Dhammapada – wijsheid van de Boeddha
Nederlands-Pali editie gebaseerd op
de Engelse vertaling van Harischandra Kaviratna

bestel boek

3de herziene druk 2014

© 2014  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

Canto 21 – Verzen van allerlei aard


290

Als men door een klein genoegen op te geven een groot geluk kan verkrijgen, dan doet de wijze afstand van dat kleinere genoegen met het oog op het grotere.

291

Hij die voor zichzelf geluk verlangt door anderen te laten lijden, wordt niet vrij van haat, omdat hij verstrikt raakt in banden van haat.

292

Als wat moet worden gedaan wordt nagelaten, en wat niet moet worden gedaan wél wordt gedaan, dan groeien de mentale belemmeringen van zulke verwaande en nalatige mensen.

293

Zij die voortdurend waakzaam zijn wat betreft het lichaam, die zich onthouden van het doen van wat niet moet worden gedaan, die proberen de handelingen te verrichten die wél moeten worden gedaan, die alert zijn en hun onderscheidingsvermogen gebruiken – aan de mentale belemmeringen van zulke mensen wordt een eind gemaakt.

294

Na het ombrengen van moeder (begeerte), vader (verwaandheid) en de twee koningen van de kshatriya-kaste (de twee onjuiste leringen van eeuwig leven en van vernietiging van de ziel) en na vernietiging van het koninkrijk met zijn inwoners (de twaalf grondslagen van zintuiglijke waarneming en voorwerpen van gehechtheid), vervolgt een echte brahmaan onverstoorbaar zijn weg.

295

Na moeder, vader en twee koningen van de brahmanen-kaste te hebben omgebracht en na als vijfde de tijger te hebben vernietigd (het gevaarlijke pad van de vijf hindernissen, namelijk begeerte, kwaadwilligheid, traagheid, rusteloosheid en twijfel), vervolgt een echte brahmaan onverstoorbaar zijn weg.

296

De discipelen van Gotama (Gautama) ontwaken steeds verder naar volledige verlichting. Hun bewustzijn is voortdurend dag en nacht gericht op de Boeddha.

297

De discipelen van Gotama ontwaken steeds verder naar volledige verlichting. Hun bewustzijn is voortdurend dag en nacht gericht op de dhamma.

298

De discipelen van Gotama ontwaken steeds verder naar volledige verlichting. Hun bewustzijn is voortdurend dag en nacht gericht op de orde (sangha).

299

De discipelen van Gotama ontwaken steeds verder naar volledige verlichting. Hun bewustzijn is voortdurend dag en nacht gericht op (de voorbijgaande aard van) het lichaam.

300

De discipelen van Gotama ontwaken steeds verder naar volledige verlichting. Hun denken is dag en nacht gericht op geweldloosheid (ahimsa).

301

De discipelen van Gotama ontwaken steeds verder naar volledige verlichting. Hun denken is dag en nacht gericht op contemplatie.

302

Verzaking van het wereldse leven is moeilijk; moeilijk is het gelukkig te zijn in het kloosterleven; het leven van een gezinshoofd is even moeilijk en pijnlijk. Ook pijnlijk is het om te moeten leven met mensen met een andere instelling. Een reiziger (die de cyclus van geboorte en dood doorloopt) krijgt altijd te maken met lijden. Wees daarom geen reiziger (in samsara); en wees niet iemand die door lijden wordt getroffen!

303

Iemand die toegewijd en deugdzaam is, en gezegend is met roem en rijkdom, wordt geëerd waar hij ook heen gaat.

304

Goede mensen schitteren al van verre zoals de besneeuwde toppen van de Himalaya. Maar de slechten worden hier niet gezien, zoals pijlen afgeschoten in de nacht.

305

Hij zit alleen, slaapt alleen, leeft alleen, is ijverig, en beteugelt zichzelf – zo iemand kan vreugde vinden in het bos.

 


Dhammapada, blz. 115-9

© 2014  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag