Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Het grenzeloze in oude kosmogonieën


Nergens en bij geen enkel volk was het toegestaan de speculatie uit te strekken tot voorbij die gemanifesteerde goden. De grenzeloze en oneindige eenheid bleef bij elk volk een maagdelijk verboden terrein, onbetreden door het denken van de mens, onberoerd door vruchteloze speculaties. De enige verwijzing ernaar was de vereenvoudigde voorstelling van haar eigenschap van uitzetting en samentrekking, van haar periodieke expansie of verwijding en contractie. In het Heelal met al zijn onberekenbaar vele myriaden van stelsels en werelden, die in de eeuwigheid verdwijnen en weer verschijnen, moesten de vermenselijkte machten of goden, hun zielen, tegelijk met hun lichamen uit het gezicht verdwijnen: ‘De adem die terugkeert in de eeuwige schoot, die ze uitademt en inademt’, zegt onze catechismus . . .

In iedere kosmogonie is er achter en boven de scheppende godheid een hogere godheid, een ontwerper, een architect, van wie de schepper slechts de uitvoerder is. En nog hoger, boven en rondom, op innerlijke en uiterlijke gebieden, is er het onkenbare en het onbekende, de bron en oorzaak van al deze emanaties.

     – De Geheime Leer, 2:46-7

Er zijn in de oude literatuur veel namen gegeven aan de schoot van het zijn waaruit alles voortkomt, waarin alles voor altijd is, en tot de spirituele en goddelijke gebieden waarvan alles tenslotte terugkeert, of het nu een oneindig kleine entiteit of een macrokosmische ruimtelijke eenheid betreft.

De Tibetanen noemden dit onuitsprekelijke mysterie Tong-pa-ñid, de onpeilbare afgrond van de spirituele gebieden. De boeddhisten van de mahayanaschool beschrijven het als sunyata of de leegte, eenvoudig omdat geen menselijke verbeelding zich de onbegrijpelijke volheid die het is, kan voorstellen. In de Edda’s van het oude Scandinavië werd het grenzeloze met de suggestieve naam Ginnungagap aangeduid – een woord dat gapende of onbegrensde leegte betekent. De Hebreeuwse bijbel verklaart dat de aarde vormloos en leeg was, en duisternis was op het aangezicht van Tehom, de diepte, de Afgrond van de Wateren en daarom de grote diepte van de kosmische Ruimte. Het heeft dezelfde betekenis als de schoot van de Ruimte zoals andere volkeren zich die voorstellen. In de Chaldeeuws-joodse kabbala wordt dezelfde gedachte weergegeven door het woord ’Eyn (of Ain) Soph, zonder grenzen. In de Babylonische versie van Genesis is het Mummu Tiamatu waarmee de Grote Zee of Diepte wordt aangeduid. De archaïsche Chaldeeuwse kosmologie gebruikt voor de afgrond de naam Ab Soo, de Vader of bron van kennis, en in de oorspronkelijke leer van de magiërs was het Zervan Akarana – in zijn oorspronkelijke betekenis van onbegrensde geest in plaats van de latere betekenis van onbegrensde tijd.

In de Chinese kosmogonie is Tsi-tsai (het zelf-bestaande), de onbekende duisternis, de wortel van Wuliang-sheu, het onbegrensde tijdperk. Het wu wei van Lao-tse, vaak verkeerd vertaald als passiviteit of inactiviteit, belichaamt een soortgelijke opvatting. In de heilige geschriften van de Quiché’s van Guatemala, de Popol Vuh, of het ‘Boek van de Azuren Sluier’, wordt gewezen op de ‘leegte die de eindeloze uitgestrektheid van de Hemelen was’, en op de ‘Grote Zee van de Ruimte’ De oude Egyptenaren spraken over de Eindeloze Diepte; dezelfde gedachte wordt ook belichaamd in de Celi-Ced van de oude druïden, waar over Ced wordt gesproken als de ‘Zwarte Maagd’ – chaos – een toestand van de stof vóór de manvantarische differentiatie.

De orfische mysteriën onderwezen de in drie opzichten onbekende duisternis of chronos, waarover niets kon worden gezegd, behalve zijn tijdloze duur. Bij de gnostische scholen, bijvoorbeeld bij Valentinus, was het bythos, de diepte. In Griekenland sprak de school van Democritus en Epicurus over to kenon, de leegte; dezelfde gedachte werd later verwoord door Leucippus en Diagoras. Maar de twee meest algemene woorden in de Griekse filosofie voor het grenzeloze waren apeiron, gebruikt door Plato, Anaximander en Anaximenes, en apeiria, gebruikt door Anaxagoras en Aristoteles. Beide woorden hadden de betekenis van grenzeloze uitgestrektheid, dat wat geen beperkende grenzen heeft.

Chaos* was een ander woord dat in oude Griekse geschriften werd gebruikt voor Ruimte, en zoals het oorspronkelijk werd gebruikt, bijvoorbeeld door Hesiodus in zijn Theogonie (116) – ‘Chaos was er werkelijk het eerst van alles’ – had het de betekenis van de leegte. Zelfs de wat orthodoxe dichter Milton begreep deze gedachte in zijn ‘Lege en vormloze oneindigheid’ (Paradise Lost, Boek iii). In de loop van de tijd kreeg chaos voor de meeste ontwikkelde Griekse denkers echter de betekenis van een later stadium in de evolutie van een bepaalde kosmos, en dit zou corresponderen met een andere door Milton gebruikte uitdrukking, ‘Stof ongevormd en leeg’ (Boek vii); want dan hebben we stof die reeds in haar oer- of elementaire stadia bestaat door middel van een proces van ontvouwing door emanatie. Ze zou dus overeenkomen met de tweede kosmische logos van de theosofische filosofie.

*Chaos (χάος) stamt van een oude Griekse wortel cha (χα) die de tweevoudige betekenis heeft van vasthouden en loslaten; chaos is dus de ‘vasthouder’ en ‘loslater’ van alle dingen.

Toch was de vroegste opvatting over chaos: die bijna ondenkbare toestand van kosmische ruimte of kosmische uitgebreidheid die voor de menselijke geest oneindige en lege uitgestrektheid van de oorspronkelijke aether is, een stadium vóór de vorming van de gemanifesteerde werelden, en waaruit alles wat later bestond werd geboren, waaronder goden en mensen en alle hemelse wezens. We hebben hier een getrouwe weergave van de archaïsche esoterische filosofie, want bij de Grieken was Chaos de kosmische moeder van Erebos en Nyx, duisternis en nacht – twee aspecten van hetzelfde oorspronkelijke kosmische stadium. Erebos was de spirituele of actieve kant, die overeenkomt met brahman in de hindoefilosofie, en Nyx de passieve kant die overeenkomt met pradhana of mulaprakriti, die beide wortelnatuur betekenen. Uit Erebos en Nyx als dualiteit worden dan Aether en Hemera geboren, Geest en Dag – Geest is in deze volgende fase opnieuw de actieve kant en Dag het passieve aspect, de substantiële kant of het voertuig. De gedachte was dat, zoals in de dag van Brahma uit de hindoekosmogonie de dingen tot actief gemanifesteerd bestaan ontluiken, ook in de kosmische dag van de Grieken de dingen uit de elementaire substantie tevoorschijn treden in het gemanifesteerde licht en tot activiteit komen als gevolg van de inwonende drang van de kosmische geest.

De vroege filosoof-ingewijden waren door hun eed van geheimhouding bijzonder terughoudend om over het kosmische (of cosmische) begin te spreken; en vandaar dat, hoewel de Griekse literatuur, evenals die van alle andere oude volkeren, vol staat met verwijzingen naar eerste kosmische beginstadia, deze zorgvuldig in bedekte termen zijn gekleed. Voortdurend bestond de vrees dat men zulke abstracte en moeilijke leringen zou verdraaien en omlaaghalen als ze te openlijk werden verkondigd en gemeengoed zouden worden van hen die niet door de discipline en leringen van de mysteriën waren getraind. De algemene misvatting dat chaos slechts verwarring betekent of een ongeordende enorme hoeveelheid atomen in de kosmische ruimte, is eenvoudig een verwording van de oorspronkelijke filosofische betekenis.

We hebben dus eerst chaos in de oorspronkelijke betekenis van het grenzeloze; en als een latere ontwikkeling de opvatting van chaos als de machtige schoot van de natuur, die vanuit zichzelf kiemen en zaden voortbrengt om de gemanifesteerde werelden te vormen en tot aanzijn te brengen. Deze zaden waren de slapende monaden van spirituele en goddelijke aard, overgekomen uit een voorafgaande kosmische periode van manvantarische manifestatie, en die in hun nirvana of paranirvana waren.

Chaos kan daarom worden gezien als een uitgestrektheid van geest-substantie, waarvan elk punt een bewustzijnscentrum of een monade is, en die zich in een toestand van paranirvanische rust en gelukzaligheid bevindt in afwachting van het moment van ontwaken, waarmee een nieuwe periode van gemanifesteerd kosmisch leven begint. De menselijke monade die rust in de gelukzaligheid van devachan vertoont een getrouwe overeenkomst hiermee op haar eigen lagere gebied.

Uit het voorafgaande zien we dat chaos hetzelfde was als brahman-pradhana in zijn toestand van kosmische pralaya en daarom identiek met de Ruimte in haar oorspronkelijke toestand van abstracte geest-substantie.

Zo komt het dat vele volkeren het goddelijke niet alleen zagen als iets dat op zichzelf een volslagen volheid is, maar ook de oneindige afgrond, de onbegrensde leegte, de eindeloze diepte, of de oceaan van de kosmische wateren van het leven. Water was door zijn suggestieve eigenschappen een zeer geliefd symbool voor de Ruimte: het is tegelijk doorzichtig en toch compact; het is kristalhelder en toch dicht en daardoor is het een uitstekend symbool voor de kosmische aether. Dit verheven begrip wordt algemeen aanvaard sinds het begin van het bestaan van de bewust denkende mens op onze aarde in deze ronde, en dezelfde intuïtieve opvatting leidde de gedachten van elke adept, ongeacht of hij een Lemuriër, Atlantiër, Turaniër of Ariër was.

 


Bron van het occultisme, blz. 78-81

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag