Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Interplanetair nirvana en interbol-nirvana


Wanneer de universele geest ontwaakt, herleeft de wereld; wanneer hij zijn ogen sluit, vallen alle dingen in een mystieke sluimer.    – Vishnu-Purana, Boek VI, hfst. iv

Wat gebeurt er met de verschillende families van monaden wanneer het einde van een ronde op bol G wordt bereikt en hun nirvana begint? In feite gaat elke klasse van monaden na het verlaten van elke bol een korte nirvanische periode van rust en spirituele assimilatie in vóór ze de volgende bol betreedt.* Dit proces herhaalt zich tot de hoogste bol van de twaalfvoudige keten wordt bereikt en de volgende ronde begint. Het belangrijke punt hier is dat de verschillende klassen van monaden, na het verlaten van bol G, die al een quasi-spirituele bol is, de arupa-bollen betreden, waar de levensomstandigheden – hoe hoger de monaden stijgen – meer en meer typisch nirvanisch worden. Hetzelfde beginsel, maar dan omgekeerd, geldt voor de monaden op de neergaande boog, wanneer ze bol na bol betreden waarbij elke volgende bol steeds stoffelijker en fysieker is.

*Deze rustperiode wordt vaak losweg een interplanetair nirvana genoemd, terwijl het een interbol-nirvana zou moeten worden genoemd.

Op hetzelfde moment dat een levensgolf, wat maar een andere naam is voor een familie van monaden, een bol verlaat, gaat die bol onmiddellijk een periode van obscuratie in tot de volgende levensgolf hem bereikt en hem weer wekt. Deze perioden tussen twee bollen die de klassen van monaden doormaken, duren niet alle even lang, maar variëren naargelang van de tijd die de levensgolf op de bol die ze zojuist verliet, heeft doorgebracht. Wanneer bijvoorbeeld onze levensgolf bol D verlaat na, laten we aannemen, zo’n dertig miljoen jaar daarop te hebben doorgebracht, dan duurt ons interbol-nirvana één tiende van die periode, vóór wij als monaden ons beginnen te belichamen op bol E. De regel is dat de rustperiode van het interbol-nirvana in het algemeen één tiende bedraagt van de tijd die de levensgolf op de bol heeft doorgebracht.

In werkelijkheid brengt onze levensgolf op deze bol D in deze vierde ronde heel wat meer tijd door dan dertig miljoen jaar – al deze tijdsperioden zijn wat hun duur betreft zorgvuldig versluierd. Zouden we inderdaad de hele periode nemen van het allereerste begin tot het allerlaatste einde, dan zou er veel meer tijd nodig zijn, omdat we rekening moeten houden met de voorlopers, met het overgrote deel van onze levensgolf, en met de achterblijvers of nakomers. De reis van een levensgolf op een bol van een planeetketen, zoals die van de mens op onze huidige bol D, neemt daarom honderden miljoenen jaren in beslag; en zo’n doortocht wordt een bol-manvantara genoemd.

Een levensgolf blijft niet even lang op elke bol, want niet alleen verschillen de levensgolven in spiritueel en stoffelijk opzicht, maar de periode van belichaming op een bol is korter naarmate die bol hoger staat. De reden hiervan is dat de spirituele en verstandelijke vermogens dan sterker worden opgewekt en de verlangens niet uitgaan naar stoffelijke zaken of een belichaamd bestaan. Dezelfde regel geldt voor de devachanische tussenperioden: hoe spiritueler en verstandelijker het ego is, des te langer duurt zijn devachan – zolang devachan nog nodig is; hoe grover en materialistischer een mens is, des te korter is devachan, en des te talrijker zijn daarom de belichamingen op een bol gedurende de doortocht van de levensgolf waartoe hij behoort. Uit het voorafgaande blijkt dat geen enkele levensgolf van de ene bol naar de volgende ‘overspringt’; bij iedere overgang is er altijd een interbol-nirvana van verschillende tijdsduur.*

*We moeten niet vergeten dat er verschillende soorten manvantara’s, pralaya’s en obscuraties bestaan. Er zijn bijvoorbeeld kosmische of universele manvantara’s, zonnemanvantara’s en planeetketen-manvantara’s. Er zijn ook manvantara’s voor de ronden, bollen en rassen; en wanneer we tot de mens afdalen, is er het individuele manvantara dat we een leven op aarde noemen.

Wanneer de levensgolf in haar ronde door een planeetketen een bol verlaat, komt die tijdelijk verlaten bol niet in pralaya – wat ontbinding betekent – maar in obscuratie, een periode van sluimer. Wanneer we dus deze vierde bol zullen verlaten en naar de volgende en hogere bol E op de opgaande boog gaan, zal onze aarde gedurende lange tijd in obscuratie gaan. Ze zal echter niet in rust blijven gedurende de volle periode waarin onze eigen speciale levensgolf opklimt door de bollen E, F en G en door de hoogste vijf bollen, haar eigen nirvana heeft tussen bol G en A, en dan de afdaling door de bollen A, B en C onderneemt, tot onze huidige bol D weer wordt bereikt. Na enige tientallen miljoenen jaren, volgend op het vertrek van onze menselijke levensgolf van deze bol, zal de levensgolf die in de opeenvolging van entiteiten na ons komt, op aarde verschijnen en daar haar zeven wortelrassen doorlopen.

Obscuratie betekent eenvoudig dat een planeet op bepaalde tijdstippen in haar evolutie min of meer zonder mensheden is. Perioden van activiteit doen zich voor wanneer zich op de respectieve bollen mensheden bevinden die in volle bloei zijn. Onze huidige mensenrassen vormen niet de enige levensgolf die op aarde leeft. Onze bol D heeft in feite verschillende ‘mensheden’ of manu’s – verschillende levensgolven is misschien een beter woord – die hier evolueren, de een na de ander. Zoals is uiteengezet, zal onze bol D wanneer onze levensgolf vertrekt voor een bepaalde tijd in obscuratie gaan; en dan komt een nieuwe levensgolf binnenrollen, samengesteld uit haar legers van wezens die veel op ons lijken, maar niet identiek zijn. Tegen die tijd bevinden onze mensenrassen zich op bol E.

Het is als een kamer in een hotel. Ik ben op reis en breng er een nacht in door en vertrek dan weer. Laten we zeggen dat de kamer een paar uur leeg blijft. Maar algauw krijgt een ander mijn kamer, mijn bol, en blijft daar gedurende een nacht en een deel van een dag. Die kamer blijft niet leeg totdat ik, misschien na een of twee jaar, in hetzelfde hotel terugkom. Zo volgen de families van monaden, de levensgolven, elkaar op langs de bollen van de keten; en wanneer een bepaalde levensgolf een bol bereikt, begint die levensgolf tot bloei te komen: haar tijd is aangebroken om haar wortelrassen te doorlopen.

Er bestaat een analogie tussen de levensgolven die hun nirvana ingaan en de menselijke ziel die haar devachan ingaat in de schoot van de spirituele monade. Na elke ketenronde gaan de monaden hun interplanetaire nirvana in; op overeenkomstige wijze ondergaan de klassen van monaden na elke bolronde een interbol-nirvana. Waar gaan de nirvani’s heen wanneer ze bol G verlaten? Zwerven ze zomaar wat rond in de lege ruimte als stofjes in een zonnestraal? Nee; want, zoals gezegd, deze monaden die hun nirvana ingaan, gaan na het verlaten van bol G door de vijf hogere bollen voor ze weer afdalen voor elke nieuwe ronde.

Het zijn echter niet de goddelijke en spirituele delen van onze constitutie die nirvana ingaan, want die bevinden zich als het ware al voorbij dat stadium, maar het zijn de menselijke monaden: nirvana is voor hen wat devachan is voor de menselijke ziel na de dood. De traditie zegt dat wanneer een bodhisattva een boeddha wordt, de boeddha nirvana ingaat, hij wordt uitgewist; maar dat betekent niet vernietiging. Wat achterblijft is dat deel van de bodhisattva dat op zijn beurt een monade is en ook een boeddha zal worden, die een bodhisattva-sishta achterlaat.

Er zijn verschillende soorten nirvana’s en alle zijn bewustzijnstoestanden. De goddelijke en spirituele delen van een entiteit zoals een mens bevinden zich, wanneer ze in hun eigen natuurlijke staat van bewustzijn verkeren, in een typisch nirvanische toestand; maar het ‘nirvana’ dat de lagere monaden ingaan, is niet de hogere bewustzijnstoestand die kenmerkend is voor de goddelijke en spirituele entiteiten.

De reden van dat tijdelijke nirvana tussen alle ronden is dat de monaden die volledig zelfbewustzijn bereiken op bol G (zoals wij zullen doen als we aan het einde van deze huidige vierde ronde komen) nog niet voldoende zijn geëvolueerd om volledig zelfbewust te zijn op de drie nog hogere kosmische gebieden; net zoals de menselijke ziel wanneer ze sterft nog niet voldoende is geëvolueerd om zelfbewust te worden op gebieden die hoger liggen dan haar eigen bewustzijn, en daarom in devachan komt waar ze tot haar wedergeboorte op aarde blijft.

Maar aan het einde van de zevende ronde, wanneer de monaden bol G verlaten, zijn ze waarschijnlijk ver genoeg geëvolueerd om zelfbewust te zijn op de eerste van de arupa-bollen van de opgaande boog, mogelijk op de tweede, maar vrijwel zeker niet op de derde – eenvoudig omdat het bewustzijn van die bol te hoog is. De monaden raken in een toestand van onbewustheid vóór ze hem bereiken, omdat ze nog niet van binnenuit de spirituele vermogens of organen hebben ontwikkeld om daarop zelfbewust te zijn; net als de menselijke ziel die na de dood in dromen verzinkt. We zijn in deze hogere sferen onbewust omdat we nog niet hebben geleerd zelfbewust in de meer verheven delen van onze constitutie te leven; als we dat hebben geleerd, zullen we zelfbewust zijn als we slapen, en daarom bewust als we sterven. Bovendien geldt voor ieder mens dat wanneer hij zijn reis omhoog maakt tijdens zijn postmortale omzwervingen door de sferen, een gedeelte van de constitutie de bollen op de opgaande boog van onze planeetketen moet doorlopen. Het heeft op elk van die bollen tenminste één belichaming of contact.

Al deze families van levensgolven verzamelen zich tenslotte als naar huis vliegende vogels op de allerhoogste bol van de twaalfvoudige keten; of, als we alleen de zevenvoudige keten beschouwen, kunnen we zeggen op bol G. Maar omdat de natuur haar werkingen overal herhaalt, moet er op elk van de bollen, voordat deze in obscuratie gaat, een samentreffen plaatsvinden van alle levensgolven – echter niet volledig, omdat er altijd voorlopers en nakomers zijn.

Zo is er dus een bol-manvantara voor A, een bol-manvantara voor B, dan C en dan D; en wanneer een levensgolf de hele keten rond is geweest, betekent dat één ketenronde voor die levensgolf. Op elk van deze bollen bevinden zich alle klassen van levensgolven. Er bevinden zich voorlopers van onze menselijke levensgolf en er zijn ook talloze entiteiten die achteraan komen, jonge wezens op het evolutiepad, manvantara’s jonger dan het zevende ras van de zevende ronde zal zijn. Dit zevende en laatste ras van het huidige manvantara van onze planeet zal haar dan als dhyani-chohans – goden – verlaten.

De voorlopers, vijfde- en zesde-ronders genoemd, zijn die gevorderde ego’s die als gevolg van vroegere betrekkelijk volmaakte ervaringen op de maanketen verder zijn geëvolueerd dan het overgrote deel van de levensgolf. Het is erg eenvoudig: we hebben allerlei graden van mensen, van de meest onontwikkelden tot de mahatma’s en boeddha’s. De voorlopers die zich nu in onze vierde ronde bevinden zijn die individuen die, als ze de kans krijgen, de aarde verlaten en ons voorgaan; ze lopen op ons voor, wat eenvoudig betekent dat, terwijl wij op bol D achter hen aan zwoegen, zij in hoog tempo voor ons uit zijn gegaan op de hogere bollen en weer omlaag in hun vijfde ronde. De zesde-ronders zijn die zeldzame bloemen van de mensheid die nog verder zijn geëvolueerd dan de vijfde-ronders; ze zijn tweemaal rondgegaan voor ons uit. Maar van deze laatsten zijn er slechts weinigen; ze zijn even zeldzaam als de boeddha’s, even ‘zeldzaam als de bloesem van de udumbaraboom’.*

*De Stem van de Stilte, blz. 37.

Het geval van de nakomers is daaraan geheel tegengesteld. Velen hiervan zullen niet tot actieve evolutionaire ervaringen komen op deze planeetketen, wat dus betekent op deze bol, wanneer ze haar evolutie geheel heeft voltooid; want dan begint deze bol te sterven. Zij die nu achter ons aankomen en die ons ook dan nog zullen volgen, zullen net als wij hun nirvana binnengaan, in afwachting van de volgende planeetketen; en op die nieuwe toekomstige keten zullen deze menigten lagere entiteiten die in evolutionaire ontwikkeling onder ons staan, ons nog steeds volgen. Aan het einde van de zevende ronde zullen alle lagere entiteiten waaruit de menigten levens op onze planeet bestaan, hun eigen nirvana binnengaan, maar op een veel lager nirvanisch gebied dan waarop de levensgolf als geheel (die dan uit dhyani-chohans bestaat) zich zal bevinden. Als alles aan het einde van het zevende ras van de zevende ronde volmaakt zou zijn geworden, wat de aarde en al haar menigten bewoners betreft, zou er geen mogelijkheid bestaan voor toekomstige belichaming. Alles en iedereen en de planeet zelf zou paranirvana hebben bereikt; en vele, vele zonnemanvantara’s zouden voorbijgaan voordat de drang tot wederbelichaming opnieuw werd gevoeld.

Maar dat is niet het geval. De entiteiten en wezens die minder geevolueerd zijn dan de mensheid van het zevende ras van de zevende ronde, zijn nog onvolmaakt en bezitten daarom zowel goed als kwaad in zich; en ze brengen noodzakelijkerwijs naar de volgende wederbelichaming alles mee wat ze zelf zijn. Er zijn entiteiten die vlak onder het zevende ras van de zevende ronde staan, en die worden gevolgd door andere, nog onvolmaaktere groepen die op het evolutiepad achter hen aan komen tot aan de diepten van het stoffelijke bestaan.

Laten we onze eigen bol D eens beschouwen. Wij zijn in het vijfde wortelras. We moeten nog twee wortelrassen doorlopen voor onze bol in obscuratie gaat. Maar er zijn hier ook dieren, evenals planten, stenen en drie elementalenrijken, en al deze levensgolven werken samen en vormen het leven om ons heen. Er bevinden zich onder ons ook vertegenwoordigers van enkele dhyani-chohanische rijken, onzichtbaar voor ons, maar dat komt eenvoudig omdat ze hoger staan dan wij. We weten van het bestaan van enkelen op de lagere bollen, en we noemen ze mahatma’s, chohans en bij andere namen. Christenen spreken over hen als engelen, maar deze chohans bevinden zich onder ons, voorlopers van hun normale levensgolven. Daarom moet elk van de verschillende levensgolven tegen het einde van het manvantara haar vertegenwoordigers hier op bol D hebben, en allen moeten gereed zijn om achtereenvolgens, elk op zijn beurt, over te gaan naar bol E voordat bol D in obscuratie gaat.

Wanneer ik zeg dat vertegenwoordigers van elk van de zeven of tien levensgolven zich als naar huis vliegende vogels op een bol verzamelen voordat die in obscuratie gaat, betekent dat niet dat elk van deze levensgolven of klassen van monaden zich als volledige levensgolf op zo’n bol bevindt, hoewel dit laatste de werkelijkheid benadert op de hoogste bol van de twaalfvoudige keten, waar een rustperiode is voordat de nieuwe ronde begint.

Omdat de aarde slechts het fysieke lichaam is van een zeven- of twaalfvoudige entiteit, zijn de rustperioden van zo’n samengesteld wezen ook samengesteld van aard. Wanneer een planeetketen sterft, gaat elk van de elementen van haar constitutie – dat wil zeggen, de menigten levensatomen en quasi-bewuste, zelfbewuste en volledig zelfbewuste wezens – zijn respectieve nirvana in. Maar de planeetketen zelf, gezien als entiteit, gaat niet een planetair nirvana in, maar veeleer een planetair devachan. Wat nirvana is voor de bewoners die samen een planeetketen vormen, is slechts devachan voor die keten, of beter gezegd voor de bollen waaruit die keten bestaat.

Zo is het ook met de mens, want de belangrijkste wet van de natuur, die van de analogie, geldt overal. Wanneer een mens sterft, verkeert de menselijke monade enige tijd in een nirvanische toestand. Maar de innerlijke god verkeert in die tijd niet in die nirvanische toestand. En ten derde is de menselijke ziel in haar devachan.

Onze aarde staat lager op de schaal van haar individuele evolutie dan de gemiddelde mensheid die haar bewoont, hoewel de spirituele entiteit, waar de aarde de fysieke uitdrukking van is, in dezelfde relatie staat tot haar mensheid als de menselijke ziel tot de samenstellende atomen van het lagere deel van de menselijke constitutie. Nu zouden sommigen zich kunnen afvragen of deze uitspraak op de aarde als bol D van onze planeetketen slaat, of op de keten als geheel. Hoewel ze in het bijzonder op onze aardbol slaat, kan ze evengoed op elke andere bol van onze planeetketen slaan. In feite is elke bol, wat zijn evolutie betreft, minder gevorderd dan de ‘mensheid’ van evoluerende ego’s die hem in een bepaalde tijd bewonen of, anders gezegd, die op die bol hun ervaringen opdoen tijdens de ronden langs de bollen van de planeetketen.

In dit verband moet ik denken aan een bepaalde passage in De Mahatma Brieven (blz. 103):

De overeenkomst tussen een moeder-bol en haar menselijk kind kan aldus worden uitgewerkt. Beide hebben hun zeven beginselen. In de bol vormen de elementalen (waarvan er in totaal zeven soorten zijn) (a) een grofstoffelijk lichaam, (b) zijn fluïdisch dubbel (lingasarira), (c) zijn levensbeginsel (jiva); (d) zijn vierde beginsel (kamarupa) wordt gevormd door zijn scheppende, van het middelpunt naar de omtrek werkende impuls; (e) zijn vijfde beginsel (dierlijke ziel of manas, fysieke intelligentie) is belichaamd in het plantenrijk (in kiem) en het dierenrijk; (f) zijn zesde beginsel (of spirituele ziel, buddhi) is de mens (g) en zijn zevende beginsel (atman) bevindt zich in een waas van vergeestelijkt akasa dat hem omringt.

Ik wil erop wijzen dat KH hier alleen de zevenvoudige aard van de fysieke sfeer van onze aarde in gedachten had en niet sprak, zoals ik deed, over onze aardbol als een zevenvoudig kosmisch wezen, dat alle zeven element-beginselen van het heelal bevat, van de kosmische atman tot het sthulasarira van de bol. KH hield zich alleen bezig met het aardse sthulasarira van de bol, met zijn zeven elementen en beginselen. Omdat elk van de beginselen zelf zevenvoudig is, is zelfs het sthulasarira een zevenvoudige entiteit; en van deze zevenvoudige aard van ons fysieke gebied vormen wij mensen gedurende onze doortocht de buddhi-levensatomen.

Op dezelfde manier kan het sthulasarira van de mens in zeven beginselen worden verdeeld, die bestaan uit gedeelten van alle delen van zijn constitutie die zich op het fysieke gebied in en door zijn lichaam tot uitdrukking brengen. In het menselijk lichaam, bijvoorbeeld, vormen alle zeven soorten of klassen van elementalen zijn grofste fysieke materie, zijn fluïdische dubbel, en zijn levensbeginsel of prana; terwijl het vierde beginsel van het fysieke lichaam een deel is van het element kama dat erdoorheen werkt; zijn vijfde beginsel is de psychomagnetische activiteit van de hersenen; zijn zesde beginsel is de weerspiegeling in het lichaam van de hogere ziel van de mens; en het zevende beginsel, of de atman, van het lichaam is het akasische aurische fluïdum dat het menselijk lichaam omgeeft, d.w.z. het aurische ei van de mens in zijn laagste of meest stoffelijke aspect.

Terwijl de planeetgeest van onze aarde op de evolutionaire levensladder verder is gevorderd dan de mensheid die haar bewoont, is niettemin de aarde als bol in fysieke evolutionaire ontwikkeling minder ver gevorderd dan het menselijk lichaam van vlees, dat vergeleken met de steen- en metaalachtige aardbol betrekkelijk zacht en quasi-astraal is.

Ik wil hieraan toevoegen dat de relatie die de planeetgeest van onze aarde – beschouwd als een kosmisch zevenvoud – heeft met de verschillende ‘mensheden’ die op en door onze bol evolueren, duidelijk hiërarchisch van aard is; en dezelfde relatie bestaat met betrekking tot alle andere bollen van onze planeetketen. Dezelfde hiërarchische relatie bestaat inderdaad ook met betrekking tot de planeetgeesten van de heilige planeten waar de evoluerende ‘mensheden’ tijdens de buitenronden doorheen gaan.

 


Bron van het occultisme, blz. 401-8

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag