1

Bijeenkomst op 27 november 1929

 

GdeP – Vrienden, u zult natuurlijk begrijpen dat toen deze Katherine Tingley Memorial Group werd gevormd, deze mijn geesteskind was ter herinnering aan en ter nagedachtenis van het levenswerk van onze gezegende KT, de grootste esoterica van de drie leiders en leraren die mij zijn voorgegaan – een grotere esoterica dan HPB, een grotere esoterica dan Judge. Het was aanvankelijk een kleine groep, en nu is de groep groot geworden. Zaden van de statigste bomen zijn gewoonlijk klein. Ik hoopte dat uit deze ene zaailing, die oorspronkelijk in uw gezamenlijke clubwerk in Point Loma werd gezaaid, een spirituele boom zou groeien waarvan de takken de aarde zouden bedekken; en dit gaat gebeuren.

Ik heb daarom besloten dat er vanaf hedenavond een stenografisch verslag van deze bijeenkomsten zal worden gemaakt, zodat de KTMG-groepen die zich in andere delen van de wereld beginnen te vormen, kennis kunnen nemen van deze leringen en op die manier in hun denken met ons verbonden kunnen zijn.

Ik denk dat deze KTMG zal uitgroeien tot het grootste net om mensen te vangen dat de wereld in historische tijden heeft gezien. Werp uw mystieke netten uit! Werp ze uit over de wateren des levens! Wij hebben een grote en heilige plicht te vervullen.

Vrienden, heeft iemand een vraag?

Vraagsteller – Is het aan iemand die een student wordt van de ES toegestaan het Outer Head* in sommige opzichten als zijn leraar te erkennen en hem in andere opzichten te negeren?

*Noot vert.: Het ‘Outer Head’ van de Esoterische Sectie vertegenwoordigt het echte hoofd (‘Inner Head’), dat een meester is.

Om het duidelijker te zeggen: Mag iemand van de leraar al de diepe maar abstracte dingen waarop hij recht heeft, aannemen, maar als het praktische dagelijkse dingen betreft, geen aandacht schenken aan de leraar, hem negeren of zijn beslissingen, oordelen of daden bekritiseren?

Ik vraag dit niet zomaar, maar omdat ik uit eigen ervaring weet dat enkele leden de leraar bekritiseren omdat hij dingen doet die zij niet goedkeuren.

GdeP – Ik zal dit erover zeggen: Als u lid wordt van de ES legt u een gelofte af die u, naar ik mag aannemen, als volwassen mensen met een gezond verstand en loyaal van hart heeft overwogen en begrepen voor u zich verbindt. U kunt geen gelofte doen en u eraan onttrekken zonder daarvoor de volle verantwoordelijkheid te moeten dragen. Als iemand op twee gedachten wil hinken, dan is de ES niet de plaats voor zijn vrijblijvende capriolen. Hij moet blijven of vertrekken. Ik vertel u de waarheid, de eeuwenoude wetten.

Ik wil niet weten om wie het gaat, maar wat mij verontrust is het principe van de zaak. Voor ieder lid van de ES – en misschien in het bijzonder van deze KTMG door de harte-atmosfeer die de idealen en werkzaamheden ervan omgeeft – geldt dat het enige waaraan hij in verband met het Outer Head hoeft te denken, is om zonder kritiek of uitstel te gehoorzamen aan elke order die van het Outer Head komt in alles wat zijn ES- of theosofische werk betreft. Dat staat in de gelofte. In alles wat daarbuiten staat, zal hij vermoedelijk handelen zoals een theosoof en vermoedelijk zoals een lid van de ES dient te handelen; maar hij heeft geen gelofte tot gehoorzaamheid gedaan voor iets dat buiten zijn werk voor de ES en voor de TS ligt.

Natuurlijk begrijp ik de aard van westerlingen heel goed. Ik ben al een aantal jaren in dit fysieke lichaam, en heb tot mijn nadeel en verdriet geleerd wat dit westerse ideaal van persoonlijke vrijheid waard is – en niet waard is. Ik geloof niet dat het veel waard is; maar u kunt daarover anders denken en u heeft het recht daartoe. Als u bedenkt dat alle regels van de ES op eeuwenlange ervaring met de menselijke natuur en het menselijk leven zijn gebaseerd, zult u begrijpen dat hoe verder u in de ES-graden komt, des te strenger en veeleisender de regels en de voorschriften worden, totdat u tenslotte (ik kan u dit als waarschuwing zeggen) in de hoogste graden een absoluut gewillig, vreugdevol en toegewijd werktuig van de Wet wordt.

Alle inspanning van de ES-training heeft als doel, zelfvergetelheid ten bate van het heelal. De training in deze lagere graden is relatief gemakkelijk. De leraren zijn heel verdraagzaam en hebben veel geduld voor menselijke fouten, tekortkomingen en misverstanden. Maar het is mijn plicht u te vertellen wat u, als u erin slaagt om verder te gaan, kunt verwachten; en het zou uw hart met vreugde moeten vervullen. Op dit feit in de natuur is de bewering gebaseerd dat de mahatma’s de dienaren van de Wet zijn. Uit liefdesverhalen kent u de uitdrukking ‘de slaven van de liefde’. In beide gevallen is het idee hetzelfde. En in feite zijn de goden de slaven van de kosmische liefde.

Wat het kritiek uitoefenen op het Outer Head betreft, ik heb niets daartegen. Ik heb er geen enkel bezwaar tegen. Het is mij volkomen onverschillig; maar het wordt iets ernstigs voor mij om, als dit bericht juist is, te moeten constateren dat hier sprake is van een betreurenswaardig onbegrip van de betekenis van plicht.

Door zaken die niet de ES aangaan te bekritiseren, te negeren, af te wijzen of te veroordelen, zoveel u maar wilt, worden onze regels niet overtreden. Ik vraag u evenwel of u zo’n vrijblijvende houding bewondert, of u het een mooie houding vindt, mentaal of fysiek, en of u bewondering kunt hebben voor iemand die in deze ES-bijeenkomsten verschijnt met een hart vol toewijding aan de waarheid van de meesters en aan hun vertegenwoordiger, in de verwachting wijsheid en kennis van hem te krijgen – want waarom zou men anders komen? – en dan, wanneer hij niet aanwezig is, hem te bekritiseren, te negeren, terzijde te schuiven en te oordelen over wat deze leraar doet in zijn hoedanigheid van Outer Head? Ik vraag u, wat voor man of vrouw zou dat doen? Is deze toelichting duidelijk, en is ze voldoende?

Vele stemmen – Ja.

GdeP – Heeft iemand er iets tegen in te brengen?

Vele stemmen – Nee!

GdeP – Spreek alstublieft. Denk eraan dat we in onze ES-bijeenkomsten elkaar innerlijk ontmoeten; en ik zal waardering hebben voor de moed van degene die opstaat en zijn of haar mening eerlijk zegt. Ik zal hem steunen, hem terzijde staan en hem prijzen. Heeft iemand nog iets te zeggen?

Vr. – Het lijkt me dat wanneer iemand ES-lid wordt, er niets is wat ‘on the Hill’ [op het Hoofdkwartier] gebeurt dat buiten het ES-werk staat; en als we deze gedachte in ons hoofd en hart meedragen, is er niets dat als buiten ons werk staand kan worden gezien, en elke handeling zou daarom als heilig moeten worden beschouwd.

GdeP – Dat is heel goed gezegd, en het is geen kritiek of geringschatting of iets dergelijks.

Vr. – Mag ik iets zeggen? Ik geloof dat het in dit geval gaat zoals met andere regels: zij die deze regel ter harte nemen, hebben deze moeilijkheden niet. Als iemand een regel nauwkeurig geïnterpreteerd wil hebben, en wil weten wanneer hij haar mag overtreden en welke uitzonderingen erop zijn, is dat een teken dat hij niet werkelijk in die regel gelooft. Stel dat er een regel was om te zwijgen en ik had het verlangen om te zwijgen. U kunt er dan zeker van zijn dat ik die regel nooit zou overtreden tenzij het strikt noodzakelijk was; maar als ik die regel om te zwijgen lastig vind, dan ga ik overal vragen wanneer ik die mag overtreden. Ik geloof dat dit ook hier van toepassing is. Ik geloof dat het in zo’n geval eerder een kwestie van het begrijpen van woorden is dan een werkelijk begrijpen met het hart.

GdeP – Heel goed. Ik denk dat u beiden bijzonder goed heeft gesproken.

Vr. – Ik geloof dat de persoon van wie wordt gezegd dat hij bekritiseert, enz., wie het ook is, duidelijk meent te weten dat dit of dat behoort tot het esoterische werk van de leraar en iets anders juist niet, en dit laatste daarom mag worden bekritiseerd. Met welk recht oordeelt die persoon op die manier? Is het niet mogelijk dat iets dat de leraar doet diep esoterisch is, maar die persoon toeschijnt als iets bijkomstigs waarop dus kritiek kan worden uitgeoefend?

GdeP – Dat is waar. Ik geloof dat we tot de volgende vraag kunnen overgaan, tenzij iemand er anders over denkt.

Vr. – Ik zou graag iets willen zeggen, maar ik denk er niet anders over. Voorzover ik de vraag heb begrepen zoals die is voorgelezen, werden niet de daden van de leraar bekritiseerd, maar het vertrouwen van dit ES-lid in de leraar was zo klein dat hij of zij het verslag van de daden van de leraar zonder meer geloofde, een verslag dat hij of zij kreeg van een niet-ES-lid, in plaats van voldoende vertrouwen te hebben in de leraar om te weten dat het verslag onwaar was, of de leraar om opheldering te vragen.

Vr. – Indien we weten dat zoiets in onze groep gebeurt, schieten we dan in onze plicht tegenover de leraar tekort door toe te laten dat zulke leden zich onder ons bevinden?

GdeP – Vergeef me dat ik het zo ronduit zeg, maar ik zie het niet als een fout. Er zijn zoveel factoren die hierbij een rol spelen. Ik geloof niet dat het de plicht van een ES-lid is op een ander ES-lid kritiek uit te oefenen of die te beoordelen. Het enige wat men kan doen is verslag erover uit te brengen aan de leraar. Dat mooie woord ‘verslag’! Toch is het uw plicht, op grond hiervan: iedere man of vrouw uit de ES maakt deel uit van een verbond, niet van dilettanten die samenkomen om met hun hersenverstand meer of minder interessante dingen te bestuderen, en die elk een eigen belangstelling hebben; maar allen komen samen als onderzoekers van de oude wijsheid en ook van elkaars hart.

Ik zou zeggen dat het enige dat moet worden gedaan, is de zaak aan het Outer Head voor te leggen en ze dan te laten rusten; zeg niets meer. Behandel de medeleerling, als u hem of haar kent, met dezelfde vriendelijkheid en gedachten als tevoren. Een lid moet de daden van een ander lid niet beoordelen. U zou in dezelfde fout vervallen die u afkeurt en veroordeelt.

Vr. – Deze vraag gaat over iets heel anders. Begrijp ik het goed dat de ‘ziel’ in het lichaam van hem die we hebben leren kennen als Judge, op hetzelfde moment in het lichaam was van de Raja? Als dit zo is, hoe kon het gebeuren dat deze ziel op hetzelfde moment tot twee lichamen werd aangetrokken? Ik heb ook begrepen dat de Raja vóór Judge stierf. Was dat niet een opluchting voor Judge? En waarom was het niet een kans voor zijn arme, vermoeide en zieke lichaam om wat op verhaal te komen? Vertel ons alstublieft iets meer hierover.

GdeP – Vrienden, een spirituele kracht-energie zoals de monadische essentie in ieder van ons is in feite als een zon, en wordt daarom vaak de spirituele zon genoemd. Zijn stralen, energieën, krachten en vermogens kunnen zich op hetzelfde moment in verschillende lichamen manifesteren. Dit is een feit, evengoed als de zon zijn energieën, levenskrachten, vitale krachten, in alle richtingen van de ruimte kan uitzenden, en dat gedurende eonen onophoudelijk blijft doen.

Ik zeg liever niet veel over het geval van Judge, want hiermee hangt een mysterie samen waarop Judge zelf maar vaag zinspeelde. Alleen maar het heengaan, het sterven van de hindoevorst, de Raja genoemd, leidt niet noodzakelijk tot een verbetering in de gezondheidstoestand van Judge, omdat het een geheel ander lichaam was. Een zonnestraal die op u valt zou u door zijn warmte en licht goed kunnen doen, en hij zou u in andere opzichten aangenaam en van dienst kunnen zijn. Maar een andere straal zonlicht, een andere straal uit dezelfde lichtbron, zou een heel andere uitwerking kunnen hebben op iemand op een ziekbed. Dat is wat ik bedoel.

Het zwakke lichaam van Judge was een geval van karmische gevolgen en die gevolgen konden op die manier uitwerken. Dat was beter dan ze tot een latere datum terug te dringen; in dat geval zou zelfs meer van een toekomstig lichaam worden geëist dan van Judge in dit leven.

Dat is alles, geloof ik, wat ik over deze vraag zou willen zeggen. Wat betreft de woorden ‘op hetzelfde moment tot twee lichamen werd aangetrokken’ – de aantrekking tot een lichaam is iets dat alleen wordt ervaren door het menselijke ego en niet door de monadische essentie. Haar werking bestaat eerder uit het kunnen kiezen en uit mededogen. Ze wordt helemaal niet aangetrokken tot een stoffelijk bestaan; integendeel.

Heeft iemand een andere vraag, niet over dit onderwerp, tenzij u het wenst, maar ergens anders over?

Vr. – Professor, wat zijn de ringen van Saturnus, en hadden andere planeten ringen op een bepaald moment in hun evolutie?

GdeP – U heeft een interessante en diepzinnige vraag gesteld. De ringen van Saturnus zijn een gevolg van de evolutie van de planetaire nevelvlek, later van de komeet die de planeet werd die we nu Saturnus noemen.

Deze ringen staan in nauw verband met de circulaties in de kosmos. Ze zijn ‘treden’ voor entiteiten die zich op de planeet belichamen. Is er niet een uitdrukking in de elektrotechniek: ‘omlaag transformeren’? Deze ringen dienen als transformatoren om de psychomagnetische energieën van de entiteiten die de planeet Saturnus naderen om zich daar te belichamen, te wijzigen of te veranderen; en ze doen ook dienst als ‘treden naar boven’ – als ik dit woord mag gebruiken – voor ontlichaamde entiteiten die Saturnus verlaten. Fysiek gezien zijn ze, zoals zojuist gezegd, de overblijfselen van de planetaire nevelvlek en van de latere komeet die Saturnus eens is geweest.

Andere planeten hebben soortgelijke ringen om zich heen, maar die zijn voor onze ogen niet zichtbaar. En in feite worden alle planeten in onze zonnefamilie, zowel zichtbare als onzichtbare, door een sluier omhuld. De leraren noemden deze sluier een ‘continent’ van meteoorstof dat voor iedere planeet bestaat. Deze sluier of dit ‘continent’ van meteoorsubstantie dient naast het fysieke een aantal andere doeleinden. Het vormt een bescherming. Ook is het een sluier tegen de titanische levenskrachten van de zon. U zult deze ideeën misschien beter begrijpen als u beseft dat de zon geen lichaam is dat brandt, maar het hart van ons stelsel en een brandpunt van titanische elektrische en magnetische energieën waardoor de planeten, als ze niet werden beschermd, letterlijk zouden worden verteerd. Wil iemand nog iets anders vragen?

Vr. – HPB, of de meester, spreekt in een brief over de ringen van Saturnus, en noemt Saturnus een halfopenlijke planeet, en dat betekent, geloof ik, dat hij iets half onthult. Ze zegt er niet méér over. Maar het slaat op de loka’s en tala’s; en veel studenten hebben diep nagedacht over het vraagstuk van de sferen rond de aarde: of het werkelijke sferen zijn die steeds ijler worden naarmate ze verder van onze planeet afliggen, sferen die we bijvoorbeeld kamaloka kunnen noemen, en die geleidelijk spiritueler worden naarmate ze zich verder van de aarde bevinden. In onze literatuur, vooral in enkele esoterische geschriften, staan vele wenken dat er in deze loka’s en tala’s afstandsgrenzen zijn. De meester zegt ergens dat als men 5 tot 6 duizend meter omhooggaat, de zuivere atmosfeer het mogelijk maakt dat men daar bepaalde dingen kan doen die men hier beneden niet kan doen. En bij het lezen van verschillende passages in onze literatuur krijg ik de indruk dat er ringen om de aarde zijn – niet fysieke ringen, maar ringen van verschillende graden van spiritualiteit. Heeft dat iets met dit onderwerp te maken?

GdeP – Vraagt u of de aarde al dan niet ringen om zich heen heeft? U heeft uw vraag niet nader gespecificeerd.

Vr. – Ik dacht meer aan sferen, schillen zoals de rokken van een ui, of zoals kamaloka, en opklimmend naar hogere toestanden van devachanisch bewustzijn. Liggen die gebieden werkelijk ver van de aarde af, of is dat alleen een abstractie? Zijn ze een abstracte gedachte? Doordringen de meer spirituele sferen de fysieke aarde of strekken ze zich tot op grotere afstanden van de aarde uit?

GdeP – Bedoelt u met ‘sferen’ de bollen van de planeetketen?

Vr. – Ik bedoelde de toestanden die wij kamaloka noemen en de zeven graden van devachan, en dergelijke.

GdeP – Ik geloof dat uw verwarring, als ik het zo mag noemen, hieruit bestaat dat u de denkbeelden over de loka’s en tala’s en die over de puur fysieke atmosfeer die de aarde omringt, door elkaar haalt. Iedere planeet wordt, evenals de zon, door zijn eigen atmosferen omringd, zijn aura’s van verschillende graden van dichtheid. Zijn atmosferen strekken zich, fysiek gesproken, uit van de fysieke aura, de atmosfeer die we inademen, tot een etherische atmosfeer; en deze atmosferen vertegenwoordigen, fysiek gezien, het aurische ei van de aarde, dat uit toenemende graden van ijlheid bestaat naarmate de afstand vanaf het middelpunt van de aarde groter wordt. Met andere woorden, ze zijn stoffelijker naarmate ze dichter bij de aarde zijn; hoe verder van de aarde, hoe etherischer ze zijn.

De loka’s en tala’s waarover u heeft gesproken, hebben op één na geen betrekking op materiële substantie. De loka’s en tala’s zijn gebieden, rijken, sferen – noem ze zoals u wilt – van substantie die het zonnestelsel vullen. Ze strekken zich uit van de stoffelijke aarde en zelfs van lager dan de fysieke aarde, en laatstgenoemde zijn de tala’s, tot de hogere toestanden, of loka’s; hoe hoger deze gebieden liggen des te ijler ze zijn. Zowel de loka’s als de tala’s doordringen de aarde. Er is een stelsel van zeven loka’s en zeven tala’s voor iedere bol van de planeetketen.

De planeet Saturnus wordt de enige halfopenlijke planeet genoemd, omdat hij, paradoxaal genoeg, een van de meest stoffelijke planeten in ons zonnestelsel is, hoewel hij fysiek gezien de meest etherische is; de meest stoffelijke vanuit het standpunt van de psychische en zielensubstantie, en gezien vanuit de fysieke stof de meest etherische. Kunt u de gedachtegang volgen? U heeft een bijzonder ingewikkeld en diepzinnig onderwerp aangeroerd.

Ik zal u iets meer over de ringen van Saturnus vertellen. Saturnus is historisch en psychologisch nauw met onze aarde verbonden, en in deze vierde ronde is hij astrologisch de planeet die over de aarde heerst – in deze vierde ronde. Het gevolg is dat onze vierde-ronde-lichamen vierde-ronde-zintuigen hebben die zintuiglijke indrukken kunnen waarnemen, dat wil zeggen ontvangen, van de planeet die het nauwst met ons is verbonden en in deze ronde over ons heerst. Daarom zien we de zogenaamde ringen van Saturnus.

Laat ik toelichten wat er wordt bedoeld met de buitenronden, in tegenstelling tot de binnenronden. Weet u wat de binnenronden zijn? Binnenronden zijn de doortocht van de levensgolf van bol tot bol van een planeetketen. De planeetketen van bijvoorbeeld de aarde is, zoals u weet, samengesteld uit zeven bollen, waarvan de laagste op ons fysieke gebied de aarde is. Dat zijn de binnenronden. Deze bijzondere circulaties – de technische term – zijn de tocht van de levensgolf en van de individuele menselijke zielen van bol tot bol van deze planeetketen. Dit zijn de binnenronden. En er zijn zeven van die ronden.

De buitenronden zijn de doortocht of de circulaties van deze menigten entiteiten – en de menselijke menigte is een ervan – van de ene planeetketen naar de andere, met andere woorden van de ene planeet naar de andere; en er zijn zeven van deze buitenronden. De leraar Morya en meester Kuthumi hadden in de begintijd in India, toen ze aan Sinnett en Alan Hume over deze onderwerpen schreven, grote moeite hun bedoeling aan hen beiden duidelijk te maken, juist omdat noch Sinnett noch Hume het verschil tussen deze twee soorten ronden kon begrijpen; daardoor werd in het denken van theosofen veel verwarring gesticht over de bollen en ronden, en die heerst er nog steeds. Zelfs tot op de dag van vandaag heeft ook Annie Besant het verschil tussen beide soorten ronden niet begrepen, en dus heeft ze de buiten- met de binnenronden verward. U die al langer studeert, zult zich een passage in De Geheime Leer herinneren waarin HPB spreekt over het feit dat de levensgolf niet naar de aarde komt van de planeet Mars en daarna de aarde verlaat om naar de planeet Mercurius te gaan.

U bent allen op de hoogte van die feiten uit de theosofische geschiedenis. Het was een betreurenswaardige verwarring tussen de buiten- en de binnenronden. Hoe kon HPB in het openbaar het verschil daartussen uitleggen, want beide betreffen esoterische zaken? En ze had zich verplicht te zwijgen. Ze kon niet zeggen dat het misverstand van Sinnett geen waarheid bevatte, omdat hem een detail, een feit over de buitenronden was meegedeeld dat hij niet begreep. Ook waren hem veel details en feiten over de binnenronden van onze eigen planeetketen meegedeeld; maar omdat hem de sleutel niet was gegeven, verwarde hij de buiten- met de binnenronden. Dus moest HPB haar best doen om in De Geheime Leer de zaak kort uiteen te zetten. Tot op zekere hoogte was het een meesterlijke uiteenzetting. Het onderwerp is te ingewikkeld om het te begrijpen zonder een zorgvuldige voorstudie. Zijn er vanavond nog andere vragen?

Vr. – Als ik aan de problemen die zich de laatste tijd in het innerlijke leven van een ES-student voordoen, het hoofd probeer te bieden, voel ik heel duidelijk de tegenwoordigheid van Katherine Tingley; en ik vraag me af of dat enigszins kan worden verklaard omdat dit vreemd lijkt nu zij niet het Outer Head is.

GdeP – Dat is gemakkelijk te verklaren. Zij is hier. Het beste van Katherine Tingley is hier, en waakt nog over het Werk. De monadische essentie is niet heengegaan. Ze is hier en dat verklaart haar ‘tegenwoordigheid’ bij ons, waarover zo velen van ons hebben gesproken. Ik heb van een aantal vrienden op het Hoofdkwartier berichten ontvangen, waarin staat dat Katherine Tingley ons nu meer nabij schijnt te zijn dan toen ze in het lichaam bij ons was, dat ze haar tegenwoordigheid duidelijker, sterker voelden sinds haar overlijden dan toen ze hier fysiek aanwezig was. En natuurlijk is dat zo, omdat het fysieke lichaam het geestelijke deel belemmert, verbergt. Het menselijke deel is nu in devachan, maar het verblijf aldaar zal heel kort zijn, slechts een rusttijd. De monadische essentie is hier en ook daar. Begrijpt u de gedachte? Zijn er nog meer vragen?

Vr. – Ik heb er een, maar deze grijpt terug op het onderwerp waarover we eerder spraken – de planeten. In de Stem van de Stilte (blz. 34-5) staat:

Zie naar Migmar, als zijn ‘oog’ in karmozijnrode sluiers over de sluimerende aarde dwaalt. Zie de vurige aura van de ‘hand’ van Lhagpa die in beschermende liefde is uitgestrekt boven de hoofden van zijn asceten. Beide zijn nu dienaren van Nyima die in zijn afwezigheid als stille wachters in de nacht achterblijven. Toch waren beide in vervlogen kalpa’s stralende Nyima’s en misschien worden ze in toekomstige ‘dagen’ opnieuw twee zonnen. Zo verloopt de cyclus van opkomst en neergang van de karmische wet in de natuur.

In de voetnoot (blz. 85) wordt gezegd dat Migmar de planeet Mars is, en de ‘hand’ van Lhagpa is Mercurius, en Nyima is de zon. Het is voor mij altijd een nieuwe gedachte gebleven dat een planeet vroeger ooit een zon kan zijn geweest. Hoe kan ze dan vanuit die hoge positie zijn gevallen?

GdeP – Hier komen we weer op de grens van verboden dingen. Hier raakt u aan de astrologie – de ware astrologie, de kennis van de zielen van de sterren. Zoals u zich zult herinneren, betekent astronomie alleen de kennis van de fysieke samenstelling en de bewegingen van de sterren en planeten, terwijl astrologie de kennis van de wezens zelf betekent, de kennis van de zielen van de sterren.

Wat is een zon? Een zon is een entiteit, het lichaam van een god. Zijn lichaam is samengesteld uit zonneatomen. Deze atomen hebben verschillende grootte en verschillende vermogens, en bestaan in verschillende graden van evolutie, evenals de atomen van een menselijk lichaam. Als een menselijk lichaam sterft, wordt het of verbrand of het vergaat of wordt op een andere manier ontbonden. De atomen vervolgen dan hun omzwervingen door de verschillende natuurrijken die in het zonnestelsel bestaan. Ook deze atomen hebben verschillende graden van ontwikkeling – hoog, laag of tussenliggend.

Hetzelfde geldt voor de atomen die het fysieke lichaam van de zon samenstellen. Wanneer het aan het eind van het zonnemanvantara tijd wordt dat de zon in pralaya gaat, sterft hij. Hij is bezield door een wezen, een quasi-goddelijke entiteit. Op het ogenblik dat de zonnepralaya begint, verdwijnt het lichaam van de zon aldus [knipt met de vingers], en het is verdwenen; de reden is dat het innerlijke leidende leven en de innerlijke entiteit worden teruggetrokken. Zoals in een menselijk lichaam het hart voor het laatst klopt, zo wordt het ‘gouden koord’ doorgesneden; en omdat er niets in het lichaam van de zon overblijft om zijn atomen bijeen te houden, worden ze onmiddellijk verstrooid, en dus verdwijnt de zon op hetzelfde ogenblik, sneller dan onze ogen kunnen knipperen. De zon was, en is nu heengegaan; maar de atomen die hem samenstelden, atomen van verschillende soort, van verschillende graden van ontwikkeling, beginnen direct aan hun zwerftochten door de rijken van de kosmische ruimte.

Sommige van die atomen zijn juist gereed om zogezegd een eigen leven te beginnen, min of meer vrij van de strenge controle van de bezielende entiteit die de god van de zon is. Atomen van deze klasse trekken gedurende eonen en eonen door de ruimte, totdat het uur weer slaat voor de ziel van de zon die er was, met andere woorden voor de god ervan, om zich opnieuw te belichamen, om een nieuw zonnestelsel te vormen. Dan worden deze atoomentiteiten weer aangetrokken tot het magnetische centrum dat door die zich wederbelichamende zon wordt gevormd of gemaakt; ze worden vanuit de diepten van de interstellaire ruimte tot dit centrum aangetrokken.

Zo’n atoom – een van de soort waarover ik heb gesproken die gereed is om zijn eigen weg te gaan – of een verzameling atomen verschijnt in de diepten van de ruimte eerst als een nevelvlek. Het begint dan zijn afdaling naar een stoffelijk bestaan of lichaam. Deze nevelvlek neemt verschillende vormen aan en begint tenslotte te draaien, en gaat daarmee door tot ze min of meer gematerialiseerd of vast wordt. Ze neemt atomen van hetzelfde type maar van lagere graad in zich op, die het stoffelijke karakter van haar lichaam versterken. Dan begint ze haar omzwervingen en wordt een komeet. Ze wordt magnetisch, elektromagnetisch, psychomagnetisch, spiritueel aangetrokken tot het centrum waar de wederbelichaamde of zich wederbelichamende zon zich bevindt. Deze komeet draait eerst onregelmatig om deze nieuwe zon – de oude zon die nu opnieuw een zon is – en na verloop van eonen gaat ze tenslotte een elliptische baan beschrijven zoals die van een planeet. Ze heeft zich nu voor het leven rond de nieuwe zon gevestigd, haar vroegere ouder, van wie ze vroeger een deel van het lichaam was; en nu is ze dus een planeet geworden.

Zo verliep de geschiedenis van onze huidige planeten – van onze aarde bijvoorbeeld, of van Jupiter, Mars, Saturnus, Mercurius, Venus. Alle planeten beginnen vanzelfsprekend in een etherische toestand.

Als ik zeg ‘beginnen’, bedoel ik dat een planeet haar planetaire leven in een zeer etherische staat begint, dan iets materiëler wordt als ze haar pad omlaag in de stof vervolgt, totdat ze de vastheid van bijvoorbeeld de planeet Saturnus bereikt, de meest etherische planeet in ons huidige zonnestelsel. Haar graad van verstoffelijking neemt toe tot ze zoals Jupiter wordt – iets minder etherisch. Deze verstoffelijking gaat natuurlijk eeuwenlang door. Intussen vervolgt ze haar elliptische baan om de zon en wordt tenslotte even stoffelijk als Mars. Ze wordt steeds materiëler tot ze zwaar en rotsachtig wordt zoals onze aarde. Onze aarde zal in één opzicht stoffelijker blijven worden, tot ze zoals Venus wordt, die in één opzicht materiëler is dan de aarde – maar dat is een ander verhaal. Het proces van verstoffelijking wordt voortgezet tot ze even materieel en na verloop van tijd nog materiëler wordt dan Mercurius, die, fysiek gesproken, stoffelijker is dan onze aarde.

Paradoxaal genoeg wordt de aarde anderzijds meer verfijnd en in zekere zin etherischer wanneer ze het punt halverwege de vierde ronde voorbij is, wat in feite al is gebeurd.

Wanneer het laagste punt van de zeven planetaire ronden van een planeetketen is bereikt, begint het proces van dematerialisatie. Deze ontstoffelijking of dit etherischer worden gaat door totdat de planeet, waarvan we de geschiedenis volgen, een bepaald stadium van ijlheid bereikt dat enigszins lijkt op die toestand die ze had toen ze voor het eerst weer werd aangetrokken tot haar ouderzon, die de nieuwe zon was, zoals we al hebben beschreven. Daarna gaat de planeet in haar pralaya, en dat is het einde van de zeven ronden – de zeven planetaire ronden.

Maar in toekomstige eonen zullen de meeste ego’s, atomen, monaden, levens – noem ze zoals u wilt – die als een reusachtige verzameling een planeet samenstellen, bijvoorbeeld onze aarde, een hoge graad van evolutionaire spiritualiteit hebben bereikt. En dan zal deze planeet, die aldus is vergeestelijkt, in haar volgende belichaming een zon beginnen te worden; en ook deze zal in de verre toekomst zijn eigen planeetkinderen voortbrengen, zoals onze tegenwoordige planeten in vervlogen eonen uit onze eigen ouderzon zijn voortgekomen. Iedere entiteit in het heelal volgt dus naar analogie hetzelfde evolutionaire patroon als iedere andere entiteit. Het betreft hier dezelfde evolutionaire vooruitgang van een zonneatoom tot een planeet, en van een planeet wordt dit atoom dan zelf een zon.

Bovendien zijn u en ik geïncarneerde monaden, en het is de bestemming van ieder van ons als monadische essentie, niet als mensen, niet als lichamen, maar als monadische essentie, een zon te worden. En de atomen waaruit onze lichamen nu bestaan, zullen dan de menigten levens zijn die de familie vormen die de zon vergezelt. De meest gevorderde van deze atomen die onze lichamen en ook onze tussennaturen samenstellen, zullen planeten zijn.

Ziet u de majestueuze grote lijnen van deze gedachte? Kunt u die begrijpen? Ziet u hoe ingewikkeld en gecompliceerd ze zijn? En wat is het moeilijk om ze toe te lichten! Ziet u ook de noodzaak deze leringen geheim te houden, omdat ze nooit door het publiek zouden worden begrepen, maar alleen zouden worden bespot en misbruikt? De mensen zouden onrechtmatig munt slaan uit de leringen, niet voor het werk van de meesters, niet voor de geestelijke bevrijding van de mens, maar voor persoonlijk voordeel en winst.

Vr. – In de Instructies wordt op verschillende plaatsen gezegd dat Venus in haar zevende ronde is en daarom vermoedelijk in een heel hoog stadium verkeert, wat interessant is in verband met haar dichtheid; ook astronomen schijnen te weten dat Venus lichtgevend aan het worden is, en ze hebben bij verschillende gelegenheden licht zien uitstralen aan haar donkere kant. Ik heb het grote geluk gehad dat eens te zien, wat heel bijzonder is. Zou dit iets te maken hebben met het feit dat ze in haar zevende ronde is? Wordt ze op die manier werkelijk lichtgevend?

GdeP – Ja, dit betreft gedeeltelijk het onderwerp waarnaar ik zojuist verwees toen ik zei: ‘Dat is een ander verhaal.’ Verwar alstublieft de fysieke planeet Venus niet met de planeetketen van Venus. Ik sprak over de planeetketen toen ik het had over de planeten. U heeft het alleen over de fysieke planeet. Elke planeetketen in welk zonnemanvantara dan ook, dat wil zeggen een manvantara van een zonnestelsel, heeft zeven levens, zeven planetaire manvantara’s. Het begin van zo’n planetair manvantara is etherisch, en het fysieke lichaam is, wanneer het zijn meest grove en meest materiële punt in dit eerste planetaire manvantara bereikt, heel etherisch. Maar wanneer zo’n planeetketen zijn vierde bestaan of planetaire manvantara of vierde reeks van zeven ronden heeft bereikt, heeft ze haar meest materiële vorm bereikt.

Venus heeft die bereikt. Daarom is ze fysiek gezien materiëler dan de aarde. Ziet u hierin een nieuwe complicatie? Bijvoorbeeld, waarom is Saturnus een materiëlere planeet dan de aarde – en dat is Saturnus inderdaad – en is hij toch veel etherischer? Eenvoudig omdat hij een van zijn manvantarische levens doormaakt voorafgaande aan zijn vierde manvantarische bestaan, het meest materiële. De aarde is in essentie een meer geestelijke planeetketen dan die van Saturnus.

U zult zich herinneren, vrienden, wat de oude Hebreeuwse dichter [Ezechiël 10:10] zei: ‘Er zijn wielen binnen wielen.’ Hier heeft u een voorbeeld: een waarheid binnen een waarheid. En door deze ingewikkelde samenhang van de ene waarheid die ligt binnen de andere, is onze esoterische studie zo moeilijk te begrijpen. Maar in werkelijkheid is ze heel eenvoudig. Als u de sleutel gebruikt van het redeneren naar analogie, zult u altijd goed uitkomen. Het is de sleutel om alles te begrijpen. De reden is, zoals ik vaak in de Tempel heb geprobeerd duidelijk te maken, dat er in het grenzeloze heelal één fundamentele wet, één eraan ten grondslag liggend allesdoordringend leven, is; en daarom geldt dezelfde fundamentele wet voor elk atoom van dat leven, in een thuisheelal of in ons zonnestelsel of in een zon of in een planeet. Dit is de basis van de leer van analogie: dat wat de een doormaakt, maken tenslotte allen door. Is dit u duidelijk? Zo niet, dan kunt u daarover vragen stellen.

Vr. – Natuurlijk begrijpen we dat elk van deze bollen en de zon zijn vervuld van een wezen, een god. Loopt deze god, figuurlijk gesproken, als een draad door alle zeven bollen van elke keten, of gaat hij individueel van de ene naar de andere van de zeven bollen van een keten?

GdeP – Het is zoals met de monadische essentie in een mens. Ze doordringt ieder atoom van de mens. Maar zoals de mens bestaat uit lichaam, ziel, denkvermogen, geestelijke ziel, geest, monade, en de goddelijke vonk, alle in verschillende graden van ijlheid, zo is het ook met de god die in en achter en boven de zon staat, afhankelijk van de manier waarop u ernaar kijkt. De fysieke zon is zijn lichaam, zoals dit mijn lichaam is. Maar omdat het het lichaam van een god is, is zijn fysieke lichaam energie, kracht, substantie-energie, licht. Is dit duidelijk?

Vr. – Is het niet onderhevig aan verval?

GdeP – Ja, inderdaad. De zon heeft zijn eigen periode, zijn eigen levensduur. Ook een geestelijk lichaam heeft zijn eigen levensduur en komt aan een einde. Het moet zo zijn. Al wat is samengesteld, geestelijk of stoffelijk samengesteld, is een aggregaat. Vergeet niet dat dit een fundamentele gedachte is. Ieder aggregaat is iets samengestelds. Ik zal u een geheim vertellen: onze monaden, die voor ons homogeen zijn en altijd blijven bestaan, zijn in feite groepen monadische levens. Meer kan ik u niet zeggen, behalve dat het universele bewustzijn door alles heen stroomt. Is er nog een vraag?

Vr. – Bevatten de uitspraken van Einstein over de kromming van de ruimte enige waarheid? Hij gelooft, naar hij zelf zegt, dat hij mathematisch kan bewijzen dat licht dat zich gedurende ongeveer 500 miljoen jaar voortplant, naar zijn vertrekpunt zal terugkeren. Zit hier een kern van waarheid in?

GdeP – Ik denk van wel. De zogenaamde kromming van de ruimte is Einsteins wiskundige manier om een archaïsche gedachte weer te geven, die door Plato als volgt is geformuleerd: ‘De meest volmaakte vorm in het heelal is de cirkel.’ Daarom heeft de godheid een ronde vorm, evenals de zon of de planeten of de hemelkoepel; en dus moet elke energie die een entiteit is aangeboren en er deel van uitmaakt, wanneer ze lang genoeg haar baan volgt, bij haar vertrekpunt terugkomen, omdat ze een cirkel beschrijft. En deze feitelijke waarheid die Einstein wiskundig heeft weergegeven, ligt ten grondslag aan, is de natuurlijke basis van, de ‘wet van de cyclussen’, de wet van de rondgang, dat wij tenslotte terugkeren tot het punt vanwaar we zijn vertrokken. We keren terug ‘tot god die ons thuis is’, want de monade, die een lichaam van licht is, volgt (om Einsteins uitdrukking te gebruiken) een gebogen lijn in de geestelijke ruimte. De gedachte schijnt in essentie dezelfde te zijn.

Vr. – Uit De Geheime Leer maak ik op dat de planeten Uranus en Neptunus eigenlijk niet bij ons horen, maar als het ware aan ons werden ‘geleend’. Kunt u meer hierover zeggen?

GdeP – Ja, ze zijn ingevangen; maar toch is Uranus karmisch met het zonnestelsel verbonden, terwijl dat voor Neptunus niet het geval is. Scheikundigen hebben nu een interessante theorie ontwikkeld over de ontbinding van het atoom in verband met de atoomstructuur: een atoom wordt stabiel of instabiel al naar gelang het een elektron verliest of invangt. Hoe zij op deze juiste gedachte zijn gekomen, is een bijzonder interessant mysterie van de menselijke psychologie. De gedachte hing in de lucht. Ongetwijfeld moeten de gedachtestromen die vanuit Sambhala komen, ons geestelijk thuis, het thuis van de grote leraren, de wereld met een grotere intensiteit doordringen dan we misschien beseffen. Neptunus is een ingevangene, en hij veranderde (als we ons zonnestelsel als een kosmisch atoom beschouwen) – hij veranderde (om menselijke woorden, termen uit de chemie, te gebruiken) de elektromagnetische polariteit van ons zonnestelsel. Er komt een tijd dat Neptunus weer wordt losgelaten, en als dit gebeurt, zullen er in het zonnestelsel vreemde dingen gebeuren.

Er zijn veel meer planeten in het zonnestelsel dan de acht of negen waarmee de astronomen rekenen, veel en veel meer. De meeste ervan zijn onzichtbaar, en vijf van de acht die we zien en de planeten van ons zonnestelsel noemen, zijn onze zusterplaneten: dit zijn de planeten die door karmische banden heel nauw met onze aarde zijn verbonden, en dit zijn de planeten die een rol spelen in de buitenronden waarover ik heb gesproken. De tijd zal komen dat we samen met onze planeet aarde zover zijn geëvolueerd dat we veel meer planeten in ons zonnestelsel zullen zien. Er zijn er werkelijk tientallen, honderden zelfs, ieder een planeetketen, ieder een kind van de vroegere zon, maar een broeder van de huidige zon – broeders omdat ze ontstonden uit dezelfde bron in de schoot van de ruimte en nu zijn samengebracht en ons zonnestelsel vormen.

Maar het wordt laat. Ik kan nog een of twee vragen beantwoorden, waarover u maar wilt, misschien van ethische of geestelijke aard.

Vr. – Er bestaat een in steen gebeitelde inscriptie die luidt: ‘De stralende Venus trilt veraf, het hogere zelf van de aarde, en raakt ons met maar één vinger aan.’ Kunt u iets zeggen over de waarheden die aan deze beeldspraak ten grondslag liggen?

GdeP – Venus is misschien inniger met onze aarde verbonden dan elke andere planeet, en wel hierom: het is de planeet waar wij in de buitenronden het laatst vandaan kwamen; en ze is, gelet op haar eigen evolutionaire ontwikkeling, nauw verbonden met de ontwikkeling van ons eigen manasische lichaam, ons manasische deel. ‘Raakt ons met maar één vinger aan’ is beeldspraak en betreft de ‘vinger’ van haar eigen karakteristieke aard.

In de buitenronde is Venus de planeet die onmiddellijk aan de onze voorafgaat, dat wil zeggen de planeet waar we in de buitenronde – ik heb het nu niet over de binnenronden – vandaan kwamen vóór we naar de aarde kwamen; de planeet waar we hierna in de buitenronde heengaan is Mercurius. Dit alles betreft de circulaties van de buitenronden. Verwar deze buitenronden, die niet op slechts één planeetketen betrekking hebben, alstublieft niet met de binnenronden; iedere planeetketen heeft haar eigen binnenronden langs de zeven bollen die tot haar keten behoren (of die deze ‘vormen’).

Vrienden, vóór we sluiten verzoek ik u nog één gedachte mee te nemen, waarover vanavond al is gesproken: en dat is dat Katherine Tingley ons nu in feite meer nabij is dan toen ze nog in het lichaam was. Haar monadische essentie waakt over ons werk en over ons in het bijzonder. Haar geest bemoedert – als ik die menselijke term mag gebruiken – nu onze inspanningen; en daarom voelen diegenen onder ons die sensitief zijn, de nabijheid van die vurige ziel die wij in het lichaam kenden als Katherine Tingley – ze voelen haar inniger dan toen ze fysiek hier was. Dit is geen beeldspraak; het is een feit, een onverhuld feit.

Ik heb geprobeerd een moeilijke zaak in menselijke bewoordingen correct en kort uit te drukken. Ik bedoel dat haar monadische essentie, in plaats van haar loop tussen de sterren te vervolgen of in Sambhala – het thuis van de grootste leraren – te worden opgenomen, nog steeds energie, haar geestelijke levenskracht, in onze eigen levenskracht, in ons gedachteleven, uitstort; en ze doet dat doelbewust.

U moet begrijpen dat het niet Katherine Tingley, de vrouw, is die dit doet – die was slechts een fysiek instrument – maar de monadische essentie, de vurige geest, de koninklijke ziel, die zich manifesteerde in een fysiek voertuig dat Katherine Tingley werd genoemd, is bij ons. Voor hoe lang weet ik niet. Het is niet aan mij dit te zeggen. Ik kan gissen, ik kan erover denken, ik kan er een mening over hebben, maar ik weet het niet. Ik denk dat het voor een lange tijd zal zijn.

Vr. – Lijkt haar bestaan dan op dat van een nirmanakaya?

GdeP – Nee, een nirmanakaya is iets heel anders. De nirmanakaya is een verheven ingewijde, een meester, een mahatma, die met al zijn beginselen, behalve het fysieke lichaam, voor de mensheid blijft werken. Ik sprak over de monadische essentie, over het geestelijke deel dat, zoals u zich zult herinneren, energie-substantie is, geleid door bewustzijn en wilskracht die inherent zijn aan die energie. Als u de tijd ervoor neemt na te denken over wat u bedoelt met de woorden die u gebruikt, kunt u zich een voorstelling maken van de betekenis van de twee woorden ‘monadische essentie’.

Vorm een beeld van de zon, die voortdurend stromen licht en energie uitzendt, en alles wat edel is, groots, hoog en verheven. Ik voel Katherine Tingley soms heel dicht bij mij; eigenlijk voel ik haar altijd. Ik kan hier in huis niet van het ene naar het andere vertrek gaan zonder haar tegenwoordigheid te voelen. Ik kan niet in een stoel gaan zitten zonder hetzelfde te voelen. Ik kan haar kamer of mijn eigen kantoor niet binnengaan zonder soms een bijna ongrijpbaar gevoel te hebben dat ze daar is – de natuurlijke menselijke reactie op een geestelijke tegenwoordigheid. Ik ben hier gevoelig voor omdat ik dit weet.

Iemand die hier niets van afweet, die nooit ervan heeft gehoord, zou waarschijnlijk hooguit zeggen: ‘Wat vreemd! Ik heb het gevoel alsof Katherine Tingley hier is.’ Voor hem zou het niet meer betekenen dan dat. Maar als u eenmaal met dit feit bekend bent, helpt dat om u hiervoor gevoeliger te maken. U wordt zich bewust van kleine dingen die gebeuren, die onopgemerkt aan u zouden zijn voorbijgegaan als u daarover niets was verteld.

Wat is de reden dat haar stoel in de Tempel er nog altijd staat? Ik heb eenvoudig uit een gevoel van eerbied niet kunnen besluiten hem te laten verwijderen. Ze is zo werkelijk tegenwoordig. Dit is een menselijk gevoel, dat geef ik toe, maar ik geloof dat het een goed gevoel is. Ik twijfel er niet aan dat anderen het net zo voelen, dat niemand van ons haar stoel op een andere plaats zou willen zetten of verwijderen.

Vrienden, ik geloof dat we moeten sluiten. Het is tijd. Allen een goede avond.

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 1-18

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag