3

Bijeenkomst op 25 december 1929

 

GdeP – Ik verklaar de bijeenkomst voor geopend. Heeft iemand iets te vragen?

Vr. – Is het juist dat, toen Mw. Blavatsky met haar werk begon, er maar twee meesters van de Loge waren die dachten dat de toestand in de wereld zodanig was dat een poging kon worden gedaan om de geestelijke krachten in het leven van de mensen te reactiveren?

GdeP – Dat is uit heel betrouwbare bron bekend geworden. Ik geloof zelf dat het waar is. Niet dat de andere leraren niet in de mogelijkheid geloofden, maar door de karmische wet konden toen maar twee leraren hun diensten aanbieden. En in feite heb ik gehoord dat de chohan, de chef, zich niet ertegen verzette, maar dat hij er ernstig aan twijfelde of de esoterische aspecten van de oude wijsheid op dat tijdstip in het westen ook maar enigszins welkom zouden zijn. Natuurlijk, het westen heeft altijd gehunkerd naar wonderen, naar tekens, naar wonderbaarlijke gebeurtenissen, en al dat soort dingen. Maar zo’n hunkering is bijna zeker een teken van gebrek aan geestelijk inzicht, en een van de grootste moeilijkheden die mijn voorgangers ondervonden, was het esoterische werk voor dat soort dingen te vrijwaren, en het in overeenstemming te houden met de beginselen en regels van de Oosterse School.

Ik denk dat we het te danken hebben aan Katherine Tingley die haar leerlingen in de esoterische beginselen trainde – niet zozeer door de esoterische voorschriften als zodanig te formuleren, maar door training – dat we het punt hebben bereikt waar de regels en idealen van de Oosterse School aan de harten en het denken van mannen en vrouwen in het westen kunnen worden toevertrouwd.

Vr. – Is er sinds Mw. Blavatsky met haar werk begon ooit een tijd geweest waarin de meesters zich hebben teruggetrokken?

GdeP – Nee. En verder wil ik aan deze ontkenning toevoegen dat ik weet dat er in plaats van twee, nu vijf zijn die belangstelling hebben voor en werken voor deze nieuwe geestelijke onderneming, het huidige esoterische werk: de twee die oorspronkelijk overeenkomstig de karmische wet ermee begonnen en gewoonlijk bekend zijn onder de initialen M en KH; en een van de andere drie is een man die een chela van KH was, toen HPB nog leefde, en bekend was onder de initialen JK: Jual Khul. Het is niet nodig de namen van de andere twee te geven. De een is een jonge en de ander een heel, heel oude man en een geheimzinnige figuur. Ik weet heel weinig van hem, maar toch heb ik het gevoel dat hij van hen allen het hoogste staat. Hij is een kleine man en heel oud. Ik geloof dat ik eerder over hem heb gesproken als een man van wie de ogen meer dan iets anders indruk maken. Het zijn kleine donkere ogen die brandpunten van licht schijnen te zijn wanneer hij iemand recht aankijkt. Zoals ik zei, hij is heel oud, zijn huid is gerimpeld zoals de band van een oud boek.

Vr. – Als ik me niet vergis zei Judge ergens dat er buiten de Theosophical Society heel belangrijk werk wordt gedaan. Als het geoorloofd is, zou het zeker interessant zijn te weten of dat werk esoterisch is, ofwel dat het meer bestaat uit het afdrukken op het denken van mensen zonder dat ze het weten – een soort begeleiding waarvan men zich niet bewust is – van wat zij moeten doen voor de vooruitgang van de mensheid en ter bevordering van een of ander verheven doel.

GdeP – Ja, zulk werk vindt plaats, heeft door de eeuwen heen plaatsgevonden en zal nog eeuwenlang door blijven gaan, of de omstandigheden gunstig zijn of niet; het is niets anders dan het werk waarmee de groten zich in het algemeen en regelmatig bezighouden. Maar let op mijn woorden, er is slechts één weg van authentiek specifiek esoterisch onderricht, en die is te vinden in de Oosterse School waartoe wij behoren. Ze is het enige directe kanaal in de wereld om directe specifieke kennis van de leringen van het esoterische deel van de oude wijsheid-religie van de mensheid over te dragen. Het andere algemene werk echter is eeuwenlang voortgegaan en het zal worden voortgezet; maar ook dit is geheim, esoterisch werk, dat achter de sluier van onzichtbaarheid wordt gedaan, en dat in het algemeen de mensheid als geheel betreft.

Met andere woorden: er zijn geen twee esoterische scholen zoals de onze. Deze staat alleen, voorzover het de wereld aangaat. Iedere leraar, iedere mahatma, heeft zijn eigen school, zijn eigen leerlingen, maar dat is iets anders, omdat zijn leerlingen zijn eigen bijzondere familiekring van uitverkorenen zijn. Zij werken allen samen in het algemene werk voor de mensheid, en dit algemene werk kan overal worden gedaan – in kerken, door beïnvloeding van de individuen, in staatsorganen waar er ook maar een mogelijke kans is licht en wijsheid en de leringen van liefde en vergevensgezindheid in het denken en het hart van de mensen te laten doordringen. Maar er is in de wereld nu slechts één school voor esoterische training onder de mensen, en dat is onze eigen heilige orde.

Vr. – Ik heb een vraag die misschien niet is te beantwoorden. Op een onlangs gehouden bijeenkomst van de ES in de Tempel sprak u erover dat er die avond een vreemdeling was geweest. Ik vraag me af of die vreemdeling een van de bovengenoemde vijf kan zijn geweest.

GdeP – Nee, dat was hij niet.

Vr. – Werken deze vijf zoals meester M en KH direct voor en door deze organisatie?

GdeP – Ja, maar natuurlijk doen ze ook ander werk in de wereld. Toch stellen deze vijf speciaal belang in het werk dat HPB begon als een uitbreiding van de Oosterse School in het westen, want de theosofische beweging bestaat in de wereld als onderdeel van het algemene plan of de poging het denken en het hart van de mensen te beïnvloeden.

Ik weet niet wie de vreemdeling was. Voor mij was hij een volkomen vreemde, een lange figuur (ik zag zijn gezicht niet erg goed). Dat is alles wat ik kan zeggen. Ik weet niets van hem. Ik weet niet of hij een oosterling is, of een van de weinigen die uit het westen zijn gekomen. Ik zag alleen een oosters gewaad, maar dat betekent in het geheel niets; en het viel me op dat hij lang was.

Vr. – Kunt u ons iets vertellen over de meester in Mexico over wie KT heeft gesproken?

GdeP – Ja. Bedoelt u die meester die bekendstond als de meester van vibraties?

Vr. – Dat zou ik niet kunnen zeggen.

GdeP – Hij die de leraar in Mexico wordt genoemd, wordt ook de meester van vibraties genoemd. KT heeft ook over een andere gesproken die in Mexico werkte, en ik weet niet wie u bedoelt. Er zijn er dus twee. Elk land heeft in feite zijn eigen speciaal aangewezen werkers of leraren; ieder werkt in stilte en achter de schermen. Zo is het in ieder land op aarde, in het westen of in het oosten. En de reden is: zoals elk land onder de bijzondere invloed of leiding staat van de geestelijke wezens die een van de planeten besturen, zo zijn zij die zijn aangewezen om in die landen te werken wezens – mensen – die onder dezelfde planetaire straal staan, als u me begrijpt.

Vr. – Wat het werk in de wereld betreft, staan de leraren soms niet bewust in verbinding met opmerkelijke figuren? We horen bijvoorbeeld dat Jakob Boehme met een geheimzinnige persoon sprak die hem opzocht en hem onderwees. En in de geschiedenis zien we gewoonlijk de positieve invloed van iemand achter de schermen. Maar wordt die invloed niet nu en dan bewust op grote figuren uitgeoefend?

GdeP – Bewust of persoonlijk?

Vr. – In tijden van grote crises, zodat die figuur weet dat hij wordt bijgestaan door een grotere kracht dan hijzelf?

GdeP – Zelden, ja heel zelden; en daar zijn belangrijke psychologische redenen voor. Bedenk dat we hier te maken hebben met diepzinnige vraagstukken van de psychologie van de mens, en met zaken die behoren tot de geest en het hart van de mens. En een westerling kan dat moeilijk begrijpen. Zijn verstand werkt op zijn eigen manier. Hij kijkt naar de bladzijde van het geopende boek en het paginanummer, hoeveel regels de pagina heeft, en hoeveel woorden er op een regel staan, en hij merkt de spelling van de woorden op. Maar zo’n pragmatische en zakelijke manier van beschouwen is volkomen in strijd met de geest van esoterische instructies.

Het kan geen kwaad dit soort verstandelijke kennis te bezitten, maar het is de zienswijze van het hersenverstand. De leraren werken op meer mystieke manieren. Ze bezielen het mensenhart met algemene beginselen; ze beïnvloeden het denken en het hart van de mens door algemene idealen waardoor de mensheid wordt geregeerd. En ik kan gemakkelijk inzien dat een van de ergste dingen ter wereld (natuurlijk met zeldzame uitzonderingen) zou zijn om deze uitverkoren mensen (want dat zijn zij die in het bijzonder door de meesters worden beïnvloed) te laten weten dat ze uitgekozen zijn en waar hun inspiratie vandaan komt. Het is in de regel niet goed. Denk hierover na en probeer het te begrijpen. Ik geloof dat uw eigen denken, uw eigen intuïtie u zal doen beseffen waarom de leraren achter een sluier van onzichtbaarheid en stilte werken.

Vr. – Kunt u ons iets vertellen over de meester van vibraties en waarom hij zo wordt genoemd?

GdeP – Ja, ik geloof dat ik er al eerder over heb gesproken. Hij is iemand die is ‘heengegaan’. Dat is alles wat ik ervan kan zeggen. Ik zeg niet dat hij is gestorven. Ik geef de voorkeur aan ‘heengegaan’. Er zijn in feite veel manieren waarop een leraar zich uit het werk kan terugtrekken voor een bepaalde tijd en om zeer goede redenen. Hij kan bijvoorbeeld voor een inwijding zijn geroepen, die in sommige gevallen gevolgen heeft die vele jaren in beslag nemen, en er zijn veel soorten inwijdingen, hoge, lage en tussenliggende. Hij kan zich ook terugtrekken omdat hij een ander fysiek lichaam aanneemt, of omdat hij een plicht heeft te vervullen in een ander deel van de wereld, mogelijk op een andere planeet.

Hoe dan ook, hij die de meester van vibraties wordt genoemd is niet hier. Hij werd zo genoemd omdat een van zijn speciale taken was, en het ook zijn bijzondere belangstelling had, om wetenschappelijke ideeën geleidelijk te laten doordringen in het denken van de mensen, die voor deze mensen intuïties waren – een heel belangrijk werk in deze fase van de westelijke beschaving. Mijn eigen gevoel is dat het werk van deze grote man, van deze zogenaamde ‘meester van vibraties’ – woorden die niet meer zijn dan een titel die hem is gegeven (en een heel goede titel met het oog op de huidige stand van het wetenschappelijke denken) – mijn eigen idee is dat, als hij terugkomt, dit niet in onze tijd zal zijn. Voor het ogenblik heeft hij zijn werk gedaan. Hij was een heel mysterieuze figuur in die zin dat men weinig over hem heeft mogen zeggen.

Vr. – Ik wil u iets vragen over de drie visioenen die generaal Washington in Valley Forge heeft gehad. Herinnert u zich die? En vooral over het laatste visioen in verband met wat we nu bespraken, over wie deze visioenen heeft gezonden. En mag ik een dubbele vraag stellen? U herinnert zich dat KT ze ongeveer 30 jaar geleden, in 1900, in een van de tijdschriften heeft gepubliceerd; en ongeveer 10 of 12 jaar geleden heeft zij ze laten herdrukken. In zijn laatste visioen, zoals hij het vertelde, kwam er een engel in zijn tent en beschreef dat er een grote hand verscheen die water uit de Atlantische Oceaan schepte en het over Europa uitstortte, en dat er een leger hierheen kwam en dit land bijna verwoestte. Daarop blies er één uit het leger van licht op een hoorn en wekte dit volk op, en door te strijden behaalden ze de overwinning. Is het mogelijk dit enigszins te verklaren?

GdeP – Ik probeer het me te herinneren. Ik herinner me van die drie visioenen te hebben gehoord. Ik heb ze, geloof ik, haastig gelezen. Ik weet dat KT erover sprak en me opdracht gaf ze in The Theosophical Path te plaatsen, juist zoals u zegt. Ik zou denken, voorzover ik me de atmosfeer van die drie zogenaamde visioenen kan herinneren, dat ze werkelijke visioenen en geen leringen waren. Ik geloof dat het in Washingtons geval een van die voorbeelden was van innerlijke inspiratie, die bij iedereen kan voorkomen, vooral bij iemand op zo’n hoge post. Zijn eigen innerlijke leraar, zijn eigen hogere delen verlichtten tijdelijk zijn geest; en veel van zulke leringen komen in de vorm van beelden of zogenaamde visioenen die alleen ogenschijnlijk worden gezien.

Het innerlijke ontvangstorgaan ontvangt ze als beelden, precies zoals het ontvangstorgaan van het oog de buitenwereld als beelden opvangt. Met andere woorden het denkvermogen zet die dingen voor zijn eigen begrip om in beelden. Ik geloof niet dat Washington in een of andere speciale verbinding stond met de Loge, behalve op de zojuist genoemde manier. Dat is mijn eigen opvatting. Meer kan ik niet zeggen, want ik weet het niet.

Vr. – Mag ik in dit verband nog een vraag stellen, want ik geloof dat deze erg belangrijk is? Een van de vrouwelijke leden van de London Lodge had een visioen. Ze werd wakker en schreef het op. Ze had het visioen om vier uur ’s ochtends. Ik dacht dat het echt was. Maar ongeveer een half jaar later, toen KT in Londen was, vertelde ik haar erover en ze zei: ‘Het is puur verbeelding. Het was niet echt. Het lid, een zuiver, toegewijd en voortreffelijk lid, had dat visioen alleen omdat ze veel erover nadacht. Het kwam niet uit de ziel; het was niet werkelijk.’

Hoe kunnen we bij deze dingen, het ware van het valse onderscheiden? Voor mij had dat visioen alle kenmerken van waarheid. Als we volkomen oprecht zijn, naar licht verlangen, en nadenken over een grote moeilijkheid die we onpersoonlijk onder ogen proberen te zien, hoe kunnen we dan weten of zo’n boodschap waar is, als we die ontvangen?

GdeP – De enige manier is door training, zoals geldt voor elk gebied van het leven. U moet leren lezen vóór u kunt interpreteren. En mag ik vragen waarom u dit visioen als echt heeft beschouwd? Uit welke gezaghebbende bron kwam het?

Vr. – Hoe bedoelt u dat?

GdeP – Precies zoals u uw vraag heeft gesteld. U zegt dat men u over dit visioen heeft verteld.

Vr. – Ik had er niets mee te maken. Het betreft niet mijzelf. Het lid over wie ik sprak, kreeg het.

GdeP – U zegt dat dit lid het u heeft verteld, en even later zei u dat het een visioen was. Waarom dacht u dat het een boodschap was?

Vr. – Ik dacht dat zij, die zo oprecht en scherpzinnig is . . .

GdeP – Vergeef me mijn onderbreking, maar ik wil niet dat u de atmosfeer van uw vraag verliest door een toelichting te geven. Uw ernstige, eerlijke, ontvankelijke geest nam als vanzelfsprekend aan dat het waar moest zijn, omdat deze persoon zo oprecht was?

Vr. – Ja.

GdeP – Ziet u niet dat, omdat u kunt geloven dat iemand oprecht is en dat zo iemand inderdaad oprecht en waarheidlievend is, deze oprechtheid op zichzelf toch niet een bewijs is van waarheid? Daarom zeg ik dat de enige manier om het ware van het onware te kunnen onderscheiden is door training, studie, aspiratie – en dit is de aloude regel. U wordt telkens weer gewaarschuwd: pas op voor misleidende lichten. Zij komen soms in het kleed en met alle kenmerken van de waarheid – logisch, mooi, zorgzaam, vriendelijk, schijnbaar onpersoonlijk; en toch kunnen ze geheel onjuist zijn. Wees alert, wees waakzaam. Denk aan de oude regel: neem niets aan als afkomstig van de Loge, tenzij het door het gezag van de leraar wordt bevestigd.

Neem nooit iets van iemand als een esoterische waarheid aan, tenzij feiten bewijzen dat het waar is, of tenzij u weet wat de leraar erover zegt. Die regel schijnt misschien een beetje willekeurig, en ik ben de laatste in de wereld om mijzelf of mijn grote voorgangers in een positie te willen brengen die hen tot ‘orakels’ zou maken. Dat is niet de bedoeling. Toch vertel ik u de waarheid: de esoterische school van de TS is het ene en enige middel om in direct contact met de meesters van wijsheid te komen. Dat bedoel ik wanneer ik u zeg dat de leraar de enige is tot wie u zich moet wenden, als u een probleem niet zelf kunt oplossen. Begrijpt u me?

Vr. – Gedeeltelijk, maar niet volkomen. In een van zijn schitterende artikelen in de eerste drie nummers van The Path, die zoveel esoterische lering bevatten, zegt Judge dat als we alleen maar op de juiste manier ’s avonds zouden ‘uitgaan’, dan zouden we iedere nacht die verbazingwekkende dingen die door de ziel worden gezien mee terugbrengen, en dan overdag ernaar kunnen leven. Ik heb dat nooit kunnen doen, hoewel ik het vurig heb gewild. Ik dacht in dit geval dat dit lid zo volkomen oprecht was uitgegaan en de leraar had gezien (ze had KT gezien) en het klonk zozeer als KT. En ik was niet zozeer nieuwsgierig naar de verklaring van dat voorval, als naar een regel voor ons allen, als leden. Hoe kunnen we weten of zo’n nachtelijke gedachte die we mee terugbrengen, en die praktisch niets zelfzuchtigs in zich heeft, maar kennelijk alles voor het werk, al dan niet echt is?

GdeP – Ik heb u geantwoord: u kunt het op twee manieren weten – door training en door studie in de school van de ES, en door geestelijk streven. U kunt de Olympus niet in één stap bereiken. De ES-studie duurt vele levens voordat men tot volledig begrip komt. U heeft een begin gemaakt. U heeft uw voet op het pad gezet om licht te krijgen. U moet groeien om deze dingen te gaan begrijpen.

Intussen moet u studeren, voorzichtig zijn, alert zijn. Word niet misleid; neem geen dingen aan omdat ze mooi zijn of onpersoonlijk schijnen te zijn of uw gevoelens raken. De andere weg is, zoals ik al heb gezegd: wanneer u uw best heeft gedaan uw eigen problemen op te lossen, en de oplossing ervan niet heeft kunnen vinden, wend u dan tot de leraar die u vertrouwt. Als hij het niet weet of het u niet kan meedelen, zal hij het zeggen. Als hij het kan, zal hij het u onder vier ogen zeggen.

Vr. – Was Jeanne d’Arc zich ervan bewust dat ze boodschappen ontving van een hogere macht?

GdeP – Ik geloof dat zij dit in zekere zin geloofde, maar ze was niet een boodschapper van de Loge. Ze was een van die zeldzame en ongewone voorbeelden van mensen die door een bijzonder psychisch gestel werktuigen van het lot werden en worden. Ze deed een edel en goed werk voor haar land. Maar het was geen universeel werk. Het was plaatselijk werk en daardoor miste het de kenmerken van ware spiritualiteit. Ze was een onontwikkeld maar ruimhartig boerenmeisje. Haar denken was door haar dromen vervuld van wat volgens haar een grootse en edele plicht was die ze moest vervullen, en omdat ze een bijzondere psychische instelling had, geloofde ze dat haar werd gezegd dat zij dit werk moest doen. Haar zogenaamde visioenen waren grotendeels het product van haar eigen innerlijke gevoel, van haar verbeelding, zo u wilt. Maar deze vuurden haar aan, stimuleerden haar. Ze voelde de kracht van iets mystieks en onpersoonlijks achter zich, maar het was niet afkomstig van de Loge. Ze was een van die werktuigen van het lot waarover ik sprak. J.W. Keely – een heel ander geval – was ook een van die mensen met een bijzondere psychische natuur. Deze mensen zijn de lusus naturae [spelingen van de natuur], de bijzondere mensen en dingen in de natuur die in de loop van de eeuwen talrijker zullen worden. Naarmate de mensheid langzaam uit het moeras van de stoffelijkheid groeit, uit het materiële denken, zullen er veel meer van deze ongewone mannen en vrouwen komen dan er nu zijn. Maar om ze als leraren te beschouwen – nee dat zijn ze niet.

Begrijpt u deze gedachte? Voelt u aan wat ik u probeer te zeggen?

Vr. – Ik zie het verschil tussen de leraar en de werktuigen van het lot, maar beschikte ze niet over een ongewone wijsheid om haar bijzondere taak te verrichten?

GdeP – Nee, haar wijsheid was instinctief. Wijsheid is iets dat in ons werk bewust wordt gebruikt voor een universeel doel. Plaatselijk succes komt vaak voort uit grote mentale of psychische individuele aanleg, maar die aanleg is niet noodzakelijk van spirituele aard; en iets dat spirituele kracht mist behoort niet tot het Loge-werk. De enige toetssteen voor spiritualiteit is: universaliteit.

Jeanne d’Arc was een goed meisje. Ze was een heel ongewone figuur, en ze deed wat in haar tijd als een heilig werk werd beschouwd – begrijp me goed, voor haar tijd. Maar ze was geen boodschapper van de Loge. Ze had geen van de kenmerken van een boodschapper – niet één. Dat was één reden waarom ik me eens ertegen verzette, en daar in woorden uitdrukking aan gaf, toen ik iemand hoorde zeggen dat naar zijn mening KT een reïncarnatie van Jeanne d’Arc was! Zeker, haar lot was tragisch – wreed en onrechtvaardig – maar karma zal dat compenseren.

Vr. – Wat de overschaduwingen betreft waarover u zojuist sprak, dacht ik aan Henry More en Bismarck. Kunnen zij tot deze categorie worden gerekend? Henry More zegt in zijn derde dialoog – de Platonische Filosoof – dat hij zich op een zeilschip bevond en een verheven Indiase leraar aan hem verscheen die hem over veel dingen onderwees. De ideeën waren heel theosofisch. Feitelijk omvatte het bijna alles – ronden en rassen en nog veel meer. In een brief zegt HPB dat Bismarck een eigen adept had in de bergen of in het Zwarte Woud, die hem hielp in zijn strijd tegen de intriges van de Kerk die toen probeerde de heerschappij over Duitsland te verkrijgen, en daarin bijna slaagde. Zijn deze gevallen voorbeelden van onpersoonlijke hulp van de meesters?

GdeP – Ja, het is waar dat Bismarck een heel verkeerd begrepen man was. Het is waar dat hij ‘een adept had’. Aan de andere kant betekent dit niet dat Bismarck een chela was. Het betekent niet dat hijzelf een adept was. Het betekent dat hij één van de werktuigen van het lot was, en dat hij, door zijn hoge positie en zijn psychische aanleg, geschikt was om een halfonbewust, een halfbewust instrument te zijn voor het werk van de witte tegen de zwarte loge.

Henry More behoorde tot dezelfde categorie. Hij was een dromer, een idealist. Zijn gedachten waren vaak universeel. Zijn werk gaf blijk van een grote spiritualiteit evenals, tussen haakjes, sommige van de geschriften van Bismarck. Henry More was onbewust een chela. Die mensen bestaan – die nog niet het punt hebben bereikt waarop aan hen kan worden verteld dat ze chela zijn. Ze zijn nog niet tot dat punt gekomen, maar zijn er dichtbij. Ze zijn wat u onbewuste chela’s kunt noemen – mensen die achter de sluier van onzichtbaarheid worden getraind voor een toekomstig edel werk in de wereldgeschiedenis.

Vr. – Kunt u ons iets meer vertellen over de inwijdingsperiode die, naar ik begrijp, in deze tijd van het jaar valt? Zit er niet meer achter dat zoveel grote leraren in deze tijd van het jaar zijn geboren, dan alleen het feit dat het de tijd is van het wintersolstitium?

GdeP – Ja, inderdaad. Dit is een vraag die ik vanavond graag als laatste wil beantwoorden. Het is nu tien over negen. Zijn er nog andere vragen, wilt u die dan eerst stellen en mij later aan uw vraag herinneren.

Vr. – Ik heb een korte vraag. U heeft vanavond gezegd dat universaliteit de toetssteen is voor spiritualiteit. Ik heb me vaak afgevraagd of de neoplatonische leraren, Ammonius Saccas, en de Alexandrijnse leraren, Plotinus en Hypatia, boodschappers waren?

GdeP – Nee, niet precies. Ze waren allen op de hoogte van het bestaan van de loges van grote leraren. Ze waren chela’s, of liever stonden aan het begin van het chelaschap. Maar ze waren, mogelijk met uitzondering van Ammonius Saccas, niet wat men boodschappers van de Loge zou kunnen noemen. Ammonius Saccas kan in die categorie worden geplaatst; ik denk dat hij daartoe hoorde. Een boodschapper betekent precies wat het woord zegt – iemand die een boodschap brengt van de Loge.

Vr. – In verband met wat u zojuist heeft gezegd over Bismarck vraag ik me af of het verhaal van de ‘kleine rode man’ die Napoleon bezocht enige waarheid bevat?

GdeP – Ik herinner me een interessant boek te hebben gelezen (ik geloof van Alexandre Dumas) over de ‘kleine rode man van de Tuilerieën’.

Vr. – Judge gaat er, geloof ik, diep op in.

GdeP – Het is een feit dat men Napoleon in hoge mate heeft bewonderd om de aard van het werk dat hij tijdens zijn leven heeft gedaan. Hij was inderdaad een van de werktuigen van het lot. Toch geloof ik niet dat hij op enig moment in verbinding stond met de meesters van wijsheid. Ik wil iets verder gaan en u vragen: denkt u dat, als hij in verbinding stond met onzichtbare krachten, deze krachten meesters waren van heilige of onheilige wijsheid?

Vr. – Ik geloof dat ze onheilig waren omdat u in de Tempel heeft gezegd dat Napoleon een instrument was van vernietigende krachten.

GdeP – Ja, ik heb iets dergelijks gezegd. Alexander (genoemd) de Grote, Julius Caesar, Napoleon, zelfs Karel de Grote van Frankrijk – en veel meer van dat soort mensen, waren alleen instrumenten van de Witte Loge in de zin dat zij werktuigen van het lot waren, en zij deden werk dat gedaan moest worden. Maar vanuit een ander gezichtspunt was ieder van hen een instrument van de zwarte loge.

Die bewering klinkt misschien als een paradox, maar denk erover na. Ik bedoel dat, omdat de meesters van heilige wijsheid, van de Witte Loge, weten dat bepaalde dingen moeten plaatsvinden om bepaalde andere gebeurtenissen teweeg te brengen die karmische gevolgen zijn in de geschiedenis van de mensheid, werken ze met en in die omstandigheden om wat anders veel slechter zou zijn dan het is, te verbeteren, te verzachten. Verder zal de witte magiër soms voor dat doel gebruikmaken van de agenten van de zwarte magiër.

Er wordt gezegd dat men het best dieven met dieven vangt, en dat principe wordt kennelijk door de Franse geheime politie gevolgd. Men zegt dat de Franse sûreté générale vaak gebruikmaakt van mensen als politieagenten of detectives, van wie men weet dat ze bijzonder handige of vakkundige misdadigers zijn of zijn geweest.

En ongeveer op dezelfde manier maakt de Witte Loge gebruik van een bepaald type werkers onder de mensen. Omdat ze weten dat bepaalde gebeurtenissen moeten plaatshebben – karmische gevolgen van oorzaken die wachten op de tijd dat zij tevoorschijn moeten komen – nemen ze de toestand zoals die is en beheersen die zo goed ze kunnen. Ze trachten de omstandigheden zo’n richting te geven dat de gevolgen verspreid worden en daarom minder schadelijk voor de mensen dan wanneer ze geconcentreerd zouden zijn en daardoor vernietigend of explosief zouden kunnen worden. En toch zijn juist deze mensen, van wie zij het werk zo richten en besturen, vaak de agenten van de zwarte loge, hoewel gewoonlijk onbewuste instrumenten.

Napoleon, Julius Caesar, Alexander de Grote, en anderen die voorzover ik kan beoordelen soortgelijke figuren zijn, behoren tot de vernietigers, niet tot de bouwers. Natuurlijk is iedere vernietiger in een ruimer verband een bouwer. Dat klopt. Ik bedoel dat ieder vernietigingswerk van nature de plaats vrijmaakt, de weg baant, voor iets groters dat later zal komen. Maar in geen enkel opzicht verlicht dat de karmische verantwoordelijkheid van hen die vernietigen. Tot de laatste jota zullen ze verantwoordelijk worden gesteld.

Vr. – Mag ik vóór ik iets vraag, enkele dingen zeggen die volgens mij waar zijn? Het ene is dat men zijn religie moet liefhebben. Als iemand die van materiële dingen houdt, esoterische ouders heeft, en deze ouders, die op hun beurt natuurlijk houden van de dingen die ze geloven, het kind veel opdringen dat het kind tegenstaat, dan vraag ik me af of hun oprechtheid de ziel van dat kind helpt, ondanks zichzelf?

GdeP – Ja, inderdaad, in hoge mate. De invloed van onpersoonlijke toewijding is magisch. Ik zeg u, liefde is het grootste magische middel in het heelal. Niets kan haar kracht weerstaan. Op den duur doordringt ze alles – ook stenen harten worden tenslotte door liefde en onpersoonlijke toewijding veroverd. En evenzo helpt de toewijding van goede, zichzelf respecterende ouders voor een dwalend kind, dat kind in hoge mate, ongeacht wat het kind doet of hoe ondankbaar het misschien is. Zelfs als het het hart van de ouders breekt, zal die aanhoudende liefde, die onpersoonlijke liefde, die toewijding en het verlangen te helpen en te steunen, op het laatst het karma van dat kind op weldadige wijze beïnvloeden.

Vr. – U sprak over volkeren, en dat elk volk zijn helpers heeft en ook zijn planetaire invloed ondergaat. Wat is nu precies de volksgeest [national spirit]? Is het de hogere natuur van alle mensen van dat volk, samen met de planetaire en logehelpers?

GdeP – Ongeveer, ja; maar het lijkt me dat u het paard achter de wagen spant. Als u de kwestie anders wilt bekijken: elke groep mensen die in hetzelfde land zijn geboren worden op die manier samengebracht op grond van karmische aantrekkingen. Op hun beurt worden deze aantrekkingen min of meer gestuurd door de planetaire invloeden die de verschillende landen beheersen.

Dit betekent niet dat de planeet Venus, bijvoorbeeld, haar stralen naar maar één land van de aarde zendt, of misschien naar twee, volstrekt niet. Maar het betekent wel dat bepaalde krachtlijnen uit verschillende planeten met grotere sterkte en intensiteit op bepaalde plekken van de aarde samenkomen, met andere woorden in bepaalde landen. Incarnerende zielen die trillingen uitzenden die heel verwant zijn aan deze bijeenkomende krachten uit de planeten worden daarheen getrokken, en komen bij elkaar als een nationale groep van mensen; en deze gecombineerde gemeenschappelijke geest, deze quasi-identiteit die voortkomt uit de overeenkomst van de trillingen vormt de ‘volksgeest’ van dit of dat of een ander volk. Is dit een antwoord op uw vraag?

Vr. – Ja . . .

GdeP – Ik bespeur een ‘nee’ in uw stem, en ik neem het u volstrekt niet kwalijk, want u heeft een diepzinnig onderwerp aangeroerd.

Vr. – Ik heb altijd de indruk gehad dat de volksgeest in ieder land iets heel tastbaars was, en ik nam aan dat het de samengestelde hogere natuur was van alle mensen in dat land. En toen u vanavond zei dat ieder land zijn helpers heeft, en dat zowel het land als de helpers hun inspirerende invloed van de planeten ontvangen, voegde ik dat eenvoudig toe aan de volksgeest waarvan ik aannam dat die de basis ervan was; niet dat ik meende dat mijn idee van een volksgeest primair was, maar ik vroeg me af: Wat is de volksgeest?

GdeP – De volksgeest bestaat uit de gezamenlijke trillingen van eenzelfde type, die in alle zielen bestaan die in een bepaald land van de wereld incarneren. Neem als illustratie een boom. Een boom heeft boven de grond zijn stam met al zijn takken, twijgen en bladeren en onder de grond heeft hij duizenden wortels en worteltjes. Laten we zeggen dat iedere wortel, of ieder worteltje of blad of twijgje een mens is. Ze zijn allemaal verenigd in de stam. Een gemeenschappelijke levenskracht vloeit als het ware uit de stam naar de wortels en bladeren en weer terug. De volksgeest is deze stam die inderdaad wordt gevoed door de wortels en bladeren, maar de wortels en bladeren worden op hun beurt door de stam gevoed.

U bekijkt uw probleem van onder af, u kijkt naar boven. Probeer u nu de ‘volksgeest’ voor te stellen als de verzameling van alle geesten, alle entiteiten, die in een bepaald land zijn geïncarneerd, en dat ze eerder tot elkaar worden aangetrokken door krachten die uit de verschillende planeten vloeien, dan door die uit de mensen zelf, die uitsluitend als een verzameling individuen worden beschouwd die een zogenaamde ‘volksgeest’ opbouwen. Begrijpt u die gedachte?

Vr. – Ik dacht dat als we over de volksgeest spreken . . .

GdeP – Dat is maar een woord.

Vr. – Dat is het, maar de ‘volksgeest’ leek me de beste eigenschap in alle individuen. Ik heb de lagere natuur van de mens niet daartoe gerekend. Is de ‘volksgeest’ het beste van de mens of met andere woorden is de volksgeest het nationale karakter?

GdeP – De volksgeest staat vaak lager dan het beste in de mens, gewoonlijk veel lager. De volksgeest bestaat, zoals ik zei, eenvoudig uit de overeenkomstige trillingen van een bepaalde groep mensen, en behoort meer tot de levenskracht dan tot de geest. Ik geloof niet dat uw vraag u helder voor de geest staat. Stel haar nog eens.

Vr. – Ik weet niet of ik de volksgeest al dan niet slechts moet opvatten als een dichterlijke of literaire term?

GdeP – Wat is uw vraag?

Vr. – Ik begrijp uit uw antwoord dat de samengebrachte individuen de volksgeest vormen, en ik zal deze niet meer opvatten als de gezamenlijke hogere natuur van een volk.

GdeP – Dat is gedeeltelijk waar, maar ik ben bang dat ik uw vraag niet heb beantwoord. Stel uw vraag duidelijk als u die zich kunt herinneren. Stel haar opnieuw, omdat ze een interessant onderwerp betreft.

Vr. – Ik kan het niet eenvoudiger zeggen dan: Wat is de volksgeest? Wat bedoelt men met die term?

GdeP – De volksgeest wordt gevormd door overeenkomstige astrale trillingen van een groep mensen. Individuele mensen hebben gewoonlijk veel hogere idealen dan de volksgeest, en dat bleek heel duidelijk in de vorige grote oorlog. Begrijpt u dat?

Vr. – Ja, ik geloof dat ik het begrijp.

GdeP – Waarschijnlijk wist iedereen in elk land heel goed dat de oorlog een krankzinnige uitbarsting was, en toch lieten ze zich door de volksgeest meeslepen. Ik bedoel niet alleen een gevoel van vaderlandsliefde, maar de volksgeest zoals u erover heeft gesproken. Waarschijnlijk zou iedereen in elk land dat bij de Eerste Wereldoorlog was betrokken, als hij zijn zin had gekregen, als dat in zijn macht had gelegen, er direct een einde aan hebben gemaakt en zijn toevlucht hebben genomen tot rede en rechtvaardigheid. Zo is de individuele mens.

Er is niets tegen om een volksgeest te hebben, en trots te zijn op zijn land. Het is abnormaal als iemand niet van zijn geboorteland houdt. Maar hoger dan dat gevoel is het geestelijke inzicht dat wij allen kinderen zijn van onze gemeenschappelijke aarde – broeders niet alleen als een instinctief of gevoelsmatig besef of door onze menselijke eigenschappen, maar feitelijk, in laatste instantie, van hetzelfde bloed, ongeacht de huidskleur. Als we ver genoeg in de tijd teruggaan, beseffen we dat we tot dezelfde soort behoren, de mensheid. Dat is de grondgedachte die alle oorlogen onmogelijk zal maken.

Als deze volksgeest concreet tot uitdrukking komt, brengt ze de verschillende soorten nationalisme voort waar u zoveel over hoort. En deze sturen aan op oorlog. Dit betekent niet dat nationalisme noodzakelijk verkeerd is. Val nu niet van Scylla in Charybdis. Houd in uw denken de middenweg aan. Wees trots op de goede kwaliteiten van uw land, maar als u denkt aan personen, denk dan liever aan mensen in de geschiedenis die grote onpersoonlijke en morele daden hebben verricht, dan aan krijgs- en zeehelden.

Vr. – Ik geloof dat HPB zei dat er in Spanje een organisatie was, verbonden met de Loge of dat er in die tijd een was. Is die organisatie nog actief?

GdeP – Zeker. Elk land heeft zijn eigen groep adepten, als u het zo wilt noemen, en ze werken onophoudelijk. Er is er een in elk land.

Vr. – Is het centrum in Spanje verhuld, om het zo te zeggen, in de vorm van een rooms-katholieke instelling?

GdeP – Ik zou niet willen zeggen dat het verhuld is, maar het doet het werk met het aanwezige materiaal en met de mensen die het volk waaronder dit centrum werkt samenstellen. De loge in Spanje werkt niet voor de nabije toekomst. Spanje zal opnieuw een grote macht worden onder de regeringen van de wereld, maar nu nog niet. De tijd daarvoor is nog niet gekomen, is zelfs niet nabij. Het ligt te ver in de toekomst, aan de horizon van de tijd. Het Spaanse karakter heeft een toewijding die de basis vormt waardoor dat volk zich in stand houdt. Tot dusver heeft het zich uitgedrukt in een nationaal egoïsme of in streng rooms-katholieke opvattingen, enz. Maar die geest van devotie, hoe verkeerd die tegenwoordig misschien ook wordt geleid, vormt toch de vitale kracht achter dat volk; en op die devotie zal het edeler en betere Spanje van de toekomst worden gebouwd.

Vr. – Ik geloof dat ergens in de eerste jaren na 1900, ongeveer in die tijd, KT op een bijeenkomst in de Rotunda heeft gezegd dat er een loge in Spanje was, en dat zij er een landgoed zou verwerven vóór ze zou heengaan; dat ze dit landgoed zou krijgen en in Spanje zou werken. Ik heb me vaak erover verwonderd.

GdeP – Ik weet werkelijk niet waar de spreker op doelt.

Vr. – Misschien herinneren enkelen van de andere leden zich er iets van. Ik maakte er toen een kleine aantekening van.

GdeP – Mag ik u eraan herinneren, vrienden, hoe vaak KT heeft geprotesteerd tegen het maken van aantekeningen van opmerkingen die ze maakte en die jaren later naar voren werden gebracht, omdat zulke opmerkingen gewoonlijk verkeerd worden begrepen. Een leraar spreekt vaak in gelijkenissen, gebruikt woorden die voor die tijd volkomen juist en toepasselijk zijn, maar niet met de bedoeling dat te veel gewicht wordt gehecht aan zulke uitspraken. Niettemin zal een student een aantekening ervan maken omdat het tot de verbeelding van die student spreekt, en dan gaat de verbeelding deze verkeerd interpreteren. En na een paar jaar wordt gezegd: ‘Maar u heeft dit of dat gezegd.’ Onmiddellijk wordt de leraar vanuit het gezichtspunt van de student in het defensief gedrongen. Waarom? Omdat de leerling het zelf verkeerd heeft begrepen.

Waarde vriend, ik zeg niet dat u het in dit geval verkeerd heeft begrepen, maar uw opmerking gaf me de gelegenheid hierop te wijzen. Onze geliefde KT zei eens tegen mij: ‘GdeP, mijn eigen studenten zullen me veroordelen. Wat ik zeg, begrijpen ze verkeerd. Ik maak een opmerking. Deze wordt bewaard, verdraaid of verkeerd begrepen, en jaren later hoor ik erover. Ik zal in de toekomst worden veroordeeld als dit zo doorgaat.’ Zo was het ook met HPB, en evenzo met Judge.

Vr. – Wilt u nu de vraag over inwijding tijdens het wintersolstitium beantwoorden?

GdeP – Ja. Wilt u zo vriendelijk zijn de vraag nog eens te stellen?

Vr. – Kunt u ons iets meer vertellen over de inwijdingsperiode die, naar ik begrijp, in deze tijd van het jaar valt? Zit er niet meer achter dat zoveel grote leraren in deze tijd van het jaar zijn geboren, dan alleen het feit dat het de tijd is van het wintersolstitium?

GdeP – Hoe weet u dat de leraren rond de tijd van het wintersolstitium werden geboren (u denkt aan fysiek geboren)? Ik kan u zeggen dat het hier gaat om de mystieke geboorte; en deze mystieke geboorte, tot stand gebracht door inwijding, vond midden in de winter plaats. De hoogste inwijdingscyclus vindt plaats als de zon, Mercurius, Venus, de maan en de aarde in syzygie staan, zoals de astronomen het noemen. Dat wil zeggen, als ze op een rechte lijn staan – een rechte lijn die vanuit de zon door of vlak langs elk van de andere genoemde lichamen zou gaan.

Waarom werd aan deze combinatie van tijd en omstandigheden vastgehouden als de tijd voor de hoogste inwijding? Ik kan u dit zeggen: De zon is een goddelijk wezen. Hij straalt voortdurend uit zichzelf stromen van fysieke en levenskracht uit, en ook geestelijke en psychische energieën, en wanneer een aantal planeten in conjunctie staan, worden de invloeden, ontvangen uit de zon, gekleurd door de levenskracht, de vitale en andere krachten die aan elke planeet eigen zijn.

Wat de maan betreft, bij deze gelegenheid moet de maan nieuw zijn, niet vol. Dat wil zeggen, de aarde moet het buitenste van de hemellichamen zijn waarover ik heb gesproken; de zon moet het verst verwijderd zijn, daarna moet Mercurius komen, dan Venus, de maan en de aarde.

De maan is de ontvanger en gever van menselijke zielen. Ze ontvangt de menselijke zielen bij de dood, en deze gaan van de maan naar de aarde vóór zij reïncarneren. De typisch ideale situatie voor inwijding is wanneer er een rechte lijn door het middelpunt of vlak langs het middelpunt van elk van deze hemellichamen gaat. Dan nemen de geestelijke invloeden die van de zon uitgaan, wanneer ze naar de aarde gaan, de respectieve vitale indruk of kleur van ieder van de planeten en van de maan met zich mee. De aspirant die maanden of misschien jaren hierop wordt voorbereid, nadert deze datum van zijn inwijding in hart en ziel (dat wil zeggen in denken en in aspiratie) door zich steeds intensiever voor te bereiden. Hem wordt in grote lijnen verteld wat er zal gebeuren, wat hij kan verwachten. Voorbereidingen zijn gemaakt. Hij wordt door de leraren bewaakt en er wordt voor hem gezorgd. En op het exacte tijdstip wanneer de maan, het middelpunt van de maan (dit is de ideale positie) en de andere hemellichamen – of in elk geval op het moment dat de maan het dichtst bij deze rechte lijn staat – verlaat de geest, nauwkeuriger gezegd de ziel-geest, van de aspirant zijn lichaam en reist langs die lijn door magnetische aantrekking naar de zon, en gaat de zon binnen. In enkele gevallen keert hij bijna onmiddellijk terug, want menselijke tijd speelt in deze dingen geen rol, waar het de mystieke verplaatsingen betreft. Intussen verkeert het lichaam in trance.

Nu laat ik dit onderwerp even rusten, en neem ik u in gedachte mee naar twee weken later dan de datum van het wintersolstitium, wanneer de maan vol is, naar 4 januari. De aspirant keert dan naar een zelfbewust bestaan op aarde terug. In deze twee weken maakte zijn ziel-geest een omzwerving, en keert op 4 januari terug en brengt de glorie van de zon met zich mee, en wanneer hij het in trance verkerende lichaam weer binnengaat en de fysieke mens weer tot fysiek bewustzijn terugkeert, wordt zijn hele wezen overgoten met de luister van de zon, en zijn hele gezicht straalt van heerlijkheid. En wanneer ik zeg de luister van de zon, bedoel ik niet het gewone fysieke zonlicht. Ik bedoel de geestelijke zonneluister, waarvan het fysieke licht het uiterlijke kleed is, de levenskracht die van de zon uitgaat.

Zijn gezicht is ervan overgoten, heel zijn lichaam is door die pracht, die heerlijkheid omringd, zodat hij, overeenkomstig de waarheidsgetrouwe omschrijving die uit de inwijdingscrypten tot ons is gekomen, ‘bekleed is met de zon’. Hij is nu tijdelijk voor die periode, lang of kort, wat afhangt van de mens zelf die met succes de beproeving heeft doorstaan, een ‘verrezen christus’, een gemanifesteerde boeddha. Hij wordt omringd door buddhische luister en is tijdelijk een geïncarneerde god, een geïncarneerde menselijke god. Hij heeft zijn eigen hogere zelf van aangezicht tot aangezicht gezien, en is onderwezen – en weet!

Zo worden de boeddha’s en christussen ‘geboren’.

U zult zich herinneren gehoord te hebben van 6 januari in het christelijke ritueel en verhaal, want in de christelijke kerk is die dag de datum van de ‘epifanie’. Epifanie is een Grieks woord en betekent ‘de manifestatie van een god’. Door de verschillende kalenderveranderingen zou de epifanie in strikt esoterisch mystieke zin moeten vallen op 4 januari en niet op de 6de, omdat 4 januari twee weken later valt dan de datum van het wintersolstitium. Daarom is 4 januari strikt genomen het begin van het esoterische nieuwjaar.

Aldus werden alle grote ingewijden in het verleden in de winter ‘geboren’, en naar westers gebruik zegt men dat ze op eerste kerstdag zijn geboren. In feite is de juiste datum niet 25 december, maar de 21-22ste, de dag van het wintersolstitium. Dat 25 december als eerste kerstdag werd gekozen in plaats van de 21ste is een fout van de christenen, veroorzaakt door het verkeerd begrijpen van een gebruik van de Mithraïsche leraren in een periode vóór de tijd van Julius Caesar. Er is eenzelfde mysterie verbonden aan wat de christelijke kerk viert als Pasen, de wederopstanding uit het graf, uit de dood; maar dat is een ander interessant esoterisch verhaal.

Vr. – Wat gebeurt er in de jaren dat de nieuwe maan niet valt op de datum van het wintersolstitium?

GdeP – Dezelfde riten worden volbracht, maar met veel minder effect. En omdat de mystieke geboorte van de groten op zeldzame momenten plaatsheeft, kunnen deze inwijdingen van de ene incarnatie tot de volgende worden uitgesteld, of tot zo’n astronomische conjunctie min of meer volledig is. Intussen vinden er niettemin inwijdingen plaats, maar worden er minder verheven mensen ingewijd. Ook zijn er tijden dat er in feite geen enkele inwijding plaatsvindt, maar dan wordt die periode wel herdacht, gevierd en geëerbiedigd.

Ik geloof dat HPB in een van de jaargangen van Lucifer 4 januari het begin van het esoterische nieuwjaar noemt.

Er zijn heel wat dingen die u kunt leren uit de feiten die ik heb genoemd: ten eerste dat iemands innerlijke zelf niet hetzelfde is als het persoonlijke zelf, noch hetzelfde als het psychische zelf. Er is in de mens een innerlijke god. Ook is er in de mens een menselijke ziel. Er is in de mens een nog lagere entiteit – de dierlijke ziel; en alle drie zijn zetels van entiteiten, of zaden van entiteiten. De dierlijke ziel is een niet ontwikkelde menselijke ziel. De menselijke ziel een niet ontwikkelde god. Toch werken ze alle in ieder mens samen om de innerlijke constitutie te vormen die wij de ‘mens’ noemen. Deze innerlijke god of het innerlijke zelf is tegelijk uzelf en niet uzelf. Hij is uw ouder, de bron van al wat u bent, de bron van al uw inspiratie en verlichting, de bron van leven en van alle edele deugden in u; en toch, terwijl u hem bent, bent u hem niet. U bent de menselijke ziel, een kind van het goddelijke in u, en daarom een vonk van de godheid die groeit tot een volledig ontwikkelde godheid of, beter gezegd, bestemd is na verloop van tijd een volledig ontwikkelde god te worden. En dit is een van de grote mysteries.

Ik verwacht niet dat u dit alles nu begrijpt. Ik heb u de leer gegeven, en ik verwacht dat u erover nadenkt en probeert deze te begrijpen, want deze lering is een sleutel, een schitterende sleutel om de mysteries te begrijpen, niet alleen van de mens, maar van de universele moeder natuur die ons omringt. We zijn allen onderling verbonden en met elkaar verweven. Er is een onderling verband tussen ons en toch is ieder van ons een individu. Zelfs de atomen die ons lichaam samenstellen, ons fysieke wezen, zijn onze kinderen, en toch is elk daarvan een lerende entiteit, bestemd om in de komende eeuwen uit te bloeien tot een zelfbewuste god. Wij menselijke zielen waren eens zulke levensatomen. We hebben het menselijke stadium bereikt, en na verloop van tijd zullen we goddelijke wezens worden, en op onze beurt leven schenken aan anderen die langs het evolutiepad zullen opklimmen, zoals wij dat hebben gedaan. En bedenk tenslotte dat iedere entiteit behoort tot de levenskracht en het hart van een grotere entiteit waarin ze leeft, zich beweegt en haar bestaan heeft. En dit is universeel, de hele kosmos door.

Ik geloof, vrienden, dat dit voor vanavond genoeg is. We zullen sluiten.

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 85-105

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag