27

Bijeenkomst op 10 februari 1931

 

GdeP – Vrienden, ik ben gereed om vragen te beantwoorden.

Vr. – Het lijkt erop dat we in de laatste zes weken zeer veel rampen hebben gehad: aardbevingen, branden, ongelukken, vloedgolven en vooral een tendens tot het gebeuren van ongelukken die verband houden met vuur. Ik dacht dat ze zijn toe te schrijven aan een bijzondere invloed van de planeten op dit ogenblik, en ik zou u willen vragen of er in dit verband niet ook een bijzondere invloed is op het innerlijke leven van ons studenten, die nuttig zou zijn om te kennen.

GdeP – Ja, wat u zegt is heel juist. Als u de posities van de zon, maan en planeten in ongeveer de laatste drie maanden onderzoekt, zult u heel interessante en ongewone constellaties vinden. De planeten Jupiter en Mars, bijvoorbeeld, stonden heel dicht bij elkaar, Mars in het teken Leeuw en Jupiter in Kreeft, en beide hebben op verschillende tijden in oppositie gestaan met de zware planeet Saturnus.

Bovendien heeft de maan natuurlijk haar gewone omlopen gemaakt en verschillende astrologische constellaties gevormd; maar misschien zijn de belangrijkste aspecten of posities van de planeten waarover ik sprak de opposities geweest. Men neemt aan dat Leeuw een vurig teken is, en dat is feitelijk ook zo. Ook Mars wordt een vurige planeet genoemd en is ook een van de twee zogenaamde ‘ongeluksbrengers’. Een vurige planeet in een vurig teken is dus werkelijk veelbetekenend en, bijna of volledig in oppositie met Saturnus zoals hij lange tijd heeft gestaan, moet Mars een dienovereenkomstige uitwerking op de aarde hebben gehad.

Wat de uitwerking op het gemoed van mensen betreft, ik zie geen reden waarom dezelfde grote spirituele en psychomagnetische energieën van het zonnestelsel die zulke gevolgen op aarde en op de andere planeten hebben geen invloed zouden hebben op het denken en het psychische gestel van mensen; en in feite hebben ze die ook. Ik ben niet van plan te veel hierover te spreken, en ik zal u ronduit zeggen waarom.

Er is inderdaad een ware wetenschap van de astrologie. Ze is een verheven wetenschap, een boeiende studie, die veel nut kan hebben, niet alleen voor het intellect van de mens, maar ook voor zijn ethische instincten door de lessen die hij uit die studie kan trekken. Maar deze verheven, werkelijk bestaande en heel oude wetenschap is in het westen praktisch onbekend. Het enige wat het westen kent van de astrologie zijn de min of meer gehavende overblijfselen van de oude en heilige wetenschap van de sterren.

Hiermee wil ik niet suggereren dat de westerse astrologie geen enkele waarde zou hebben. Integendeel, ook deze overblijfselen van die oude wetenschap van de sterren kunnen nu werkelijk waardevolle lessen geven aan de student die weet hoe hij wat uit het verleden tot ons is gekomen moet interpreteren. U kunt werkelijk de bestemming van de mensheid, een volk, een land, een individu lezen in de posities en zogenaamde aspecten of standen van de zon, de maan en de planeten.

In de oudheid hadden de astrologen een gezegde: ‘Stellae non cogunt, agunt’, wat betekent ‘de sterren dwingen niet, maar stimuleren’ – en niet alleen de sterren maar ook de zon, de maan, en de vijf planeten van de Ouden. Dit betekent dat men altijd onbelemmerd en ongedwongen over zijn aangeboren vrije wil kan beschikken. Door de energieën die de sterren, de zon, de maan en de planeten naar ons toezenden, zetten ze ons aan om bepaalde dingen te denken, op een bepaalde manier te voelen en daardoor bepaalde dingen te doen, maar ze dwingen ons nergens toe. De mens kan altijd zijn eigen gevoelens en zijn eigen gedachten veranderen, en daarom ook zijn eigen handelingen. Denk niet dat de oude astrologie een star fatalisme onderwees, of wat voor fatalisme dan ook. Dat was niet het geval. De hoofdgedachte was dat de mens als onafscheidelijk deel van het heelal in al de verschillende delen van het mechanisme van het universum nauwkeurig kan lezen wat het verleden is geweest. Daardoor kan hij op grond van de wet van oorzaak en gevolg afleiden hoe het heden is; en daardoor, op grond van dezelfde wet van oorzaak en gevolg, bepalen wat de toestanden en impulsen zullen zijn die zich in de toekomst zullen voordoen.

Ieder individu kan op elk moment op grond van zijn spirituele vermogen om te kiezen, van zijn vrije wil bij het denken en het handelen, en op basis van zijn spirituele inzicht, zijn eigen lot en dat van anderen, althans tot op zekere hoogte, veranderen – ongeacht wat de posities of aspecten of standen van de hemellichamen zijn.

Het is duidelijk dat sommige mensen door bepaalde aspecten of standen van de hemellichamen sterker worden beïnvloed, sterker worden gestimuleerd, dan andere mensen. Bepaalde individuen worden onder een van de twaalf tekens van de dierenriem geboren, wat alleen maar betekent dat ze nauwe banden van sympathie hebben met dat teken. Anderen worden om dezelfde reden onder een ander teken geboren, en zo is het met al de andere tien tekens.

Hieruit kunnen we begrijpen dat de mensen daarom in twaalf klassen van wezens kunnen worden verdeeld en die verdeling is zeer nauw en exact verbonden met de tien klassen van monaden waarover HPB in De Geheime Leer spreekt. Eigenlijk zijn er twaalf klassen van monaden, maar men verwijst gewoonlijk ernaar als tien – het zou mij vanavond te veel tijd kosten om precies te verklaren waarom dat gebeurt. Slechts zelden wordt over het aantal klassen gesproken als tien, en gewoonlijk wordt in onze literatuur maar over zeven klassen gesproken. De reden waarom men gewoonlijk spreekt over zeven klassen van monaden en niet over tien, kan ik u onmiddellijk geven. Bij de verdeling in tien moet men altijd begrijpen dat zeven ervan het gemanifesteerde of actieve deel van de hiërarchie samenstellen, de resterende drie klassen zijn dus ‘niet gemanifesteerd’. Zo is het ook met de structuur van het heelal. In elke hiërarchie zijn er tien, en in feite twaalf, gebieden of rijken of sferen of werelden – noem ze zoals u wilt. Laten we zoals gebruikelijk aannemen dat het er tien zijn. Van deze tien werelden of gebieden of sferen zijn er zeven gemanifesteerd, en drie verkeren, zoals de pythagoreeërs gewoonlijk zeiden, in de stilte en de duisternis van de onpeilbare geest.

Het moet duidelijk zijn dat als bepaalde planeten opkomen – zoals mensen ze vanaf de aarde zien – of schijnbaar opkomen in bepaalde tekens, die individuen die heel nauw met die tekens zijn verbonden, krachtig worden beïnvloed, niet alleen door de tekens maar door de planeten die op dat ogenblik juist door die tekens gaan.

Het zou daarom duidelijk moeten zijn dat op dit moment nu de planeet Mars, in de astrologie als een vurig hemellichaam beschouwd, door het vuurteken Leeuw gaat en in feite retrograde loopt, al die mensen die een min of meer vurige, krijgshaftige aard hebben, en van het type van dit teken zijn, sterker zullen worden beïnvloed dan anderen.

Wanneer de planeet Jupiter door Leeuw zou gaan, wat over enkele maanden zal gebeuren, dan zou het teken Leeuw samen met Jupiters invloed zeer sterk die mensen beïnvloeden die werden geboren toen Leeuw opkwam, maar die bij de geboorte tevens sterk werden beïnvloed door bepaalde aspecten van de planeet Jupiter, enz.

Nu vraag ik u al deze opmerkingen niet zo op te vatten dat mensen slechts de slaven zouden zijn van een ondoorgrondelijk lot dat door de hemellichamen wordt veroorzaakt. Zo is het niet. Ik heb goede reden om deze waarschuwing te geven. Ik heb mannen en vrouwen gekend, en ongetwijfeld hebben sommigen van u ook mensen gekend, die bijna elke keer dat ze kwaad doen daarvoor aannemelijke excuses bedenken. Ik heb ze horen zeggen: ‘Ja, ik heb bepaalde fouten en ondeugden in mijn karakter, maar wat wilt u? Ik ben zo geboren. De sterren waren tegen mij bij mijn geboorte’. Ik bedoel dat niemand in de invloeden van de planeten en van de zon, de maan en de sterren excuses moet zoeken voor de fouten in zijn karakter en de morele verantwoordelijkheid bij de hemellichamen moet leggen voor gedachten en gevoelens en daden die in hem opkomen.

Wat ik zeg is vaag, want ik wil niet erg diep op dit onderwerp ingaan. Ik wil niet te sterk tot uw verbeelding spreken of uw denken stimuleren zodat u allen de astrologie gaat bestuderen, zoals die in het westen wordt onderwezen. Dat is niet mijn bedoeling. Wat ik probeer uit te leggen is het volgende. Een mens wordt op een bepaald ogenblik op aarde geboren wanneer zon, maan en sterren in bepaalde posities staan, en ten opzichte van elkaar bepaalde aspecten vormen, niet omdat hij door deze wordt aangetrokken om dan te worden geboren, maar omdat de instincten en impulsen van zijn wezen door op dat ogenblik geboren te worden – bij zulke conjuncties, opposities, vierkanten, halfsextielen, driehoeken en wat al niet – de open en bij hem passende deur vinden tot fysieke geboorte. Met andere woorden, de invloeden die dan de overhand hebben zijn die welke op dat moment geschikt zijn voor zijn belichaming. Het is de innerlijke mens die over een vrije wil beschikt, die handelt en die het leven dat hij kiest ingaat; hij wordt daartoe gebracht door zijn eigen karma, terwijl de planetaire configuraties en aspecten en standen alleen maar als een open deur het type of soort mens dat dan wordt geboren, bepalen of aanduiden. Daarom herhaal ik: Stellae non cogunt, agunt; de sterren dwingen niet, maar ze stimuleren. Of, om de zin overeenkomstig mijn laatste opmerking te wijzigen: de sterren vormen u niet, ze geven aan wat u bent.

Vr. – Mag ik wat vragen? Het gaat over Reichenbach, de Duitser, of ik geloof dat hij een Oostenrijker was. Er is ons gezegd dat het het beste is om met het hoofd naar het noorden te slapen. Reichenbach zegt dat het op het noordelijk halfrond zelfs belangrijker is op de rechterzijde te liggen, want de krachtigste polariteit in het menselijk lichaam is niet tussen het hoofd en de voeten maar tussen de rechter- en de linkerzijde. Volgens hem is er een drievoudige polariteit in het menselijk lichaam, de sterkste tussen de rechter en de linkerzijde, de volgende in kracht tussen hoofd en voeten, en de derde, de minst krachtige, tussen de voor- en achterkant van het lichaam. Mensen op het zuidelijk halfrond van de aarde zouden dus op hun linkerzijde moeten liggen. Maar hij schijnt te zeggen dat het om een andere reden is, bijna het tegengestelde van wat u ons als reden heeft gegeven. Het is niet omdat bijvoorbeeld het hoofd als pool overeenkomt met de noordpool van de aarde, maar omdat het de tegengestelde pool is, want tegengestelde polen trekken elkaar aan, en hij had dit feit geconstateerd door zijn proeven met magneten. Het astrale van het menselijk lichaam wordt beschermd, juist omdat de rechterzijde van het lichaam en het hoofd van het lichaam een tegengestelde polariteit hebben aan die van het noorden.

Dit komt me opmerkelijk voor, want volgens onze lering begrijp ik het zo dat het hoofd en de rechterzijde van het lichaam eenzelfde polariteit hebben als de noordpool, en in dat geval zouden ze elkaar moeten afstoten. Als dus magnetische omstandigheden invloed hadden op dat soort dingen, zou men minder goed moeten slapen, en misschien uit het lichaam worden geworpen door in de positie te slapen die u aanbeveelt.

Reichenbach zegt vele proeven te hebben gedaan en veel dingen te hebben opgemerkt. Bijvoorbeeld: sommige mensen, zwakke vrouwen, die een paar uur in een kerk zitten, naar het oosten gekeerd, hebben hun linkerkant naar het noorden; dat is de verkeerde kant, en daardoor worden ze bewusteloos, vallen in zwijm. Kortom, ze kunnen het niet verdragen.

Ik zou u dankbaar zijn voor een verklaring van de filosofie van deze zaak.

GdeP – U heeft over een zeer interessant onderwerp gesproken, en ik geloof dat Reichenbach over het geheel genomen een werkelijke waarheid heeft geconstateerd. Maar als ik u goed heb begrepen, is er een ding waarover u spreekt waarbij u misschien een onderscheid maakt zonder dat er een verschil is. Volgens de moderne westerse theorie heeft een magneet twee polen, nietwaar? Deze worden de noord- en de zuidpool genoemd. Als u twee magneten bij elkaar brengt, moet de noordpool van de ene staan tegenover de zuidpool van de andere, en dan zullen ze aan elkaar blijven hangen.

De beide noordpolen wijzen in dezelfde richting en stoten elkaar dus niet af. Zo is het ook met het menselijk lichaam dat in bed slaapt met het hoofd naar het noorden. De positieve pool van de mens, zijn noordpool, zijn hoofd, wijst dus naar de noordpool van de aarde en krijgt dus het magnetisme dat van de zuidpool komt van alle voorwerpen die vlak bij zijn hoofd liggen of het aanraken.

Dat is de reden waarom de zogenaamde ‘noordpool’ naar het noorden zou moeten wijzen. Dat is ook de reden waarom een mens zijn noordpool, zijn hoofd, naar het noorden moet richten. Het is omdat de invloed, het magnetisme dat in zijn noordpool komt, uit de zuidpool van de magneet komt, wat het ook is, zichtbaar of onzichtbaar, waarmee zijn hoofd in direct contact staat. De afstand tussen de noordpool en het hoofd van de mens die slaapt zou kort of lang kunnen zijn. Maar die afstand is samengesteld uit stof of materiële dingen tussen de noordpool en het hoofd van de mens, en lijkt dus op een reeks magneten waarvan de ene aan de andere hangt in een kortere of langere keten van magneten. In alle gevallen wijzen alle noordpolen in dezelfde richting naar de noordpool van de aarde.

Afgezien van wat ik zojuist heb gezegd, betwijfel ik het zeer of baron Reichenbach wat betreft het slapen op de verschillende zijden van het lichaam helemaal gelijk heeft. Ik begrijp dat er artsen zijn die het slapen op de rechterzijde aanbevelen volgens een theorie dat het hart daardoor vrijer zou kunnen werken, niet zou worden samengedrukt. Maar veel belangrijker dan dat is het volgende: de ideale wijze van slapen, als de mens hiervan een gewoonte zou kunnen maken, is met het hoofd naar het noorden of het noordoosten – maar het beste is naar het noorden – en het lichaam enigszins gebogen, met de knieën min of meer opgetrokken, maar op een natuurlijke manier, terwijl de voeten naar het zuiden wijzen.

Het is interessant dat veel oude volkeren hun doden in deze halfronde of gebogen houding begroeven, ‘hun laatste slaap slapend’. Men zegt dat dit ook de houding is van het ongeboren kind in zijn voorgeboortelijke slaap. Volgens de theorie – en dit is een feit – bewegen alle elektromagnetische energieën zich in spiralen of cirkels. Dan stromen ze volmaakt. En het lichaam dat zo gebogen in bed ligt met het hoofd bij voorkeur naar het noorden, met min of meer opgetrokken knieën en de voeten naar het zuiden, geeft aan de natuurlijke magnetische circulaties van de aarde alle gelegenheid vrij door het lichaam te stromen, zonder onnodige weerstand. De natuur laat het ongeboren kind ook zo slapen.

Voorzover mensen dit kunnen doen zou ik sterk aanraden dat ze in hun slaap deze houding van het lichaam proberen aan te nemen. Het is misschien niet van zo groot belang, omdat het gemiddelde gezonde lichaam heel wat kan doorstaan.

Vr. – Mag ik iets hieraan toevoegen? Artsen [natuurkundigen?] hebben nu iets ontdekt wat de uitspraken van Reichenbach over de rechter- en linkerzijde van het lichaam bevestigt. Ze hebben ontdekt dat bij iedere hartslag een elektrische stroom van rechts naar links door het lichaam gaat.

GdeP – Dat is waar. Heeft Reichenbach dit ontdekt?

Vr. – Ja, de polariteit, maar niet het feit van de elektrische stroom. Maar de nieuwere ontdekking schijnt zijn leer over de polariteit te ondersteunen.

GdeP – Ik denk dat het waar is. Het hoofd is zeker de noordpool van het lichaam, de voeten zijn de zuidpool; de voorzijde van het lichaam is positief, de achterzijde is negatief; de rechterzijde is positief, de linker negatief. Er is dus een drievoudige maar eenvormige stroom die altijd door het lichaam rondgaat.

Vr. – Ik zou op dit punt volkomen duidelijkheid willen hebben voor mijn werk met de kinderen. Als u spreekt over slapen met het hoofd naar het noorden en met opgetrokken knieën, betekent dat dan dat men op de rug of op een van de zijden ligt?

GdeP – Op de zijde van het lichaam.

Vr. – Bij kinderen merk ik op dat baby’s bijna altijd op hun rug liggen met de knieën iets opgetrokken; en drie van de oudere kinderen die ik verzorg slapen ook zo, maar ik denk niet dat dit een goede houding is.

GdeP – Dat geloof ik ook niet, tenzij het een zeer jong kind betreft; in dat geval zou ik het niet storen, omdat zeer jonge kinderen uit instinct handelen. Maar bij een ouder kind of een volwassene zijn de omstandigheden anders. Ik zou iemand niet aanraden op de rug te slapen. Het is beter op de buik te slapen, met het gezicht naar beneden. Maar ik vind dat men in bed het rustigst slaapt op de rechter- of linkerzijde, en bij voorkeur op de rechterzijde met het hoofd naar het noorden en met de benen iets opgetrokken zoals ik heb gezegd, waarbij het lichaam ontspannen is. Als u probeert de benen op te trekken en daarvoor energie en wilskracht moet gebruiken, zult u uw rust natuurlijk zeer verstoren.

Vr. – De kinderen waarover ik sprak zijn zeven of acht jaar oud.

GdeP – Dat is helemaal niet oud. Toen ik hierover sprak dacht ik aan oudere kinderen en volwassen. Ik zou willen aanbevelen dat het kind na het tiende jaar wordt aangeraden om te proberen niet op de rug te slapen. Ik geloof dat dit voor opgroeiende kinderen of volwassen niet goed is. Natuurlijk zou ik baby’s in die houding laten liggen, zoals ze die in hun slaap instinctief aannemen.

Vr. – Als men steeds op één zijde en niet op de andere ligt, bestaat dan het gevaar dat er een abnormale ruggengraatsverkromming ontstaat?

GdeP – Dat gevaar bestaat inderdaad.

Vr. – Op 2 november [1930] maakte u aan het eind van het programma over ‘Cagliostro’, enkele opmerkingen, en twee ervan waren: ‘Voor elke Cagliostro die verschijnt is er altijd een Balsamo die hem vergezelt, en in feite wordt iedere boodschapper onafscheidelijk vergezeld door zijn schaduw. Is het toegestaan om wat meer licht te werpen op deze uitspraken?

GdeP – Ik kan u hier tenminste iets over hen vertellen wat ik op een openbare bijeenkomst niet kan zeggen. U kent allen het verhaal van de Christus en zijn Judas. Dit verhaal heeft echter een interessante betekenis. Het kan worden opgevat als het verhaal van het verraad van één mens door een medemens, met andere woorden als een gewone of alledaagse legende. Maar eigenlijk heeft ieder mens zijn eigen Judas in zich: de lagere, hartstochtelijke, slechte kant van zijn natuur.

Iedere boodschapper van de Loge die tot dusver is verschenen had zijn of haar Judas. Ik vertel liever niet precies wie deze Judassen zijn geweest, of wie het nu is. Ik heb mijn Judas.

Het is een vreemde wet in het occultisme, en deze geldt ook in het dagelijks leven, dat geen enkele spirituele impuls in de tegenwoordige staat van de evolutie van de mens op zichzelf schijnt te kunnen slagen of te worden doorgezet of volbracht – ik bedoel onbelemmerd, ongehinderd. Iedere spirituele impuls schijnt een overeenkomstige en even krachtige reactie op te wekken, die als zijn belichaming een menselijke Judas voortbrengt, voorzover het de boodschappers van de Loge betreft.

Giuseppe Balsamo was ongetwijfeld de Judas van Cagliostro. Dat is volgens mij duidelijk. Dit feit is al genoemd en er is geen reden om het te verzwijgen. Wie de Judas of ‘schaduw’ van Graaf de Saint Germain was, schijnt onbekend te zijn, en misschien is dat maar goed ook.

En nu wil ik iets zeggen dat misschien heel vreemd zal klinken. Er zijn in het occultisme veel mysteries, en toch bevatten ze zoveel nuttige gedachten wanneer ze onder onze aandacht worden gebracht. Niet alleen heeft iedere boodschapper zijn eigen Judas, maar deze Judas wordt voortgebracht door de daden van de boodschapper zelf en is op een vreemde en mysterieuze wijze karmisch bestemd het middel te zijn, ten eerste om het werk van de boodschapper te belemmeren, maar uiteindelijk om het tot een schitterend succes te brengen.

Neem bijvoorbeeld het verhaal van de christelijke verlosser Jezus, de Christus genoemd. Over hem wordt gezegd dat als er geen Judas was geweest om hem te verraden, en het zo mogelijk maakte dat het ‘goddelijke plan’ ten uitvoer werd gebracht, hij zijn werk niet had kunnen volbrengen. Evenzo is over de duivel van de christenen, opgevat als een hypothetische persoonlijkheid, gezegd dat als die duivel niet had bestaan, wat zou dan in ’s hemelsnaam het nut van de komst van Christus zijn geweest?

Er ligt een werkelijke esoterische waarheid ten grondslag aan dit vreemde en eigenaardige verhaal van de christenen, en ik heb geprobeerd naar deze waarheid te verwijzen. De boodschapper kan zijn werkelijke taak niet verrichten, tenzij hij de Judas kan voortbrengen om hem tegen te werken. Is dat niet iets vreemds, iets eigenaardigs, iets geheimzinnigs? En toch is het waar. Naar het schijnt is dus de boodschapper in zekere zin zelf verantwoordelijk voor de Judas die hem verraadt.

Vr. – Ik ben The Face of Silence [Het gelaat van de stilte] van Mukherji aan het lezen. Het boek bevat veel interessante feiten over Ramakrishna; hij schijnt een opmerkelijke man te zijn geweest en een boodschapper van een andere soort. Is het niet zo dat er verschillende typen boodschappers zijn? Zijn terminologie is zo anders dan de onze. Het komt me voor dat hij de theosofische wijsheid mist, maar hij schijnt in allerlei opzichten een bewonderenswaardig inzicht te hebben. Zou u deze verschillende soorten boodschappers willen toelichten?

GdeP – Ja, voorzover ik dat kan. Ik zou Ramakrishna, of een andere hindoe van wie de naam me nu te binnen schiet, Ram Mohun Roy – en er zijn een aantal van zulke mensen geweest – geen ‘boodschappers’ willen noemen. Een boodschapper is een bepaald individu dat komt met een opdracht van de Loge van de meesters van wijsheid, mededogen en vrede om in de wereld een bepaald werk te doen. Maar afgezien van deze bijzondere klasse die we de boodschappers noemen, brengt de mensheid op verschillende tijden in haar geschiedenis grote figuren voort, soms zeer heilige, goede mensen, zeer spiritueel, die, hoewel ze dat zijn, technisch gesproken geen boodschappers kunnen worden genoemd, omdat ze niet door de meesters zijn uitgezonden met een speciale en bijzondere opdracht om in de wereld een bepaalde taak te verrichten.

Daarom zou ik Ramakrishna geen theosofische boodschapper in onze betekenis van het woord willen noemen.

Vr. – Is er een analogie tussen de boodschapper die zijn Judas moet voortbrengen, en iemand die met kracht moeilijkheden en hinderpalen opwerpt om die in zijn natuur te overwinnen en daaraan het hoofd te bieden?

GdeP – Dat is juist. U heeft uw vinger precies gelegd op het punt waar het om draait. En ik zal zelfs een stap verder gaan. U kunt de Judas van een boodschapper zijn ‘tweelingbroer’ noemen, maar een tweelingbroer van de ‘schaduw’. Het is iets vreemds dat, zover ik weet, zover mij is geleerd, er voor iedere meester van wijsheid die in de wereld heeft gewerkt er een overeenkomstige broeder van de schaduw is geweest. Het lijkt iets op de tegenstelling van de polen waarnaar eerder vanavond is verwezen met betrekking tot het fysieke lichaam. Het schijnt bijna alsof een positieve pool niet zou kunnen bestaan tenzij daartegenover een gelijkwaardige pool bestaat, de negatieve pool. Dat is de situatie in het huidige evolutiestadium van de mens.

Ik zou ongelijk kunnen hebben in wat ik nu ga zeggen, omdat het onderwerp heel diepzinnig is. Maar ik denk dat deze situatie van een boodschapper en zijn schaduw in de verre toekomst er niet altijd zal zijn, en daarbij bedoel ik in bijvoorbeeld de zevende en mogelijk in de zesde ronde van onze planeetketen. Ik geloof niet dat dezelfde vreesaanjagende toestand – en het is vreesaanjagend in de ware zin van het woord – dan zal heersen en dat een leraar van het licht niet in de wereld kan verschijnen zonder een even sterke kracht van de duisternis, kracht van het kwade, op te wekken. Natuurlijk zal het licht tenslotte altijd de overwinning behalen. Er is een logische reden daarvoor, als we erover nadenken.

Ieder mens die de strijd aangaat om zichzelf te overwinnen – en ik gebruik de woorden ‘strijd aangaat’ omdat het gewoonlijk zo wordt omschreven – wekt onmiddellijk tegengestelde energieën in zijn wezen op. Hij heeft de donkere krachten in zijn eigen karakter uitgedaagd en deze springen direct tevoorschijn, en hij moet ze overwinnen – of omkomen als hij dat niet doet. Dit feit treedt op bij alle inwijdingen, en ongetwijfeld zullen zij onder u die HPB’s werken goed kennen, zich enkele van haar wenken herinneren over wat er tijdens inwijdingen gebeurt, wanneer de initiant, de neofiet, tegenover zichzelf komt te staan en zichzelf moet overwinnen, of anders sterven. Want inwijding is onverbiddelijk. Het licht moet òf gaan schijnen òf uitdoven.

Vr. – Als de tegenwerkende krachten er niet waren om ons uit te dagen en de strijd met ons aan te binden, wat voor aansporing zouden we dan hebben om naar het toppunt van spiritualiteit te streven – als we ons niet moesten inspannen om de lagere natuur te overwinnen? Is dat niet de voornaamste reden waarom we in verleiding worden gebracht?

GdeP – Ik denk het wel. Volgens het beginsel dat we allen heel goed kennen, klimmen we door onze fouten te overwinnen. Wat zegt de dichter hierover? Ik herinner me de woorden niet precies: ‘Over onze dode zelven als treden klimmen we naar hogere dingen.’

Vr. – ‘. . . opdat de mensen de treden zullen opgaan
van hun dode zelven naar hogere dingen.’ – Tennyson

GdeP – Dat is het precies, en die bewering is heel waar. De verheven overwinning waarvan degene die streeft weet dat hij die uiteindelijk zal behalen, vormt natuurlijk de aansporing om te klimmen. Maar het proces zelf bestaat uit het zich verheffen boven onze dode zelven als treden naar hogere dingen. Het is een prachtige gedachte.

Vr. – In Leonid Andrejevs wonderbaarlijke mystieke verhaal over Judas Iskariot schildert hij Judas in een heel ander licht af dan waarin we hem gewoonlijk zien. In één deel van zichzelf schijnt hij zich bewust te zijn van wat hij doet, en hij heeft werkelijk een grote liefde voor Jezus. In dit verhaal schijnt hij ondanks zichzelf ertoe te worden gedreven om juist deze dingen te doen die hij moest doen. Ik vroeg me af of zo’n situatie waar zou kunnen zijn – of Judas zich bewust kon zijn van enig hoger gevoel, maar op hetzelfde moment verplicht zou zijn te doen wat hij moest doen.

GdeP – In zekere zin is het niet alleen waar, maar er schuilt een grote esoterische waarheid in. Vergeet niet dat iedere Judas een christus in embryo is. Iedere kwade hartstocht in een mens is in zijn kern een goddelijke energie. Het op orde brengen van deze energieën, vaak wordt gesproken over het ‘vernietigen’ ervan, het corrigeren ervan, maakt de mens – wanneer dat gebeurt en hij op die manier zichzelf overwint – zo groot en sterk, omdat zijn hele natuur daarna opwaarts gaat in één stroom van energie.

Niettemin weten zelfs de Judassen ergens in hun constitutie – hoewel hun haat verschrikkelijk is, hoewel ze vechten voor hun boze leven zoals alle kwade energieën dat doen – dat hun eigen dood een overwinning betekent voor hun eigen spirituele zelf. Natuurlijk gebruik ik gewone, menselijke woorden, ‘dood’, ‘overwinning’, enz. Het feit dat ze worden overwonnen betekent paradoxaal de redding voor henzelf. In de Judas gaan de stromen naar omlaag; in de boeddha, in de meester, bewegen de stromen zich opwaarts. Maar in beide gevallen zijn de energieën, relatief gesproken, dezelfde. Voor mensen met een aanleg voor mystiek is dit een heel boeiend onderwerp om over na te denken. Hier zien we nog eens een reden voor het grootse oude gebod dat de goden ons hebben gegeven: ‘Leer vergeven, leer liefhebben, want dit brengt harmonie en kracht.’ De regel is eenvoudig, zo eenvoudig dat een kind die kan begrijpen.

Het is de plicht van de boeddha, van de christus, van de meester, zijn eigen Judas te redden, om van een verbitterde vijand, een kwaadwillende en onverzoenlijke tegenstander, de grootste en trouwste helper te maken. Vreemde paradox!

Vr. – We horen in ons theosofische werk over de noodzaak te worstelen en de strijd aan te gaan met het lagere deel van onze natuur, en gewoonlijk wordt dit opgevat als een strijd tegen hevige hartstochten. Is het niet waarschijnlijker dat we zullen worden beïnvloed door subtielere, bijna negatief te noemen, hartstochten – het niet doen van de juiste dingen of het niet vasthouden van de juiste gevoelens?

GdeP – U heeft groot gelijk. De moeilijkste problemen waarmee wij als mensen te maken krijgen liggen niet zozeer in onze heftiger instincten, impulsen en hartstochten als wel in de subtiele energieën van ons wezen, die ons onverwachts overvallen en zich als het ware stormenderhand meester van ons maken. U weet dat ieder mens, beschouwd als een entiteit, drie fundamentele innerlijke kwaliteiten heeft die de hindoes tamas, rajas en sattva noemen: anders gezegd de tamasa, rajasa en sattvika eigenschappen. De tamasa eigenschappen zijn die welke u de negatieve eigenschappen heeft genoemd. De rajasa eigenschappen heeft u de hevige hartstochten genoemd, de krachtige en tegendraadse elementen van onze constitutie. De sattvika hoedanigheden zijn misschien de subtielste van de drie klassen, en hoewel ze het hoogst staan in de reeks, zijn ze ook de kwaliteiten of energieën of delen van onze constitutie die het moeilijkst zelfbewust zijn te beheersen omdat ze het moeilijkst zijn te begrijpen.

Bijvoorbeeld, een mens kan falen door een goede of sattvika impuls, even gemakkelijk als hij kan falen door toe te geven aan een rajasa of hevig hartstochtelijke impuls. De goede kanten van ons karakter zijn feitelijk het moeilijkste om te overwinnen. Is dit niet een vreemde paradox? Het komt erop neer dat een mens volledig meester over zichzelf moet worden, en niet maar gedeeltelijk. Hij moet zelfs niet toelaten dat zijn wil, zijn oordeel, zijn onderscheidingsvermogen – kortom het hogere deel van zichzelf – op een dwaalspoor worden gebracht door zijn goede impulsen. Hij moet niet op een onverstandige manier goede dingen doen, want er kan allerlei onheil worden veroorzaakt door onverstandig handelen, zelfs als hij tracht goede daden te verrichten. Een mens moet zichzelf volledig, volkomen de baas zijn om een meester van het leven te worden. Hij moet de beheersing hebben over alle delen van zichzelf. Hij moet niet alleen meester zijn over zijn lichaam, dat we het tamasa deel kunnen noemen; niet alleen over zijn hartstochtelijke en psychische deel, dat we het rajasa kunnen noemen; maar hij moet ook meester zijn over zijn hogere natuur, zijn sattvika deel.

Soms geloof ik dat er in de wereld werkelijk niet zoiets is als ‘zonde’. Ik moet nog een mens tegenkomen die ik werkelijk – geheel en al en zonder enig voorbehoud – kan kwalificeren als een slecht mens die dat welbewust, moedwillig en met kwade opzet is. Bij de slechtste mensen die ik ooit heb gekend heb ik altijd kunnen ontdekken dat de slechte dingen die ze doen meer voortkomen uit hun pogingen om zichzelf aan te passen dan uit een onnatuurlijke en verdorven liefde voor verschrikkelijke en weerzinwekkende handelingen en dingen.

Juist de kleine dingen zijn vaak heel belangrijk. Vaak brengt de negatieve, passieve kant van ons karakter ons op een dwaalspoor. Traagheid is een voorbeeld hiervan. Ik heb grotere verwachtingen van een mens die heftig is in zijn gevoelens, in zijn instincten, zelfs in zijn handelingen, dan in iemand die dronken is van spirituele zelfgenoegzaamheid, of verzonken is in een volkomen ethische slaap. En tenslotte vrees ik het meest voor een mens van wie de instincten zelf goed zijn, van wie de impulsen naar het hogere aspireren, maar die zichzelf niet goed begrijpt. Al gaat zo iemand snel vooruit, hij raakt toch altijd in moeilijkheden, zit altijd in de problemen. Hij begrijpt anderen altijd verkeerd, en wordt zelf nooit begrepen.

Het enige antwoord dat we dus op uw vraag kunnen geven is: De mens moet leren om zichzelf op alle gebieden te beheersen, alle delen van zijn constitutie te beheersen, en dan onpersoonlijk te handelen met zijn hart vol onpersoonlijke liefde, en zich onzelfzuchtig dienstbaar te maken aan alles wat is.

Ik wil ook iets zeggen over die termen die niet alleen in onze literatuur maar ook in de wereldliteratuur zo algemeen voorkomen: ‘worsteling’, ‘vechten’, ‘strijden’ – beeldspraak afkomstig van het slagveld of de boksring. Ze zijn in alle delen van de wereld heel gewoon. Maar ik vraag me vaak af of ‘overwinning’ – om dezelfde gedachtelijn te volgen – niet gemakkelijker wordt behaald door niet te ‘worstelen’ en te ‘vechten’ en te ‘strijden’. U begrijpt misschien wel hoe gevaarlijk deze opmerking kan klinken voor mensen die deze gedachte niet begrijpen.

Ik geloof dat de manier om te winnen is door dat met liefde, vriendelijkheid en onpersoonlijkheid te doen. De beste wijze om de lagere natuur te overwinnen is niet door haar te ‘bevechten’ en te ‘bestrijden’, waardoor men haar sterk en energiek maakt, maar door te begrijpen dat ze een deel van uzelf is en door haar vastberaden op haar plaats te zetten met vastbesloten en onpersoonlijke vriendelijkheid en zachtheid. De beste manier om hiermee te beginnen is vaak door haar volledig te negeren, haar de rug toe te keren.

Ik heb vaak mannen en vrouwen gezien die kennelijk hun leven hebben doorgebracht met het strijden en worstelen met zichzelf. Het stond als het ware met grote letters op hun voorhoofd geschreven. Men zag het aan hun manier van lopen. Ze waren een en al zenuwen, uiterst gespannen. Dit lijkt me een volkomen verkeerde psychologische methode. Het is veel gemakkelijker en doeltreffender zich rustig boven deze lagere elementen van onze constitutie te verheffen, en zo te leven in een sfeer van innerlijke vrede en harmonie, waarbij we onwaardige elementen in ons eenvoudig negeren, en deze tenslotte een natuurlijke dood sterven. Op deze manier prikkelt u ze niet en voedt u ze niet door er buitensporig aandacht aan te schenken. Negeer ze eenvoudig! Laat uw hart vervuld zijn van harmonie, vrede en onpersoonlijke liefde. Daar gaat het om – liefde voor alle dingen, groot en klein. De man of vrouw die voortdurend strijdt, vecht, worstelt, is in feite al verslagen vóór hij of zij tot resultaten komt.

Lao-tse uit China was een wijs man. Zijn paradoxen bevatten op dit gebied meer diepzinnige psychologische waarheid dan die van bijna elke andere leraar, dan de leringen van bijna elke andere wijze. Hij maande zijn leerlingen altijd aan: ‘‘Vecht’ niet, ‘worstel’ niet. Wees stil, in vrede, in harmonie.’

Vr. – Kan het zijn dat het helemaal afhangt van het deel van onze constitutie waarmee we ons vereenzelvigen? Als we ons vereenzelvigen met de persoonlijke mens voor wie deze gedragscode van strijd in de wereld bestaat, en onszelf in dat licht zien, beperken we ons tot die kring. Vereenzelvigen we ons met het hogere deel van onze natuur, het spirituele deel, het deel dat gedurende de hele periode van activiteit blijft leven en die periode overziet, zou het dan niet kunnen zijn dat, als we ons met dit laatstgenoemde deel vereenzelvigen, de strijd op de lagere gebieden daardoor wordt verzwakt: dat de energieën dan zo worden verheven dat ze op deze ruimere gebieden worden toegepast, en dat dit leven vol ‘strijd’ op de lagere gebieden er dan niet meer is?

GdeP – Zeer juist. Vanuit een psychologisch standpunt gezien is wat u heeft gezegd een diepe waarheid, en hiernaar heb ik enkele ogenblikken geleden verwezen. Het is duidelijk dat als u zich met uw lagere natuur vereenzelvigt, u ermee moet strijden en vechten. U bent dan op dat gebied. Dan verlaagt u uzelf. Dus, waarom zou u zich niet boven dit alles verheffen, en aan dit alles geen aandacht besteden, er niet aan denken? Vind vrede in uzelf. Als uw hart een en al harmonie is, zal uw lagere natuur u niet langer dwars zitten. Bedenk dat iedere keer dat u toegeeft aan uw lagere natuur, u het niet alleen moeilijker voor uzelf maakt om u de volgende keer erboven te verheffen, maar u verlaagt daardoor ook elke vezel van uw constitutie. Leef dus niet op de lagere gebieden, daal niet af naar die gebieden. Geef geen erkenning aan deze andere en onedele zaken. Wees daar stil, wees daar rustig. Verhef u boven dit alles. Leef op een ander gebied. Het is even gemakkelijk; in feite is het gemakkelijker – oneindig veel gemakkelijker.

Iedere man of vrouw die de strijd aangaat met de hartstocht – laten we dat voorbeeld nemen – vereenzelvigt zich tijdelijk met die hartstocht en betaalt daarvoor een vreselijke prijs. Geef niet toe aan die hartstocht door u te verlagen tot dat gebied. Dat is de regel. Hoevelen van u zijn sterk genoeg om die te volgen, en in vrede te leven, in harmonie te leven met alle andere wezens? Want dat betekent het in feite. Dat is de beloning. U verenigt zich met de hogere delen van uw natuur, en daardoor vereenzelvigt u zich met de hogere delen van het heelal. En nu keer ik terug tot wat ik al eerder heb gezegd: ik ben van mening dat al dit praten over ‘worstelen’, ‘vechten’ en ‘strijden’ een totaal verkeerde benadering is.

Vr. – Vereenzelvigen we ons met dit lagere zelf wanneer we wroeging hebben of lijden, omdat we weten dat we niet overeenkomstig het beste in onze natuur hebben geleefd?

GdeP – Ja, in een zeer werkelijke zin is dat waar. Het is een veel minder slechte manier van zich vereenzelvigen met de fouten die we hebben gemaakt, of met de slechte daden die we hebben verricht, dan om daartegen te ‘vechten’. Maar als we op een abnormale en ongezonde wijze bij onze vroegere fouten blijven stilstaan, vereenzelvigen we ons ermee, en dit is een groot struikelblok voor vooruitgang.

Vr. – Wat lijdt er in ons als we een fout hebben gemaakt? Het is toch niet het hogere zelf?

GdeP – Zeker niet. Het is niet de Christus in u die lijdt. Het is de Judas, het lagere zelf, die lijdt – uit schaamte, uit wroeging en van verdriet.

Vr. – Geldt dit niet ook voor rouw en verdriet om een gestorvene?

GdeP – Helemaal waar. Dit zou een beetje wreed kunnen klinken voor mensen met een gevoelig hart. We houden allemaal van hen die zijn heengegaan; maar toch, wanneer we erover nadenken, wat is het dan dwaas voor ons theosofen onze kracht aan ongezonde jammerklachten te verspillen door toe te staan dat ons hart onophoudelijk wordt gekweld. Het is niet goed, het is geen deugd. Het is zwakheid. Dit betekent niet dat we ons hart moeten verharden, want dat is een ondeugd. Geen mens kan ontkomen aan het gevoel van pijn en verdriet als iemand die hij liefheeft is heengegaan. Dat is heel natuurlijk, en in zekere zin gepast. Toch is het dwaas en daarom verkeerd om ongezond lang in ons denken stil te staan bij de deugden van hen die zijn heengegaan en bij onze reactie van persoonlijke pijn en lijden omdat we zijn beroofd van hun gezelschap. Laten we hun deugden niet vergeten. Laat de herinnering aan hen in ons hart blijven leven. Laten we hen meer dan ooit liefhebben. Dat is menselijk, op een goddelijke manier menselijk en gepast. Dat is één ding; maar om luid te klagen, of in stilte verdrietig te zijn, maanden en maanden lang te rouwen – dat is niet goed.

Vr. – Mag ik nog een ogenblik terugkomen op het onderwerp van de Judas? Bij minstens twee gelegenheden sprak Katherine Tingley uitvoerig over een vijand van Judge die zij de man achter de boom noemde; en bij één van die gelegenheden was die vijand ook haar vijand. Is mijn gedachte juist dat de Judas die iedere leraar als een schaduw volgt of die door de leraar tevoorschijn wordt gebracht, een mens is, een man onder de mannen of een vrouw onder de vrouwen, en op dit gebied is belichaamd? Of leeft hij misschien op een ander gebied – is hij een van de broeders van de schaduw? Ik kreeg de indruk uit wat KT zei, dat deze man achter de boom, die Judge’s grootste vijand was, zich niet op dit gebied bevond.

GdeP – In antwoord op uw vraag kan kortweg worden gezegd: De broeders van de schaduw zijn in sommige opzichten zoals de meesters van wijsheid, ze kunnen al dan niet op dit gebied zijn. Maar de Judassen over wie ik zojuist sprak, waren allen mannen en vrouwen – mensen. Iedere meester heeft zijn ‘schaduw’. Iedere boodschapper heeft zijn of haar schaduw. En dit woord ‘schaduw’ wordt niet zomaar gebruikt. Het is een individu, karmisch heel nauw verbonden met de boodschapper, zo nauw dat ze als individuen, een ‘tweede ik’ kunnen worden genoemd. Er is een sterke band tussen elk individueel geval en zijn of haar ‘schaduw’.

Vr. – Zou het waar kunnen zijn dat als de boodschapper wordt teruggetrokken, de ‘schaduw’ sterft of eveneens wordt teruggetrokken?

GdeP – Dat is zo. Bijna onveranderlijk sterft die of verdwijnt van het toneel. Soms gebeurt het dat de ‘schaduw’ als eerste gaat.

Vr. – Over de lagere natuur die wroeging of schaamte ervaart, zou ik willen vragen: Waar is die bewustzijnstoestand gezeteld? Bevindt die zich gedeeltelijk in de lagere natuur?

GdeP – Hij is in de lagere natuur. Op dat feit heb ik vaak gewezen toen ik zei dat het geweten een gids is, maar volstrekt niet onfeilbaar, eenvoudig omdat de hogere natuur binnen de lagere natuur waarin het geweten zetelt nog niet voldoende is ontwikkeld om een onfeilbare gids te zijn.

Zelfs bij de dieren ziet u min of meer hetzelfde. Een hond die als huisdier wordt gehouden, bijvoorbeeld, vertoont de eerste tekenen van een geweten. Hij weet heel goed wanneer hij iets verkeerds heeft gedaan, tenminste op dat ogenblik.

Dit illustreert de vraag die u heeft gesteld. Het geweten is het leidende licht van de lagere natuur, en die lagere natuur is de gemiddelde mens, dat deel van zijn constitutie dat het lagere menselijke deel is. Het geweten dat erin werkt is het hogere menselijke deel, een deel van de goddelijke straal uit de innerlijke god, die zich onvolkomen uitdrukt omdat de lagere natuur, het gewone menselijke deel, nog niet in staat is deze in zijn volle glorie te openbaren. Het schijnsel ervan is zwak, maar het is er, en het is een licht.

Vr. – De Stem van de Stilte (blz. 36) spreekt over het kwijtraken van het bewustzijn van begeerte. Als u over de buddhische luister spreekt, bedoelt u dan dat het bewustzijn zich op zo’n moment heeft vereenzelvigd met een deel van de menselijke constitutie boven wat in De Stem van de Stilte het ‘bewustzijn van begeerte’ wordt genoemd? Is de buddhische luister dan zichtbaar? Heb ik de vraag misschien slecht geformuleerd?

GdeP – Ik geloof dat ik u wel begrijp.

Vr. – Ik dacht dat de uitdrukking ‘het kwijtraken van het bewustzijn van begeerte’ in De Stem van de Stilte verband hield met wat u zei over het zich verheffen boven alle verzoekingen en de zogenaamde worstelingen van de lagere gebieden, zodat we ons niet meer bewust zouden zijn van iets dat lager is dan het hogere.

GdeP – Dat klopt.

Vr. – Is dit dan de reden waarom de buddhische luister zichtbaar wordt?

GdeP – Ja, u heeft een heel diepzinnig onderwerp aangeroerd om over na te denken. Het ‘kwijtraken van alle bewustzijn van begeerte’ betreft natuurlijk alleen de lagere begeerte. Denk eraan dat begeerte zowel iets goddelijks als iets stoffelijks kan zijn. Er zijn ook goddelijke begeerten.

Van de buddhische luister kan men moeilijk zeggen dat die wordt ‘gezien’ met het fysieke oog, hoewel de uitwerking ervan werkelijk zichtbaar is in de mens in wie de buddhische luister schijnt. De buddhische luister straalt energieën uit die direct worden gevoeld. Wanneer de lagere delen van de mens zo vol zijn van slechte verlangens dat ze hem geheel beheersen kan de buddhische luister bijna niet werken. Als de mens zich boven het begeerte-gebied verheft, het gebied van de lagere verlangens, verbindt hij zich met zijn spirituele delen, en ogenblikkelijk daarna wordt zijn hele wezen verlicht door de buddhische luister. Is uw vraag hiermee beantwoord?

Vr. – Ja, tot op zekere hoogte. Ik heb vanavond de indruk gekregen dat men ook boven de hogere verlangens moet uitstijgen en zich ook daarvan niet meer bewust moet zijn.

GdeP – Ik zou niet zeggen ‘erboven uitstijgen’, maar ze beheersen.

Vr. – En zich er niet bewust van zijn?

GdeP – Niet precies. Onpersoonlijke liefde, bijvoorbeeld, is een goddelijk verlangen, het fundamentele verlangen van het universum. Deze liefde is geheel onpersoonlijk. Geen enkele entiteit kan zich ooit helemaal niet bewust zijn van liefde. Maar die entiteit moet zelfs die liefde beheersen; met andere woorden, liefde moet zichzelf beheersen. Het betreft hier natuurlijk een subtiel punt.

Vrienden, voor we afsluiten wil ik graag een paar opmerkingen maken over het leven dat een chela zou moeten leiden. Training in chelaschap betekent training van en in uw eigen constitutie van de energieën die uzelf bent. Het is niet iets buiten u dat u wordt opgelegd als een vreemde of van buitenaf komende wet of gedragsregel. Deze training houdt in dat u uw eigen innerlijke zelf, het geestelijke zelf binnenin u, het spiritueel-goddelijke deel van u, steeds vollediger naar buiten brengt, tot volle manifestatie. Het betekent helemaal natuurlijk te zijn in de spirituele zin van het woord, en daarom kalm. Wees rustig. Wees vredig, stil, in harmonie. Leef in liefde, onpersoonlijke liefde. Streef altijd naar dat wat u het edelste en beste vindt, en laat al het andere los. Wees uzelf, uw spirituele zelf.

Dat is in een paar woorden de hele training voor het chelaschap. Breng de innerlijke god naar buiten; en als u inziet dat ook gewone mensen iets hiervan beseffen, en geluk en vrede vinden door dit in praktijk te brengen, zult u begrijpen wat ik bedoel als ik zeg: de training is in u. ‘Worstel’ niet, ‘strijd’ niet, ‘streef’ niet in uzelf. Zoek naar de innerlijke harmonie. Wees die. Ontdek de liefde die in u is. Wees die. Onderzoek uw eigen bewustzijn, intellect, intuïtie – al de vermogens waarvan deze drie voorbeelden zijn. Wees ze!

Vergeet uzelf. Is dit niet een vreemde paradox? Vergeet het lagere zelf helemaal. Wees uw hogere zelf; en de tijd zal komen dat u ook dat zal moeten vergeten. Want tenslotte moet ieder mens een zelfbewuste maar onpersoonlijke energie in het heelal worden. Dat is wat de ‘wetten van de natuur’ nu zijn. Elke zogenaamde ‘natuurwet’, zoals de zwaartekracht, is een voorbeeld daarvan. Elektromagnetische energie is een ander voorbeeld ervan, hoewel zwaartekracht en elektromagnetische energie als twee kanten van dezelfde zaak zijn. Dit is een voorbeeld van energieën, onpersoonlijke energieën, die vloeien vanuit het hart van een godheid, die in een tijdperk – een manvantara – in het verre verleden een mens was.

Judge had de gewoonte zijn leerlingen, zijn vrienden, te leren om altijd te vertrouwen op de innerlijke meester. Dat is een prachtige gedachte, want in ieder van u leeft een meester, zelfs op dit moment. Denkt u dat de meesters als meesters worden geboren? Als een meester als een klein kind wordt geboren, moet hij het hele leven doormaken dat kleine kinderen moeten doormaken. Hij moet zichzelf in het nieuwe leven stap voor stap overwinnen. Maar omdat hij dit zo vaak heeft doorgemaakt, wordt het doel zeer snel bereikt, en in zijn jeugd is hij al een opmerkelijke figuur. Als jongeman is hij al een meester, maar hij kan dan nog niet al zijn innerlijke vermogens en krachten volledig en volmaakt tot uitdrukking brengen. En dan komt de vroeg-middelbare leeftijd, de volwassenheid, en de meester komt tot volle bloei, half een god, half een mens. Het meesterschap zou zich niet in hem hebben kunnen openbaren tenzij hij dit al in zich had. Daarom zeg ik u: ‘In ieder van u leeft een meester’, zoals Judge ons altijd leerde. Draag deze gedachte met u mee, streef naar dit doel. Zie uit naar dit doel. Probeer er één mee te zijn. Deze poging zal u vrede en wijsheid brengen.

Sluit de bijeenkomst, alstublieft.

[Luiden van de gong. Stilte.]

 


Dialogen van G. de Purucker, blz. 713-33

© 2005  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag