Het grenzeloze in oude kosmogonieën
Nergens en bij geen enkel volk was het toegestaan
de speculatie uit te strekken tot voorbij die gemanifesteerde
goden. De grenzeloze en oneindige eenheid
bleef bij elk volk een maagdelijk verboden terrein, onbetreden door
het denken van de mens, onberoerd door vruchteloze speculaties. De
enige verwijzing ernaar was de vereenvoudigde voorstelling van haar
eigenschap van uitzetting en samentrekking, van haar periodieke expansie
of verwijding en contractie. In het Heelal met al zijn onberekenbaar
vele myriaden van stelsels en werelden, die in de eeuwigheid verdwijnen
en weer verschijnen, moesten de vermenselijkte machten of goden, hun
zielen, tegelijk met hun lichamen uit het gezicht verdwijnen: ‘De
adem die terugkeert in de eeuwige schoot, die ze uitademt en inademt’,
zegt onze catechismus . . .
In iedere kosmogonie is
er achter en boven de scheppende godheid een hogere godheid,
een ontwerper, een architect, van wie de schepper slechts
de uitvoerder is. En nog hoger, boven en rondom,
op innerlijke en uiterlijke gebieden, is er het
onkenbare
en het onbekende, de bron en oorzaak van al deze emanaties.
– De Geheime Leer, 2:46-7
Er zijn in de oude literatuur veel namen gegeven
aan de schoot van het zijn waaruit alles voortkomt, waarin alles voor
altijd is, en tot de spirituele en goddelijke gebieden waarvan alles
tenslotte terugkeert, of het nu een oneindig kleine entiteit of een
macrokosmische ruimtelijke eenheid betreft.
De Tibetanen noemden dit onuitsprekelijke mysterie
Tong-pa-ñid, de onpeilbare afgrond van de spirituele
gebieden. De boeddhisten van de mahayanaschool beschrijven het als sunyata
of de leegte, eenvoudig omdat geen menselijke verbeelding zich de onbegrijpelijke
volheid die het is, kan voorstellen. In de Edda’s van
het oude Scandinavië werd het grenzeloze met de suggestieve naam
Ginnungagap aangeduid – een woord dat gapende of onbegrensde
leegte betekent. De Hebreeuwse bijbel verklaart dat de aarde vormloos
en leeg was, en duisternis was op het aangezicht van Tehom,
de diepte, de Afgrond van de Wateren en daarom de grote diepte van de
kosmische Ruimte. Het heeft dezelfde betekenis als de schoot van de
Ruimte zoals andere volkeren zich die voorstellen. In de Chaldeeuws-joodse
kabbala wordt dezelfde gedachte weergegeven door het woord ’Eyn
(of Ain) Soph, zonder grenzen. In de Babylonische versie van
Genesis is het Mummu Tiamatu waarmee de Grote Zee
of Diepte wordt aangeduid. De archaïsche Chaldeeuwse kosmologie
gebruikt voor de afgrond de naam Ab Soo, de Vader of bron van
kennis, en in de oorspronkelijke leer van de magiërs was het Zervan
Akarana – in zijn oorspronkelijke betekenis van onbegrensde
geest in plaats van de latere betekenis van onbegrensde tijd.
In de Chinese kosmogonie is Tsi-tsai (het
zelf-bestaande), de onbekende duisternis, de wortel van Wuliang-sheu,
het onbegrensde tijdperk. Het wu wei van Lao-tse, vaak verkeerd vertaald
als passiviteit of inactiviteit, belichaamt een soortgelijke opvatting.
In de heilige geschriften van de Quiché’s van Guatemala,
de Popol Vuh, of het ‘Boek van de Azuren Sluier’,
wordt gewezen op de ‘leegte die de eindeloze uitgestrektheid van
de Hemelen was’, en op de ‘Grote Zee van de Ruimte’
De oude Egyptenaren spraken over de Eindeloze Diepte; dezelfde gedachte
wordt ook belichaamd in de Celi-Ced van de oude druïden,
waar over Ced wordt gesproken als de ‘Zwarte Maagd’ –
chaos – een toestand van de stof vóór de manvantarische
differentiatie.
De orfische mysteriën onderwezen de in drie
opzichten onbekende duisternis of chronos, waarover niets kon
worden gezegd, behalve zijn tijdloze duur. Bij de gnostische scholen,
bijvoorbeeld bij Valentinus, was het bythos, de diepte. In
Griekenland sprak de school van Democritus en Epicurus over to kenon,
de leegte; dezelfde gedachte werd later verwoord door Leucippus en Diagoras.
Maar de twee meest algemene woorden in de Griekse filosofie voor het
grenzeloze waren apeiron, gebruikt door Plato, Anaximander
en Anaximenes, en apeiria, gebruikt door Anaxagoras en Aristoteles.
Beide woorden hadden de betekenis van grenzeloze uitgestrektheid, dat
wat geen beperkende grenzen heeft.
Chaos* was een ander woord dat in oude Griekse geschriften
werd gebruikt voor Ruimte, en zoals het oorspronkelijk werd gebruikt,
bijvoorbeeld door Hesiodus in zijn Theogonie (116) –
‘Chaos was er werkelijk het eerst van alles’ – had
het de betekenis van de leegte. Zelfs de wat orthodoxe dichter Milton
begreep deze gedachte in zijn ‘Lege en vormloze oneindigheid’
(Paradise Lost, Boek iii). In de loop van de tijd kreeg chaos
voor de meeste ontwikkelde Griekse denkers echter de betekenis van een
later stadium in de evolutie van een bepaalde kosmos, en dit zou corresponderen
met een andere door Milton gebruikte uitdrukking, ‘Stof ongevormd
en leeg’ (Boek vii); want dan hebben we stof die reeds in haar
oer- of elementaire stadia bestaat door middel van een proces van ontvouwing
door emanatie. Ze zou dus overeenkomen met de tweede kosmische logos
van de theosofische filosofie.
*Chaos (χάος) stamt van een oude
Griekse wortel cha (χα) die de tweevoudige betekenis
heeft van vasthouden en loslaten; chaos is dus de ‘vasthouder’
en ‘loslater’ van alle dingen.
Toch was de vroegste opvatting over chaos: die bijna
ondenkbare toestand van kosmische ruimte of kosmische uitgebreidheid
die voor de menselijke geest oneindige en lege uitgestrektheid van de
oorspronkelijke aether is, een stadium vóór de
vorming van de gemanifesteerde werelden, en waaruit alles wat later
bestond werd geboren, waaronder goden en mensen en alle hemelse wezens.
We hebben hier een getrouwe weergave van de archaïsche esoterische
filosofie, want bij de Grieken was Chaos de kosmische moeder van Erebos
en Nyx, duisternis en nacht – twee aspecten van hetzelfde oorspronkelijke
kosmische stadium. Erebos was de spirituele of actieve kant, die overeenkomt
met brahman in de hindoefilosofie, en Nyx de passieve kant die overeenkomt
met pradhana of mulaprakriti, die beide wortelnatuur betekenen. Uit
Erebos en Nyx als dualiteit worden dan Aether en Hemera geboren, Geest
en Dag – Geest is in deze volgende fase opnieuw de actieve kant
en Dag het passieve aspect, de substantiële kant of het voertuig.
De gedachte was dat, zoals in de dag van Brahma uit de hindoekosmogonie
de dingen tot actief gemanifesteerd bestaan ontluiken, ook in de kosmische
dag van de Grieken de dingen uit de elementaire substantie tevoorschijn
treden in het gemanifesteerde licht en tot activiteit komen als gevolg
van de inwonende drang van de kosmische geest.
De vroege filosoof-ingewijden waren door hun eed
van geheimhouding bijzonder terughoudend om over het kosmische (of cosmische)
begin te spreken; en vandaar dat, hoewel de Griekse literatuur, evenals
die van alle andere oude volkeren, vol staat met verwijzingen naar eerste
kosmische beginstadia, deze zorgvuldig in bedekte termen zijn gekleed.
Voortdurend bestond de vrees dat men zulke abstracte en moeilijke leringen
zou verdraaien en omlaaghalen als ze te openlijk werden verkondigd en
gemeengoed zouden worden van hen die niet door de discipline en leringen
van de mysteriën waren getraind. De algemene misvatting dat chaos
slechts verwarring betekent of een ongeordende enorme hoeveelheid atomen
in de kosmische ruimte, is eenvoudig een verwording van de oorspronkelijke
filosofische betekenis.
We hebben dus eerst chaos in de oorspronkelijke
betekenis van het grenzeloze; en als een latere ontwikkeling de opvatting
van chaos als de machtige schoot van de natuur, die vanuit zichzelf
kiemen en zaden voortbrengt om de gemanifesteerde werelden te vormen
en tot aanzijn te brengen. Deze zaden waren de slapende monaden van
spirituele en goddelijke aard, overgekomen uit een voorafgaande kosmische
periode van manvantarische manifestatie, en die in hun nirvana of paranirvana
waren.
Chaos kan daarom worden gezien als een uitgestrektheid
van geest-substantie, waarvan elk punt een bewustzijnscentrum of een
monade is, en die zich in een toestand van paranirvanische rust en gelukzaligheid
bevindt in afwachting van het moment van ontwaken, waarmee een nieuwe
periode van gemanifesteerd kosmisch leven begint. De menselijke monade
die rust in de gelukzaligheid van devachan vertoont een getrouwe overeenkomst
hiermee op haar eigen lagere gebied.
Uit het voorafgaande zien we dat chaos hetzelfde
was als brahman-pradhana in zijn toestand van kosmische pralaya en daarom
identiek met de Ruimte in haar oorspronkelijke toestand van abstracte
geest-substantie.
Zo komt het dat vele volkeren het goddelijke niet
alleen zagen als iets dat op zichzelf een volslagen volheid is, maar
ook de oneindige afgrond, de onbegrensde leegte, de eindeloze diepte,
of de oceaan van de kosmische wateren van het leven. Water was door
zijn suggestieve eigenschappen een zeer geliefd symbool voor de Ruimte:
het is tegelijk doorzichtig en toch compact; het is kristalhelder en
toch dicht en daardoor is het een uitstekend symbool voor de kosmische
aether. Dit verheven begrip wordt algemeen aanvaard sinds het begin
van het bestaan van de bewust denkende mens op onze aarde in deze ronde,
en dezelfde intuïtieve opvatting leidde de gedachten van elke adept,
ongeacht of hij een Lemuriër, Atlantiër, Turaniër of
Ariër was.
Bron
van het Occultisme, blz. 78-81
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag