30

Supplement

 

11 september 1934

Devachan en nirvana

GdeP – Het zou ons allen helpen indien we ons denken bevrijdden van de gedachte dat devachan een gebied buiten ons is waar we na het sterven binnengaan. Dat is niet zo. Het devachan is slechts een verandering van bewustzijn van de mens na de dood. Devachan is geen plaats; daarom is het nergens gesitueerd. Het betekent een verandering van bewustzijn van aarde-bewustzijn naar intellectueel-spiritueel bewustzijn. Dat is alles. Dat is het devachan. Het is de kind-monade van de spirituele monade, met andere woorden de menselijke monade, die deze verandering van spirituele zienswijze en gevoel, deze verandering van bewustzijn, ondergaat. Dat is zijn devachan, en juist daarom is ieder devachan voor het individu uniek. De ene mens heeft een lang, de andere een kort devachan; de één een hoog en verheven devachan, de ander een devachan van veel lagere graad.

Ook nirvana is een verandering van bewustzijn, maar een die veel ingrijpender is. Nirvana is het afwerpen door de pelgrim-monade van alle lagere delen, hartstochten, impulsen, emoties, het zich volledig daarvan bevrijden, zodat zij volmaakte wijsheid, volmaakte vrede en volmaakte gelukzaligheid binnengaat. Ze is tijdelijk volkomen vrij, leeft in haar eigen essentie, een jivanmukta, een bevrijde jiva. Een jiva is een monade.

Beschouw het devachan nooit als iets dat buiten uzelf is, zelfs niet als een bewustzijnsgebied dat u betreedt. Ieder van u maakt zelf zijn eigen devachan. U wordt uw devachan omdat voor ieder van u uw devachan een verandering in uw bewustzijn is. Devachan heeft geen plaats, geen positie in de ruimte; en daarom kan de geëxcarneerde entiteit, wat haar positie betreft, haar devachan bijna overal in het zonnestelsel hebben: in het hart van de zon, in de kern van de aarde, in een ijle wolk, in een bloemblaadje, in een atoom in uw hand – overal, het doet er niet toe waar. Ze heeft geen bewustzijn van plaats; ze is een bewustzijnspunt in een mooie droomtoestand; de menselijke monade is een bewustzijnspunt. De dood bevrijdt haar van de magnetische en emotionele aantrekkingen die haar binden aan dit leven van vlees. Bevrijd van deze lagere aantrekkingen kan ze zich overgeven aan haar dromen, haar verlangens naar schoonheid, vrede, liefde, geluk, grootsheid, filosofie, religie, muziek, al die dingen waar ze zich tijdens het leven in het lichaam het meest op had gericht en waar ze spiritueel het meest aan was gehecht.

Dat is devachan. Ieder mens maakt zijn eigen devachan. Ik hoop dat dit duidelijk is. Ik herhaal, beschouw devachan niet als een plaats of gebied of rijk of sfeer waar u na de dood heen reist, of dat u na de dood betreedt. Het is een verandering van bewustzijn, precies zoals iemand ’s morgens misschien met een ongelukkig gevoel wakker wordt, zich ellendig voelt over iets waaraan hij denkt, waarover hij zich zorgen maakt. Dan komt een gedachte in hem op waardoor hij opfleurt, hij wordt gelukkig en zijn hart zingt. Het is slechts een verandering van bewustzijn. Dat is een soort devachan; in feite leven veel mensen in devachan terwijl ze in een lichaam op aarde geïncarneerd zijn. Ze zijn devachani’s, ze zijn niet wakker, ze leven niet werkelijk, ze leven in een droomland, waar men misschien gelukkig is maar tijdelijk geen nieuwe indrukken opdoet, omdat dit niet de werkelijkheid is.

Nirvana, daarentegen, is bewustzijn van de werkelijkheid, het zien van de werkelijkheid, omdat het bewustzijn dan is bevrijd van alle belemmerende, omhullende sluiers waardoor het wordt verduisterd. Het herkent, weet, ‘voelt’ en begrijpt essenties precies zoals ze zijn. Waarom? Omdat het bewustzijn van de monade tijdelijk samenvalt en samentrilt met het kosmische denkvermogen, met de kosmische ziel, de anima mundi. De dauwdruppel is tijdelijk opgegaan in de glinsterende zee.

 

Vrije wil

Het schijnt dat er bij u enige aarzeling is om het zogenaamde probleem van de vrije wil moedig onder ogen te zien. Het is niet nodig dit probleem te ontwijken. De essentie van de mens is de wil, een van de facetten van dat eeuwige mysterie waarvan bewustzijn, intelligentie en liefde andere facetten zijn – menselijke woorden, maar met woorden drukken we onze intuïties van deze werkelijkheden uit. Iedere van de ontelbare menigten monaden – en ze zijn oneindig in aantal, wat betekent zonder begin of einde – iedere monade, hoever ook ontwikkeld of hoezeer nog onontwikkeld, heeft een klein beetje vrije wil, die ze zelf heeft verkregen door haar eigen essentie te ontwikkelen door zich in te spannen – maar ook door karma. Waarom? Hier is het geheim en het is u telkens weer verteld. De kern van de kern van het hart van het hart van ieder van u is dat, parabrahman, het grenzeloze. Ontdoe u van laag na laag van bewustzijn, gedurende bijna eindeloze eeuwen. De diepste kern – u zult deze nooit bereiken omdat ze de oneindigheid is – die allerlaatste kern, dat uiteindelijke iets is dat, het hart van het grenzeloze: Tat tvam asi, Dat bent u.

Onze vrije wil – hoezeer die misschien ook wordt belemmerd door onze onwetendheid, onze domheid, en sluimert in de stof – is dus in essentie de vrije wil van de oneindigheid waarmee ieder van ons in zijn diepste wezen is begiftigd, omdat hij een deel is van onze essentie, want we zijn allen kinderen van deze oneindigheid. We zijn druppels in de oceaan van kosmisch leven, en het hart van ieder van die druppels bevat een stukje van de vrije wil van die kosmische oceaan. En de vrije wil van de mens wordt steeds vrijer naarmate de mens boven zijn menselijkheid uitgroeit en meer goddelijk wordt, dat wil zeggen meer gelijk wordt aan zijn eigen innerlijke essentie, het hart van de dingen, het hart van het heelal, parabrahman, dat.

Wat is karma? Karma treft ons omdat we wezenlijke en onlosmakelijke delen zijn van een groter kosmisch leven dat op ons inwerkt, dat reageert op onze zwakke pogingen om ‘met het hoofd tegen de muur te lopen’, dat wil zeggen ons moedwillig te laten leiden door onze zelfzuchtige en halfzelfzuchtige hartstochten en gedachten. De natuur streeft eeuwig ernaar om verbroken evenwicht, dat wil zeggen disharmonieën, te herstellen. Zolang een wezen alleen voor zichzelf leeft, of gedeeltelijk voor zichzelf, en het heelal waarvan hij een onafscheidelijk deel is vergeet, en de rechten en belangen van andere wezens uit het oog verliest, zolang zullen zijn handelingen volledig of gedeeltelijk zelfzuchtig zijn – en het grote gewicht van de natuur zal reageren op zo’n zelfzuchtige manier van handelen. Het handelen en de daaruit voortvloeiende reactie vormen karma. De weg naar vrede, onuitsprekelijke kracht en gelukzaligheid wordt gevonden door te bedenken – en daarnaar te handelen – dat wij allen onlosmakelijke delen zijn van het grotere leven waartoe we behoren. Dit grotere leven is op zijn beurt maar één van een menigte van andere grotere levens die een nog groter leven vormen; en dit vormt een deel van de achtergrond, de oceaan van bewustzijn, die zijn golven door ons heen laat rollen, hoewel we ons daarvan niet bewust zijn. Dit grotere leven is op zijn beurt slechts één eenheid in een geheel dat als het ware een atoom vormt in het wezen van een nog groter bewustzijn; enzovoort, zover ons heelal zich uitstrekt. En ons heelal is maar één van een oneindig aantal andere die op hun manier nog grotere structuren van kosmisch bestaan opbouwen.

Het volle gewicht van die verschillende gehelen drukt op de wil van ieder van u; en uw wil staat hoger dan deze allemaal, als u die maar zou gebruiken, want u bent een kind van het grenzeloze. Die dunne draad van de wil die een werking van bewustzijn, van intelligentie, is, kan een heelal bedwingen. Het gewicht van het heelal kan hem niet verpletteren, want dat heelal is slechts een grotere belichaming van hetzelfde, waarvan zwakkere draden van activiteit zich in ieder van ons bevinden. Het werkelijke hart van de mens is vrije wil – maar dit is niet het indeterminisme waarover wetenschappers tegenwoordig spreken. Er is absoluut niets ‘toevalligs’ aan. Het is de essentie van de dingen. Een mens heeft een vrije wil omdat hij een onlosmakelijke druppel is van de kosmische leven–intelligentie; en hoe meer de mens doordringt tot de wonderbaarlijke diepten van zijn wezen, des te ruimer worden zijn wil, intelligentie, wijsheid, liefde, al de kosmische eigenschappen waarvan we maar een zwakke weerspiegeling voelen.

Een atoom, een molecule of een cel in ons fysieke lichaam is evengoed een entiteit als ieder van u dat is – omdat elk van deze evenals u een samengesteld wezen is, en toch belichaamt elk een monade, evenals ieder van u een monade belichaamt. Elk van die individuen voelt het volle gewicht en de drang van de wil, de aspiraties en de fouten van de mens van wie het het lichaam helpt opbouwen. Toch kan niets wat de mens doet, hoeveel fouten hij ook maakt of hoeveel hij zich ook verheft, die vrije wil, dat sprankje vrije wil in die molecule, in dat atoom, in dat elektron, in die bewoner van een elektron, of in die cel die het lichaam helpt opbouwen, veranderen; en die entiteit, noem die zoals u wilt, kan strijden tegen het grote gewicht van uw wil en uw karma die invloed op haar uitoefenen, en ertegenin gaan. Evenzo vechten wij mensen, of de goden, of de dieren, of wat al niet in ons eigen heelal, tegen het gewicht van het ons omringende heelal dat op ons drukt. Wij werken erop in en het reageert op ons; toch kan het ons niet vernietigen. Wij kunnen het, of delen ervan, beheersen, als we onze wil gebruiken, zoals het tot op zekere hoogte ons beheerst en van ons gebruikmaakt.

Ga niet denken dat de mens maar een machine is. Dat is niet zo. De mens heeft een vrije wil, want zijn essentie, de bron van zijn wezen, die kern in hem waaruit al wat is tot manifestatie komt, dat hart, die kern van die kern, is dat. En elke betrekking tussen dat en een individueel voortbrengsel ervan is karma. En dat is zo omdat het deel, het voortbrengsel, absoluut en tot in de eeuwigheid niet te scheiden is van het geheel. Tat tvam asi.

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 808-12

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag