4

Bijeenkomst op 8 januari 1930

 

GdeP – Zoals u weet, werd deze groep gevormd om het esoterische werk van onze geliefde Katherine Tingley te gedenken. Deze groep betekent heel concreet, in esoterische zin, een stap omhoog en vooruit. Alvorens andere onderwerpen te bespreken zou ik – zodat u dit weet en erover na kunt denken – eraan willen toevoegen dat hoe hoger de graad in het esoterische werk, hoe minder formeel deze is, hoe minder ceremonieel en ritueel, en hoe minder rituele voorschriften er zijn. Totdat, wanneer de hogere graden worden bereikt, alle leringen in stilte worden gegeven door een methode van overbrenging van gedachten die in Tibet hpho-wa wordt genoemd; en een zwakke benadering van dit begrip is wat in het westen bekendstaat als ‘gedachteoverdracht’.

In die hogere graden komen de leerlingen of neofieten of chela’s zelfs niet noodzakelijk bij elkaar. Ze studeren individueel en kunnen zich in verschillende delen van de wereld bevinden. Ze staan met elkaar in verbinding via geestelijke of beter gezegd via hogere psychomagnetische communicatielijnen. Ze vergaderen op hetzelfde moment, ook al zijn de kloktijden in de diverse landen heel verschillend. Ik zeg dat ze op dezelfde tijd vergaderen, ieder op zijn eigen studieplek, of het nu een grot, een kamer, of op een druk marktplein is, en staan met elkaar in contact en ontvangen instructies.

Nu ben ik gereed om vragen te beantwoorden, als die er zijn.

Vr. – In De Geheime Leer (1:630-1) staat: ‘Dit is de logos (de eerste) of Vajradhara, de allerhoogste Boeddha (ook Dorjechang genoemd). Als Heer van alle mysteriën kan hij zich niet manifesteren, maar hij zendt zijn hart – het ‘diamanten hart’, Vajrasattva (Dorjesempa) – de wereld van manifestatie in.’ Kunt u hierover meer vertellen?

GdeP – Ja, ‘de Heer van alle mysteriën’ is een titel die in Tibet aan een van de hoogste boeddha’s van mededogen, Vajradhara genoemd, wordt gegeven, die zich natuurlijk helemaal niet in de fysieke wereld manifesteert, maar als een blijvende geestelijke energie of kracht in het zonnestelsel leeft, waarvan onze aardbol een deel is. Het zenden van invloeden vanuit het diamanten hart betekent het bewust blijven bestaan op dat gebied, dat voor deze boeddha een laag gebied is, om vanaf die zetel, vanaf die troon, bij wijze van spreken, in geestelijk contact te kunnen blijven met de entiteiten hier beneden. In een ander deel van de leringen wordt deze boeddha in feite vaak een van de stille wachters genoemd.

De algemene betekenis van de uitdrukking ‘stille wachter’ is iemand die alles heeft volbracht, alles heeft geleerd wat een bepaalde levenscyclus hem kan leren, die daardoor alwetend is voorzover het alles in dat gebied en daarbeneden betreft, en die hogere individuele vooruitgang verzaakt om als de dominerende geestelijke invloed van een hiërarchie hier te blijven.

Is die gedachte u allen duidelijk? Dat is misschien een antwoord op uw vraag, en schetst de betekenis van de woorden die u heeft aangehaald.

Vr. – In De Geheime Leer komt een uitspraak voor die volgens mij cursief staat gedrukt. In het grote boek van de mysteries wordt ons gezegd dat zeven goden zeven mensen schiepen. Drie van deze goden waren zuiver geestelijk, de andere vier niet zo geestelijk en vol hartstocht. En in het begin van de volgende alinea staat: ‘Dit verklaart de verschillen in de menselijke natuur.’ Er zijn veel vragen die ik hierover zou willen stellen, maar één in het bijzonder: Behoren wij als een groep esoterici tot een bijzondere – vallen wij onder één bijzondere – hiërarchie van deze grote pitri’s?

GdeP – U behoort tot de hiërarchie van de heren van mededogen, dezelfde als die van de boeddha’s van mededogen; en als groep, als een geheel van studerenden in de oude wijsheid, wordt u verondersteld u aan de regels van onze eigen heilige orde te houden, die uitgaan van onze hoogste chef, de mahachohan. Maar dat is volstrekt niet in tegenspraak met het andere feit dat ieder mens tot zijn eigen bijzondere zonne- en planetaire straal behoort. Is dat tot zover een antwoord op uw vraag?

Vr. – Ja, dank u.

GdeP – Laat ik u er nog eens aan herinneren, vrienden – ik geloof dat ik u dit al een aantal keren heb gezegd – dat er een wet in het occultisme is dat de antwoorden die u krijgt strikt in overeenstemming zijn met de vragen die u stelt. Als uw vraag duidelijk en scherpomlijnd is, zal het antwoord duidelijk en scherpomlijnd zijn. Stelt u een vraag op geestelijk of psychisch gebied, dan zal het antwoord overeenkomstig zijn. Is de gestelde vraag niet goed geformuleerd, dan zal het antwoord dat u zult krijgen waarschijnlijk eveneens vaag zijn. Dit is een vaste regel en u zult de psychologische reden ervoor inzien. Klopt u niet op de juiste manier, dan zal de deur niet voor u worden geopend of slechts op een kier. U ontvangt overeenkomstig de manier waarop u vraagt. Dus het is in uw eigen belang om uw vragen kort, helder en zakelijk te stellen. Stel zo nodig twee of drie, vier of vijf vragen, in plaats van te proberen al uw gedachten in één lange, ingewikkelde vraag te persen.

Vr. – Ik geloof dat veel van de oudere leerlingen belangstelden in Damodar K. Mavalankar, de chela die zo schitterend met HPB samenwerkte, en na grote beproevingen naar Tibet werd gebracht. Katherine Tingley vertelde ons vele jaren geleden verschillende interessante dingen over hem, en ik dacht dat velen (en ik zeker) graag zouden willen weten of u ons iets meer kunt vertellen. Is hij nog bij ons? Werkt hij met ons samen?

GdeP – Dat doet hij inderdaad. Ging hij niet in 1885 naar Tibet?

Vr. – Ja.

GdeP – Na een oproep van zijn leraar. Ik zal u iets vertellen dat een mysterie inhoudt, maar het is de enige manier waarop ik erover kan spreken. Het is dit: Damodar kwam daar aan en werkt nu in Sambhala. Toch werd vele jaren geleden een heel geloofwaardig bericht verspreid dat in een van de passen van de besneeuwde Himalaya zijn stijf bevroren lichaam was gevonden. Is dat volkomen duidelijk? Ik zou graag willen weten of iemand dit moeilijk te begrijpen vindt.

Vr. – Mag ik in verband daarmee opmerken dat HPB in een van haar brieven zegt dat zij dacht dat hij een of andere occulte ‘truc’ (ik geloof dat ze dat woord gebruikte) had toegepast om de wereld te misleiden. Ze zei dat openlijk in een brief in Deel 10 van The Path, geloof ik.

GdeP – En denkt u dat dit te maken heeft met wat ik zojuist zei?

Vr. – Het lijkt me mogelijk dat het enkele aanwijzingen geeft.

GdeP – Het zou kunnen. U moet beseffen dat het fysieke lichaam heel weinig te maken heeft met esoterisch werk en dat het in een bepaald stadium van geestelijke ontwikkeling niet ongewoon is voor hen die dat stadium hebben bereikt, het lichaam eenvoudig af te leggen, soms in een min of meer lange trance die weken, maanden of een enkele keer zelfs jaren kan duren; of eenvoudig het te laten sterven en daarna onzichtbaar te werken, zoals de nirmanakaya’s doen. Ik zal dit ervan zeggen: ik geloof niet dat Damodars lichaam stierf. Hij was een heel ongewone figuur, zeer geliefd door HPB. Ook heeft hij van veel dingen afstand gedaan.

Vr. – Was hij een prins?

GdeP – Hij was een prins onder de mensen, zoals men dat vaak omschrijft. Het enige wat ik u kan zeggen is dat hij nu in Sambhala werkt. Ik neem aan dat u weet wat Sambhala is?

Sambhala is de esoterische naam, gegeven aan wat men gewoonlijk de Centrale Loge, de Grote Loge noemt. Meer in het bijzonder duidt het op de geografische positie op aarde van de Loge. Het is een district in centraal of westelijk centraal Tibet. Geen mens kan ooit dat beloofde land, dat heilige land, binnengaan als hij niet is geroepen. Het wordt omringd door een akasische sluier van onzichtbaarheid. Een leger van vliegtuigen zou eroverheen kunnen vliegen zonder het te zien. Alle legers van alle landen op aarde zouden erdoor kunnen trekken zonder te weten dat het bestaat. Het is het thuis van de grootsten van de meesters en de verblijfplaats van die bijzondere mahachohan die het hoofd van onze Orde is. Er wordt over gesproken in oosterse legenden, in de exoterische legenden, als het ‘gelukkige land’, ‘het land van belofte’ en met andere namen. Het is een uitgestrekt gebied. Het interesseert u misschien ook te weten dat daar enkele van de meest waardevolle verslagen van de mensheid zijn bijeengebracht – niet alleen literaire documenten, maar ook wat men gewoonlijk archeologische, historische en dergelijke noemt. Daar, omringd door de grootste en meest geëvolueerde mensen, heeft de stille wachter van de aarde zijn onzichtbare verblijfplaats.

Vr. – Ik wil u vragen of de mahachohan de stille wachter was over wie in De Geheime Leer wordt gesproken, die verschijnt aan het begin van het derde wortelras en die de aarde niet zou verlaten voor het einde van de cyclus?

GdeP – Mahachohan is een titel die vele individuen hebben. Het is een algemene titel. Zoiets als het woord ingewijde. Er zijn lage en hoge ingewijden; er zijn lage en hoge mahachohans. De mahachohan van het derde wortelras, als u het over één bepaald individu heeft, is dezelfde als de mahachohan van het huidige wortelras. Als u doelt op een ander individu, van een lagere graad, dan is hij dat niet.

Vr. – Enkele weken geleden heeft u op de bijeenkomst gezegd dat de mahachohan, Gautama de Boeddha, onze mahachohan was. Ik vraag me af of hij dezelfde is over wie in De Geheime Leer wordt gesproken.

GdeP – Nee. Vergeet niet dat Gautama-Boeddha een mens was, maar de boeddha in Gautama was en is een van de boeddha’s van het vijfde wortelras, en is de mahachohan van onze eigen orde. Als de mens Gautama was hij de grootste ingewijde, de grootste van de meesters van wijsheid en mededogen die in historische tijden hebben geleefd, en de buddhische essentie of beter gezegd de geestelijke mahachohan van ons vijfde wortelras was de bezielende kracht van Boeddha-Gautama.

Vr. – Zou u de uitdrukking ‘verborgen ingewijde’ willen toelichten?

GdeP – In welk verband?

Vr. – Weten de verborgen ingewijden dat ze ingewijden zijn of betekent het dat ze misschien ingewijden zijn die uit de gratie zijn, zich verschuilen, of zich in hun lichaam in een slaaptoestand bevinden?

GdeP – Ik begrijp wat u bedoelt. Maar ik denk dat u een betere uitdrukking kunt vinden dan ‘verborgen ingewijden’. Hoe komt u aan die uitdrukking?

Vr. – Ik herinner het me niet. Deze uitdrukking speelt al enkele jaren in mijn gedachten.

GdeP – Het is een ongebruikelijke uitdrukking. Een ingewijde is natuurlijk iemand die bewust een inwijding ondergaat, en daarom zou u nauwelijks van een onbewuste ingewijde kunnen spreken als u daaraan denkt bij de uitdrukking ‘verborgen ingewijde’. Maar ik geloof dat ik uw gedachte begrijp. Er zijn mensen die aangenomen chela’s zijn, maar die dit met hun hersenverstand niet weten.

Vr. – Mag ik daarover ook iets vragen? William Quan Judge zegt ergens dat er in Zuid-Amerika een grote figuur is die nu het leven van een gewone Spaans-Amerikaanse heer leidt, geloof ik, die, zonder dat het aan anderen en aan hemzelf bekend is, wordt voorbereid om over een paar honderd jaar naar voren te komen en belangrijk werk te doen. Ik denk dat onze vriend dat misschien heeft gelezen en het zich niet herinnerde.

GdeP – Dat is niet ongewoon. Dat geldt in feite niet voor enkele, maar voor tientallen mensen die zover zijn gevorderd dat ze bijna gereed zijn om bewust te worden ingewijd, maar dat punt nog niet helemaal hebben bereikt. Ze zijn echter alleen in die zin aangenomen chela’s dat ze nauwlettend worden gevolgd, met zorg worden geleid en geholpen in het geheim en in stilte, zodat zijzelf het niet weten, tenzij misschien door een nu en dan voorkomende flits van licht of van innerlijke verlichting. Zijzelf verwonderen zich erover en blijven streven; maar ze zijn eigenlijk geen aangenomen chela’s.

Er zijn twee soorten aangenomen chela’s: de ene staat aan de deur, heeft geklopt, en heeft de juiste klop gegeven, maar is nog niet binnen, dat wil zeggen hij is zich nog niet bewust dat hij is aangenomen; de andere is iemand die zich ervan bewust is, die op de hoogte is van zijn chelaschap omdat hij zijn eigen leraar heeft en hij het onuitsprekelijke geluk heeft van bewust geestelijk en intellectueel contact met die leraar – en ik ken niets dat zo heilig en schitterend is als die ervaring.

Vr. – Moet de aspirant zelf niet alle pogingen in het werk stellen om de overwinning te behalen?

GdeP – Inderdaad, hij moet iedere stap langs het pad naar de overwinning doen. Hij wordt niet ernaartoe gedragen. Hij moet elke stap zelf zetten. Hoe zou het anders kunnen? Volwassenen worden niet gevoed zoals baby’s. Wij eten zelf, wij bezielen onszelf, wij leren onszelf, wij banen onze eigen weg in de wereld; en als dat in het gewone menselijke bestaan nodig is, dan is het tienmaal zo noodzakelijk in het esoterische leven. Daar moeten we alles zelf verwerven. Waarom? Omdat we eenvoudig naar buiten brengen wat in ons is; onze eigen wil, ons eigen bewustzijn, moet ontwaken, volledig ontwaken, en door onze eigen inspanningen.

U kunt niet zien tenzij u uw vermogen om te zien gebruikt. U kunt niet begrijpen door het begripsvermogen van een ander. U moet alles wat u ooit zult bezitten in de esoterische training zelf verwerven. Daarom zijn er voor degenen die het niet begrijpen, aspecten van de esoterische training die nogal zwaar schijnen te zijn, omdat de mensen in het westen zijn opgevoed met het denkbeeld dat ze naar de overwinning gedragen moeten worden, gered door het ‘bloed van het lam’ en al dat soort dwaasheid.

Dit doet me denken aan de leer van de broeders van de schaduw, die proberen de individuele geestelijke impulsen van uw eigen wezen te onderdrukken om u in slaap te krijgen.

Nee, het tegendeel is waar. U kunt niet leven door uw vertrouwen te stellen in iemand anders die voor u leeft. U moet in uw eigen ziel zelf de heilige vlam opwekken. En zo is het met elke andere stap die u zet op de weg van geestelijke en intellectuele ontwikkeling. Hoe kunt u de onuitsprekelijke vreugde van mededogen ervaren, het niet te beschrijven gevoel één te zijn met het Al, door te horen dat een ander dat heeft volbracht? U moet zelf het voertuig zijn van het innerlijke licht, u moet het zelf verwerven. Het is zowel in als boven u, het geeft u kracht en inspireert u. Wees het!

Vr. – Zou u willen toelichten wat de betekenis is van de ‘Engelen van Mons’. In het eerste jaar van de oorlog, in augustus 1914, werd er bij Mons gevochten. Het was een zware strijd; sommige soldaten zeggen dat het de hevigste was van de hele oorlog. De Engelsen werden toen verslagen. Het verhaal ging dat de soldaten in Mons engelen hebben gezien – niet één, maar een groot aantal – en in gedichten, liederen en verhalen werd over die engelen gesproken. Ik zou graag willen weten wat ze waren en of ze toen door de Witte Loge werden gezonden om de mannen te helpen.

GdeP – Nee, daar waren geen engelen, volstrekt niet. Ook Jeanne d’Arc dacht dat ze engelen zag. Zulke denkbeeldige gebeurtenissen of episoden komen veel voor in de geschiedenis van de mens. En in tijden van geweldige spanning en innig verdriet, als de geest van de mens wordt gelouterd en het hart min of meer wordt gezuiverd door leed, is er een neiging zich dat soort dingen te verbeelden, met andere woorden die dingen te zien. Het zijn hallucinaties. Maar in zekere zin zijn ze meer dan dat. Ze zijn als het ware een roep om hulp, een smeekbede, en psychologisch gezien reageert het denken daarop, en gaat dan schijnbaar die dingen ‘zien’. De vormen die deze hallucinaties of zogenaamde visioenen aannemen zijn toe te schrijven aan de respectieve religieuze opvoeding van hen die dit op zo’n moment overkomt. De Grieken en Romeinen, de Perzen en Hindoes hebben soortgelijke verhalen over veronderstelde geestelijke wezens die in de lucht of op de aarde verschenen – in feite komen ze in de literatuur van alle andere volkeren voor. Maar in het door u aangehaalde verhaal waren er geen engelen, want engelen zoals volgens de christelijke opvatting bestaan niet. Evenzo hebben andere volkeren zich verbeeld dat ze in dergelijke gevallen visioenen hebben gezien van de goden of de deva’s, of wat al niet.

Aan de andere kant is het volkomen waar dat het in heel uitzonderlijke omstandigheden mogelijk is een individueel of collectief visioen te hebben van het astrale licht, en zelfs van bewoners van geestelijke sferen.

Ik herinner me duidelijk dat ik over het geval dat u aanhaalt in de kranten heb gelezen.

Vr. – Enige tijd geleden heeft u ons tamelijk veel verteld over het verband tussen de boodschapper en het geestelijke thuis van de mensheid in Tibet. Bestaat er zo’n verband of zal dat er zijn voor hen die vanhier worden uitgezonden. Dit is min of meer een geestelijk thuis voor velen van ons. Is er een overeenkomst tussen beide gevallen?

GdeP – Ja, die is er. Ieder van ons die vanhier de wereld in gaat met in zijn hart de theosofische toewijding en in zijn geest het theosofische licht, en meedraagt wat hij hier heeft geleerd en die als enige verlangen heeft, welke andere plichten hij ook moet vervullen, om dat licht, deze toewijding, aan anderen door te geven, verlaat het Hoofdkwartier in vrijwel dezelfde geestestoestand en onder omstandigheden die veel overeenkomen met die van een boodschapper die van de Grote Loge komt. Het geval is in het algemeen volkomen vergelijkbaar.

Vr. – U heeft veel gesproken over de meesters van wijsheid en mededogen. Ik begrijp natuurlijk waarom zij meesters van wijsheid worden genoemd. Maar waarom werd de deugd ‘mededogen’ gekozen als deel van de titel? Het komt mij voor dat het feit dat we dit niet begrijpen, een bewijs is dat we de esoterische betekenis van mededogen nog niet volkomen begrijpen.

GdeP – Wat is de essentie van uw vraag?

Vr. – Wat is de esoterische betekenis van mededogen?

GdeP – De meesters worden meesters van mededogen genoemd omdat ze deel uitmaken van de orde van mededogen. Ik heb u al eerder uitgelegd dat er twee klassen van boeddha’s zijn. De eersten zijn de pratyekaboeddha’s. Pratyeka is een Sanskrietwoord dat ruwweg kan worden vertaald als: ‘ieder voor zichzelf’. Ze zijn geen broeders van de schaduw. Ze richten geen onheil aan; ze doen goed werk. Ze zijn in alle opzichten zeer edele, heilige en zuivere mensen. Hun kennis is veelomvattend en diep. Maar wanneer ze het boeddhaschap bereiken, gaan ze het hemelse licht in en laten de mensheid achter zich, in plaats van de roepstem van almachtige liefde te horen en terug te komen om hen te helpen die minder ver zijn gevorderd.

De boeddha’s van mededogen, daarentegen, zijn zij die het boeddhaschap hebben bereikt en zo sterk de werking van medelijden en liefde in hun hart voelen, dat ze zich omkeren, om beeldspraak te gebruiken, en in sommige gevallen zelfs op hun schreden terugkeren om een helpende hand te bieden aan hen die op het evolutiepad achter hen aan komen. Dat is ‘mededogen’ – meeleven met de ander, het gevoel van medeleven, het vol sympathie begrijpen van de problemen van minder ver gevorderden, gepaard gaand met een overweldigende drang om te helpen, te redden. Dat is compassie. Dit woord is van oorsprong een Latijns samengesteld woord met de betekenis ‘meevoelen met’; het Griekse equivalent is sympathie en heeft dezelfde betekenis. Alleen liefde, onpersoonlijke liefde kan dit teweegbrengen.

Vr. – Als wij horen tot, of studeren onder de bescherming van de Loge van de meesters van mededogen, zullen we dan, wanneer we in toekomstige eonen dat stadium bereiken, boeddha’s van mededogen worden en geen pratyekaboeddha’s? Ik neem aan dat we in zeker opzicht hebben gekozen om bij de eerstgenoemden te studeren.

GdeP – Dat hangt er helemaal van af. Als u in de komende eeuwen, wanneer u de hogere graden van verlichting bereikt, voelt dat u niet alles voor uzelf kunt houden, maar het met anderen moet delen, dat u anderen moet helpen, dat u de gelukzaligheid niet alleen kunt ingaan, maar anderen met u mee moet nemen, dan zult u inderdaad geen pratyekaboeddha’s zijn, maar boeddha’s van mededogen. Het hangt af van het individu.

De broeders van de schaduw zijn zij die een cyclus van training doorlopen, van zelfopoffering en discipline (en natuurlijk spreek ik dan over de meer machtigen onder de broeders van de schaduw) die in veel opzichten parallel loopt met de training die wordt ondergaan en gevolgd door de meesters van wijsheid en mededogen. Maar in plaats van opwaarts, naar de geest, gaan ze omlaag, naar de stof. Zoals de meesters opstijgen naar de geestelijke gebieden, zo dalen de broeders van de schaduw af in de gebieden van een zelfs grover stoffelijk bestaan dan dat van ons. Vreemde paradox!

Het is in feite een geval van doelbewuste geestelijke zelfmoord. En zoals u mensen kunt vinden die nu op aarde datzelfde doen, zo kiezen onze ongelukkige broeders van de schaduw doelbewust hun uiteindelijke bestemming – de vernietiging van hun bestaan als een zelfbewust ego.

Enkelen van deze broeders van de schaduw volgen een bepaald pad; en het zou goed zijn daarover te spreken, omdat u het anders misschien niet zou begrijpen. Het zijn vaak heel charmante figuren, gezellige praters, soms goed ontwikkeld, misschien van goede afkomst of misschien niet. Vaak zijn ze heel religieus. Gewoonlijk houden ze zich aan de wetten van hun land.

De broeders van de schaduw onderscheiden zich van de meesters van wijsheid en mededogen daarin dat ze geen mededogen hebben. Ze zijn geheel voor zichzelf bezig, en voor zichzelf alleen, maar op een manier die totaal verschilt van die van de pratyekaboeddha’s, omdat de broeders van de schaduw in het bevredigen van het zelf omwille van het zelf het kwaad bedrijven. Ze werken in de stof en voor de stof en voor materiële doeleinden, terwijl de pratyekaboeddha’s dat niet doen. Dit alles is natuurlijk een diep mysterie, maar wat ik zojuist heb gezegd, is een schets van de feiten zoals ze zijn.

Vr. – Wat is het karma van de pratyekaboeddha’s?

GdeP – U bedoelt de gevolgen?

Vr. – Ja, wat zou het lot van deze pratyekaboeddha’s zijn?

GdeP – Ja, u heeft volkomen gelijk om hiernaar te vragen. U gebruikt het woord karma heel nauwkeurig. Het karma (de gevolgen) van het leven van de pratyekaboeddha’s is als volgt: tenslotte komen ze op een punt waar ze niet verder kunnen gaan en daar ‘vallen ze in slaap’. Het is waar dat dit op een bijzonder hoog geestelijk gebied gebeurt, maar daar hebben ze het einde van hun krachten bereikt. Dat komt omdat ze in hun gerichtheid op zichzelf het uiterste punt hebben bereikt en daar niet verder kunnen gaan tot in het universele. Ze blijven daar ‘in slaap’ (misschien is dit niet de juiste omschrijving, maar in elk geval geestelijk inactief), in een toestand die op slaap lijkt. Daar blijven ze terwijl de evolutiestroom hen voorbijgaat.

De meesters van wijsheid en mededogen, die de drang van almachtige liefde in hun hart voelen, gaan echter steeds vooruit naar grotere hoogten van geestelijke vervolmaking. Dat komt omdat ze voertuigen zijn geworden van universele liefde. Aangezien onpersoonlijke liefde universeel is, breidt hun hele natuur zich uit met de universele krachten die door hen werken.

Vr. – Is de ontwikkeling van de geestelijke wil niet een van de eerste stappen om iets te bereiken?

GdeP – Om wat te bereiken?

Vr. – De eerste stappen om geestelijk vooruitgang te boeken, geestelijke kennis te verwerven, een meester van mededogen te worden.

GdeP – Ja, dat is inderdaad het geval. Maar ieder mens heeft de geestelijke wil, als hij maar besluit om die tot ontwikkeling te brengen. Het ontwikkelen van de geestelijke wil zal iemand omhoog voeren; en tegelijk daarmee komen licht, vrede, gelukzaligheid.

Vr. – Iemand anders heeft al een deel van de vraag gesteld die ik over de pratyekaboeddha’s wilde stellen. We hebben gehoord dat karma collectief van toepassing is op de kosmos, dat er een ras- en een kosmisch karma is. Dat de pratyekaboeddha’s zover gaan en niet verder, komt dat omdat het collectieve karma van de kosmos hen tegenhoudt tot het eind van het manvantara?

GdeP – Ja, dat is heel goed gezegd. Ze hebben de grens van hun geestelijke krachten bereikt. Ze kunnen niet verdergaan, omdat een pratyekaboeddha de geest binnengaat ter wille van zijn eigen geestelijke zelf. Wanneer de grens daarvan is bereikt, kan de monade niet verder vooruitgaan. Alleen dat kan verdergaan wat de innerlijke prikkel voelt van iets dat hoger is dan het individuele zelf; en dat is het universele.

Vr. – Als de pratyekaboeddha deze hemelse hoogten heeft bereikt waar er voor hem geen verdere vooruitgang mogelijk is, is dat dan het einde? Ondergaat hij uiteindelijk een lot dat veel lijkt op dat van de broeders van de schaduw, of komt er een nieuwe dag en een nieuwe gelegenheid om meer lessen te leren?

GdeP – O, beslist. Bedenk dat de pratyekaboeddha een heel hoge geestelijke invloed in de wereld is. En wanneer het moment aanbreekt dat de wezens die lager staan dan hij het evolutiestadium hebben bereikt waarin hij verkeert terwijl hij geestelijk inactief is, dan voelt hij de voorwaartse impuls van de evolutionaire stromingen en begint vanaf dat niveau opnieuw. Zijn fout, als het in menselijke taal een fout kan worden genoemd, is zijn concentratie op een geestelijk zelf, zoals de fout van de broeders van de schaduw een concentratie is op een materieel zelf. Dit laatste leidt tot vernietiging; het andere tot een stilstand in de vooruitgang, tot de algemene stroom van evoluerende wezens die na hem komen, hem bereikt. Dan voelt hij de ontwakende invloeden en begint een nieuwe tocht vooruit; terwijl de boeddha’s van mededogen tegen die tijd ver vooruit zullen zijn en supergoden zijn geworden.

Vr. – Subba Rao zegt ergens dat, wanneer een individu zich met de logos verenigt, de hele mensheid meetrilt en geestelijk wordt gestimuleerd. Zou dat van toepassing zijn op de pratyekaboeddha, wanneer hij het voor hem hoogst mogelijke bereikt?

GdeP – Ja, de pratyekaboeddha is een hoge geestelijke invloed in de wereld en alleen al zijn bestaan is goed voor de wereld. Hij is als het ware een kanaal dat geestelijke invloeden terugstuurt, maar onbewust, niet uit eigen keuze. Hij is een mens die deze hoge geestelijke staat heeft bereikt, en langs het pad waarlangs hij is gegaan, vloeien geestelijke invloeden.

Vr. – Is het voor een pratyekaboeddha mogelijk om te veranderen en een boeddha van mededogen te worden na die toestand van vervolmaking te hebben bereikt? Kan hij uit eigen wilskracht overstappen op het andere pad?

GdeP – Ja, dat kan hij, en in feite gebeurt dat soms, maar zelden.

Vr. – Zelfzucht en spiritualiteit leken me altijd onverenigbaar, en de leer dat een pratyekaboeddha een heel hoge geestelijke staat heeft bereikt en toch op een of andere manier fundamenteel zelfzuchtig is, is me een raadsel. Zou u die verwarring in mijn denken kunnen wegnemen, alstublieft?

GdeP – Ja, u kunt het alleen ‘zelfzuchtig’ noemen door u strikt aan de etymologische betekenis van het woord te houden – iemand van wie de gedachten zijn geconcentreerd op het zelf – maar het is een geestelijke zelfzucht. Dit is de reden: egoïteit of het ik-gevoel hoort tot de materiële of vegetatieve kant van het zijn, hetzij in de geestelijke wereld of in de tussengebieden of in de lagere gebieden. De pratyekaboeddha’s behoren in hun innerlijke essentie tot de geestelijke wereld, maar tot de vegetatieve kant ervan, tot wat u de substantiële kant ervan kunt noemen; terwijl de boeddha’s van wijsheid en mededogen wezens zijn van wie de innerlijke essentie is verbonden met de actieve, de energische kant van de geestelijke gebieden. Begrijpt u?

Vr. – Gedeeltelijk. Maar als we diezelfde gedachtegang voortzetten, is een aspirerende chela, een leerling van een boeddha van mededogen, dan niet in wezen geestelijk verder geëvolueerd dan een pratyekaboeddha die alleen voor zichzelf geestelijk licht zoekt?

GdeP – Ja, in zeker opzicht; en in een ander opzicht, nee. Hier hebben we weer een paradox, en onze esoterische studies zijn vol paradoxen. Zelfs in een chela van een meester van wijsheid en mededogen, die bestemd is om tenslotte een boeddha van wijsheid en mededogen te worden, is de buddhische luister al opgewekt, wat praktisch hetzelfde is als een verlicht mededogen. Daarom staat hij in die betekenis van het woord zelfs hoger dan een pratyekaboeddha.

Maar voorzover het alleen rang en graad betreft is de pratyekaboeddha verder gevorderd in de geestelijke gebieden. De pratyekaboeddha zal echter uiteindelijk tot stilstand komen. Hij heeft de grenzen van het geestelijk op zichzelf gericht zijn bereikt, en omdat hij juist daarnaar heeft gestreefd, kan hij niet verdergaan; terwijl de genoemde chela die zelfs als een chela van de meester van wijsheid en mededogen dat ondefinieerbare iets in zijn ziel voelt dat hem geen rust of vrede zal gunnen totdat zijn hele wezen zich ontvouwt in werken van medeleven en mededogen – zelfs hij staat in deze edeler betekenis hoger dan een pratyekaboeddha, maar niet in rang en niet in graad van evolutie.

Vr. – Wilt u de uitdrukking ‘ingewijden die het niet hebben gehaald’ toelichten zoals die, ik geloof door HPB, werd gebruikt voor sommige grote schrijvers zoals George Eliot en Bulwer Lytton?

GdeP – Ik herinner me niet dat HPB die uitdrukking ‘ingewijden die het niet hebben gehaald’ heeft gebruikt in verband met het menselijke genie zoals u erover heeft gesproken. Maar het is heel goed mogelijk; en zo ja, dan is het een vage manier van zeggen. Er zijn grote figuren geweest, om het woord ‘groot’ in de algemene betekenis van het woord te gebruiken – met andere woorden genieën – die er niet in slagen hoger te stijgen omdat in hen de buddhische luister nog niet is ontwaakt, die combinatie van verlichting en mededogen. Ze hebben genialiteit, zijn hoog geklommen, ze zouden hoger kunnen gaan, maar de ster binnenin hen straalt nog niet. Het enige wat ze hebben is zo nu en dan een lichtstraal, die het genie doet ontstaan.

Om het anders te zeggen: zulke mensen hebben nog niet een bewuste vereniging bereikt, in hoe geringe mate ook, met de god binnenin. Ze zijn slechts de voertuigen of ontvangers van een straal uit de innerlijke godheid. Gewoonlijk schieten ze tekort door menselijke fouten, hartstocht, eerzucht, enz.; en bedenk alstublieft dat wanneer ik over hartstocht spreek, dit woord vele betekenissen heeft. Ik heb het niet alleen maar over seks, die een van de meest grove is, maar ook eerzucht is een hartstocht. Liefde is een hartstocht, en als ze te persoonlijk is, maakt ze blind, stelt ze de zaken vaak verkeerd voor; en daarom zult u mij zo zorgvuldig horen spreken over onpersoonlijke liefde. Daarentegen is mededogen een van de edelste, hoogste, verhevenste dingen in de menselijke ziel, want hoewel het misschien zijn persoonlijke kanten heeft is zijn ware kenmerk, zijn svabhava, zijn wezen, onpersoonlijk – voor anderen.

Vr. – Een mysterie dat mij niet loslaat is dat van de slaap. Ik verbaas me erover waarom wij miljoenen jaren lang zoveel van onze tijd hebben doorgebracht in een toestand waarvan we zo weinig weten. Mag ik iets meer over de mysteries van de slaap weten?

GdeP – Ja, zeer zeker. Fysiologisch gesproken treedt de slaap in wanneer het lichaam vermoeid is, dat leert de ervaring. Op den duur zijn de elektromagnetische ladingen in evenwicht gekomen, en de slaap laadt de fysieke batterijen weer op. Het is moeilijk woorden te vinden om dit uit te drukken, anders dan in de gebruikelijke termen.

Maar de slaap is een grote zegen. De innerlijke mens wordt tijdens de slaap bevrijd van de zorgen en moeilijkheden van het stoffelijke bestaan. Het hogere deel van de constitutie gaat op vleugels naar buiten, niet alleen over de aarde, maar ook weg van de aarde. Tijdens de slaap reist het hogere deel van u in feite door de ruimten – niet het tussenliggende deel, maar het hogere deel; niet precies het hoogste deel, maar de geestelijke ziel en het hogere deel van de menselijke ziel vliegt tijdelijk naar de hogere geestelijke gebieden.

Neem deze uitdrukking niet te letterlijk. Ik bedoel niet dat ze vleugels heeft en vliegt, en ik bedoel niet dat ze feitelijk reist in de gewone menselijke betekenis. Ik bedoel dat ze zich werkelijk meer bewust wordt op haar eigen gebied, meer wakker is, want dit universele of geestelijke zelf is niet in ons lichaam. De slaap van het lichaam ’s nachts is eenvoudig een voorbeeld van de langere slaap die de mensen dood noemen; dood is slaap, of anders gezegd, fysieke slaap is een quasi-dood. Deze verschilt weinig van de dood, en alleen in die zin dat in de slaap de gouden levensdraad niet is verbroken. Als die wordt verbroken, als het levenskoord breekt, treedt de dood in.

Slaap is een kleinere dood, en de Grieken wisten dit heel goed en noemden hypnos en thanatos, slaap en dood, broeders. Deze beide toestanden zijn zelfs meer verwant dan broeders. Ze zijn twee kanten van dezelfde zaak; in feite zijn ze hetzelfde, maar de ene in geringere mate en de andere in absolute zin. Bij bepaalde individuen ontvangt de menselijke ziel onderricht en leringen terwijl het lichaam slaapt en rust en zijn energieën oplaadt. Dat is alles wat ik op dit moment over slaap wil zeggen. Méér zou u nu in verwarring brengen.

Vr. – Ik heb twee vragen. U zult zich herinneren dat u hier (ik geloof vorige week) sprak over het feit dat de maan inwijdingen beheerst en dat vooral de periode van de wassende maan gunstig is door de positie van de maan, en dat het een bijzonder gunstige tijd is als de planeten in syzygie staan omdat hierdoor voor de ziel een rechtstreeks pad naar de zon wordt gevormd. Heb ik dat goed?

GdeP – Ja.

Vr. – Mijn eerste vraag is: Ons wordt duidelijk geleerd dat de maan een lijk is met slechte invloeden en kwaadaardige emanaties, dat ze vol verderfelijk leven is. Als haar invloed in een bepaalde periode gunstig is, komt dat dan op een of andere manier door een verandering van haar aard of alleen door een verandering van positie?

GdeP – Het hangt gedeeltelijk af van haar verandering van positie, maar niet van een verandering in de aard van de maan, die dezelfde blijft. Ik kan dit niet verder toelichten omdat de leringen over de maan behoren tot de best bewaarde geheimen; ze worden streng bewaakt.

Vr. – Misschien is het beter dat ik de tweede vraag niet stel.

GdeP – Stel de vraag. Het kan geen kwaad om een vraag te stellen.

Vr. – Als de ziel langs dit pad naar de zon gaat, wanneer de planeten in syzygie staan, dan gaat de ziel natuurlijk door de maan. Is ze zich bewust van de contacten daar? Is dat niet een heel pijnlijke ervaring? En als de verloren zielen die daar zijn de invloed van de doortocht van de gezuiverde aspirerende ziel voelen, worden ze dan op een of andere manier geholpen? Ik ben bang dat ik dit niet had moeten vragen.

GdeP – Ja, u nadert daar inderdaad heel gevaarlijke grenzen van kennis. Deze zaken waar u op doelt hangen voor een groot deel af van de positie die de zon, de aarde en de maan innemen. Zolang de maan wast, worden de invloeden steeds gunstiger voor bepaalde doeleinden, totdat de maan vol wordt. Onmiddellijk daarna beginnen ze steeds ongunstiger te worden tot het slechtste punt wordt bereikt, kort vóór en tijdens nieuwe maan. Dan veranderen ze weer. En de reden? Ik zal u er dit van zeggen: Bij nieuwe maan staat ze tussen zon en aarde, en ontvangt dan van de aarde, waarbij de maan grote aantrekkingskracht uitoefent, geholpen door de zon. Is de maan vol, dan staat de aarde tussen zon en maan en de aarde trekt heel sterk aan de maan en ontvangt binnenkomende zielen. De vertrekkende zielen gaan voorwaarts bij nieuwe maan en, zoals ik u al eerder vertelde, het is dus bijna een misdaad om op dat moment een kind te verwekken. Als u me begrijpt is conceptie niet gepast bij enige fase van de maan, behalve als zij wassende is; de beste tijd is net vóór de maan vol is. Dan werkt de natuur op natuurlijke wijze, langs de paden van interstellaire communicatie, en de menselijke daad valt samen met en is in elektromagnetische harmonie met de invloeden van zon, maan en aarde. Vergeef me, maar ik denk dat ik over dit onderwerp niet méér zal zeggen.

Vr. – Hoe moet het stelsel van Patañjali worden beschouwd – als het pad van de rechterhand of van de linkerhand?

GdeP – Het stelsel van Patañjali behoort tot de hathayoga, maar ook hathayoga heeft een edeler kant die, zoals door ingewijden wordt begrepen, met voordeel kan worden gebruikt en onderwezen aan hun chela’s. Maar elk trainingsstelsel zoals dat van Patañjali, weergegeven in zijn Yoga Aforismen, is gevaarlijk wanneer het zonder kennis wordt toegepast. Het is hathayoga, omdat het bewustzijn wordt gericht op lichaamshoudingen en op het lagere psychische functioneren van de mens.

Deze dualiteit in de natuur en in de praktijk doet zich hier voor zoals bij alle andere dingen. U weet bijvoorbeeld dat sommige medicijnen giftig zijn en dodelijk kunnen zijn als ze worden gebruikt door iemand die hun werking niet kent. Maar als ze worden voorgeschreven door een deskundige, iemand met kennis, die ze heeft bestudeerd, kunnen ze genezing brengen. In plaats van medicijnen te gebruiken, kan men zijn gedachten beter richten op die dingen die altijd veilig zijn – de grote, edele deugden in praktijk te brengen: liefde, medelijden, mededogen, hulpvaardigheid, vriendelijkheid, broederlijk gevoel, zelfvergetelheid. Het toepassen daarvan is altijd goed.

Met andere woorden, blijf gezond; maar bent u ziek, raadpleeg dan een arts in wie u vertrouwen stelt en vertel hem ronduit zoveel u kunt over uw kwaal in plaats van gevaarlijke dingen op uzelf toe te passen, in plaats van uzelf iets toe te dienen. Als hij een echte arts is en niet alleen een arts met boekenwijsheid, dan kan hij u helpen die medicijnen te gebruiken die u zouden kunnen doden wanneer u ze zonder kennis van zaken zou gebruiken.

Zo is het ook met hathayoga. Ieder die hathayoga-leringen in praktijk probeert te brengen zou gemakkelijk longtuberculose of een andere vreselijke ziekte kunnen oplopen – of nog erger. Maar een ware meester van wijsheid die deze chela en die chela kent, zou kunnen zeggen dat deze chela bijvoorbeeld zou kunnen worden geholpen door bepaalde fysieke oefeningen, en de wijsheid van de meester zou hem tonen wat hij moet doen en hoever hij kan gaan, en dan zou het veilig zijn en juist. En dan zou het toepassen van hathayoga van nut kunnen zijn.

Vr. – Volgens mij heeft u ons enige tijd geleden verteld dat de twee meesters die ons werk leiden, een deel van hun daarvoor beschikbare tijd besteden aan werk dat nog verhevener is dan dit. Kunt u ons iets over dat werk vertellen?

GdeP – Ja, heel gemakkelijk. Wanneer een professor in het Sanskriet of Hebreeuws of Grieks bijvoorbeeld de wieg van zijn baby laat schommelen, dan doet hij iets dat heel nuttig kan zijn, maar hij doet werk dat zijn vrouw zou moeten doen. Als hij geen vrouw heeft en wel een baby waarvoor hij moet zorgen, dan belet dit hem werk te doen dat meer in zijn lijn ligt.

Als u die huiselijke illustratie in gedachten houdt, kunt u misschien begrijpen waarover ik ga spreken. De meesters van wijsheid en mededogen zijn de kanalen of voertuigen om de geestelijke krachten te ontvangen die oorspronkelijk uit de zon zijn geëmaneerd. Deze krachten gaan door de stille wachter van de aarde, en vanuit hem worden ze als levensstromen verspreid via de tussenpersonen, zijn kanalen, tussen hem en de mensheid. Hij ontvangt ze van de zon.

Deze grotere plichten die de meesters van wijsheid en mededogen hebben, bestaan in het vormen van de beschermmuur – zoals HPB deze overeenkomstig de Tibetaanse uitdrukking noemt – die de mensheid tegen kosmische invasies van elementaire en kosmische invloeden beschermt, invloeden die voor de mensheid uiterst gevaarlijk zouden zijn als werd toegelaten dat ze vrij en ongehinderd op ons konden inwerken. Daarom wordt door de meesters van mededogen die werken met een organisatie als de onze, een bepaald deel van de tijd van dit andere werk afgenomen, en omdat hun aantal betrekkelijk klein is, kan het heel moeilijk zijn om de daardoor opengevallen plaatsen te bezetten.

Daarom is het duidelijk dat als we van het grotere op het kleinere werk overgaan, we niet moeten vergeten dat dit kleinere werk op zichzelf grote geestelijke betekenis heeft. De meesters proberen door middel van de Theosophical Society in het denken en het hart van de mensen deze zaken van geestelijke, intellectuele en psychische betekenis te brengen om de mensheid te redden, om in de theosofische betekenis de zielen van de mensen te redden.

Vr. – Heb ik het verkeerd als ik denk dat er sinds wij deze bijeenkomsten houden, in ons land een krachtiger impuls bestaat tot aangelegenheden van wezenlijk belang zoals een tendens tot vrede en gevangenishervorming en veel andere zaken die, zo komt mij dat voor, meer vooruitstrevend zijn? Ik vraag me af of dit niet komt doordat de meesters door middel van dit centrum werken of dat ze direct voor deze andere doeleinden werken.

GdeP – Beide. Ik zeg u dat de geestelijke leringen niet door iemand kunnen worden overgedragen aan anderen, zonder daardoor gelijkgestemde snaren te raken in het hart van hen die deze leringen niet horen maar die min of meer op die gedachtestromen zijn afgestemd. Omdat ze daarop zijn afgestemd, ontvangen ze deze impulsen of invloeden uit de gedachteatmosfeer van de planeet, en omdat zij ze groots en edel en inspirerend vinden, volgen ze die. Dit zou u de manier kunnen noemen waarop het denken van mensen die buiten onze kring staan wordt geraakt, en verfijnd en geholpen.

Natuurlijk werken de meesters altijd samen met en oefenen invloed uit op de mensheid in het algemeen buiten de TS. Hier concentreert hun werk zich op het in de wereld verspreiden, door onze tussenkomst, van dezelfde geestelijke impulsen die ze van de stille wachter ontvangen, die deze op zijn beurt ontvangt van de zon, van de god van de zon.

Vrienden, ik geloof dat we het vanavond hierbij moeten laten. We nemen nu een ogenblik stilte in acht.

[Luiden van de gong.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 115-33

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag