Interplanetair nirvana en interbol-nirvana
Wanneer de universele geest ontwaakt, herleeft
de wereld; wanneer hij zijn ogen sluit, vallen alle dingen in een
mystieke sluimer. – Vishnu-Purana,
Boek VI, hfst. iv
Wat gebeurt er met de verschillende families van
monaden wanneer het einde van een ronde op bol G wordt bereikt en hun
nirvana begint? In feite gaat elke klasse van monaden na het verlaten
van elke bol een korte nirvanische periode van rust en spirituele
assimilatie in vóór ze de volgende bol betreedt.* Dit
proces herhaalt zich tot de hoogste bol van de twaalfvoudige keten wordt
bereikt en de volgende ronde begint. Het belangrijke punt hier is dat
de verschillende klassen van monaden, na het verlaten van bol G, die
al een quasi-spirituele bol is, de arupa-bollen betreden, waar de levensomstandigheden
– hoe hoger de monaden stijgen – meer en meer typisch nirvanisch
worden. Hetzelfde beginsel, maar dan omgekeerd, geldt voor de monaden
op de neergaande boog, wanneer ze bol na bol betreden waarbij elke volgende
bol steeds stoffelijker en fysieker is.
*Deze rustperiode wordt vaak losweg een interplanetair
nirvana genoemd, terwijl het een interbol-nirvana zou moeten worden
genoemd.
Op hetzelfde moment dat een levensgolf, wat maar
een andere naam is voor een familie van monaden, een bol verlaat, gaat
die bol onmiddellijk een periode van obscuratie in tot de volgende levensgolf
hem bereikt en hem weer wekt. Deze perioden tussen twee bollen die de
klassen van monaden doormaken, duren niet alle even lang, maar variëren
naargelang van de tijd die de levensgolf op de bol die ze zojuist verliet,
heeft doorgebracht. Wanneer bijvoorbeeld onze levensgolf bol D verlaat
na, laten we aannemen, zo’n dertig miljoen jaar daarop te hebben
doorgebracht, dan duurt ons interbol-nirvana één tiende
van die periode, vóór wij als monaden ons beginnen te
belichamen op bol E. De regel is dat de rustperiode van het interbol-nirvana
in het algemeen één tiende bedraagt van de tijd die de
levensgolf op de bol heeft doorgebracht.
In werkelijkheid brengt onze levensgolf op deze
bol D in deze vierde ronde heel wat meer tijd door dan dertig miljoen
jaar – al deze tijdsperioden zijn wat hun duur betreft zorgvuldig
versluierd. Zouden we inderdaad de hele periode nemen van het allereerste
begin tot het allerlaatste einde, dan zou er veel meer tijd nodig zijn,
omdat we rekening moeten houden met de voorlopers, met het overgrote
deel van onze levensgolf, en met de achterblijvers of nakomers. De reis
van een levensgolf op een bol van een planeetketen, zoals die van de
mens op onze huidige bol D, neemt daarom honderden miljoenen jaren in
beslag; en zo’n doortocht wordt een bol-manvantara genoemd.
Een levensgolf blijft niet even lang op elke bol,
want niet alleen verschillen de levensgolven in spiritueel en stoffelijk
opzicht, maar de periode van belichaming op een bol is korter
naarmate die bol hoger staat. De reden hiervan is dat de spirituele
en verstandelijke vermogens dan sterker worden opgewekt en de verlangens
niet uitgaan naar stoffelijke zaken of een belichaamd bestaan. Dezelfde
regel geldt voor de devachanische tussenperioden: hoe spiritueler en
verstandelijker het ego is, des te langer duurt zijn devachan –
zolang devachan nog nodig is; hoe grover en materialistischer een mens
is, des te korter is devachan, en des te talrijker zijn daarom de belichamingen
op een bol gedurende de doortocht van de levensgolf waartoe hij behoort.
Uit het voorafgaande blijkt dat geen enkele levensgolf van de ene bol
naar de volgende ‘overspringt’; bij iedere overgang is er
altijd een interbol-nirvana van verschillende tijdsduur.*
*We moeten niet vergeten dat er verschillende soorten
manvantara’s, pralaya’s en obscuraties bestaan. Er zijn
bijvoorbeeld kosmische of universele manvantara’s, zonnemanvantara’s
en planeetketen-manvantara’s. Er zijn ook manvantara’s voor
de ronden, bollen en rassen; en wanneer we tot de mens afdalen, is er
het individuele manvantara dat we een leven op aarde noemen.
Wanneer de levensgolf in haar ronde door een planeetketen
een bol verlaat, komt die tijdelijk verlaten bol niet in pralaya –
wat ontbinding betekent – maar in obscuratie, een periode van
sluimer. Wanneer we dus deze vierde bol zullen verlaten en naar de volgende
en hogere bol E op de opgaande boog gaan, zal onze aarde gedurende lange
tijd in obscuratie gaan. Ze zal echter niet in rust blijven gedurende
de volle periode waarin onze eigen speciale levensgolf opklimt door
de bollen E, F en G en door de hoogste vijf bollen, haar eigen nirvana
heeft tussen bol G en A, en dan de afdaling door de bollen A, B en C
onderneemt, tot onze huidige bol D weer wordt bereikt. Na enige tientallen
miljoenen jaren, volgend op het vertrek van onze menselijke levensgolf
van deze bol, zal de levensgolf die in de opeenvolging van entiteiten
na ons komt, op aarde verschijnen en daar haar zeven wortelrassen doorlopen.
Obscuratie betekent eenvoudig dat een planeet op
bepaalde tijdstippen in haar evolutie min of meer zonder mensheden is.
Perioden van activiteit doen zich voor wanneer zich op de respectieve
bollen mensheden bevinden die in volle bloei zijn. Onze huidige mensenrassen
vormen niet de enige levensgolf die op aarde leeft. Onze bol D heeft
in feite verschillende ‘mensheden’ of manu’s –
verschillende levensgolven is misschien een beter woord – die
hier evolueren, de een na de ander. Zoals is uiteengezet, zal onze bol
D wanneer onze levensgolf vertrekt voor een bepaalde tijd in obscuratie
gaan; en dan komt een nieuwe levensgolf binnenrollen, samengesteld uit
haar legers van wezens die veel op ons lijken, maar niet identiek zijn.
Tegen die tijd bevinden onze mensenrassen zich op bol E.
Het is als een kamer in een hotel. Ik ben op reis
en breng er een nacht in door en vertrek dan weer. Laten we zeggen dat
de kamer een paar uur leeg blijft. Maar algauw krijgt een ander mijn
kamer, mijn bol, en blijft daar gedurende een nacht en een deel van
een dag. Die kamer blijft niet leeg totdat ik, misschien na een of twee
jaar, in hetzelfde hotel terugkom. Zo volgen de families van monaden,
de levensgolven, elkaar op langs de bollen van de keten; en wanneer
een bepaalde levensgolf een bol bereikt, begint die levensgolf tot bloei
te komen: haar tijd is aangebroken om haar wortelrassen te doorlopen.
Er bestaat een analogie tussen de levensgolven die
hun nirvana ingaan en de menselijke ziel die haar devachan ingaat in
de schoot van de spirituele monade. Na elke ketenronde gaan de monaden
hun interplanetaire nirvana in; op overeenkomstige wijze ondergaan de
klassen van monaden na elke bolronde een interbol-nirvana. Waar gaan
de nirvani’s heen wanneer ze bol G verlaten? Zwerven ze zomaar
wat rond in de lege ruimte als stofjes in een zonnestraal? Nee; want,
zoals gezegd, deze monaden die hun nirvana ingaan, gaan na het verlaten
van bol G door de vijf hogere bollen voor ze weer afdalen voor elke
nieuwe ronde.
Het zijn echter niet de goddelijke en spirituele
delen van onze constitutie die nirvana ingaan, want die bevinden zich
als het ware al voorbij dat stadium, maar het zijn de menselijke monaden:
nirvana is voor hen wat devachan is voor de menselijke ziel na de dood.
De traditie zegt dat wanneer een bodhisattva een boeddha wordt, de boeddha
nirvana ingaat, hij wordt uitgewist; maar dat betekent niet vernietiging.
Wat achterblijft is dat deel van de bodhisattva dat op zijn beurt een
monade is en ook een boeddha zal worden, die een bodhisattva-sishta
achterlaat.
Er zijn verschillende soorten nirvana’s en
alle zijn bewustzijnstoestanden. De goddelijke en spirituele delen van
een entiteit zoals een mens bevinden zich, wanneer ze in hun eigen natuurlijke
staat van bewustzijn verkeren, in een typisch nirvanische toestand;
maar het ‘nirvana’ dat de lagere monaden ingaan, is niet
de hogere bewustzijnstoestand die kenmerkend is voor de goddelijke en
spirituele entiteiten.
De reden van dat tijdelijke nirvana tussen alle
ronden is dat de monaden die volledig zelfbewustzijn bereiken op bol
G (zoals wij zullen doen als we aan het einde van deze huidige vierde
ronde komen) nog niet voldoende zijn geëvolueerd om volledig zelfbewust
te zijn op de drie nog hogere kosmische gebieden; net zoals de menselijke
ziel wanneer ze sterft nog niet voldoende is geëvolueerd om zelfbewust
te worden op gebieden die hoger liggen dan haar eigen bewustzijn, en
daarom in devachan komt waar ze tot haar wedergeboorte op aarde blijft.
Maar aan het einde van de zevende ronde, wanneer
de monaden bol G verlaten, zijn ze waarschijnlijk ver genoeg geëvolueerd
om zelfbewust te zijn op de eerste van de arupa-bollen van de opgaande
boog, mogelijk op de tweede, maar vrijwel zeker niet op de derde –
eenvoudig omdat het bewustzijn van die bol te hoog is. De monaden raken
in een toestand van onbewustheid vóór ze hem bereiken,
omdat ze nog niet van binnenuit de spirituele vermogens of organen hebben
ontwikkeld om daarop zelfbewust te zijn; net als de menselijke ziel
die na de dood in dromen verzinkt. We zijn in deze hogere sferen onbewust
omdat we nog niet hebben geleerd zelfbewust in de meer verheven delen
van onze constitutie te leven; als we dat hebben geleerd, zullen we
zelfbewust zijn als we slapen, en daarom bewust als we sterven. Bovendien
geldt voor ieder mens dat wanneer hij zijn reis omhoog maakt tijdens
zijn postmortale omzwervingen door de sferen, een gedeelte van de constitutie
de bollen op de opgaande boog van onze planeetketen moet doorlopen.
Het heeft op elk van die bollen tenminste één belichaming
of contact.
Al deze families van levensgolven verzamelen zich
tenslotte als naar huis vliegende vogels op de allerhoogste bol van
de twaalfvoudige keten; of, als we alleen de zevenvoudige keten beschouwen,
kunnen we zeggen op bol G. Maar omdat de natuur haar werkingen overal
herhaalt, moet er op elk van de bollen, voordat deze in obscuratie gaat,
een samentreffen plaatsvinden van alle levensgolven – echter niet
volledig, omdat er altijd voorlopers en nakomers zijn.
Zo is er dus een bol-manvantara voor A, een bol-manvantara
voor B, dan C en dan D; en wanneer een levensgolf de hele keten rond
is geweest, betekent dat één ketenronde voor die levensgolf.
Op elk van deze bollen bevinden zich alle klassen van levensgolven.
Er bevinden zich voorlopers van onze menselijke levensgolf en er zijn
ook talloze entiteiten die achteraan komen, jonge wezens op het evolutiepad,
manvantara’s jonger dan het zevende ras van de zevende ronde zal
zijn. Dit zevende en laatste ras van het huidige manvantara van onze
planeet zal haar dan als dhyani-chohans – goden – verlaten.
De voorlopers, vijfde- en zesde-ronders genoemd,
zijn die gevorderde ego’s die als gevolg van vroegere betrekkelijk
volmaakte ervaringen op de maanketen verder zijn geëvolueerd dan
het overgrote deel van de levensgolf. Het is erg eenvoudig: we hebben
allerlei graden van mensen, van de meest onontwikkelden tot de mahatma’s
en boeddha’s. De voorlopers die zich nu in onze vierde ronde bevinden
zijn die individuen die, als ze de kans krijgen, de aarde verlaten en
ons voorgaan; ze lopen op ons voor, wat eenvoudig betekent dat, terwijl
wij op bol D achter hen aan zwoegen, zij in hoog tempo voor ons uit
zijn gegaan op de hogere bollen en weer omlaag in hun vijfde ronde.
De zesde-ronders zijn die zeldzame bloemen van de mensheid die nog verder
zijn geëvolueerd dan de vijfde-ronders; ze zijn tweemaal rondgegaan
voor ons uit. Maar van deze laatsten zijn er slechts weinigen; ze zijn
even zeldzaam als de boeddha’s, even ‘zeldzaam als de bloesem
van de udumbaraboom’.*
*De Stem van de Stilte, blz. 37.
Het geval van de nakomers is daaraan geheel tegengesteld.
Velen hiervan zullen niet tot actieve evolutionaire ervaringen komen
op deze planeetketen, wat dus betekent op deze bol, wanneer ze haar
evolutie geheel heeft voltooid; want dan begint deze bol te sterven.
Zij die nu achter ons aankomen en die ons ook dan nog zullen volgen,
zullen net als wij hun nirvana binnengaan, in afwachting van de volgende
planeetketen; en op die nieuwe toekomstige keten zullen deze menigten
lagere entiteiten die in evolutionaire ontwikkeling onder ons staan,
ons nog steeds volgen. Aan het einde van de zevende ronde zullen alle
lagere entiteiten waaruit de menigten levens op onze planeet bestaan,
hun eigen nirvana binnengaan, maar op een veel lager nirvanisch gebied
dan waarop de levensgolf als geheel (die dan uit dhyani-chohans bestaat)
zich zal bevinden. Als alles aan het einde van het zevende ras van de
zevende ronde volmaakt zou zijn geworden, wat de aarde en al haar menigten
bewoners betreft, zou er geen mogelijkheid bestaan voor toekomstige
belichaming. Alles en iedereen en de planeet zelf zou paranirvana hebben
bereikt; en vele, vele zonnemanvantara’s zouden voorbijgaan voordat
de drang tot wederbelichaming opnieuw werd gevoeld.
Maar dat is niet het geval. De entiteiten en wezens
die minder geevolueerd zijn dan de mensheid van het zevende ras van
de zevende ronde, zijn nog onvolmaakt en bezitten daarom zowel goed
als kwaad in zich; en ze brengen noodzakelijkerwijs naar de volgende
wederbelichaming alles mee wat ze zelf zijn. Er zijn entiteiten die
vlak onder het zevende ras van de zevende ronde staan, en die worden
gevolgd door andere, nog onvolmaaktere groepen die op het evolutiepad
achter hen aan komen tot aan de diepten van het stoffelijke bestaan.
Laten we onze eigen bol D eens beschouwen. Wij zijn
in het vijfde wortelras. We moeten nog twee wortelrassen doorlopen voor
onze bol in obscuratie gaat. Maar er zijn hier ook dieren, evenals planten,
stenen en drie elementalenrijken, en al deze levensgolven werken samen
en vormen het leven om ons heen. Er bevinden zich onder ons ook vertegenwoordigers
van enkele dhyani-chohanische rijken, onzichtbaar voor ons, maar dat
komt eenvoudig omdat ze hoger staan dan wij. We weten van het bestaan
van enkelen op de lagere bollen, en we noemen ze mahatma’s, chohans
en bij andere namen. Christenen spreken over hen als engelen, maar deze
chohans bevinden zich onder ons, voorlopers van hun normale levensgolven.
Daarom moet elk van de verschillende levensgolven tegen het einde van
het manvantara haar vertegenwoordigers hier op bol D hebben, en allen
moeten gereed zijn om achtereenvolgens, elk op zijn beurt, over te gaan
naar bol E voordat bol D in obscuratie gaat.
Wanneer ik zeg dat vertegenwoordigers van elk van
de zeven of tien levensgolven zich als naar huis vliegende vogels op
een bol verzamelen voordat die in obscuratie gaat, betekent dat niet
dat elk van deze levensgolven of klassen van monaden zich als volledige
levensgolf op zo’n bol bevindt, hoewel dit laatste de werkelijkheid
benadert op de hoogste bol van de twaalfvoudige keten, waar een rustperiode
is voordat de nieuwe ronde begint.
Omdat de aarde slechts het fysieke lichaam is van
een zeven- of twaalfvoudige entiteit, zijn de rustperioden van zo’n
samengesteld wezen ook samengesteld van aard. Wanneer een planeetketen
sterft, gaat elk van de elementen van haar constitutie – dat wil
zeggen, de menigten levensatomen en quasi-bewuste, zelfbewuste en volledig
zelfbewuste wezens – zijn respectieve nirvana in. Maar de planeetketen
zelf, gezien als entiteit, gaat niet een planetair nirvana in, maar
veeleer een planetair devachan. Wat nirvana is voor de bewoners die
samen een planeetketen vormen, is slechts devachan voor die keten, of
beter gezegd voor de bollen waaruit die keten bestaat.
Zo is het ook met de mens, want de belangrijkste
wet van de natuur, die van de analogie, geldt overal. Wanneer een mens
sterft, verkeert de menselijke monade enige tijd in een nirvanische
toestand. Maar de innerlijke god verkeert in die tijd niet in die nirvanische
toestand. En ten derde is de menselijke ziel in haar devachan.
Onze aarde staat lager op de schaal van haar individuele
evolutie dan de gemiddelde mensheid die haar bewoont, hoewel de spirituele
entiteit, waar de aarde de fysieke uitdrukking van is, in dezelfde relatie
staat tot haar mensheid als de menselijke ziel tot de samenstellende
atomen van het lagere deel van de menselijke constitutie. Nu zouden
sommigen zich kunnen afvragen of deze uitspraak op de aarde als bol
D van onze planeetketen slaat, of op de keten als geheel. Hoewel ze
in het bijzonder op onze aardbol slaat, kan ze evengoed op elke andere
bol van onze planeetketen slaan. In feite is elke bol, wat zijn evolutie
betreft, minder gevorderd dan de ‘mensheid’ van evoluerende
ego’s die hem in een bepaalde tijd bewonen of, anders gezegd,
die op die bol hun ervaringen opdoen tijdens de ronden langs de bollen
van de planeetketen.
In dit verband moet ik denken aan een bepaalde passage
in De Mahatma Brieven (blz. 103):
De overeenkomst tussen een moeder-bol en haar menselijk
kind kan aldus worden uitgewerkt. Beide hebben hun zeven beginselen.
In de bol vormen de elementalen (waarvan er in totaal zeven soorten
zijn) (a) een grofstoffelijk lichaam, (b) zijn fluïdisch dubbel
(lingasarira), (c) zijn levensbeginsel (jiva); (d) zijn vierde
beginsel (kamarupa) wordt gevormd door zijn scheppende, van het middelpunt
naar de omtrek werkende impuls; (e) zijn vijfde beginsel (dierlijke
ziel of manas, fysieke intelligentie) is belichaamd in het
plantenrijk (in kiem) en het dierenrijk; (f) zijn zesde beginsel (of
spirituele ziel, buddhi) is de mens (g) en zijn zevende beginsel (atman)
bevindt zich in een waas van vergeestelijkt akasa dat hem omringt.
Ik wil erop wijzen dat KH hier alleen de zevenvoudige
aard van de fysieke sfeer van onze aarde in gedachten had en
niet sprak, zoals ik deed, over onze aardbol als een zevenvoudig kosmisch
wezen, dat alle zeven element-beginselen van het heelal bevat, van de
kosmische atman tot het sthulasarira van de bol. KH hield zich alleen
bezig met het aardse sthulasarira van de bol, met zijn zeven
elementen en beginselen. Omdat elk van de beginselen zelf zevenvoudig
is, is zelfs het sthulasarira een zevenvoudige entiteit; en van deze
zevenvoudige aard van ons fysieke gebied vormen wij mensen gedurende
onze doortocht de buddhi-levensatomen.
Op dezelfde manier kan het sthulasarira van de mens
in zeven beginselen worden verdeeld, die bestaan uit gedeelten van alle
delen van zijn constitutie die zich op het fysieke gebied in
en door zijn lichaam tot uitdrukking brengen. In het menselijk lichaam,
bijvoorbeeld, vormen alle zeven soorten of klassen van elementalen zijn
grofste fysieke materie, zijn fluïdische dubbel, en zijn levensbeginsel
of prana; terwijl het vierde beginsel van het fysieke lichaam een deel
is van het element kama dat erdoorheen werkt; zijn vijfde beginsel is
de psychomagnetische activiteit van de hersenen; zijn zesde beginsel
is de weerspiegeling in het lichaam van de hogere ziel van de mens;
en het zevende beginsel, of de atman, van het lichaam is het akasische
aurische fluïdum dat het menselijk lichaam omgeeft, d.w.z. het
aurische ei van de mens in zijn laagste of meest stoffelijke aspect.
Terwijl de planeetgeest van onze aarde op de evolutionaire
levensladder verder is gevorderd dan de mensheid die haar bewoont, is
niettemin de aarde als bol in fysieke evolutionaire ontwikkeling minder
ver gevorderd dan het menselijk lichaam van vlees, dat vergeleken met
de steen- en metaalachtige aardbol betrekkelijk zacht en quasi-astraal
is.
Ik wil hieraan toevoegen dat de relatie die de planeetgeest
van onze aarde – beschouwd als een kosmisch zevenvoud –
heeft met de verschillende ‘mensheden’ die op en door onze
bol evolueren, duidelijk hiërarchisch van aard is; en dezelfde
relatie bestaat met betrekking tot alle andere bollen van onze planeetketen.
Dezelfde hiërarchische relatie bestaat inderdaad ook met betrekking
tot de planeetgeesten van de heilige planeten waar de evoluerende ‘mensheden’
tijdens de buitenronden doorheen gaan.
Bron
van het Occultisme, blz. 401-8
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag