Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Ruimte, tijd en duur


Het is de moeite waard om in het voorbijgaan op de werkelijke betekenis te wijzen van de gegronde maar onvolledige intuïtie die . . . heeft geleid tot het gebruik van de moderne uitdrukking ‘de vierde dimensie van de Ruimte’. . . . De vertrouwde uitdrukking kan alleen maar een afkorting zijn van de meer volledige vorm – de ‘vierde dimensie van de stof in de Ruimte’. Maar zelfs na deze uitbreiding is het een ongelukkige uitdrukking, want hoewel het volkomen waar is dat de vooruitgang van de evolutie ons misschien zal bekendmaken met nieuwe eigenschappen van de stof, zijn de eigenschappen waarmee wij al vertrouwd zijn, in werkelijkheid talrijker dan de drie dimensies. De vermogens, of wat misschien de meest geschikte uitdrukking is, de kenmerkende eigenschappen van de stof, moeten natuurlijk altijd een rechtstreeks verband hebben met de zintuigen van de mens. Stof heeft uitgebreidheid, kleur, beweging (moleculaire beweging), smaak en geur, overeenkomstig de bestaande zintuigen van de mens, en tegen de tijd dat zij de volgende eigenschap volledig ontwikkelt – laten wij deze hier doordringbaarheid noemen – zal deze corresponderen met het volgende zintuig van de mens – zeg ‘normale helderziendheid’. Als dus sommige moedige denkers hebben verlangd naar een vierde dimensie om de doorgang van stof door stof te verklaren, en het leggen van knopen in een koord zonder einde, dan hadden zij in werkelijkheid behoefte aan een zesde kenmerkende eigenschap van de stof. De drie dimensies horen eigenlijk maar tot één kenmerk of eigenschap van de stof – uitgebreidheid; en het gewone gezonde verstand verzet zich terecht tegen het denkbeeld dat er onder welke omstandigheden ook, meer dan drie dimensies zoals lengte, breedte en dikte kunnen zijn. Deze termen en de term ‘dimensie’ zelf behoren alle tot één gebied van denken, tot één evolutiestadium, tot één kenmerkende eigenschap van de stof. Zolang er tot de hulpmiddelen van de Kosmos duimstokken behoren die kunnen worden gebruikt voor de stof, zolang zullen zij deze in drie richtingen kunnen meten en niet meer; . . . Maar deze overwegingen pleiten in het geheel niet tegen de zekerheid dat, naarmate de tijd voortgaat – en het aantal menselijke vermogens groter wordt – ook het aantal eigenschappen van de stof zal toenemen.
     – De Geheime Leer, 1:278-9

Vanuit het standpunt van de esoterische filosofie is het nooit juist over de abstracte Ruimte te spreken als zou ze lengte, breedte en dikte hebben, want deze dimensies hebben alleen betrekking op de gemanifesteerde ruimte. Gemakshalve kan men zeggen dat Ruimte in twee vormen bestaat: abstracte Ruimte of het grenzeloze, en gemanifesteerde ruimte, wat hetzelfde is als begrensde ruimte – met andere woorden gemanifesteerde entiteiten: entiteiten die zijn samengesteld zoals een zonnestelsel, of kleinere entiteiten zoals een menselijk lichaam of een atoom. Alleen bij zulke gemanifesteerde ruimtelijke lichamen, groot of klein, kunnen we met recht van dimensies spreken, omdat die zowel duiden op afstand en richting als plaats en inhoud. Ons eigen zonnestelsel is dus een deel van de gemanifesteerde ruimte die in de abstracte Ruimte van het grenzeloze bestaat.

Om van meer dan drie dimensies van de ruimte te spreken is eenvoudig een verkeerd gebruik van woorden, want dimensie betekent meting, en alleen concrete dingen kunnen worden gemeten. Het oneindige bijvoorbeeld, heeft geen afmetingen omdat het niet kan worden gemeten. Niettemin betekent het denkbeeld van een vierde, vijfde of zesde dimensie een intuïtief aanvoelen van innerlijke en hogere werelden, d.w.z. richtingen en afstand naar binnen toe, bij wijze van spreken, naar de onzichtbare werelden. Als het woord dimensie alleen tot die betekenis zou worden beperkt, zou er geen bezwaar tegen zijn; maar jammer genoeg hebben de moderne wetenschap en de filosofie zich nog geen helder beeld gevormd van de werkelijkheid van innerlijke werelden en gebieden, die voor de uiterlijke werelden en gebieden onzichtbaar zijn. Aan de andere kant worden de wetenschappelijke theorieën en speculaties in bepaalde opzichten zo metafysisch, dat ze op zekere punten niet alleen beginnen samen te vallen met de leringen van de esoterische filosofie, maar in enkele gevallen deze leringen werkelijk voorbijschieten en een heel andere richting uitgaan.

De gedachte bijvoorbeeld dat het heelal uitdijt en dat alle verschillende hemellichamen zich van elkaar verwijderen met een snelheid die toeneemt recht evenredig met de afstand tot ons, is grotendeels te danken aan Abbé Lemaitre, en de theorie schijnt in haar geheel door de vaak intuïtieve Eddington, evenals door andere wetenschappers, te zijn overgenomen. Er zijn echter een aantal redenen waarom deze opvatting van een uitdijend heelal onaanvaardbaar is.*

*Vgl. De Esoterische Traditie, blz. 225-6.

Soms schijnt men in de wetenschap en de filosofie te vergeten dat de wiskundige molen alleen voortbrengt wat erin wordt gestopt: dat wat aan het ene einde uit de molen komt, er aan de andere kant is ingestopt. Wiskunde is een instrument van het menselijk denken, een werktuig van zeer grote waarde voor het intellect, maar ze kan natuurlijk niet de waarheid maken, noch uit zichzelf waarheden voortbrengen.

Het occultisme bevestigt dat er in alle dingen, zowel grote als kleine – of het nu een heelal, een zon, een mens, of een andere entiteit betreft – een voortdurende, eeuwige, cyclische diastole en systole plaatsvindt, overeenkomstig die van het menselijk hart. Deze cyclische uitzettingen en samentrekkingen zijn manifestaties van de kosmische polen of van wat we misschien de universele hartslag kunnen noemen; en de Nederlandse astronoom en wis- en natuurkundige Willem de Sitter schijnt intuïtief dit feit enigszins te hebben begrepen. Maar het idee van een uitdijend heelal, dat volgens Lemaitre niets anders is dan de enorme kosmische uitzetting van een oorspronkelijk titanisch atoom, is geheel onjuist.

Zo’n kosmische diastole en systole lijkt in het geheel niet op een uitdijend heelal. De structuur of het lichaam van het heelal, of we met dit woord het melkwegstelsel of een verzameling melkwegstelsels bedoelen, is tijdens de periode van zijn manvantara stabiel, zowel wat relatieve structuur als vorm betreft – net als een menselijk hart, wanneer dit eenmaal is volgroeid en goed werkt.

Deze wetenschappers zien blijkbaar voorbij aan het feit dat de ruimte onbegrensd is en dat daarom, als een heelal overeenkomstig hun theorie voortdurend uitzet, de nevelvlekken en andere hemellichamen die van ons wegsnellen, tenslotte een snelheid zullen bereiken die onvergelijkelijk veel groter is dan die van het licht. Toch is dat volgens de moderne wetenschappelijke theorie zelf, en volgens Einsteins relativiteitsspeculaties, onmogelijk!

Men hoeft maar even na te denken om te beseffen dat het volslagen onmogelijk is aan ruimte te denken los van de tijd, of aan tijd, of beter gezegd duur, als iets dat los van de ruimte bestaat, want als aan ruimte geen tijd was verbonden, zou ruimte geen twee seconden kunnen bestaan; en evenzo bestaat tijd alleen op basis van de ononderbroken ruimte die de tijd geboren doet worden. Ook is het zo dat kosmisch denkvermogen niet alleen de ruimte vult, maar ruimte en tijd is; en omdat kosmisch denkvermogen is en voortdurend is in de eindeloze duur, daarom bestaat het in de eindeloze duur, en is het zelf die duur.

Als we deze gedachtelijn volgen, beseffen we ook dat abstract denkvermogen of bewustzijn, of wat soms geest of het goddelijke wordt genoemd, tijd of duur moet hebben om te kunnen voortbestaan, en ruimte moet hebben om in te bestaan. Omdat we geen drie oneindigheden kunnen hebben – namelijk kosmisch denkvermogen, kosmische ruimte en oneindige duur – wat logisch gesproken een onmogelijkheid zou zijn, zijn ze in essentie niet drie verschillende, afzonderlijke dingen, maar slechts drie aspecten van de ene fundamentele en altijddurende Werkelijkheid.

We zien dus dat denkvermogen of bewustzijn, duur of abstracte tijd, en ruimte fundamenteel één zijn; maar als gevolg van de beperkingen, teweeggebracht door het ontstaan van wezens en entiteiten die tijdens de manifestatie allemaal beperkt zijn, hebben we de verschijningsvormen of maya – of beter gezegd mahamaya – van duur die is opgesplitst in tijdsperioden, abstracte ruimte die is verdeeld in ruimtelijke eenheden, en op een vergelijkbare manier drukt kosmisch denkvermogen of bewustzijn zich uit in stromen van kleinere bewustzijnen of bewuste wezens, die zich uitstrekken van de meest verheven goddelijke wezens tot de meest stoffelijke entiteiten in de werelden van de stof. Deze illusoire verdelingen of zich manifesterende levensstromen brengen de verschillen en de verbazingwekkende verscheidenheid teweeg in onze omgeving, en wekken daardoor in ons de maya of illusie dat de voortschrijdende tijd één ding is, dat ruimte iets totaal anders is, en het bewustzijn in essentie weer iets anders.

Zo komt het dat duur zowel identiek is met ruimte als met kosmisch denkvermogen. Toch is zelfs dit mysterie der mysteries, ruimte-denkvermogen-duur, het product of het beeld dat ons hoogste intellect heeft van dat onuitsprekelijke mysterie dat het naamloze of dat wordt genoemd. We zien bovendien dat verleden en toekomst, op de juiste manier begrepen, samensmelten tot ‘het eeuwige nu’.

In haar Geheime Leer (1:66-7) doet HPB over tijd de volgende opmerkelijke uitspraak:

Tijd is alleen maar een illusie, voortgebracht door de opeenvolging van onze bewustzijnstoestanden op onze reis door de eeuwige duur; hij bestaat niet waar er geen bewustzijn is waarin die illusie kan worden teweeggebracht, maar ‘ligt dan te slapen’. Het nu is slechts een wiskundige lijn die dat deel van de eeuwige duur dat we de toekomst noemen, scheidt van het gedeelte dat we het verleden noemen. Niets op aarde heeft werkelijke duur, want niets blijft ook maar tijdens het miljardste deel van een seconde onveranderd of gelijk. De gewaarwording die we hebben van de werkelijkheid van het deel van de ‘tijd’ dat bekendstaat als het nu, wordt veroorzaakt door het vervagen van dat kortstondige beeld, of opeenvolging van beelden, die door onze zintuigen worden opgevangen, terwijl de waargenomen dingen overgaan van het gebied van idealen dat we de toekomst noemen, naar dat van herinneringen dat we het verleden noemen. Op dezelfde manier krijgen we een gewaarwording van duur in het geval van de ogenblikkelijke elektrische vonk, tengevolge van de vage en vóórtdurende indruk die op het netvlies achterblijft. De werkelijke persoon of zaak bestaat niet alleen uit wat men op een bepaald ogenblik ziet, maar uit het totaal van al zijn verschillende en veranderende toestanden, vanaf zijn verschijnen in stoffelijke vorm tot zijn verdwijnen van de aarde. Deze ‘totalen’ bestaan sinds eeuwigheid in de ‘toekomst’ en gaan geleidelijk door de stof om voor eeuwig in het ‘verleden’ te bestaan.

Verder zegt ze (1:93) dat de oude wijsheid ‘grenzeloze duur verdeelt in onvoorwaardelijke eeuwige en universele tijd en een voorwaardelijke tijd (khandakala). De ene is de abstractie of het noumenon van eindeloze tijd (kala); de andere het periodiek hierdoor optredende verschijnsel, als het gevolg van mahat (de universele intelligentie, beperkt door de duur van het manvantara).’

Het kan nuttig zijn te weten dat khandakala een samengesteld Sanskrietwoord is dat gebroken tijd betekent, wat wil zeggen dat de duur in het gemanifesteerde heelal lijkt te zijn opgebroken in tijdsperioden, die lang of kort zijn. Zo houdt een jaar in dat de abstracte tijd is ‘opgebroken’ in een beperkte tijdsperiode van ongeveer 365 dagen. Omdat de jaren elkaar één voor één opvolgen, brengen ze het mayavische effect teweeg van wat we de steeds voortgaande tijd noemen; maar door hun cyclische aard geven ze ons de indruk dat tijd, hoewel zelf ongedeeld, zich verdeeld of gebroken manifesteert. Het enige onjuiste aspect van deze opvatting is dat tijd wordt gezien als iets dat op zichzelf bestaat en verschilt van de ruimte en het denkvermogen waarin deze tijdsperioden zich voordoen.

Ruimte-tijd-continuüm is een term die oorspronkelijk te danken is aan het wiskundige en filosofische genie van Einstein. Hoewel niet altijd gemakkelijk is vast te stellen wat er precies mee wordt bedoeld, omdat de meningen van de wiskundigen zelf nogal schijnen uiteen te lopen, is de algemene gedachte wel duidelijk: dat ruimte en tijd niet twee afzonderlijke en verschillende absoluten zijn, maar twee aspecten van een en dezelfde fundamentele entiteit. Wat echter ontbreekt, is de veel grootsere opvatting dat ruimte en tijd als gelijkwaardige factoren in de manifestatie beide slechts een voortvloeisel zijn van kosmische geest-substantie; toch hebben bepaalde filosofisch ingestelde wetenschappers, zoals Sir James Jeans, intuïtief aangevoeld dat het ruimte-tijd-continuüm op een mysterieuze manier te maken heeft met kosmisch denkvermogen.

Hoewel kosmisch denkvermogen, tijd en ruimte alle één zijn, schijnen ze tijdens het kosmische manvantara drie verschillende entiteiten te zijn en deze schijnbare verdeling van het Ene in de drie is wat de archaïsche filosofie mahamaya noemt. Wat, zoals gezegd, het wetenschappelijke ruimte-tijd-continuüm nodig heeft, is de erkenning dat ruimte-tijd identiek is met kosmisch bewustzijn of kosmisch denkvermogen en evenzeer met kosmische substantie. Laat deze opgaan in één enkele verenigde en fundamentele Werkelijkheid, en dit geeft de gedachte in het kort weer.

Het ruimte-tijd-continuüm is maar een eerste aarzelende stap naar de waarheid, een intuïtief besef als het ware van de oude leer die zegt dat, wanneer alle gemanifesteerde heelallen weer zijn opgelost in hun oorspronkelijke, superspirituele toestand, het vele terugkeert in het Ene. Manifestatie lost zich op in de oorspronkelijke spirituele homogeniteit, zodat niet alleen de gemanifesteerde ruimte verdwijnt en de tijd eindigt met ruimte als zijn alter ego, maar ook het kosmische denkvermogen weer opgaat in de kosmische geest en dus verdwijnt.

In de woorden van de Chhandogya-Upanishad (I, 9, 1):

‘Waarheen keert deze wereld terug?’

‘Naar de ruimte (akasa)’, zei hij. ‘Waarlijk, alle dingen hier komen voort uit ruimte. Ze verdwijnen weer in de ruimte, want alleen ruimte is groter dan deze; ruimte is het uiteindelijke doel.’

Wanneer Brahman het heelal uitademt, is dat het uitgaan van de grote adem, die daarop ogenblikkelijk Brahma wordt; het kosmische (of cosmische) manvantara is de levensperiode van Brahma. Wanneer deze levensperiode eindigt, gaat Brahma weer op in zijn eigen spirituele essentie of Brahman, en verdwijnt de hele gemanifesteerde ruimte in de abstracte of potentiële ruimte, en dat is het inademen van de grote adem, of het begin van de kosmische pralaya.

 


Bron van het occultisme, blz. 88-93

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag