Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Levensatomen, hun oorsprong en bestemming


. . . het occultisme aanvaardt niets anorganisch in de Kosmos. De door de wetenschap gebruikte uitdrukking ‘anorganische stof’ betekent eenvoudig dat het latente leven dat in de moleculen van de zogenaamde ‘inerte stof’ sluimert, onkenbaar is. Alles is leven, en elk atoom, zelfs van mineraalstof, is een leven, hoewel dit boven ons bevattingsvermogen ligt en voor ons niet waarneembaar is, omdat het valt buiten het gebied van de wetten die bekend zijn aan degenen die het occultisme afwijzen. ‘De atomen zelf’, zegt Tyndall, ‘schijnen vol verlangen te zijn naar het leven’. Waar komt dan de neiging vandaan ‘om in organische vormen over te gaan’, willen wij vragen. Kan men dit op een andere manier verklaren dan volgens de leringen van de occulte wetenschap?

Volgens een commentaar ‘zijn voor de niet-ingewijden de werelden opgebouwd uit de bekende elementen. In de opvatting van een arhat zijn deze elementen zelf collectief een goddelijk leven; afzonderlijk beschouwd zijn ze op het gebied van de manifestaties de talloze en ontelbare miljoenen levens. Alleen het vuur is één op het gebied van de Ene Werkelijkheid: op dat van het gemanifesteerde en dus bedrieglijke Zijn, zijn de deeltjes ervan vurige levens die leven en bestaan ten koste van elk ander leven dat ze verteren. Daarom worden ze de ‘verslinders’ genoemd. . . . ‘Alle zichtbare dingen in dit Heelal zijn door zulke levens opgebouwd, van de bewuste en goddelijke oorspronkelijke mens tot de onbewuste werktuigen die de stof samenstellen.’ . . . ‘Uit het ene vormloze en ongeschapen leven komt het Heelal van levens voort.’   – De Geheime Leer, 1:276-7

Iedere monade is letterlijk een scheppend centrum, dat voortdurend uit zijn hart een stroom levensatomen tevoorschijn brengt, geboren in en uit zijn eigen essentie. En elk van deze levensatomen heeft als zijn eigen kern een god die zich nog niet tot uitdrukking heeft gebracht. Er bestaat geen mathematisch punt in de oneindige Ruimte dat niet zo’n levensatoom is.

Meer in het bijzonder is een levensatoom een astrale monade, wat eenvoudig betekent een aspect van de spirituele monade zelf die op afstand in en op het astrale gebied werkt. Een straal of projectie van de ingeboren energie van de spirituele monade gaat dan door alle tussenliggende gebieden van stof en bewustzijn heen tot ze het astrale bereikt, en daar vormt ze een oneindig kleine werveling, een draaikolk, in de astrale substantie. Dat is de astrale monade, die monade wordt genoemd omdat ze met het essentiële monadische bewustzijn via deze straal of uitbreiding van de monadische energie rechtstreeks werkt op het astrale gebied. Het fysieke atoom wordt op zijn beurt op overeenkomstige wijze gevormd door de inwerking van een straal van de astrale monade op de fysieke materie; en de basis van het fysieke atoom is volgens de wetenschap elektriciteit.

We kunnen dus de wortel van het levensatoom vinden door langs deze energiestraal terug te gaan tot de monadische essentie. Ieder levensatoom is dus zo’n potentiële godheid, want de innerlijke god bevindt zich in zijn kern. Ieder atoom van de scheikunde is zo’n uitbreiding van een astrale monade; en de verschillende scheikundige elementen, die men nu op ongeveer honderd schat, zijn eenvoudig de verschillende klassen van de tien algemene families of groepen waarin de stof zich verdeelt, en elk van deze groepen is onderverdeeld in tien onderfamilies.

Levensatomen, of wat de oude hindoes paramanu’s of oorspronkelijke anu’s noemden, zijn de ‘zielen’ van de atomen van de scheikunde die evenals ons fysieke lichaam uiteenvallen. Een levensatoom is een manifestatie van een jiva; een jiva is een monade; en het hart van een monade is onvernietigbaar, omdat het zelf het goddelijke is. De atomen van ons lichaam zijn dezelfde die ons vorige aardse voertuig vormden. Deze zelfde atomen zullen in de volgende incarnatie het lichaam vormen dat we dan hebben; en dit geldt niet alleen voor ons fysieke lichaam, maar voor alle bekleedsels van het bewustzijn van onze zevenvoudige constitutie. Al deze bekleedsels bestaan uit levensatomen, en deze jiva’s vormen de menigten wezens die de volledige mens samenstellen waardoor de innerlijke god werkt. Sommige Upanishads spreken over brahman, zetelend in het hart van het atoom – dat brahman dat kleiner is dan het kleinste en groter dan het grootste en het heelal omvat.

Dat zijn dus de levensatomen. Alle materie, alle substantie, bestaat daaruit en uit niets anders. Ze zijn de bouwstenen van het heelal. In de kern bestaan ze uit bewustzijn dat zich manifesteert in zijn twee vormen van energie en wil – want energie en wil zijn zelf vormen van bewustzijn, de uiteindelijke Werkelijkheid.

Ieder levensatoom dat ontspringt aan de hoogste hiërarch van een hiërarchie moet een enorme evolutiereis volbrengen. Het begint in de hoogste stadia en daalt in de loop van de eeuwen langs de schaduwboog langzaam af in de stof die uit andere soortgelijke levensatomen bestaat die hem op zijn weg ‘omlaag’ zijn voorgegaan; en deze reis gaat voort tot de pelgrim, het levensatoom, het laagst mogelijke punt van zijn eigen hiërarchie bereikt – maar alleen van die hiërarchie, omdat het daar zijn specifieke evolutionaire ervaringen opdoet. Wanneer het dat punt heeft bereikt, begint het aan de weg omhoog langs de lichtende boog, tot het tenslotte weer wordt verenigd met zijn goddelijke essentie, de god vanbinnen.

Tijdens zijn evolutiereis doorloopt het levensatoom vele en zeer verschillende stadia van ervaring en gaat van niet-zelfbewustzijn naar betrekkelijk zelfbewustzijn, vervolgens naar volledig zelfbewustzijn, en ontwikkelt zich dan tot onpersoonlijk bewustzijn om tenslotte op te gaan in het goddelijke – nu niet langer slechts een godsvonk, maar een god, een van de medewerkers in het grootse werk van het bouwen van werelden.

Alles bestaat uit levensatomen, van het superspirituele tot het infrastoffelijke. Voor hen die de schijn van de dingen zonder meer accepteren en alleen afgaan op hun uiterlijke zintuiglijke waarnemingen, lijkt de onbezielde stof misschien levenloos, of op zijn hoogst slapend. Maar de fysieke levensatomen zijn zeer levendige, kleine entiteiten, die voortdurend aan het werk zijn, zelfs wanneer we slapen. Zouden ze slechts een fractie van een seconde ophouden, dan zou ons lichaam verdwijnen. In feite werken de fysieke levensatomen intensiever dan de levensatomen van spirituele dingen. Ze zijn op agressieve wijze actief, zoals alle stof.

Intensieve beweging is een kenmerk van de stof; dus hoe minder beweging des te hoger een entiteit is. Vrede, rust en kalmte zijn de tekenen van grootsheid; en dat geldt zowel voor de geest als voor stoffelijke zaken. Grote dingen worden in rust, in stilte, volbracht.

Alle verschillende monaden waaruit de samengestelde aard van de mens bestaat, ontwikkelen uit zichzelf kind-monaden, die hun respectieve voertuigen vormen, waarvan het meest uiterlijke het fysieke lichaam is dat is opgebouwd uit fysieke levensatomen die de atomen van vroegere incarnaties zijn, eenvoudig omdat ze in andere levens onze kinderen waren. In elk leven brengen we ze niet alleen tevoorschijn, maar we nemen ze ook in ons op, want er is een voortdurende uitwisseling van atomen. Daar komt nog bij dat heel veel levensatomen, grote aantallen die ons fysieke voertuig vormen, als nieuwe ‘scheppingen’ uit ons zijn voortgekomen.

De zevenvoudige constitutie van de mens, en ook elk orgaan van zijn lichaam, bestaat uit levensatomen van verschillende graden van evolutie. Een levensatoom kan het voertuig zijn van een god op een lager gebied dat hij om karmische redenen tenminste moet naderen en aanraken. De menselijke hersenen, bijvoorbeeld, kunnen soms levensatomen bevatten die de vingers zijn van een god die omlaag reikt naar ons stoffelijke gebied, op zoek naar de meest geëvolueerde fysieke stof die hij kan vinden, en dat is de menselijke hersensubstantie die tijdens het aardse leven in een sluier van akasa is gehuld.

Dit is karma voor de mens van wie de hersenstof zulke levensatomen kan bevatten; maar het is als het ware onverdiend. Absoluut alles wat een mens overkomt is zijn karma; maar we kunnen zeggen dat in dit geval het individu met zijn vrije wil niet werkelijk de oorzaak ervan was dat deze god een levensatoom in zijn hersenen uitkoos; en toch gebeurt het omdat zijn karma hem daarvoor tot een geschikt voertuig heeft gemaakt. De mens plukt de vruchten ervan.

Het is ook waar dat de hersenen levensatomen van duivelse aard kunnen huisvesten die lijden met zich meebrengen. Dat is ook karma, omdat de vroegere daden van de mens hem tot een voertuig voor zulke levensatomen hebben gemaakt. Niettemin is het voor hem onverdiend lijden, omdat hij niet met zijn wil verkoos deze duivelse levensatomen in zijn lichaam te brengen. Daarom kunnen er levensatomen in de hersenen of in andere vitale organen zijn die men feitelijk zou kunnen karakteriseren als duivels van aard – en andere als spiritueel of goddelijk.

Met het voorafgaande hangt de leer samen over de omzwervingen van de monaden op de andere planeetketens die ze tijdens de buitenronden bezoeken. Velen hebben zich afgevraagd of de monaden belichaamd zijn op de bollen van de verschillende planeetketens en of hun lichaam in grootte overeenkomt met die van de bol die ze bezoeken. Laat ik hier herhalen dat omvang, occult gezien, geen enkele betekenis heeft als het om bewustzijn per se gaat. Een wezen dat slechts weinig is geëvolueerd kan een lichaam hebben dat even groot is als de aarde, terwijl zijn gedachten een bereik kunnen hebben dat maar weinig groter is dan hijzelf. Een god kan in een levensatoom wonen, en toch kunnen zijn gedachten de oneindigheid doorkruisen.

De monaden die van keten tot keten of van bol tot bol trekken, bestaan uit families die niet alleen van onze aardketen komen maar ook van andere planeetketens en hun respectieve bollen. Er zijn monaden die van en naar de planeet Venus of de planeet Jupiter trekken, van en naar Mars, enz. Vele van hen bereiken onze eigen keten in de loop van hun ronden. Ze moeten dat doen omdat onze aardketen een station is langs de weg die de monaden volgen in de circulaties in de kosmos, waarbij sommige de ene vorm of het ene lichaam aannemen, en andere weer andere vormen of lichamen. Sommige van deze monaden zijn hoogontwikkeld, sommige zijn spirituele wezens, sommige zijn halfgoden. Andere zijn vanuit ons menselijke standpunt gezien duivels van aard.

Ieder levensatoom van iedere entiteit die in en uit het hart van de monadische essentie is geboren, is daarin voor altijd het kind van die monadische essentie, net zoals de menselijke ziel het min of meer ontwikkelde kind is van de spirituele monade. In het begin van hun evolutiereis in de mens manifesteren deze kind-monaden zich eerst als de levensatomen van de lagere delen van de menselijke constitutie; en in de vele kleinere manvantara’s die elkaar opvolgen, groeien ze dan van klein naar groot, van groot naar groter en bereiken hun uiteindelijke bestemming voor het zonnemanvantara als bevrijde jivanmukta’s, dhyani-chohans, goden.

Zoals wij pas mens kunnen worden als we alles hebben geleerd wat lager is dan het menselijke, zo moet het levensatoom van een dhyani-chohan, bestemd om een mens te worden, d.w.z. een reïncarnerend ego, na verloop van tijd uit zijn eigen hart de opgesloten goddelijke vermogens tevoorschijn brengen. Zelfs zo’n levensatoom, zo’n elementaal, zo’n dhyani-chohanische gedachte, moet in de stof afdalen om van de ervaringen van het stoffelijke bestaan te leren en zich als mens aan dat bestaan te ontworstelen. Wat voor een god zou het zijn die niets wist van de stoffelijke kant van het heelal?

De hele natuur gaat te werk volgens één regel. Van iedere entiteit kan men dan ook zeggen dat ze als een levensatoom ontspringt aan de levenssubstantie van een dhyani-chohan; vandaar begint ze te evolueren door langzaam in de stof af te dalen. Wanneer ze de diepste diepten van de boog van die bepaalde hiërarchie bereikt, begint ze zich naar boven te richten en wordt ze een volledig mens die zich zal ontwikkelen tot een monade of een god – niet door aangroei van buitenaf, maar door tevoorschijn te brengen wat in haarzelf besloten ligt; en daarna, wanneer ze de toestand van de monade van een dhyani-chohan bereikt, wordt ze een kosmische geest.

Slaan we onszelf te hoog aan als we menen dat de gedachten die we denken onze eigen scheppingen zijn? Het denkvermogen van de mens is slechts het kanaal waar gedachten doorheen trekken. Al is het waar dat een monadische essentie, de god van binnen, de reïncarnerende ego’s geboren doet worden, toch beginnen deze laatsten hun evolutie als dhyani-chohanische atomen, elementalen, gedachten, zo u wilt; en ‘gedachten’ is niet zo’n slechte term, want een gedachte is een entiteit. Ze is bezield, ze duurt voort, ze heeft individualiteit; en elke gedachte of elk elementaal bewustzijnscentrum verschijnt in de psychospirituele atmosfeer die een monadisch centrum omgeeft. Ze vond haar oorsprong in de vitale substantie van een dhyani-chohan, eenvoudig omdat ieder punt in de grenzeloze Oneindigheid een monade is, actief of slapend.

Een gedachte-elementaal, die zich als een levensatoom in een dhyani-chohan bevindt, hoort dus bij hem en is gedurende alle toekomstige eonen met hem verbonden; en zoals die dhyani-chohan zelf evolueert, zullen ook zijn talrijke levensatomen die hij op verschillende tijden uitzond, eeuwig blijven groeien en hem altijd volgen en deel uitmaken van zijn reeks van levens.

Iedere monade in ons thuis-heelal, dat is alles binnen de melkweg, is – om zo te zeggen – een atoom, een deeltje van de spirituele essentie, behorende tot het leven – de individuele levensessentie – van een nog verhevener kosmische entiteit. Wijzelf zijn levensatomen, kind-monaden, van een kosmische godheid, net zoals ons lichaam bestaat uit jonge levensatomen die hun reis naar de goden beginnen. Er zijn talloze van zulke glorierijke wezens in de onbegrensde Ruimte, en daarom moeten we niet een van hen ‘God’ noemen. Hierdoor ontstond het denkbeeld dat wij allen ‘kinderen van God’ zijn – de eerste christenen begrepen de oorspronkelijke gedachte, maar verloren de sleutel al snel.

Deze kind-monaden zijn in geen geval alle tegelijk ontstaan. Verder verkeren ze in allerlei stadia van evolutie, sommige beginnen in dit manvantara, sommige zijn daarin al oud, en andere zijn nog niet tot ontwikkeling gekomen uit de monadische essentie. Van deze talrijke kind-monaden heeft een veel kleiner deel een evolutiestadium bereikt dat bijna menselijk is, en hiervan is een nog kleiner aantal een mens. Deze laatsten leven natuurlijk niet allemaal tegelijk op aarde, omdat sommigen in de devachanische toestand en anderen in de tussenfase kunnen zijn.

Het zal duidelijk zijn dat we in alle komende eeuwen verantwoordelijk zijn voor de evolutie van de atomen van ons lichaam. Met andere woorden, de evolutie van de levensatomen, niet alleen van ons fysieke voertuig maar ook van de andere omhulsels door middel waarvan we ons tot uitdrukking brengen, hangt af van onze gedachten, onze gevoelens, onze aspiraties, ons hele leven. Daarom zullen we in komende cyclussen, als wij en zij naar steeds grotere hoogten evolueren, hun gids en leermeester blijven, zoals wij op onze beurt de onze hebben.

Het spirituele deel van een mens is de hiërarch, de stille wachter, van alle kleinere levens die de voertuigen samenstellen door middel waarvan en waarin deze hogere natuur van de mens zich uitdrukt. Deze kleinere levens ontspringen aan de bron van vitaliteit die opwelt in het hart van het spirituele wezen van de mens. En terwijl de mens vooruitgaat, komen zij achter hem aan; ze evolueren en gaan voortdurend een groter leven en een ruimer bewustzijn in. Uiteindelijk zal de spirituele entiteit, het superspirituele deel van een mens, de uitdrukking zijn geworden van een kosmisch wezen – een zon of een ster; en wat nu de levensatomen van een mens zijn, zoals die op alle gebieden van zijn zevenvoudige constitutie bestaan, zullen dan de tussennatuur in de constitutie van die kosmische godheid zijn geworden, en ook de zichtbare ster en de andere kleinere lichamen die haar omringen, zoals de planeten. Wanneer deze gebeurtenis van kosmische omvang voor de superspirituele aard van de mens zich zal hebben voltrokken, zullen de minder geëvolueerde levensatomen die zich groeperen rond de hoger geëvolueerde, de innerlijke en uiterlijke lichamen verschaffen van de lagere entiteiten die rond die solaire god cirkelen.

We zijn slechts spirituele en verstandelijke atomen – atomen van het bewustzijn van de hiërarch van ons heelal. In die hiërarch hebben we onze oorsprong en naar hem zullen we terugkeren, om ons dan in de volgende kosmische manifestatie op een edeler evolutiepad te begeven. Zoals de atomen die het lichaam van de mens vormen deel zijn van zijn essentie en wezen, en psychomagnetisch tot hem worden aangetrokken omdat ze oorspronkelijk uit hem voortkwamen, zo zijn wij atomen van dit kosmische wezen, onze hoogste hiërarch – die zelf maar een van de ontelbare hiërarchische hoofden is, want het heelal is vol goden en alles is met al het andere verbonden en verweven. Het bewustzijn van deze hemelse hiërarch is onze bron van inspiratie en is dat eeuwig brandende licht dat ons leidt en elk atoom van ons wezen doordringt. Het is de kosmische levensintelligentie.

Alles in het zonnestelsel ontspringt uiteindelijk aan de zon die, zoals gezegd, niet zozeer de ouder als wel de oudere broer is van de andere lichamen in zijn rijk. Dit wordt begrijpelijker als we in gedachten houden dat elk levensatoom, zelfs die welke ons fysieke lichaam samenstellen, een deel van ons is, in ons leeft, en dat toch elk van hen de uitdrukking is van zijn eigen individuele monade – een monade die in haar kern even schitterend en verheven is als onze eigen monade, maar van wie het voertuig niet zo hoogontwikkeld is als het onze.

Het menselijk lichaam is meer geschikt om de monadische essentie tot uitdrukking te brengen dan het levensatoom geschikt is om de essentie van zijn monade of innerlijke god tot uitdrukking te brengen. Eens manifesteerden wij mensen ons, individueel gesproken, als eenvoudige levensatomen – allemaal zonen en ook broeders van de zon. Ieder van ons, hoewel een deel van de zonne-essentie, is niettemin in zijn innerlijkste deel een goddelijk wezen; en als we het pad trouw tot het einde volgen, zullen we in de toekomst een schitterende zon in de kosmische ruimte worden. We zullen dan een zich manifesterende god zijn in ons innerlijkste deel, en ons lichaam zal een zon zijn.

 


Bron van het occultisme, blz. 429-36

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag