De occulte fysiologische structuur van het zonnestelsel
‘De zon is het hart van de zonnewereld
(het zonnestelsel) en zijn brein is verborgen achter de (zichtbare)
zon. Vandaar worden gewaarwordingen uitgezonden naar ieder zenuwcentrum
van het grote lichaam, en de golven van de levensessentie vloeien
in iedere slagader en ader. . . .’
Tijdens het manvantarische tijdperk of leven van
de zon circuleert het levensfluïdum dus regelmatig door ons stelsel,
waarvan de zon het hart is – evenals het bloed in het menselijke
lichaam circuleert; de zon trekt zich iedere keer even ritmisch samen
als het menselijke hart. – De Geheime
Leer, 1:596-7
In ons zonnestelsel, dat
een organische entiteit is, bevinden zich verscheidene levensstromen
die bepaalde wegen volgen binnen de structuur van deze kosmische entiteit
en die de ‘circulaties in de kosmos’ kunnen worden genoemd.
Deze uitdrukking beschrijft een prachtig natuurlijk proces dat analoog
is met de circulaties van de verschillende fluïden in het menselijk
lichaam, of deze nu stoffelijk zijn zoals de bloedstroom, of quasi-astraal
zoals de zenuw-aura.
Elders zal meer worden
gezegd over de buitenronden en de rivieren van levens die deze circulaties
tussen de zon en de planeten volgen; maar toch is het misschien goed
nu nader in te gaan op wat we de occulte fysiologische structuur van
het zonnestelsel kunnen noemen, die mede de circulaties in de kosmos
omvat. Wat deze circulaties zijn, kan worden geïllustreerd aan
de hand van de elektrische en magnetische krachtlijnen die planeet met
planeet, en de planeten met de zon, in een organisch weefsel nauw met
elkaar verbinden. Elektriciteit is universeel in het hele zonnestelsel;
dat geldt ook voor het magnetisme, haar alter ego; beide zijn uitingen
op de lagere gebieden van de kosmische jiva of universele levenskracht:
eerst de jiva van het zonnestelsel, en in de tweede plaats de respectieve
jiva’s van de verschillende planeetketens.
De elektrische en magnetische
stromen die in en door een zonnestelsel circuleren, zijn de werkelijke
oorzaken van de krachten van aantrekking en afstoting die voortdurend
daarin aan het werk zijn. Ze functioneren zó, dat ze de samenstellende
lichamen van een zonnestelsel aantrekken, in hun respectieve baan houden
en tegelijk, als gevolg van de polariteit van deze krachten, een afstotende
werking teweegbrengen. Op die wijze worden de verschillende lichamen
van het zonnestelsel uit elkaar gehouden, zodat ze niet in botsing komen
of allemaal naar een gemeenschappelijk centrum snellen, wat ze zeker
zouden doen als er alleen aantrekkingskrachten, hetzij elektrische of
magnetische, heersten. Met andere woorden, zowel kosmische elektriciteit
als kosmisch magnetisme zijn uitingen van kosmische fohat, de Tibetaanse
term voor kosmisch leven of kosmische jiva. Fohat is echter ondenkbaar
zonder het inwonende en leidende kosmische denken of bewustzijn. Het
wordt heel goed onder woorden gebracht in een oud boek dat HPB aanhaalt:
‘Fohat is het ros, het denken is de ruiter.’
Als we het van een andere
kant bekijken, zijn elektriciteit en magnetisme in essentie leven,
vitaliteit – maar altijd geleid door de inwonende geest.
De vitaliteit van een kosmisch wezen, ontwikkeld of onontwikkeld, kan
dus in haar meest materiële aspecten vitaal elektromagnetisme worden
genoemd en in haar spirituele aspecten de aantrekkende en afstotende
werking van het denken of bewustzijn.
Het leven, hetzij kosmisch
of besloten binnen de levenssfeer van een kleinere organische entiteit,
is iets zeer onbestendigs in zijn veelsoortige en steeds veranderende
uitingen. Ook de elektrische stroom die onze steden en woningen verlicht,
is een uitdrukking van kosmische vitaliteit, evenals het magnetisme
dat ijzervijlsel aantrekt of zo’n grote rol speelt aan de polen
van de aarde. Zelfs de invloeden die mensen op elkaar uitoefenen, zoals
sympathie, aantrekking of afstoting, zijn manifestaties van het kosmische
leven, maar omdat ze in ons werken, worden ze door onze individuele
kenmerken sterk beïnvloed.
De circulaties in de kosmos
zijn de slagaderen en aderen van het zonnestelsel – gezien als
een levend organisme, een kosmisch individu – en bevatten, bestaan
in feite uit, stromen van levens die voortdurend in beweging zijn op
hun reis van planeet naar planeet en tussen de planeten en de zon. In
feite zijn de planeten organen in het lichaam van een kosmisch wezen
en ieder orgaan vervult zijn eigen, bijzondere spiritueel-magnetische
functie. Bovendien zijn er lichamen die om het binnenste van de zon
cirkelen, rond zijn kern, binnen dat wat wij zien als de buitenste grens
van het zonnelichaam. Er zijn inderdaad veel mysteries verbonden aan
onze zon.
Naar analogie heeft elk
van de organen in het fysieke lichaam van de mens een taak te vervullen,
en dat geldt ook voor de monaden van zijn hele constitutie. Zoals er
in ons lichaam een voortdurende circulatie plaatsvindt van de levensessentie,
belichaamd in het bloed en de zenuwfluïden, zo is er ook in ons
zonnestelsel een onophoudelijke en zeer krachtige uitwisseling van levensessenties,
waarbij elke planeet een bijdrage levert aan elke andere planeet en
aan de zon; en op zijn beurt bezielt de zon ze alle met zijn twaalfvoudige
krachten en substanties.
Het zou moeilijk zijn zich
voor te stellen dat de krachten die de zon verlaten of binnengaan dat
lukraak doen, zonder oorzaak, of dat ze geen bepaalde wegen volgen.
De circulaties in het heelal zijn, voorzover het de zon betreft, de
wegen die de talloze legers van monaden telkens weer volgen op weg naar
hun bestemming. Deze elektromagnetische wegen brengen kosmische vitaliteit
over die, evenals onze bloedstroom, ontelbare menigten entiteiten met
zich meevoert. Alle wezens volgen deze wegen, want het heelal is een
levend organisme voorzien van een netwerk van aderen en kosmische zenuwen,
waarlangs alle rondtrekkende entiteiten komen en gaan. Deze circulaties
hebben hun kloppende hart in de centrale zon van ons heelal.
Voor een adept is het,
door zijn wilskracht en wijsheid te gebruiken, heel gemakkelijk om de
route of weg te kiezen waarlangs hij van planeet naar planeet kan gaan,
of van hogere naar lagere werelden en omgekeerd. Hiernaar verwijst Plato
in meer dan een van zijn geschriften, zoals de Timaeus, en
vooral in De Staat, Boek X, waarin hij beschrijft wat gewoonlijk
het visioen van Er wordt genoemd, een van de minst begrepen en moeilijkste
passages in zijn boeken. Plato gaf zijn onderricht in een nogal zinnebeeldige
en mystieke stijl, omdat hij een feitelijke leer van de mysteriescholen
niet openlijk mocht verkondigen.
Het is belangrijk dat we
voortdurend proberen te vermijden onszelf te zien als subject en het
zonnestelsel als object: met andere woorden, onszelf en het zonnestelsel,
of de planeet waarin of waarop we op een bepaald moment een van de stadia
van onze eonenlange levensloop doorbrengen, als afgescheiden en afzonderlijk
bestaande entiteiten te zien. In werkelijkheid is de mens in zijn hele
wezen een onlosmakelijk deel van het heelal. Hij ontleent niet alleen
zijn vitaliteit aan het heelal dat hem omringt, en waarvan hij zijn
verdere ‘levens’benodigdheden ontvangt, maar om te kunnen
leven en evolueren moet hij gedeelten van zijn vitaliteit teruggeven
aan de bron waaruit hij ze ontving.
Deze circulaties in de
kosmos zijn in de innerlijke werelden even actief als op ons zichtbare
gebied van het zonnestelsel. Ze vormen die onzichtbare maar heel werkelijke
paden die door de menigten van entiteiten zowel voor als na het fysieke
bestaan worden gevolgd. In de oude literatuur zijn verwijzingen te vinden
naar de ‘weg van de goden’, het ‘pad van de vaderen’,
het ‘pad van de deva’s’, en we zouden daar terecht
aan kunnen toevoegen: het ‘pad van de elementalen’, het
‘pad van de dhyani-chohans’ – in feite het pad van
elke familie of groep van entiteiten. Ze vormen ook de wegen die worden
betreden door de gestorvenen, of door hen die hun wederbelichaming beginnen.
De Hebreeuwse kabbala, bijvoorbeeld, beschrijft deze circulaties met
het ene woord gilgulim, wat wervelingen of wentelingen betekent,
zowel van ego’s in hun postmortale omzwervingen als van de wegen
waarlangs ze zich voortbewegen.
Als we konden beseffen
wat het is dat van ster naar ster stroomt, en van ster naar ons zonnestelsel
en weer terug, en wat zich door ons zonnestelsel beweegt na van de sterren
tot ons te zijn gekomen, dan zouden we de hele geschiedenis kennen van
het ontstaan, de aard en bestemming, niet alleen van het zonnestelsel
zelf, maar van al zijn bewoners. En die bewoners zijn van velerlei aard,
niet alleen planeten en mensen, niet alleen kometen en asteroïden,
maar de vele, werkelijk ontelbare aantallen levende entiteiten in allerlei
graden van ontwikkeling, van een enkel levensatoom tot de goden.
Samenvattend kunnen we
zeggen dat de circulaties in de kosmos de spiritueel-magnetische wegen
van het zonnestelsel zijn, en bestaan uit rivieren van levens; en ieder
mens is een van deze ‘levens’ in die bijzondere rivier of
levensgolf waartoe hij door zijn karmische lot tijdelijk behoort. Juist
omdat de mens, zowel individueel als collectief als de menselijke hiërarchie,
deel uitmaakt van een van deze rivieren van levens, moet hij tijdens
de buitenronden niet alleen de reis volbrengen van planeet naar planeet
van de heilige zeven planeten die aan de Ouden bekend waren, maar hij
moet ook, omdat de stroom zich langs deze circulaties voortzet, vroeg
of laat de zon binnengaan – om deze na verloop van tijd weer te
verlaten op zijn terugreis door het zonnestelsel via de verschillende
heilige planeten, in de juiste volgorde. Daarom is door de grote leraren
gezegd dat de zon het majestueuze kloppende hart en altijd actieve bewustzijn
is van het zonnestelsel, waarvan de regelmatige en periodieke hartenklop
gedurende de vele eeuwen van het zonnemanvantara nooit ophoudt.
Bron
van het Occultisme, blz. 169-73
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag