het arme beperkte brein – zowel de fysieke als de astrale
hersensubstantie – het niet kan bevatten of vastleggen.
De vierde en hoogste toestand die wij als mensen
kunnen bereiken is turiya-samadhi, en dat is in feite het bewustzijn
van het goddelijke in ons. Als de sushupti-toestand al zo machtig is
dat onze hersenen er geen herinnering aan kunnen bewaren, dan geldt
dat duizend keer zo sterk voor de turiya-toestand. Het is alsof onze
zwakke hersenen het bewustzijn van de hiërarch van ons zonneheelal
proberen te vatten. Al deze bewustzijnstoestanden kunnen zelfs als de
mens op aarde is belichaamd door hem worden ervaren, en in heel zeldzame
gevallen gebeurt dat ook.
Wanneer een mens sterft, gaat hij van jagrat over
in svapna, voorzover het zijn astrale lichaam betreft. Zijn menselijke
ziel is onbewust in sushupti; maar de geest in hem, die naar zijn ouderbron
is gegaan tot hij weer naar de aarde wordt teruggeroepen, verkeert in
turiya-samadhi. In toekomstige eeuwen, als we halfgoden op aarde zijn,
zal een afschaduwing van dat goddelijke bewustzijn ons allen vertrouwd
zijn. Dan begrijpen we omdat we weten. Wie heeft zelfs nu niet enig
vermoeden van het goddelijke? Ieder normaal mens kan, als hij zich oefent,
zijn bewustzijn, zijn ware zelf, verheffen en in het hogere deel van
zijn wezen concentreren; als hij dan spreekt, zijn zijn woorden waar
en overtuigend.
Bron
van het Occultisme, blz. 662-7
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag