Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

De occulte fysiologische structuur van het zonnestelsel


‘De zon is het hart van de zonnewereld (het zonnestelsel) en zijn brein is verborgen achter de (zichtbare) zon. Vandaar worden gewaarwordingen uitgezonden naar ieder zenuwcentrum van het grote lichaam, en de golven van de levensessentie vloeien in iedere slagader en ader. . . .’

Tijdens het manvantarische tijdperk of leven van de zon circuleert het levensfluïdum dus regelmatig door ons stelsel, waarvan de zon het hart is – evenals het bloed in het menselijke lichaam circuleert; de zon trekt zich iedere keer even ritmisch samen als het menselijke hart.    – De Geheime Leer, 1:596-7

In ons zonnestelsel, dat een organische entiteit is, bevinden zich verscheidene levensstromen die bepaalde wegen volgen binnen de structuur van deze kosmische entiteit en die de ‘circulaties in de kosmos’ kunnen worden genoemd. Deze uitdrukking beschrijft een prachtig natuurlijk proces dat analoog is met de circulaties van de verschillende fluïden in het menselijk lichaam, of deze nu stoffelijk zijn zoals de bloedstroom, of quasi-astraal zoals de zenuw-aura.

Elders zal meer worden gezegd over de buitenronden en de rivieren van levens die deze circulaties tussen de zon en de planeten volgen; maar toch is het misschien goed nu nader in te gaan op wat we de occulte fysiologische structuur van het zonnestelsel kunnen noemen, die mede de circulaties in de kosmos omvat. Wat deze circulaties zijn, kan worden geïllustreerd aan de hand van de elektrische en magnetische krachtlijnen die planeet met planeet, en de planeten met de zon, in een organisch weefsel nauw met elkaar verbinden. Elektriciteit is universeel in het hele zonnestelsel; dat geldt ook voor het magnetisme, haar alter ego; beide zijn uitingen op de lagere gebieden van de kosmische jiva of universele levenskracht: eerst de jiva van het zonnestelsel, en in de tweede plaats de respectieve jiva’s van de verschillende planeetketens.

De elektrische en magnetische stromen die in en door een zonnestelsel circuleren, zijn de werkelijke oorzaken van de krachten van aantrekking en afstoting die voortdurend daarin aan het werk zijn. Ze functioneren zó, dat ze de samenstellende lichamen van een zonnestelsel aantrekken, in hun respectieve baan houden en tegelijk, als gevolg van de polariteit van deze krachten, een afstotende werking teweegbrengen. Op die wijze worden de verschillende lichamen van het zonnestelsel uit elkaar gehouden, zodat ze niet in botsing komen of allemaal naar een gemeenschappelijk centrum snellen, wat ze zeker zouden doen als er alleen aantrekkingskrachten, hetzij elektrische of magnetische, heersten. Met andere woorden, zowel kosmische elektriciteit als kosmisch magnetisme zijn uitingen van kosmische fohat, de Tibetaanse term voor kosmisch leven of kosmische jiva. Fohat is echter ondenkbaar zonder het inwonende en leidende kosmische denken of bewustzijn. Het wordt heel goed onder woorden gebracht in een oud boek dat HPB aanhaalt: ‘Fohat is het ros, het denken is de ruiter.’

Als we het van een andere kant bekijken, zijn elektriciteit en magnetisme in essentie leven, vitaliteit – maar altijd geleid door de inwonende geest. De vitaliteit van een kosmisch wezen, ontwikkeld of onontwikkeld, kan dus in haar meest materiële aspecten vitaal elektromagnetisme worden genoemd en in haar spirituele aspecten de aantrekkende en afstotende werking van het denken of bewustzijn.

Het leven, hetzij kosmisch of besloten binnen de levenssfeer van een kleinere organische entiteit, is iets zeer onbestendigs in zijn veelsoortige en steeds veranderende uitingen. Ook de elektrische stroom die onze steden en woningen verlicht, is een uitdrukking van kosmische vitaliteit, evenals het magnetisme dat ijzervijlsel aantrekt of zo’n grote rol speelt aan de polen van de aarde. Zelfs de invloeden die mensen op elkaar uitoefenen, zoals sympathie, aantrekking of afstoting, zijn manifestaties van het kosmische leven, maar omdat ze in ons werken, worden ze door onze individuele kenmerken sterk beïnvloed.

De circulaties in de kosmos zijn de slagaderen en aderen van het zonnestelsel – gezien als een levend organisme, een kosmisch individu – en bevatten, bestaan in feite uit, stromen van levens die voortdurend in beweging zijn op hun reis van planeet naar planeet en tussen de planeten en de zon. In feite zijn de planeten organen in het lichaam van een kosmisch wezen en ieder orgaan vervult zijn eigen, bijzondere spiritueel-magnetische functie. Bovendien zijn er lichamen die om het binnenste van de zon cirkelen, rond zijn kern, binnen dat wat wij zien als de buitenste grens van het zonnelichaam. Er zijn inderdaad veel mysteries verbonden aan onze zon.

Naar analogie heeft elk van de organen in het fysieke lichaam van de mens een taak te vervullen, en dat geldt ook voor de monaden van zijn hele constitutie. Zoals er in ons lichaam een voortdurende circulatie plaatsvindt van de levensessentie, belichaamd in het bloed en de zenuwfluïden, zo is er ook in ons zonnestelsel een onophoudelijke en zeer krachtige uitwisseling van levensessenties, waarbij elke planeet een bijdrage levert aan elke andere planeet en aan de zon; en op zijn beurt bezielt de zon ze alle met zijn twaalfvoudige krachten en substanties.

Het zou moeilijk zijn zich voor te stellen dat de krachten die de zon verlaten of binnengaan dat lukraak doen, zonder oorzaak, of dat ze geen bepaalde wegen volgen. De circulaties in het heelal zijn, voorzover het de zon betreft, de wegen die de talloze legers van monaden telkens weer volgen op weg naar hun bestemming. Deze elektromagnetische wegen brengen kosmische vitaliteit over die, evenals onze bloedstroom, ontelbare menigten entiteiten met zich meevoert. Alle wezens volgen deze wegen, want het heelal is een levend organisme voorzien van een netwerk van aderen en kosmische zenuwen, waarlangs alle rondtrekkende entiteiten komen en gaan. Deze circulaties hebben hun kloppende hart in de centrale zon van ons heelal.

Voor een adept is het, door zijn wilskracht en wijsheid te gebruiken, heel gemakkelijk om de route of weg te kiezen waarlangs hij van planeet naar planeet kan gaan, of van hogere naar lagere werelden en omgekeerd. Hiernaar verwijst Plato in meer dan een van zijn geschriften, zoals de Timaeus, en vooral in De Staat, Boek X, waarin hij beschrijft wat gewoonlijk het visioen van Er wordt genoemd, een van de minst begrepen en moeilijkste passages in zijn boeken. Plato gaf zijn onderricht in een nogal zinnebeeldige en mystieke stijl, omdat hij een feitelijke leer van de mysteriescholen niet openlijk mocht verkondigen.

Het is belangrijk dat we voortdurend proberen te vermijden onszelf te zien als subject en het zonnestelsel als object: met andere woorden, onszelf en het zonnestelsel, of de planeet waarin of waarop we op een bepaald moment een van de stadia van onze eonenlange levensloop doorbrengen, als afgescheiden en afzonderlijk bestaande entiteiten te zien. In werkelijkheid is de mens in zijn hele wezen een onlosmakelijk deel van het heelal. Hij ontleent niet alleen zijn vitaliteit aan het heelal dat hem omringt, en waarvan hij zijn verdere ‘levens’benodigdheden ontvangt, maar om te kunnen leven en evolueren moet hij gedeelten van zijn vitaliteit teruggeven aan de bron waaruit hij ze ontving.

Deze circulaties in de kosmos zijn in de innerlijke werelden even actief als op ons zichtbare gebied van het zonnestelsel. Ze vormen die onzichtbare maar heel werkelijke paden die door de menigten van entiteiten zowel voor als na het fysieke bestaan worden gevolgd. In de oude literatuur zijn verwijzingen te vinden naar de ‘weg van de goden’, het ‘pad van de vaderen’, het ‘pad van de deva’s’, en we zouden daar terecht aan kunnen toevoegen: het ‘pad van de elementalen’, het ‘pad van de dhyani-chohans’ – in feite het pad van elke familie of groep van entiteiten. Ze vormen ook de wegen die worden betreden door de gestorvenen, of door hen die hun wederbelichaming beginnen. De Hebreeuwse kabbala, bijvoorbeeld, beschrijft deze circulaties met het ene woord gilgulim, wat wervelingen of wentelingen betekent, zowel van ego’s in hun postmortale omzwervingen als van de wegen waarlangs ze zich voortbewegen.

Als we konden beseffen wat het is dat van ster naar ster stroomt, en van ster naar ons zonnestelsel en weer terug, en wat zich door ons zonnestelsel beweegt na van de sterren tot ons te zijn gekomen, dan zouden we de hele geschiedenis kennen van het ontstaan, de aard en bestemming, niet alleen van het zonnestelsel zelf, maar van al zijn bewoners. En die bewoners zijn van velerlei aard, niet alleen planeten en mensen, niet alleen kometen en asteroïden, maar de vele, werkelijk ontelbare aantallen levende entiteiten in allerlei graden van ontwikkeling, van een enkel levensatoom tot de goden.

Samenvattend kunnen we zeggen dat de circulaties in de kosmos de spiritueel-magnetische wegen van het zonnestelsel zijn, en bestaan uit rivieren van levens; en ieder mens is een van deze ‘levens’ in die bijzondere rivier of levensgolf waartoe hij door zijn karmische lot tijdelijk behoort. Juist omdat de mens, zowel individueel als collectief als de menselijke hiërarchie, deel uitmaakt van een van deze rivieren van levens, moet hij tijdens de buitenronden niet alleen de reis volbrengen van planeet naar planeet van de heilige zeven planeten die aan de Ouden bekend waren, maar hij moet ook, omdat de stroom zich langs deze circulaties voortzet, vroeg of laat de zon binnengaan – om deze na verloop van tijd weer te verlaten op zijn terugreis door het zonnestelsel via de verschillende heilige planeten, in de juiste volgorde. Daarom is door de grote leraren gezegd dat de zon het majestueuze kloppende hart en altijd actieve bewustzijn is van het zonnestelsel, waarvan de regelmatige en periodieke hartenklop gedurende de vele eeuwen van het zonnemanvantara nooit ophoudt.

 


Bron van het occultisme, blz. 169-73

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag