Levensatomen, hun oorsprong en bestemming
. . . het occultisme aanvaardt niets anorganisch
in de Kosmos. De door de wetenschap gebruikte uitdrukking ‘anorganische
stof’ betekent eenvoudig dat het latente leven dat in de moleculen
van de zogenaamde ‘inerte stof’ sluimert, onkenbaar is.
Alles is leven,
en elk atoom, zelfs van mineraalstof, is een leven,
hoewel dit boven ons bevattingsvermogen ligt en voor ons niet waarneembaar
is, omdat het valt buiten het gebied van de wetten die bekend zijn
aan degenen die het occultisme afwijzen. ‘De atomen zelf’,
zegt Tyndall, ‘schijnen vol verlangen te zijn naar het leven’.
Waar komt dan de neiging vandaan ‘om in organische vormen over
te gaan’, willen wij vragen. Kan men dit op een andere manier
verklaren dan volgens de leringen van de occulte wetenschap?
Volgens een commentaar ‘zijn
voor de niet-ingewijden de werelden opgebouwd uit de bekende elementen.
In de opvatting van een arhat zijn deze elementen zelf collectief
een goddelijk leven; afzonderlijk beschouwd zijn ze op het gebied
van de manifestaties de talloze en ontelbare miljoenen levens. Alleen
het vuur is één op het gebied van de Ene Werkelijkheid:
op dat van het gemanifesteerde en dus bedrieglijke Zijn, zijn de deeltjes
ervan vurige levens die leven en bestaan ten koste van elk ander leven
dat ze verteren. Daarom worden ze de ‘verslinders’ genoemd.
. . . ‘Alle zichtbare dingen in dit Heelal zijn door zulke levens
opgebouwd, van de bewuste en goddelijke oorspronkelijke mens tot de
onbewuste werktuigen die de stof samenstellen.’ . . . ‘Uit
het ene vormloze en ongeschapen leven komt het Heelal van levens voort.’
– De Geheime Leer, 1:276-7
Iedere monade is letterlijk een scheppend centrum,
dat voortdurend uit zijn hart een stroom levensatomen tevoorschijn brengt,
geboren in en uit zijn eigen essentie. En elk van deze levensatomen
heeft als zijn eigen kern een god die zich nog niet tot uitdrukking
heeft gebracht. Er bestaat geen mathematisch punt in de oneindige Ruimte
dat niet zo’n levensatoom is.
Meer in het bijzonder is een levensatoom een astrale
monade, wat eenvoudig betekent een aspect van de spirituele monade zelf
die op afstand in en op het astrale gebied werkt. Een straal of projectie
van de ingeboren energie van de spirituele monade gaat dan door alle
tussenliggende gebieden van stof en bewustzijn heen tot ze het astrale
bereikt, en daar vormt ze een oneindig kleine werveling, een draaikolk,
in de astrale substantie. Dat is de astrale monade, die monade wordt
genoemd omdat ze met het essentiële monadische bewustzijn via deze
straal of uitbreiding van de monadische energie rechtstreeks werkt op
het astrale gebied. Het fysieke atoom wordt op zijn beurt op overeenkomstige
wijze gevormd door de inwerking van een straal van de astrale monade
op de fysieke materie; en de basis van het fysieke atoom is volgens
de wetenschap elektriciteit.
We kunnen dus de wortel van het levensatoom vinden
door langs deze energiestraal terug te gaan tot de monadische essentie.
Ieder levensatoom is dus zo’n potentiële godheid, want de
innerlijke god bevindt zich in zijn kern. Ieder atoom van de scheikunde
is zo’n uitbreiding van een astrale monade; en de verschillende
scheikundige elementen, die men nu op ongeveer honderd schat, zijn eenvoudig
de verschillende klassen van de tien algemene families of groepen waarin
de stof zich verdeelt, en elk van deze groepen is onderverdeeld in tien
onderfamilies.
Levensatomen, of wat de oude hindoes paramanu’s
of oorspronkelijke anu’s noemden, zijn de ‘zielen’
van de atomen van de scheikunde die evenals ons fysieke lichaam uiteenvallen.
Een levensatoom is een manifestatie van een jiva; een jiva is een monade;
en het hart van een monade is onvernietigbaar, omdat het zelf het goddelijke
is. De atomen van ons lichaam zijn dezelfde die ons vorige aardse voertuig
vormden. Deze zelfde atomen zullen in de volgende incarnatie het lichaam
vormen dat we dan hebben; en dit geldt niet alleen voor ons fysieke
lichaam, maar voor alle bekleedsels van het bewustzijn van onze zevenvoudige
constitutie. Al deze bekleedsels bestaan uit levensatomen, en deze jiva’s
vormen de menigten wezens die de volledige mens samenstellen waardoor
de innerlijke god werkt. Sommige Upanishads spreken over brahman,
zetelend in het hart van het atoom – dat brahman dat kleiner is
dan het kleinste en groter dan het grootste en het heelal omvat.
Dat zijn dus de levensatomen. Alle materie, alle
substantie, bestaat daaruit en uit niets anders. Ze zijn de bouwstenen
van het heelal. In de kern bestaan ze uit bewustzijn dat zich manifesteert
in zijn twee vormen van energie en wil – want energie en wil zijn
zelf vormen van bewustzijn, de uiteindelijke Werkelijkheid.
Ieder levensatoom dat ontspringt aan de hoogste
hiërarch van een hiërarchie moet een enorme evolutiereis volbrengen.
Het begint in de hoogste stadia en daalt in de loop van de eeuwen langs
de schaduwboog langzaam af in de stof die uit andere soortgelijke levensatomen
bestaat die hem op zijn weg ‘omlaag’ zijn voorgegaan; en
deze reis gaat voort tot de pelgrim, het levensatoom, het laagst mogelijke
punt van zijn eigen hiërarchie bereikt – maar alleen van
die hiërarchie, omdat het daar zijn specifieke evolutionaire ervaringen
opdoet. Wanneer het dat punt heeft bereikt, begint het aan de weg omhoog
langs de lichtende boog, tot het tenslotte weer wordt verenigd met zijn
goddelijke essentie, de god vanbinnen.
Tijdens zijn evolutiereis doorloopt het levensatoom
vele en zeer verschillende stadia van ervaring en gaat van niet-zelfbewustzijn
naar betrekkelijk zelfbewustzijn, vervolgens naar volledig zelfbewustzijn,
en ontwikkelt zich dan tot onpersoonlijk bewustzijn om tenslotte op
te gaan in het goddelijke – nu niet langer slechts een godsvonk,
maar een god, een van de medewerkers in het grootse werk van het bouwen
van werelden.
Alles bestaat uit levensatomen, van het superspirituele
tot het infrastoffelijke. Voor hen die de schijn van de dingen zonder
meer accepteren en alleen afgaan op hun uiterlijke zintuiglijke waarnemingen,
lijkt de onbezielde stof misschien levenloos, of op zijn hoogst slapend.
Maar de fysieke levensatomen zijn zeer levendige, kleine entiteiten,
die voortdurend aan het werk zijn, zelfs wanneer we slapen. Zouden ze
slechts een fractie van een seconde ophouden, dan zou ons lichaam verdwijnen.
In feite werken de fysieke levensatomen intensiever dan de levensatomen
van spirituele dingen. Ze zijn op agressieve wijze actief, zoals alle
stof.
Intensieve beweging is een kenmerk van de stof;
dus hoe minder beweging des te hoger een entiteit is. Vrede, rust en
kalmte zijn de tekenen van grootsheid; en dat geldt zowel voor de geest
als voor stoffelijke zaken. Grote dingen worden in rust, in stilte,
volbracht.
Alle verschillende monaden waaruit de samengestelde
aard van de mens bestaat, ontwikkelen uit zichzelf kind-monaden, die
hun respectieve voertuigen vormen, waarvan het meest uiterlijke het
fysieke lichaam is dat is opgebouwd uit fysieke levensatomen die de
atomen van vroegere incarnaties zijn, eenvoudig omdat ze in andere levens
onze kinderen waren. In elk leven brengen we ze niet alleen tevoorschijn,
maar we nemen ze ook in ons op, want er is een voortdurende uitwisseling
van atomen. Daar komt nog bij dat heel veel levensatomen, grote aantallen
die ons fysieke voertuig vormen, als nieuwe ‘scheppingen’
uit ons zijn voortgekomen.
De zevenvoudige constitutie van de mens, en ook
elk orgaan van zijn lichaam, bestaat uit levensatomen van verschillende
graden van evolutie. Een levensatoom kan het voertuig zijn van een god
op een lager gebied dat hij om karmische redenen tenminste moet naderen
en aanraken. De menselijke hersenen, bijvoorbeeld, kunnen soms levensatomen
bevatten die de vingers zijn van een god die omlaag reikt naar ons stoffelijke
gebied, op zoek naar de meest geëvolueerde fysieke stof die hij
kan vinden, en dat is de menselijke hersensubstantie die tijdens het
aardse leven in een sluier van akasa is gehuld.
Dit is karma voor de mens van wie de hersenstof
zulke levensatomen kan bevatten; maar het is als het ware onverdiend.
Absoluut alles wat een mens overkomt is zijn karma; maar we kunnen zeggen
dat in dit geval het individu met zijn vrije wil niet werkelijk de oorzaak
ervan was dat deze god een levensatoom in zijn hersenen uitkoos; en
toch gebeurt het omdat zijn karma hem daarvoor tot een geschikt voertuig
heeft gemaakt. De mens plukt de vruchten ervan.
Het is ook waar dat de hersenen levensatomen van
duivelse aard kunnen huisvesten die lijden met zich meebrengen. Dat
is ook karma, omdat de vroegere daden van de mens hem tot een voertuig
voor zulke levensatomen hebben gemaakt. Niettemin is het voor hem onverdiend
lijden, omdat hij niet met zijn wil verkoos deze duivelse levensatomen
in zijn lichaam te brengen. Daarom kunnen er levensatomen in de hersenen
of in andere vitale organen zijn die men feitelijk zou kunnen karakteriseren
als duivels van aard – en andere als spiritueel of goddelijk.
Met het voorafgaande hangt de leer samen over de
omzwervingen van de monaden op de andere planeetketens die ze tijdens
de buitenronden bezoeken. Velen hebben zich afgevraagd of de monaden
belichaamd zijn op de bollen van de verschillende planeetketens en of
hun lichaam in grootte overeenkomt met die van de bol die ze bezoeken.
Laat ik hier herhalen dat omvang, occult gezien, geen enkele betekenis
heeft als het om bewustzijn per se gaat. Een wezen dat slechts weinig
is geëvolueerd kan een lichaam hebben dat even groot is als de
aarde, terwijl zijn gedachten een bereik kunnen hebben dat maar weinig
groter is dan hijzelf. Een god kan in een levensatoom wonen, en toch
kunnen zijn gedachten de oneindigheid doorkruisen.
De monaden die van keten tot keten of van bol tot
bol trekken, bestaan uit families die niet alleen van onze aardketen
komen maar ook van andere planeetketens en hun respectieve bollen. Er
zijn monaden die van en naar de planeet Venus of de planeet Jupiter
trekken, van en naar Mars, enz. Vele van hen bereiken onze eigen keten
in de loop van hun ronden. Ze moeten dat doen omdat onze aardketen
een station is langs de weg die de monaden volgen in de circulaties
in de kosmos, waarbij sommige de ene vorm of het ene lichaam aannemen,
en andere weer andere vormen of lichamen. Sommige van deze monaden zijn
hoogontwikkeld, sommige zijn spirituele wezens, sommige zijn halfgoden.
Andere zijn vanuit ons menselijke standpunt gezien duivels van aard.
Ieder levensatoom van iedere entiteit die in en
uit het hart van de monadische essentie is geboren, is daarin voor altijd
het kind van die monadische essentie, net zoals de menselijke ziel het
min of meer ontwikkelde kind is van de spirituele monade. In het begin
van hun evolutiereis in de mens manifesteren deze kind-monaden zich
eerst als de levensatomen van de lagere delen van de menselijke constitutie;
en in de vele kleinere manvantara’s die elkaar opvolgen, groeien
ze dan van klein naar groot, van groot naar groter en bereiken hun uiteindelijke
bestemming voor het zonnemanvantara als bevrijde jivanmukta’s,
dhyani-chohans, goden.
Zoals wij pas mens kunnen worden als we alles hebben
geleerd wat lager is dan het menselijke, zo moet het levensatoom van
een dhyani-chohan, bestemd om een mens te worden, d.w.z. een reïncarnerend
ego, na verloop van tijd uit zijn eigen hart de opgesloten goddelijke
vermogens tevoorschijn brengen. Zelfs zo’n levensatoom, zo’n
elementaal, zo’n dhyani-chohanische gedachte, moet in de stof
afdalen om van de ervaringen van het stoffelijke bestaan te leren en
zich als mens aan dat bestaan te ontworstelen. Wat voor een god zou
het zijn die niets wist van de stoffelijke kant van het heelal?
De hele natuur gaat te werk volgens één
regel. Van iedere entiteit kan men dan ook zeggen dat ze als een levensatoom
ontspringt aan de levenssubstantie van een dhyani-chohan; vandaar begint
ze te evolueren door langzaam in de stof af te dalen. Wanneer ze de
diepste diepten van de boog van die bepaalde hiërarchie bereikt,
begint ze zich naar boven te richten en wordt ze een volledig mens die
zich zal ontwikkelen tot een monade of een god – niet door aangroei
van buitenaf, maar door tevoorschijn te brengen wat in haarzelf besloten
ligt; en daarna, wanneer ze de toestand van de monade van een dhyani-chohan
bereikt, wordt ze een kosmische geest.
Slaan we onszelf te hoog aan als we menen dat de
gedachten die we denken onze eigen scheppingen zijn? Het denkvermogen
van de mens is slechts het kanaal waar gedachten doorheen trekken. Al
is het waar dat een monadische essentie, de god van binnen, de reïncarnerende
ego’s geboren doet worden, toch beginnen deze laatsten hun evolutie
als dhyani-chohanische atomen, elementalen, gedachten, zo u wilt; en
‘gedachten’ is niet zo’n slechte term, want een gedachte
is een entiteit. Ze is bezield, ze duurt voort, ze heeft individualiteit;
en elke gedachte of elk elementaal bewustzijnscentrum verschijnt in
de psychospirituele atmosfeer die een monadisch centrum omgeeft. Ze
vond haar oorsprong in de vitale substantie van een dhyani-chohan, eenvoudig
omdat ieder punt in de grenzeloze Oneindigheid een monade is, actief
of slapend.
Een gedachte-elementaal, die zich als een levensatoom
in een dhyani-chohan bevindt, hoort dus bij hem en is gedurende alle
toekomstige eonen met hem verbonden; en zoals die dhyani-chohan zelf
evolueert, zullen ook zijn talrijke levensatomen die hij op verschillende
tijden uitzond, eeuwig blijven groeien en hem altijd volgen en deel
uitmaken van zijn reeks van levens.
Iedere monade in ons thuis-heelal, dat is alles
binnen de melkweg, is – om zo te zeggen – een atoom, een
deeltje van de spirituele essentie, behorende tot het leven –
de individuele levensessentie – van een nog verhevener kosmische
entiteit. Wijzelf zijn levensatomen, kind-monaden, van een kosmische
godheid, net zoals ons lichaam bestaat uit jonge levensatomen die hun
reis naar de goden beginnen. Er zijn talloze van zulke glorierijke wezens
in de onbegrensde Ruimte, en daarom moeten we niet een van
hen ‘God’ noemen. Hierdoor ontstond het denkbeeld dat wij
allen ‘kinderen van God’ zijn – de eerste christenen
begrepen de oorspronkelijke gedachte, maar verloren de sleutel al snel.
Deze kind-monaden zijn in geen geval alle tegelijk
ontstaan. Verder verkeren ze in allerlei stadia van evolutie, sommige
beginnen in dit manvantara, sommige zijn daarin al oud, en andere zijn
nog niet tot ontwikkeling gekomen uit de monadische essentie. Van deze
talrijke kind-monaden heeft een veel kleiner deel een evolutiestadium
bereikt dat bijna menselijk is, en hiervan is een nog kleiner aantal
een mens. Deze laatsten leven natuurlijk niet allemaal tegelijk op aarde,
omdat sommigen in de devachanische toestand en anderen in de tussenfase
kunnen zijn.
Het zal duidelijk zijn dat we in alle komende eeuwen
verantwoordelijk zijn voor de evolutie van de atomen van ons lichaam.
Met andere woorden, de evolutie van de levensatomen, niet alleen van
ons fysieke voertuig maar ook van de andere omhulsels door middel waarvan
we ons tot uitdrukking brengen, hangt af van onze gedachten, onze gevoelens,
onze aspiraties, ons hele leven. Daarom zullen we in komende cyclussen,
als wij en zij naar steeds grotere hoogten evolueren, hun gids en leermeester
blijven, zoals wij op onze beurt de onze hebben.
Het spirituele deel van een mens is de hiërarch,
de stille wachter, van alle kleinere levens die de voertuigen samenstellen
door middel waarvan en waarin deze hogere natuur van de mens zich uitdrukt.
Deze kleinere levens ontspringen aan de bron van vitaliteit die opwelt
in het hart van het spirituele wezen van de mens. En terwijl de mens
vooruitgaat, komen zij achter hem aan; ze evolueren en gaan voortdurend
een groter leven en een ruimer bewustzijn in. Uiteindelijk zal de spirituele
entiteit, het superspirituele deel van een mens, de uitdrukking zijn
geworden van een kosmisch wezen – een zon of een ster; en wat
nu de levensatomen van een mens zijn, zoals die op alle gebieden van
zijn zevenvoudige constitutie bestaan, zullen dan de tussennatuur in
de constitutie van die kosmische godheid zijn geworden, en ook de zichtbare
ster en de andere kleinere lichamen die haar omringen, zoals de planeten.
Wanneer deze gebeurtenis van kosmische omvang voor de superspirituele
aard van de mens zich zal hebben voltrokken, zullen de minder geëvolueerde
levensatomen die zich groeperen rond de hoger geëvolueerde, de
innerlijke en uiterlijke lichamen verschaffen van de lagere entiteiten
die rond die solaire god cirkelen.
We zijn slechts spirituele en verstandelijke atomen
– atomen van het bewustzijn van de hiërarch van ons heelal.
In die hiërarch hebben we onze oorsprong en naar hem zullen we
terugkeren, om ons dan in de volgende kosmische manifestatie op een
edeler evolutiepad te begeven. Zoals de atomen die het lichaam van de
mens vormen deel zijn van zijn essentie en wezen, en psychomagnetisch
tot hem worden aangetrokken omdat ze oorspronkelijk uit hem voortkwamen,
zo zijn wij atomen van dit kosmische wezen, onze hoogste hiërarch
– die zelf maar een van de ontelbare hiërarchische hoofden
is, want het heelal is vol goden en alles is met al het andere verbonden
en verweven. Het bewustzijn van deze hemelse hiërarch is onze bron
van inspiratie en is dat eeuwig brandende licht dat ons leidt en elk
atoom van ons wezen doordringt. Het is de kosmische levensintelligentie.
Alles in het zonnestelsel ontspringt uiteindelijk
aan de zon die, zoals gezegd, niet zozeer de ouder als wel de oudere
broer is van de andere lichamen in zijn rijk. Dit wordt begrijpelijker
als we in gedachten houden dat elk levensatoom, zelfs die welke ons
fysieke lichaam samenstellen, een deel van ons is, in ons leeft, en
dat toch elk van hen de uitdrukking is van zijn eigen individuele monade
– een monade die in haar kern even schitterend en verheven is
als onze eigen monade, maar van wie het voertuig niet zo hoogontwikkeld
is als het onze.
Het menselijk lichaam is meer geschikt om de monadische
essentie tot uitdrukking te brengen dan het levensatoom geschikt is
om de essentie van zijn monade of innerlijke god tot uitdrukking te
brengen. Eens manifesteerden wij mensen ons, individueel gesproken,
als eenvoudige levensatomen – allemaal zonen en ook broeders van
de zon. Ieder van ons, hoewel een deel van de zonne-essentie, is niettemin
in zijn innerlijkste deel een goddelijk wezen; en als we het pad trouw
tot het einde volgen, zullen we in de toekomst een schitterende zon
in de kosmische ruimte worden. We zullen dan een zich manifesterende
god zijn in ons innerlijkste deel, en ons lichaam zal een zon zijn.
Bron
van het Occultisme, blz. 429-36
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag