De ruimten van de Ruimte
De ruimte
die de hedendaagse wijsneuzen, in hun onwetendheid en iconoclastische
neiging om elk filosofisch denkbeeld uit de oudheid te vernietigen,
hebben uitgeroepen tot ‘een abstract denkbeeld’ en een
leegte, is in werkelijkheid de bevatter en het lichaam
van het Heelal met zijn zeven beginselen. Het is een lichaam
met grenzeloze uitgebreidheid, waarvan volgens occult spraakgebruik
de beginselen
– omdat elk daarvan op zijn beurt zevenvoudig is – in
onze wereld van verschijnselen alleen het grofste weefsel van hun
onderverdelingen manifesteren. – De
Geheime Leer, 1:374
In de visie van de oude wijsheid is de Ruimte heel
wat meer dan alleen een reservoir, want ze is fundamentele essentie,
al-zijn, en niet slechts het gebied van onbegrensd leven en grenzeloos
denken, maar in feite de wezenlijke substantie van denken, bewustzijn
en leven.
Bovendien is de Ruimte zeven-, tien- of twaalfvoudig,
afhankelijk van de manier waarop we haar beschouwen; en juist omdat
de Ruimte het grote web is van het oneindige aantal hiërarchieën,
is ze deze hiërarchieën zelf, vanaf het supergoddelijke tot
het submateriële.* Omdat de Ruimte dus veelvoudig is, zijn er wat
we de ruimten van de Ruimte kunnen noemen: niet alleen de grenzeloze
gebieden van de fysieke ruimte, maar, wat onvergelijkelijk veel belangrijker
is, de onbegrensde gebieden van de innerlijke Ruimte – de Ruimte
vanbinnen en nog dieper naar binnen. Kortom, Ruimte is alles, wanneer
we haar abstract beschouwen; en juist omdat ze alles is wat er is, bevat
ze alle kleinere wezens en entiteiten en dingen binnen haar eigen alomvattende
oneindigheid, en in die zin is ze inderdaad een reservoir.
*Vgl. De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz.
450: ‘Het boek van Kiu-te leert ons dat de ruimte de
oneindigheid zelf is. Ze is vormloos, onveranderlijk en absoluut. Evenals
het menselijke denken, dat de onuitputtelijke voortbrenger van ideeën
is, heeft het Universele Denken of de Universele Ruimte zijn ideeënvorming
die op het aangewezen tijdstip wordt geobjectiveerd; maar op de ruimte
zelf heeft dat geen invloed.’
Ter illustratie: ons melkwegstelsel met al zijn
mogelijkheden bevindt zich niet alleen binnen zijn eigen ruimte, maar
is die ruimte zelf; en omdat het als geheel een entiteit is, heeft het
zijn eigen svabhava of essentiële karakteristiek of individualiteit,
of wat men kosmische ziel zou kunnen noemen. Ons melkwegstelsel is omsloten
door een kosmische eenheid van nog grotere omvang, die op haar beurt
haar eigen svabhava heeft. In de andere richting bevat elk melkwegstelsel
vele zonnestelsels, en elk daarvan is een ruimtelijke eenheid binnen
zijn eigen ruimtelijke grenzen, d.w.z. is in feite de ruimte die het
binnen de grotere ruimte van het melkwegstelsel inneemt. Een planeet,
zoals onze aarde, bevindt zich in een vergelijkbare situatie. Ze neemt
ruimte in binnen de grotere ruimte van haar zonnestelsel en toch is
ze zelf de ruimte die ze zo schept of vormt binnen dat zonnestelsel.
Vanuit menselijk standpunt kan de Ruimte worden
gezien als de hogere beginsel-elementen van een kosmos in het grenzeloze.
Dit is ook een reden waarom de Ruimte veel meer is dan alleen een reservoir
van dingen. Ze heeft weliswaar de gewone betekenis van afstand tussen
voorwerpen; maar wat belangrijker is, de Ruimte is afstand of uitbreiding
binnenwaarts en omhoog tot de geest en daar voorbij naar de onpeilbare
diepten van het goddelijke. Zoals HPB schreef: ‘. . . het is in
de ruimte dat de intelligente krachten wonen die onzichtbaar
het heelal besturen’.*
*De Geheime Leer, 2:570.
Ieder heelal of elke kleinere entiteit daarin, zoals
een zon of een planeet of een mens, is een belichaamde god. Neem de
mens: een fysiek lichaam in zijn laagste deel, in zijn hoogste deel
een goddelijke monade, een god; en daartussen bevinden zich alle tussenliggende
en onzichtbare gebieden van zijn constitutie. Zo is het ook met elk
heelal, elke zon of planeet. Gaan we nog een stap verder, dan zien we
dat de ruimte van een heelal het zichtbare-onzichtbare ‘lichaam’
van zo’n heelal is. Zijn essentie is goddelijk, zoals de mens
in essentie goddelijk is, hoewel hij een fysieke mens is tijdens een
incarnatie op aarde of tijdens een vergelijkbare belichaming op een
andere bol van onze planeetketen.
Omdat Ruimte, dat wil zeggen elke ruimtelijke eenheid,
zowel bewust als substantieel is, kunnen we de ruimte van elk heelal
beschouwen als een entiteit – een god. In essentie is ze een goddelijke
entiteit, waarvan we alleen het stoffelijke en energetische aspect zien,
waarachter zich het causale leven en de intelligentie bevinden. Er zijn
ontelbare van zulke ‘ruimten’ in de onbegrensde gebieden
van het grenzeloze, en elk van deze eenheden is een groter of kleiner
Ei van Brahma of een kosmos, die alle bestaan binnen en deel uitmaken
van de structuur van een onbegrijpelijk veel uitgestrektere Ruimte die
alles omvat.
Iedere ruimtelijke eenheid of hemelse entiteit is,
evenals ons zonnestelsel of ons melkwegstelsel of een nog grotere kosmische
eenheid, een wezen dat leeft, vervuld is van geest, en zijn eigen karmische
bestemming heeft en dus op grotere schaal herhaalt wat wij en alle andere
kleinere eenheden op onze eigen microkosmische gebieden verrichten.
Ruimte is daarom in alle opzichten tegelijk bewustzijn
en substantie. Ze is in feite bewustzijn-denkvermogen-substantie. Want
alle ruimte leeft*, trilt van onophoudelijke activiteit; elk punt van
de oneindige ruimte kan werkelijk worden gezien als een bewustzijnscentrum
of een monade, of deze monaden nu actief betrokken zijn bij de manvantarische
werkingen en ervaringen, of dat ze, tot passiviteit verstard, wachten
op de magische aanraking van de innerlijke geest. Bovendien verschilt
elk organisch deel van de ruimte, dat wil zeggen iedere ruimtelijke
eenheid of kosmische entiteit, als een samengesteld geheel – door
haar inwonende svabhava of kenmerkende individualiteit – van alle
andere delen.
*Prof. John Elof Boodin schreef in zijn artikel ‘The
Universe a Living Whole’, The Hibbert Journal, juli 1930:
‘Wat we gewoonlijk opvatten als ruimte is slechts een ontkenning.
Het is geen ding in de zin van geen materie. Als we de kosmos zien als
een levend geheel, zou wat we lege ruimte noemen de ziel van het geheel
kunnen zijn – de allesdoordringende geest waarin de energiepatronen
die worden overgebracht, immanent aanwezig zijn en op hun juiste doel
worden gericht. Voor iemand die de kosmos als een levend geheel beschouwt,
heeft de ruimte in elk geval haar verschrikking verloren.’
Sinds de tijd dat HPB min of meer openlijk begon
te schrijven over het esoterische aspect van de theosofische leringen,
zijn er bepaalde termen in gebruik, meestal ontleend aan het Sanskriet,
om Ruimte, aether, ether, pleroma, enz., te beschrijven. Daarvan wordt
akasa – van de werkwoordstam akas, die schijnen, stralen
als licht, betekent – wel het meest gebruikt.* Het is in essentie
het spirituele en etherische ‘lichaam’ van de gemanifesteerde
kosmische ruimte, het subtiele en etherische kosmische ‘fluïdum’
dat elk gemanifesteerd heelal doordringt. Het is de onzichtbare kosmische
sfeer waarin en waaruit alle hemellichamen worden geboren, waarin ze
gedurende hun respectieve manvantara’s bestaan en waarin ze aan
het eind van het manvantara weer worden opgenomen.
*Nog twee woorden voor ruimte, de ruimtelijke ether,
enz., zijn bhuman en kha. Bhuman van bhu,
worden, geeft de fundamentele gedachte weer van wording, groei en
trapsgewijze vooruitgang. Het is dat deel van het universele akasa
dat wordt omvat door ieder brahmanda of iedere kosmische hiërarchie
en heeft daarom op deze kleinere schaal betrekking op het totaal van
wezens en dingen in die hiërarchie. Als zodanig kan het de betekenis
hebben van pleroma of volheid.
Het woord kha heeft eveneens de betekenis
van ruimte en ook van ether, omdat zijn oorspronkelijke betekenis
een uitholling, een ruimtelijke holte is, gewoonlijk weergegeven door
ether, hemel, uitspansel, en zelfs lucht. Het gebruik ervan is meestal
alleen tot onze atmosfeer beperkt: zoals in kha-ga en khe-chara,
die beide zich door de lucht bewegen betekenen, als een vogel. HPB
gebruikt in De Stem van de Stilte khe-chara als titel voor
die adepten die het vermogen hebben ontwikkeld zich in hun mayavirupa
of illusie-lichaam in en door de lucht – beter gezegd, de onzichtbare
ruimten – te bewegen, door gebruik te maken van het vermogen
dat in Tibet hpho-wa wordt genoemd.
Omdat akasa zo uiterst ijl en onstoffelijk van aard
is, wordt er vaak nogal oppervlakkig over gesproken als de leegte van
de ruimte, d.w.z. vrij van materie; toch is akasa in werkelijkheid het
ruimtelijke lichaam van het heelal, en is dus de gemanifesteerde
ruimte zelf. Akasa is, als de gezamenlijke gebieden van de ruimten van
een Ei van Brahma, of dit nu een melkwegstelsel of een zonnestelsel
is, het werkingsgebied van kosmische fohat – de vitale kracht
van het heelal – die zoals altijd door het kosmische denken [mind]
wordt geleid. Zoals alle andere dingen in de natuur is akasa te verdelen
in verschillende gebieden of graden, en neemt het in ijlheid toe totdat
het samenvloeit met zuivere kosmische geest. Zijn hogere delen worden
anima mundi genoemd, de ziel van ons heelal, terwijl zijn lagere gebieden
het astrale licht omvatten. Evenals het Latijnse woord spatium
drukt akasa de gedachte uit van uitgestrektheid of ruimtelijke diepten,
maar vanuit een iets ander gezichtspunt wordt de term ook gebruikt voor
zowel aether als ether. In de opsomming van de zeven kosmische beginselen
of tattva’s, wordt akasa gerekend als het vijfde van onderaf,
wat in het middeleeuwse mystieke denken van Europa de quinta essentia
– de ‘vijfde essentie’ – wordt genoemd, ons
woord kwintessens.
Ik heb deze uitdrukking ruimten van de Ruimte gebruikt
in de optimistische veronderstelling dat ze anderen zou helpen tot nog
een andere verheven gedachte over de natuur te komen: dat er in zowel
de concrete als de abstracte ruimte geen enkel punt is dat geen leven,
substantie, zijn en bewustzijn heeft. Om het anders te zeggen: binnen
onze fysieke ruimte is er een meer etherische ruimte met haar werelden,
haar zonnen en planeten, haar kometen en nevelvlekken; hemelbollen met
hun bergen en meren, hun wouden en velden en hun bewoners. Binnen deze
tweede ruimte is er een nog ijlere, nog etherischer en nog spiritueler
ruimte, de oorzaak van de eerste twee, en elke innerlijke ruimte is
een moeder of voortbrenger van de uiterlijke ruimte; en zo kunnen we
deze ruimten binnen de ruimte, voorwaarts en opwaarts en binnenwaarts,
onbegrensd voortzetten. Dat bedoel ik met de uitdrukking de ruimten
van de Ruimte.
We zien nu waarom de hele ruimte – de oneindige
ruimte, de samengestelde ruimte, de ruimten binnen de ruimte –
volheid is, en dat er geen punt bestaat, innerlijk of uiterlijk, dat
leeg is. Lege ruimte is slechts een op onwetendheid gebaseerd verzinsel;
ze bestaat niet. We vergeten dat deze hogere of innerlijke ruimten,
in plaats van niet te bestaan, de kosmische wortels van de dingen zijn.
We spreken erover als leeg omdat we ze niet kunnen waarnemen. En toch
horen, zien, proeven, ruiken en voelen we ze onophoudelijk, want de
ruimte rondom ons is vol met deze innerlijke ruimten, en krijgt substantie,
leven, vitaliteit, beweging, dood, alles van deze innerlijke ruimten.
Ze zijn de oorzaken, de noumena; de uiterlijke ruimten zijn de verschijningsvormen,
de gevolgen.
De ruimten van de Ruimte zijn in één
opzicht haar zeven, tien of twaalf beginselen. Dat is één
reden dat HPB over Ruimte spreekt als de allerhoogste godheid, en toch
is Ruimte al wat is. Het betekent niet dat de godheid een stok of een
steen is, en toch is die stok of steen niet buiten die godheid. We zien
dat er ruimten binnen ruimten zijn en dat de stok of de steen herhalingen
van zichzelf in zich heeft op innerlijke en hogere gebieden. Toch is
hij niet de godheid omdat hij niet het geheel is. Hij is een deel, een
fragment, en die dingen zijn illusies. Verdeel zo’n deel of fragment
in steeds kleinere en kleinere stukjes en dan komen we bij de molecule,
het atoom, het elektron en in theorie bij nog kleinere deeltjes. Maar
eens in dit proces bereiken we wat voor ons homogeniteit is, en dat
is de geest van die ruimte.
We kunnen de woorden kosmische gebieden voor deze
kosmische ruimten gebruiken. De kosmische ruimte waarin wij leven is
het kosmische gebied prithivi. Het is een gebied; het is een ruimte.
Op het gebied direct boven het onze zijn de hemellichamen en onze aarde
onzichtbaar, en de entiteiten die daar bestaan zien op die plaatsen
wat voor hen ongevulde ruimte, lege ruimte, is. De bewoners van elke
ruimte of elk gebied zien dat wat hun zintuigorganen door hun ontwikkeling
kunnen opvangen en aan hun waarnemende geest kunnen overbrengen.
Dit bedoelen we met de ruimten van de Ruimte, de
volheid van de Ruimte, of de leegte van de Ruimte, allemaal verschillende
manieren om hetzelfde wonder tot uitdrukking te brengen. Dit doet ons
denken aan de leer van de Heer Boeddha en wel dat de essentie van het
zijn, sunyata is, een woord dat leegte betekent, maar dat nooit was
bedoeld om in fysieke zin een absoluut niets aan te duiden. In feite
is het de meest volledige volheid; omdat onze zintuigen echter absoluut
niet bij machte zijn het te begrijpen, ontkennen ze het bestaan van
een kosmisch Al. Maar dan verschijnt ons verstand, dat een veel spiritueler
aard bezit dan de grove stof van onze fysieke zintuigen, en wel verscheidene
gebieden hoger dan het fysieke gebied, en het begint te begrijpen; en
als we dan nog een stap hoger kunnen gaan, door van het verstand op
te klimmen naar de intuïtie, zal onze intuïtie ons duidelijk
vertellen dat deze zogenaamde sunyata alleen leegte is voor de zintuigen,
maar volheid voor de geest – want sunyata is in feite kosmische
geest.
Bron
van het Occultisme, blz. 82-7
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag