Ruimte, tijd en duur
Het is de moeite waard om in het voorbijgaan
op de werkelijke betekenis te wijzen van de gegronde maar onvolledige
intuïtie die . . . heeft geleid tot het gebruik van de moderne
uitdrukking ‘de vierde dimensie van de Ruimte’. . . .
De vertrouwde uitdrukking kan alleen maar een afkorting zijn van de
meer volledige vorm – de ‘vierde dimensie van de
stof in
de Ruimte’. Maar zelfs na deze uitbreiding is het een ongelukkige
uitdrukking, want hoewel het volkomen waar is dat de vooruitgang van
de evolutie ons misschien zal bekendmaken met nieuwe eigenschappen
van de stof, zijn de eigenschappen waarmee wij al vertrouwd zijn,
in werkelijkheid talrijker dan de drie dimensies. De vermogens, of
wat misschien de meest geschikte uitdrukking is, de kenmerkende eigenschappen
van de stof, moeten natuurlijk altijd een rechtstreeks verband hebben
met de zintuigen van de mens. Stof heeft uitgebreidheid, kleur, beweging
(moleculaire beweging), smaak en geur, overeenkomstig de bestaande
zintuigen van de mens, en tegen de tijd dat zij de volgende eigenschap
volledig ontwikkelt – laten wij deze hier doordringbaarheid
noemen – zal deze corresponderen met het volgende zintuig van
de mens – zeg ‘normale
helderziendheid’. Als dus sommige
moedige denkers hebben verlangd naar een vierde dimensie om de doorgang
van stof door stof te verklaren, en het leggen van knopen in een koord
zonder einde, dan hadden zij in werkelijkheid behoefte aan een zesde
kenmerkende eigenschap van de stof. De drie dimensies horen eigenlijk
maar tot één kenmerk of eigenschap van de stof –
uitgebreidheid; en het gewone gezonde verstand verzet zich terecht
tegen het denkbeeld dat er onder welke omstandigheden ook, meer dan
drie dimensies zoals lengte, breedte en dikte kunnen zijn. Deze termen
en de term ‘dimensie’ zelf behoren alle tot één
gebied van denken, tot één evolutiestadium, tot één
kenmerkende eigenschap van de stof. Zolang er tot de hulpmiddelen
van de Kosmos duimstokken behoren die kunnen worden gebruikt voor
de stof, zolang zullen zij deze in drie richtingen kunnen meten en
niet meer; . . . Maar deze overwegingen pleiten in het geheel niet
tegen de zekerheid dat, naarmate de tijd voortgaat – en het
aantal menselijke vermogens groter wordt – ook het aantal eigenschappen
van de stof zal toenemen.
– De Geheime Leer, 1:278-9
Vanuit het standpunt van de esoterische filosofie
is het nooit juist over de abstracte Ruimte te spreken als zou ze lengte,
breedte en dikte hebben, want deze dimensies hebben alleen betrekking
op de gemanifesteerde ruimte. Gemakshalve kan men zeggen dat Ruimte
in twee vormen bestaat: abstracte Ruimte of het grenzeloze, en gemanifesteerde
ruimte, wat hetzelfde is als begrensde ruimte – met andere woorden
gemanifesteerde entiteiten: entiteiten die zijn samengesteld zoals een
zonnestelsel, of kleinere entiteiten zoals een menselijk lichaam of
een atoom. Alleen bij zulke gemanifesteerde ruimtelijke lichamen, groot
of klein, kunnen we met recht van dimensies spreken, omdat die zowel
duiden op afstand en richting als plaats en inhoud. Ons eigen zonnestelsel
is dus een deel van de gemanifesteerde ruimte die in de abstracte Ruimte
van het grenzeloze bestaat.
Om van meer dan drie dimensies van de ruimte te
spreken is eenvoudig een verkeerd gebruik van woorden, want dimensie
betekent meting, en alleen concrete dingen kunnen worden gemeten. Het
oneindige bijvoorbeeld, heeft geen afmetingen omdat het niet kan worden
gemeten. Niettemin betekent het denkbeeld van een vierde, vijfde of
zesde dimensie een intuïtief aanvoelen van innerlijke en hogere
werelden, d.w.z. richtingen en afstand naar binnen toe, bij wijze van
spreken, naar de onzichtbare werelden. Als het woord dimensie alleen
tot die betekenis zou worden beperkt, zou er geen bezwaar tegen zijn;
maar jammer genoeg hebben de moderne wetenschap en de filosofie zich
nog geen helder beeld gevormd van de werkelijkheid van innerlijke werelden
en gebieden, die voor de uiterlijke werelden en gebieden onzichtbaar
zijn. Aan de andere kant worden de wetenschappelijke theorieën
en speculaties in bepaalde opzichten zo metafysisch, dat ze op zekere
punten niet alleen beginnen samen te vallen met de leringen van de esoterische
filosofie, maar in enkele gevallen deze leringen werkelijk voorbijschieten
en een heel andere richting uitgaan.
De gedachte bijvoorbeeld dat het heelal uitdijt
en dat alle verschillende hemellichamen zich van elkaar verwijderen
met een snelheid die toeneemt recht evenredig met de afstand tot ons,
is grotendeels te danken aan Abbé Lemaitre, en de theorie schijnt
in haar geheel door de vaak intuïtieve Eddington, evenals door
andere wetenschappers, te zijn overgenomen. Er zijn echter een aantal
redenen waarom deze opvatting van een uitdijend heelal onaanvaardbaar
is.*
*Vgl. De Esoterische Traditie, blz. 225-6.
Soms schijnt men in de wetenschap en de filosofie
te vergeten dat de wiskundige molen alleen voortbrengt wat erin wordt
gestopt: dat wat aan het ene einde uit de molen komt, er aan de andere
kant is ingestopt. Wiskunde is een instrument van het menselijk denken,
een werktuig van zeer grote waarde voor het intellect, maar ze kan natuurlijk
niet de waarheid maken, noch uit zichzelf waarheden voortbrengen.
Het occultisme bevestigt dat er in alle dingen,
zowel grote als kleine – of het nu een heelal, een zon, een mens,
of een andere entiteit betreft – een voortdurende, eeuwige, cyclische
diastole en systole plaatsvindt, overeenkomstig die van het menselijk
hart. Deze cyclische uitzettingen en samentrekkingen zijn manifestaties
van de kosmische polen of van wat we misschien de universele hartslag
kunnen noemen; en de Nederlandse astronoom en wis- en natuurkundige
Willem de Sitter schijnt intuïtief dit feit enigszins te hebben
begrepen. Maar het idee van een uitdijend heelal, dat volgens Lemaitre
niets anders is dan de enorme kosmische uitzetting van een oorspronkelijk
titanisch atoom, is geheel onjuist.
Zo’n kosmische diastole en systole lijkt in
het geheel niet op een uitdijend heelal. De structuur of het lichaam
van het heelal, of we met dit woord het melkwegstelsel of een verzameling
melkwegstelsels bedoelen, is tijdens de periode van zijn manvantara
stabiel, zowel wat relatieve structuur als vorm betreft – net
als een menselijk hart, wanneer dit eenmaal is volgroeid en goed werkt.
Deze wetenschappers zien blijkbaar voorbij aan het
feit dat de ruimte onbegrensd is en dat daarom, als een heelal overeenkomstig
hun theorie voortdurend uitzet, de nevelvlekken en andere hemellichamen
die van ons wegsnellen, tenslotte een snelheid zullen bereiken die onvergelijkelijk
veel groter is dan die van het licht. Toch is dat volgens de moderne
wetenschappelijke theorie zelf, en volgens Einsteins relativiteitsspeculaties,
onmogelijk!
Men hoeft maar even na te denken om te beseffen
dat het volslagen onmogelijk is aan ruimte te denken los van de tijd,
of aan tijd, of beter gezegd duur, als iets dat los van de ruimte bestaat,
want als aan ruimte geen tijd was verbonden, zou ruimte geen twee seconden
kunnen bestaan; en evenzo bestaat tijd alleen op basis van de ononderbroken
ruimte die de tijd geboren doet worden. Ook is het zo dat kosmisch denkvermogen
niet alleen de ruimte vult, maar ruimte en tijd is; en omdat kosmisch
denkvermogen is en voortdurend is in de eindeloze
duur, daarom bestaat het in de eindeloze duur, en is het zelf die duur.
Als we deze gedachtelijn volgen, beseffen we ook
dat abstract denkvermogen of bewustzijn, of wat soms geest of het goddelijke
wordt genoemd, tijd of duur moet hebben om te kunnen voortbestaan, en
ruimte moet hebben om in te bestaan. Omdat we geen drie oneindigheden
kunnen hebben – namelijk kosmisch denkvermogen, kosmische ruimte
en oneindige duur – wat logisch gesproken een onmogelijkheid zou
zijn, zijn ze in essentie niet drie verschillende, afzonderlijke dingen,
maar slechts drie aspecten van de ene fundamentele en altijddurende
Werkelijkheid.
We zien dus dat denkvermogen of bewustzijn, duur
of abstracte tijd, en ruimte fundamenteel één zijn; maar
als gevolg van de beperkingen, teweeggebracht door het ontstaan van
wezens en entiteiten die tijdens de manifestatie allemaal beperkt zijn,
hebben we de verschijningsvormen of maya – of beter gezegd
mahamaya – van duur die is opgesplitst in tijdsperioden, abstracte
ruimte die is verdeeld in ruimtelijke eenheden, en op een vergelijkbare
manier drukt kosmisch denkvermogen of bewustzijn zich uit in stromen
van kleinere bewustzijnen of bewuste wezens, die zich uitstrekken van
de meest verheven goddelijke wezens tot de meest stoffelijke entiteiten
in de werelden van de stof. Deze illusoire verdelingen of zich manifesterende
levensstromen brengen de verschillen en de verbazingwekkende verscheidenheid
teweeg in onze omgeving, en wekken daardoor in ons de maya of illusie
dat de voortschrijdende tijd één ding is, dat ruimte iets
totaal anders is, en het bewustzijn in essentie weer iets anders.
Zo komt het dat duur zowel identiek is met ruimte
als met kosmisch denkvermogen. Toch is zelfs dit mysterie der mysteries,
ruimte-denkvermogen-duur, het product of het beeld dat ons hoogste intellect
heeft van dat onuitsprekelijke mysterie dat het naamloze of dat
wordt genoemd. We zien bovendien dat verleden en toekomst, op de juiste
manier begrepen, samensmelten tot ‘het eeuwige nu’.
In haar Geheime Leer (1:66-7) doet HPB
over tijd de volgende opmerkelijke uitspraak:
Tijd is alleen maar een illusie, voortgebracht door
de opeenvolging van onze bewustzijnstoestanden op onze reis door de
eeuwige duur; hij bestaat niet waar er geen bewustzijn is waarin die
illusie kan worden teweeggebracht, maar ‘ligt dan te slapen’.
Het nu is slechts een wiskundige lijn die dat deel van de
eeuwige duur dat we de toekomst noemen, scheidt van het gedeelte dat
we het verleden noemen. Niets op aarde heeft werkelijke duur, want
niets blijft ook maar tijdens het miljardste deel van een seconde
onveranderd of gelijk. De gewaarwording die we hebben van de werkelijkheid
van het deel van de ‘tijd’ dat bekendstaat als het nu,
wordt veroorzaakt door het vervagen van dat kortstondige beeld, of
opeenvolging van beelden, die door onze zintuigen worden opgevangen,
terwijl de waargenomen dingen overgaan van het gebied van idealen
dat we de toekomst noemen, naar dat van herinneringen dat we het verleden
noemen. Op dezelfde manier krijgen we een gewaarwording van duur in
het geval van de ogenblikkelijke elektrische vonk, tengevolge van
de vage en vóórtdurende indruk die op het netvlies achterblijft.
De werkelijke persoon of zaak bestaat niet alleen uit wat men op een
bepaald ogenblik ziet, maar uit het totaal van al zijn verschillende
en veranderende toestanden, vanaf zijn verschijnen in stoffelijke
vorm tot zijn verdwijnen van de aarde. Deze ‘totalen’
bestaan sinds eeuwigheid in de ‘toekomst’ en gaan geleidelijk
door de stof om voor eeuwig in het ‘verleden’ te bestaan.
Verder zegt ze (1:93) dat de oude wijsheid ‘grenzeloze
duur verdeelt in onvoorwaardelijke eeuwige en universele tijd en een
voorwaardelijke tijd (khandakala). De ene is de abstractie
of het noumenon van eindeloze tijd (kala); de andere het periodiek hierdoor
optredende verschijnsel, als het gevolg van mahat (de universele
intelligentie, beperkt door de duur van het manvantara).’
Het kan nuttig zijn te weten dat khandakala een
samengesteld Sanskrietwoord is dat gebroken tijd betekent, wat wil zeggen
dat de duur in het gemanifesteerde heelal lijkt te zijn opgebroken in
tijdsperioden, die lang of kort zijn. Zo houdt een jaar in dat de abstracte
tijd is ‘opgebroken’ in een beperkte tijdsperiode van ongeveer
365 dagen. Omdat de jaren elkaar één voor één
opvolgen, brengen ze het mayavische effect teweeg van wat we de steeds
voortgaande tijd noemen; maar door hun cyclische aard geven ze ons de
indruk dat tijd, hoewel zelf ongedeeld, zich verdeeld of gebroken manifesteert.
Het enige onjuiste aspect van deze opvatting is dat tijd wordt gezien
als iets dat op zichzelf bestaat en verschilt van de ruimte en het denkvermogen
waarin deze tijdsperioden zich voordoen.
Ruimte-tijd-continuüm is een term die oorspronkelijk
te danken is aan het wiskundige en filosofische genie van Einstein.
Hoewel niet altijd gemakkelijk is vast te stellen wat er precies mee
wordt bedoeld, omdat de meningen van de wiskundigen zelf nogal schijnen
uiteen te lopen, is de algemene gedachte wel duidelijk: dat ruimte en
tijd niet twee afzonderlijke en verschillende absoluten zijn, maar twee
aspecten van een en dezelfde fundamentele entiteit. Wat echter ontbreekt,
is de veel grootsere opvatting dat ruimte en tijd als gelijkwaardige
factoren in de manifestatie beide slechts een voortvloeisel zijn van
kosmische geest-substantie; toch hebben bepaalde filosofisch ingestelde
wetenschappers, zoals Sir James Jeans, intuïtief aangevoeld dat
het ruimte-tijd-continuüm op een mysterieuze manier te maken heeft
met kosmisch denkvermogen.
Hoewel kosmisch denkvermogen, tijd en ruimte alle
één zijn, schijnen ze tijdens het kosmische manvantara
drie verschillende entiteiten te zijn en deze schijnbare verdeling van
het Ene in de drie is wat de archaïsche filosofie mahamaya noemt.
Wat, zoals gezegd, het wetenschappelijke ruimte-tijd-continuüm
nodig heeft, is de erkenning dat ruimte-tijd identiek is met kosmisch
bewustzijn of kosmisch denkvermogen en evenzeer met kosmische substantie.
Laat deze opgaan in één enkele verenigde en fundamentele
Werkelijkheid, en dit geeft de gedachte in het kort weer.
Het ruimte-tijd-continuüm is maar een eerste
aarzelende stap naar de waarheid, een intuïtief besef als het ware
van de oude leer die zegt dat, wanneer alle gemanifesteerde heelallen
weer zijn opgelost in hun oorspronkelijke, superspirituele toestand,
het vele terugkeert in het Ene. Manifestatie lost zich op in de oorspronkelijke
spirituele homogeniteit, zodat niet alleen de gemanifesteerde ruimte
verdwijnt en de tijd eindigt met ruimte als zijn alter ego, maar ook
het kosmische denkvermogen weer opgaat in de kosmische geest en dus
verdwijnt.
In de woorden van de Chhandogya-Upanishad
(I, 9, 1):
‘Waarheen keert deze wereld terug?’
‘Naar de ruimte (akasa)’, zei hij. ‘Waarlijk,
alle dingen hier komen voort uit ruimte. Ze verdwijnen weer in de
ruimte, want alleen ruimte is groter dan deze; ruimte is het uiteindelijke
doel.’
Wanneer Brahman het heelal uitademt, is dat het
uitgaan van de grote adem, die daarop ogenblikkelijk Brahma wordt; het
kosmische (of cosmische) manvantara is de levensperiode van Brahma.
Wanneer deze levensperiode eindigt, gaat Brahma weer op in zijn eigen
spirituele essentie of Brahman, en verdwijnt de hele gemanifesteerde
ruimte in de abstracte of potentiële ruimte, en dat is het inademen
van de grote adem, of het begin van de kosmische pralaya.
Bron
van het Occultisme, blz. 88-93
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag