| 5
Monaden, zielen en atomen
Evolutie betekent het 'uitrollen', het loswikkelen van dat
wat tevoren was ingerold of ingevouwen. De betekenis ervan is dus zelfexpressie,
het tot uitdrukking brengen van het essentiële zelf. De schrijver werd
eens de vraag gesteld, waarom hij zo vaak de uitdrukking ‘evoluerende
zielen’ gebruikte in plaats van ‘revoluerende zielen’. De vraag was
echter niet zo onbelangrijk als het misschien lijkt. ‘Revolutie’ is
evenals ‘evolutie’ een woord van Latijnse oorsprong met dezelfde etymologische
betekenis, maar door het partikel re wordt de betekenis versterkt
en duidt deze op een zich herhalende werking. Inderdaad, het verschil
tussen de evolutie en revolutie van geest in stof en dan
weer van stof naar geest is slechts gering voor zover het deze woorden
betreft. Men kan werkelijk zeggen dat er zielen revolueren langs
de paden van het leven sinds de eeuwigheid van hun verleden tot in de
eeuwigheid van de toekomst, maar toch is het duidelijk dat in zo’n revolueren
eveneens de idee van evolueren besloten ligt; en dat de leraren
van de kabbala daarom gelijk hadden toen ze de term gilgûlîm
gebruikten om deze ‘revolutie’ in de bestemming van een niet-zelf bewuste
godsvonk aan te duiden een levensatoom van de geest door
al de niveaus en gebieden van de grenzeloze duur heen.
Het is duidelijk dat de oneindige menigten van zich ontwikkelende entiteiten die
samen de hiërarchieën vormen die de ruimten van de Ruimte vullen zich niet in
een toestand van rust bevinden, maar alle zonder uitzondering voortdurend in beweging
zijn, zowel in tijd als in ruimte, en ook in evolutionaire groei. Niets in het
heelal staat stil, want dit is in strijd met de fundamentele impulsen van het
kosmische leven, waarvan de meest kenmerkende eigenschap onophoudelijke activiteit
is althans tijdens de duur van een manvantara of wereldperiode. Deze onophoudelijke
beweging is groei: gewoonlijk voorwaarts in evolutionaire ontwikkeling,
en minder vaak in achteruitgaande richting: maar in beide gevallen is ze activiteit
of beweging. Al deze wezens die we evoluerende zielen of monaden kunnen noemen,
zijn bezig hun bestemming te verwezenlijken door middel van het evolutieproces.
Tegelijkertijd volgen ze ook banen van zich herhalende actie in tijd en ruimte.
Ze zijn dus niet alleen bezig te ‘evolueren’, maar zijn eveneens betrokken bij
de ‘revolueringen’ of wervelingen in en door de verschillende werelden en gebieden
van zowel onze planeetketen als het zonnestelsel. Men kan zich dit proces voorstellen
als het voorwaarts rollen van het grote wiel van het leven.
Biologen vooral uit de tijd van Lamarck en Darwin hebben wild gespeculeerd over
de oorzaak van de verschillen tussen de families van bezielde wezens, terwijl
deze verschillen het beeld te zien geven van een levensladder of een schaal van
wezens die op een of andere manier met elkaar zijn verbonden door nauwe banden
van overeenkomst en toch opmerkelijke en verwarrende verschillen vertonen; en
ze raakten langzaam ervan overtuigd dat heel de natuur onder de heerschappij stond
van een primaire impuls, die de wezens door groei tot vooruitgang aanspoorde.
Dit is de zogenaamde wet van de evolutie. Een theosoof vat evolutie op als een
proces van ontvouwing dat binnenin de entiteit begint en zich naar buiten
toe uitdrukt; en juist op dit punt distantieert hij zich van de darwinistische
of de nog modernere opvattingen over evolutie, die slechts de ene na de andere
aangroei inhoudt voor de lichamen van zich ontwikkelende wezens.
De bron van de evolutie ligt binnenin elke evoluerende entiteit, binnenin zijn
karakter of ziel, wat kan worden omschreven als zijn svabhâva, dat wil zeggen,
zijn essentiële karakter. Ter illustratie: hoe komt het dat een dierlijk of plantaardig
zaad altijd zijn soortgelijke voortbrengt? Een appelpit brengt altijd een appelboom
voort, en zal geen vijgenboom, geen bananenboom, maar een appelboom voort brengen.
Dit feit is zo gewoon dat men er algauw zonder commentaar aan voorbijgaat. Ditzelfde
ziet men overal in het gemanifesteerde bestaan. Waarom? In het hart van dat zaad,
achter en binnenin dat zaad, bevindt zich zijn eigen essentiële zelf, zijn individuele
karakteristiek of svabhâva, datgene wat de oude stoïcijnen een ‘logos spermaticus’
of ‘zaad-logos’ noemden. Met andere woorden, een psychospirituele essentie of
monade die uit zichzelf niets anders dan zichzelf kan voortbrengen, want als het
uit zichzelf zaden produceerde die anders zijn dan het zelf is, zouden die zaden
natuurlijk niet opnieuw individuen voortbrengen die veel op hen lijken of daartoe
uitgroeien. Wat is er binnenin dit zaad dat het bij zijn groei recht op zijn doel
afstuurt? We kunnen deze onzichtbare factor niet zien; we kunnen hem in het laboratorium
niet analyseren. Het zijn de innerlijke latente vermogens en capaciteiten, de
ziel van het wezen die zich in de nieuwe generatie of wedergeboorte tot
uitdrukking zal brengen. Zij drukt zichzelf uit. De evoluerende ziel reproduceert
zichzelf in het nieuwe leven, omdat ze bezig is door de sferen heen te revolueren.
De ingeboren krachten of vermogens worden op de lange evolutionaire pelgrimstocht
van elke entiteit in het grenzeloze Al niet op de manier van het Darwinistische
transformisme aan het individu toegevoegd, maar zijn de uiterlijke uitdrukking
van innerlijke oorzaken. Ware evolutie is daarom niet het van buitenaf aangroeien
van delen, evenmin is zij de verbetering van organen of vermogens door de inwerking
van krachten van buiten die uitsluitend in de omgeving ontstaan, maar evolutie
is het naar buiten brengen van krachten en talenten en vermogens die latent in
de entiteit zelf aanwezig zijn. Het woord ‘emanatie’ heeft
een betekenis die, althans in mystieke zin, nauw verwant is aan die van evolutie.
Het is een Latijns samengesteld woord dat ‘het naar buiten vloeien’ betekent van
wat binnenin is, en men kan hier onmiddellijk zien dat het verschil tussen het
naar buiten vloeien van wat binnenin is, en het ontrollen van wat zich reeds als
de essentie zelf van een wezen heeft ingerold, inderdaad zeer gering is. Toch
is er niet alleen een onderscheid tussen deze twee termen, maar ook een wezenlijk
verschil. Emanatie betekent een ‘uitstroming’ van een monadische
essentie of een monade uit een ouderlijke bron; evolutie betekent de ‘ontvouwing’
van wat latent of ongemanifesteerd in de constitutie van een wezen ligt. Daarom
kan men als voorbeeld van emanatie het geval van de zon nemen die tijdens het
hele zonnemanvantara vanuit zichzelf ontelbare octaven van straling emaneert of
uitzendt. Deze verschillende vormen van straling zijn tegelijk kracht en substantie,
en elk van die vormen of klassen van straling bestaat uit een samenstel van stralingseenheden,
krachteenheden, die tegelijkertijd kunnen worden beschouwd als afzonderlijke deeltjes
of samenstellingen van energie en ook als samenstellingen van golfjes substantie.
De wetenschap spreekt tegenwoordig over deze eenheden van energie als kwanta van
energie of fotonen een bijzonder goede beschrijving voor het halfastrale
en halfmateriële gebied waarop deze energiekwanta of fotonen door het wetenschappelijke
denken worden geplaatst. Beschouw daarom deze enorme aantallen
fotonen die door de zon zijn geëmaneerd of uitgestraald als individuen die individuele
pelgrimstochten ondernemen door het zonnestelsel, en die elk aan een cyclus van
ervaringen beginnen, precies zoals de monaden wanneer ze voor het eerst uit hun
goddelijke ouder worden geëmaneerd. Zodra zo’n monade of spirituele kracht-eenheid
is geëmaneerd, begint ze aan haar cyclus van evolutie, waarbij ze uit zichzelf
door karmische noodzaak haar eigen latente krachten of vermogens ‘ontrolt’ die
in de loop van de tijd geschikte organen ontwikkelen door middel waarvan zij zich
tot uitdrukking brengt. We hebben dus eerst de emanatie
of uitstroming uit de oorsprong of bron van deze menigten individuele monaden,
die onmiddellijk beginnen aan hun eeuwenlange omzwervingen door de verschillende
zichtbare en onzichtbare rijken van het zonnestelsel. Vanaf het moment dat ze
uit hun goddelijke bron worden uitgestraald of ge emaneerd, beginnen ze te evolueren,
eerst door automatische ontvouwing van innerlijke krachten of energieën, en in
een later stadium zetten ze dit proces voort door zelfbedachte pogingen om de
inner lijke en nu nog ongeëvolueerde delen van hun essentie naar buiten te brengen.
Er zijn drie belangrijke punten in dit prachtige proces van geboorte of emanatie
en van ontvouwende groei of evolutie. Ten eerste, elke nieuwe evolutionaire impuls
die een monade ervaart, is zelf een kleinere emanatie uit het hart van het evoluerende
wezen. Ten tweede, elk zo’n verbruik van evoluerende energie, die in haar eerste
vorm een emanatie is, schenkt zelf slechts het leven aan een kleinere entiteit
die we een levensatoom kunnen noemen, dat op zijn beurt met zijn pelgrimstocht
begint door middel van eenzelfde evolutieproces. En ten derde, emanatie en evolutie
zijn in werkelijkheid slechts twee vormen van dezelfde activiteit: de ene de emanerende
of oor spronkelijke, en de andere de ontvouwende of evolutionaire. Zodat iedere
emanatie eveneens als een vorm van evolutie kan worden beschouwd, en iedere nieuwe
evolutionaire impuls kan evenzeer worden gezien als een uitstroming of emanatie.
Deze groeiende of evoluerende zielen zijn eveneens samengestelde wezens
geen zuivere monadische essenties. Ze evolueren omdat ze door stadia heengaan
van het onvolmaakte naar het relatief volmaakte; en dan wanneer de grote ronde
van omzwervingen of revolueringen in het zonnestelsel is volbracht en het zonnemanvantara
ten einde loopt, worden deze evoluerende zielen in de kosmische overziel teruggetrokken,
en verblijven daarin gedurende de hele termijn van de zonnepralaya of periode
van kosmische rust. Wanneer de zonnepralaya op zijn beurt zijn einde is genaderd
en een nieuw zonnemanvantara op het punt staat een nieuwe periode van kosmische
manifestatie te beginnen, stromen deze vervolmaakte monaden opnieuw naar buiten
om daarin een nieuwe levensloop van activiteit te beginnen, maar in een reeks
werelden of gebieden die hoger is. In de grenzeloze ruimte
bevindt zich een onberekenbaar aantal evoluerende monaden die zich in allerlei
vormen uitdrukken. Ze bestaan overal en zijn de oorzakelijke factoren in de complexiteit
en verscheidenheid in de universele natuur goden, dhyâni-chohans of spirituele
wezens, mensen, dieren, planten, mineralen en de wezens van de drie werelden van
elementalen allen zijn menigten, families, legers. Zij die het nauwst aan
elkaar verwant zijn, verzamelen zich door psychomagnetische aantrekkingskracht
op even natuurlijke wijze als waterdruppels of deeltjes kwikzilver zullen samenvloeien
en zich in zekere mate zullen verenigen. Wanneer we spreken
over bewuste krachtcentra in het heelal, of over zielen, beperken we dit niet
tot alleen mensen, omdat het hele universum niets anders is dan een onmetelijke
verzameling daarvan. Men kan zeggen: Waar zijn ze? Het antwoord is: Waar zijn
ze niet? Overal. Hun aantal is eenvoudig ondenkbaar, hoe ook door mensen gemeten.
Het aantal zielen in een bepaalde menigte of familie is echter beperkt, want eindig;
maar de menigten of families zelf zijn oneindig in aantal, ex hypothesi,
omdat ze alle ruimte vullen, en wie kan grenzen stellen aan de universele natuur
of de abstracte ruimte? Ruimte is veel meer dan slechts
een uitgebreidheid van materiële dimensies, die slechts een van de eigenschappen
van materie is, en die bij wijze van spreken het lichaam van de ruimte is. In
de opvatting van de esoterische traditie is ruimte het AL-
alles wat is, was of zal zijn, door heel de eindeloze duur. Ruimte opgevat als
het grenzeloze plenum of pleroma van al het zijn of beter van zijn-heid, omvat
de onbegrensde hiërarchieën van werelden en gebieden vanaf het bovengoddelijke
neerwaarts door alle tussenliggende graden tot aan het fysieke en dat wat voorbij
de fysieke materie ligt. Ja, omdat RUIMTE is wat er ook
maar in zowel de oneindigheid als de eeuwigheid is, kan ze ook de onbegrensde
leven-bewustzijn-substantie worden genoemd, tegelijk abstract Zijn en alle veroorzaking;
boven en in de velden daarvan pulseert de abstracte ideatie door de eindeloze
tijd, in ZICHZELF verwekt en uit ZICHZELF
geboren. Het is DAT waaruit alles komt, DAT
waarin alles is en bestaat, en DAT waarheen alles tenslotte
terugkeert. Het belang voor de filosofie van de pythagorische
term monas, waarvoor Europese talen gewoonlijk het woord monade gebruiken,
is dat er ‘individualiteit’ wordt gesuggereerd; want deze monaden zijn aparte
‘individuen’ tijdens de hele duur van hun gemanifesteerde bestaan in een kosmisch
of zonnemanvantara. Ze kunnen metafysisch worden beschouwd als geïndividualiseerde
spirituele druppeltjes of ‘atomen’ RUIMTE: de samenstellende
druppels van de oeverloze oceaan van het ruimtelijke zijn. En bij hun onophoudelijke
beweging stellen ze, gezamenlijk als menigte of afzonderlijk als monadische individuen,
niet alleen de instrumentele en de substantiële oorzaken van de hiërarchieën van
de werelden samen, maar in feite zijn ze deze. Ze bestaan in vele verschillende
myriaden van graden van evolutionaire ontwikkeling; bepaalde aggregaten van deze
monaden zijn spirituele wezens, andere zijn intellectuele of mânasaputrische wezens,
weer andere zijn levensatomen, en nog weer andere manifesteren zich als deeltjes
van materiële substantie. Stel u de onmetelijke aantallen
van deze monadische entiteiten voor die zelfs in ons eigen kleine rijk van ruimtelijke
uitgebreidheid bestaan! De Amerikaanse wetenschapper Langmuir heeft berekend dat
het aantal moleculen gas in één kubieke inch lucht zo ontzaglijk groot is dat
als elke molecule werd vergroot tot en veranderd in een korreltje fijn zand, deze
zandkorrels een geul met een breedte van één mijl en een diepte van drie voet
en zich uitstrekkend van New York tot San Francisco geheel zouden vullen! Verder
heeft men geschat dat het menselijk lichaam ongeveer zesentwintigduizend miljard
cellen bevat; elk hiervan is samengesteld uit entiteiten die nog kleiner zijn,
waaraan die cel heel haar fysieke bestaan, heel haar karakteristieke vorm en grootte
ontleent. Deze kleinere entiteiten zijn de atomen die elk een bewustzijnscentrum
als iets kostbaars in zich bewaren. Ons wordt verteld dat
het fysische atoom voornamelijk uit gaten, uit ‘lege ruimte’, bestaat, en als
we de elektronen en protonen die de atomen van een menselijk lichaam samenstellen
in één punt konden verzamelen, dan zou dit punt voor het fysieke oog onzichtbaar
zijn! Hoe komt het dan dat we elkaar zien? Omdat we vreemde paradox
grotendeels ‘lege ruimten’, leegten, zijn die bij ons die op dezelfde manier zijn
samengesteld de illusie van afmeting en omvang wekken. Precies zoals wij de hemellichamen
in de diepten van de ruimte van het zonnestelsel zien, zo bestaan er ook, relatief
gesproken, gelijkwaardige afstanden tussen het ene elektron en het andere binnen
een atoom, en tussen het ene atoom en het andere die op hun beurt de moleculen
bouwen, die weer de cellen maken, die weer het fysieke lichaam van de mens vormen.
Zoals deze hemelbollen bezield zijn, zo zijn de atomen van het menselijk lichaam
dat ook; want er is één fundamentele wet die overal geldt.
We kunnen een atoom dus een ziel noemen, omdat het atoom een voorbijgaande gebeurtenis
is in de levensgeschiedenis van een bewustzijnscentrum of monade. De elektronen
en protonen van het atoom zijn slechts de lichamen van nog kleinere krachtpunten
of bewustzijnspunten die zich uitdrukken door middel van deze oneindig kleine
elektrisch geladen deeltjes in de subatomaire werelden. Het aantal van deze protonen
en elektronen in een klein stukje materie is zo groot dat we ze in triljarden
moeten uitdrukken. Dr. Robert A. Millikan heeft geraamd
dat het aantal elektronen dat iedere seconde door de gloeidraad van een elektrische
lamp van 16 watt gaat zo ontzaglijk groot is, dat om ze te tellen de tweeëneenhalf
miljoen inwoners van Chicago nodig zouden zijn, die twintigduizend jaar lang ieder
met een snelheid van twee per seconde en vierentwintig uur per dag zouden moeten
tellen; 3 quintiljoen, 153 quadriljoen, 600 triljoen. En toch is elk van deze
oneindig kleine elektrisch geladen deeltjes de fysieke uitdrukking van een evoluerende
ziel. Hier is sprake van een geval waarin het oneindig kleine weer opgaat in het
‘oneindige’; dit lijkt veel op een omgekeerde kegel, die na het passeren van het
punt van zijn oorsprong zich weer uitspreidt in een nieuw ‘oneindig’. Wetenschappers
zeggen ons dat deze oneindig kleine elektronen de substantiële basis zijn van
al het fysieke leven, de bouwstenen van het heelal, omdat ze tegelijk kracht en
stof zijn. Elk van deze oneindig kleine deeltjes is een belichaamde kracht-entiteit,
een ‘ziel’, nauwkeuriger gezegd, een monade. Voor zulke oneindig kleine deeltjes
is ons fysieke lichaam waarin zij leven, zich bewegen en hun bestaan hebben ongetwijfeld
een mathematisch oneindig heelal, en de menselijke ziel die over deze reusachtige
menigte de heerschappij voert is voor hen een god. Volgens
de prachtige hindoemetafoor is de mens een levende boom van bewustzijn die is
geworteld in de geest erboven, terwijl zijn takken zich naar beneden in de stoffelijke
wereld uitstrekken. Vele zielen, één geest. Het onsterfelijke monadische bewustzijns
centrum van de mens schenkt de ziel, die zelf een menigte kleinere zielen is,
individualiteit, en stelt haar zo als entiteit in staat als een straal naar buiten
te treden. Dit innerlijkste punt is onsterfelijk omdat het een van de menigte
monaden is, geboren uit de schoot van de moeder-geest. Het is een geest-centrum
dat nog niet tot manifestatie is gekomen op dit gebied. Op zijn evolutiereis breekt
het door nieuwe sferen en gebieden, en daarom manifesteert het zijn latente transcendente
krachten op deze lagere gebieden eerst maar zwak. We moeten de betekenis hiervan
niet verkeerd opvatten en denken dat de monade iets is dat bestemd is om in de
toekomst geest te worden, en nu in het huidige stadium van haar evolutiereis nog
geen geest is. De monade is een geest-punt dat in de loop van zijn evolutietocht
in de rijken van de materie zich met zijn eigen lichtstralen bekleedt die de ‘zielen’
zijn. Het feit dat bepaalde monaden met elkaar zijn verbonden
door overeenkomstige eigenschappen als gevolg van evolutionaire ontplooiing is
de bron van het idee van families van zielen, soms groepszielen genoemd. Deze
groepszielen vormen echter geen groepen of lichamen die essentieel van elkaar
verschillen, maar het zijn verzamelingen van evoluerende wezens die op grond van
hun overeenkomstige karmische ontplooiing op dezelfde relatieve tijden en plaatsen
worden samengebracht. Bovendien, wanneer zielen zich verenigen
in naties en zo een groep mensen vormen, of in diergroepen die zo een familie
van beesten vormen, moeten we niet denken dat zo’n natie of diersoort een afzonderlijke
overziel heeft die de moeder-ziel van die eenheid is die tot in eeuwigheid blijft
bestaan. Het zijn de karmische overeenkomsten van zulke individuen van groepszielen
die ze in deze groepen samenbrengen; hoewel niemand het voor de hand liggende
feit zou willen ontkennen dat de collectieve drijfveren of eigenschappen die zulke
groepen hebben samen een soort psychische atmosfeer vormen die deze groepsindividuen
ademen en waarin ze leven. Zo’n overziel van een groep is echter niet een echte
entiteit of individu. Men dient goed te begrijpen dat deze
groepen, hetzij nationale dan wel raciale, niet de manifestaties zijn van een
werkelijk als entiteit bestaand wezen dat evolueert en de overmonade of populairder
gezegd de raciale ziel wordt genoemd. Ze zijn de vertegenwoordigers op aarde van
wat de oude Latijnen een genius noemden, die niet een geïndividualiseerde entiteit
is maar een diffuse energie of kracht in de ideatie van de planeetgeest, en die
tot manifestatie wordt gewekt door de gecombineerde intellectuele, psychoastrale
en ook spirituele krachten die worden voortgebracht door raciale of nationale
eenheden die min of meer gelijktijdig incarneren. Zo’n genius, hetzij van raciale
of nationale aard, zal in tijdperken in de verre toekomst opnieuw tot manifestatie
komen, wanneer het ingewikkelde en gezamenlijke karma van dezelfde individuen
hen nogmaals samenbrengt, en zo min of meer dezelfde ‘atmosfeer’ schept die de
manifestatie van dezelfde genius teweegbrengt, die tussen deze twee tijdperken
latent in de ideatie van de planeetgeest bestaat. Voor zover
het de individuen van een ras of volk betreft, moet men nooit vergeten
dat hun gelijktijdige incarnatie slechts een kwestie van gelijksoortige karmische
eigenschappen is die hen in een tijdelijke eenheid samenbrengen. Deze mensenzielen
zullen zelf zeer snel uit zo’n nationale of raciale atmosfeer wegtrekken om de
volgende of de daaropvolgende belichaming in een ander volk of ras te zoeken waarheen
ze door hun karmische neigingen worden aangetrokken. Dit is een uitermate belangrijk
punt want het laat de inherente dwaasheid zo niet stupiditeit zien van blinde
en redeloze vooroor delen die op alleen maar nationalisme of racisme berusten.
Zulke groepen moet men niet verwarren met de werking van geïndividualiseerde monaden
door middel van groepen wanneer ze die groepen gebruiken als voertuigen. Bijvoorbeeld,
een boom is een entiteit, en door de oude Grieken werd zijn bezielende monadische
essentie een dryade of hamadryade genoemd. Een boom is samen gesteld uit groepen
entiteiten die veel op elkaar lijken, en toch leeft en werkt de boomziel in en
door middel van deze geaggregeerde levens. Zo is het menselijk lichaam samengesteld
uit groepen evoluerende monaden of levensatomen, waarvan de leden veel op elkaar
lijken en toch alle tezamen het fysieke voertuig vormen door middel waarvan de
menselijke ziel werkt. Van de menselijke ziel, die een individu is, kan men natuurlijk
niet zeggen dat ze een groepsziel is; evenmin kan men van de geïndividualiseerde
evoluerende monadische bewustzijnen of de levensatomen of paramâñu’s van
een zo’n ondergeschikte groep zeggen dat ze delen van een groepsziel zijn. Elk
individu is een individu, maar elk hiervan werkt met anderen die min of meer dezelfde
evolutionaire status hebben. Hier volgt een beeld van de
situatie: Aggregaten van levensatomen die veel op elkaar lijken verenigen zich
met andere aggregaten van levensatomen die veel op elkaar lijken om een voertuig
te vormen zoals het menselijk lichaam voor een evoluerende ziel
van een veel hogere graad. Deze bijeengebrachte individuele entiteiten zijn groepen,
maar ze vormen geen groepsziel, maar zijn zelf bezield door een ziel die
hoger is dan de aggregaten en hoger dan een van de individuele leden van zulke
aggregaten. Elke hiërarchie, elk heelal, elke god of ‘engel’,
mens, dier of atoom is maar een voorbijgaande fase, vluchtig, niet duurzaam, hoe
lang zijn individuele bestaan ook is. Als een vonk van de kosmische essentie werkt
elk van die monadische essenties door middel van dat bijzondere omhulsel dat we
in zijn vergankelijke vorm een mens, een dier, een wereld, een bol of een heelal
noemen. Alle zijn ‘gebeurtenissen’ die in de ruimte-tijd of tijd-ruimte bestaan
een continuüm van bewustzijn-substantie. Wat
betekent dit alles? Het betekent dat abstracte kracht, of nog abstracter, dat
bewuste beweging, zich in het hart van elk wezen en elk ding bevindt; en bewustzijn
is de zuiverste vorm van kosmische kracht met andere woorden geest. De
materie zelf is slechts een onmetelijke verzameling monadische deeltjes: monaden
die latent, sluimerend, door de materiefase gaan; maar elk hiervan zal vroeg of
laat zichzelf uitdrukken in geïndividualiseerde actie en daardoor groeien; en
iedere fase van deze evolutionaire groei is een ‘gebeurtenis’ van bewustzijn.
Voor onsterfelijkheid in onvolmaaktheid is geen plaats in de eeuwige natuur. We
groeien en leren en gaan geleidelijk steeds vooruit naar een doel dat we in de
onbegrensde uitgestrektheden van de natuur nooit kunnen bereiken; want het bereiken
van zo’n einddoel zou betekenen dat het bewustzijn in een gekristalliseerde onbeweeglijkheid
verzinkt. Ons dwaze want onontwikkelde verstand en ons hunkerende want niet bevredigde
hart dromen van ‘onsterfelijkheid’, alsof dit de grootste gunst zou zijn die aan
mensen in ons huidige evolutiestadium kan worden verleend. Wat een onwetendheid
leggen wij aan de dag wanneer we ons een onsterfelijkheid aanmatigen die door
heel de eindeloze duur standhoudt! Waarom zouden wij uitzonderingen zijn in een
oneindig heelal dat ons op alle mogelijke manieren leert dat mensen in collectieve
zin maar één groep onder de ontelbare menigten van andere entiteiten zijn, die
alle aan het groeien zijn en waarvan sommige onvergelijkelijk veel hoger in evolutionaire
ontwikkeling staan dan wij? Anderzijds berust dit sterke
verlangen naar zelfbewuste continuïteit op een heldere intuïtie; maar continuïteit
in een eeuwigdurend leven is niet de quasi-statische ‘onsterfelijkheid’ zoals
dit woord in het westen onveranderlijk verkeerd wordt begrepen. Want er is een
enorm verschil tussen een oneindige maar steeds veranderende continuïteit van
het bestaan, en het volslagen onnatuurlijke denkbeeld van een onveranderlijk of
een eeuwig min of meer statisch menselijk ego of menselijke ziel, waarvan
wordt aangenomen dat zij met haar onvolmaaktheden onsterfelijk is. Als zo’n ego
ook maar één jota veranderde, dan zou het niet langer hetzelfde ego zijn, maar
zou anders zijn geworden; en juist het ego of zelfbewuste centrum ondergaat voortdurend
veranderingen. Het moet duidelijk genoeg zijn dat voortzetting
van bewustzijn of ware onsterfelijkheid uitsluitend bestaat in de zelfbewuste
vereniging van het menselijke ego (waarvan de menselijke ziel een straal is) met
zijn eigen goddelijk-geestelijke ouder, de monade. De monade, per se, is
onvoorwaardelijk onsterfelijk; de lagere triade van de mens, die het fysieke lichaam,
het astraallichaam en de levenskracht omvat, is onvoorwaardelijk sterfelijk. Dat
wat zich tussen deze twee bevindt, het menselijke ego en zijn ziel, zijn voorwaardelijk
onsterfelijk, afhankelijk van de vraag of de ziel zich met haar spirituele onsterfelijke
bron verbindt, of zich zozeer met de sterfelijke triade omwikkelt dat haar samenstelling
hiervan een invloed ondergaat en verdwijnt wanneer de sterfelijke triade verdwijnt.
In dit geval moet een nieuwe menselijke ziel worden geëvolueerd zodat het menselijke
ego zich daarin tot uitdrukking kan brengen. Een van de
belangrijkste bezwaren tegen de westerse misvatting over de continuïteit is het
felle egoïsme dat zij opwekt. In plaats van een mens te leren dat zijn menselijkheid
maar één stadium is op het eindeloze pad, prent deze misvatting in zijn bewustzijn
het denkbeeld in dat hij zijn ziel ten koste van alles moet ‘redden’, dat zijn
onvolmaakte zelf of ziel zijn eerste zorg is. Ze maakt een mens egocentrisch en
zelfzuchtig, en doet het gevoel ontstaan dat het niet nodig is diep in zichzelf
te zien, eenvoudig omdat er geen ‘afstand’ binnenin hemzelf is om te onderzoeken.
Ze maakt van hem een pauper op geestelijk gebied, en onthoudt hem die edelste
vorm van zelfrespect die voortvloeit uit de ontdekking van zijn eigen innerlijke
spirituele grootsheid. Wanneer iemand de overtuiging krijgt
dat hij weinig meer te leren heeft over zichzelf of over anderen, dan wordt het
tijd dat hij zichzelf aanpakt. Dit is niet alleen egoïsme in zijn gevaarlijkste
vorm, het is ook het begin van de kristallisatie van zijn innerlijke natuur, die
de moedwillige veroorzaker is van alle menselijke kwaad en moeilijk heden, en
brengt meer fysieke ziekten voort dan iets anders dat een mens kan treffen. ‘Zoals
een mens denkt, zo is hij.’ Er is een oud Sanskrietgezegde
dat in hindoegeschriften vaak wordt geciteerd: Yadyad rûpam
kâmayate devatâ, tattad devatâ bhavati. Yâska: Nirukta,
10:17 ‘Wat ook een goddelijke entiteit vurig verlangt te
worden, juist dat zal zij worden.’ Dit beginsel van een wet in de natuur geldt
voor alle bewuste wezens. Een mens kan door te weigeren in zijn eigen intuïties
te geloven zichzelf spirituele verlichting ontzeggen door de deur te sluiten zodat
het licht van zijn eigen innerlijke god niet in zijn denken kan binnenstromen.
Anderzijds zal hij weten dat als hij zich kan verbinden met dat innerlijkste centrum
van zijn wezen, hem kennis zonder grenzen ten deel zal vallen.
Katherine Tingley schreef: Het is dat edeler deel van onze natuur
dat zich tegen iedere situatie opgewassen toont en deze met geduld en moed onder
ogen ziet de kracht die vaak ongemerkt het leven van een mens binnenstroomt
en hem boven alle gedachten van het hersenverstand naar de grote brede weg van
het dienen voert. . . . De kennis hiervan komt niet op een
wereldschokkende of magische manier en is niet te koop maar kan alleen worden
verworven door de overgave van de hartstochtelijke en wellustige natuur van de
mens aan de god binnenin ons. The Wine of Life,
blz. 12 Een mens is dus een ‘ziel’, een samengesteld wezen
dat is opgebouwd rond een ‘monadische straal’ een emanatie van de monade,
haar bron. De goddelijk-spirituele straal waaromheen de structuur van de ziel
wordt opgebouwd, is inderdaad ‘onsterfelijk’ omdat deze blijft bestaan vanaf het
begin tot het einde van een zonnemanvantara, en in onafgebroken continuïteit van
bewustzijn als een spiritueel wezen leeft in de schoot van zijn oudermonade. Maar
zielen moeten, omdat ze samengestelde wezens zijn, rust hebben. Ze moeten perioden
van vrede en rust voor herstel hebben waarin ze kracht opdoen voor de volgende
incarnatie op aarde. Een bekend voorbeeld is de rust en het herstel die ons lichaam
aan het einde van iedere dag nodig heeft. De waarheid is
dat er maar één ZELF is, waarvan al de menigten van kleinere
zelven slechts de grotere of kleinere stralen of zelven zijn. De ‘dauwdruppel’
glijdt tenslotte in de stralende zee niet om ‘verloren’ te gaan, maar om
zich uit te breiden tot de zee zelf. Dit was de leer van Gautama de Boeddha; het
is eveneens de leer van de edelste spirituele prestatie in Hindoestan, de Advaita-Vedânta
van Sankarâchârya; het is de intuïtie van elke grote mysticus die de wereld ooit
heeft gekend. Het is moeilijk deze verheven gedachte te begrijpen dat we door
onszelf in het grotere te verliezen, dat grotere worden omdat beide in essentie
één zijn. De westerling verbeeldt zich dat wanneer de grootse
voltooiing van het kosmische manvantara tenslotte is bereikt, er daarna onmiddellijk
en voor altijd een onsterfelijkheid in statische kristallisatie van volmaking
zal volgen wat juist niet gaat gebeuren. Want het grootste van alle
wonderen is dat wanneer het nieuwe kosmische manvantara begint, na de kosmische
pralaya, al deze individuen die de talloze myriaden van de monadische menigten
samenstellen, opnieuw zullen uitzwermen voor een nieuwe evolutionaire pelgrimstocht
in de nieuwe reeks van werelden die dan uit het hart van het zijn naar buiten
zullen stromen werelden die de wederbelichamingen zullen zijn van de werelden
die eens hebben bestaan, een nieuw wereldstelsel, inderdaad, maar op een hoger
gebied. Zoals de mens een ziel en een goddelijk of essentieel
zelf heeft, zo heeft ook een dier een ziel maar een dierenziel, geen menselijke
ziel. Met andere woorden, die dierenziel een hoog geëvolueerde elementaal
en in oorsprong een levensatoom is niettemin een ziel, waarvan de structuur
zich bij iedere nieuwe vleeswording opnieuw rond haar eigen innerlijkste monadische
straal zal verzamelen, zoals dit ook in het geval van de mens gebeurt. Deze monadische
straal inspireert de hogere en volkomen latente delen van het dier op precies
dezelfde manier als de monadische straal de mens inspireert. Toch is deze monadische
straal in het dier praktisch ongemanifesteerd wat betreft zelfbewustzijn, terwijl
hij in de mens de structuur van de ziel zo heeft verfijnd dat ze is geëvolueerd
tot een punt waarop tijdens de incarnatie het zelfbewustzijn behouden blijft.
Het dier is dus in zekere zin automatisch of direct bewust; de mens is zelfbewust
of bewust door weerkaatsing van boven. De dieren zijn samengesteld uit al de elementen
van de universele natuur die ook de mens samenstellen; toch is er tussen het mensenrijk
en het dierenrijk een onoverbrugbare psychische en intellectuele kloof, die is
ontstaan door het opnemen van een hogere intermediaire natuur in het innerlijke
gestel van de mens een zelfbewuste en denkende entiteit die keuzes maakt,
terwijl het zelfbewustzijn in de dieren tot nu toe relatief onuitgedrukt is. Deze
kloof is zo groot dat niets in de natuur haar kan overbruggen, behalve
wanneer het dier zelfbewustzijn verwerft via het bewust belichamen van de monadische
straal in de structuur van de ziel; maar dit zal pas in de ver verwijderde toekomst
van de volgende wederbelichaming van onze gehele planeetketen bij alle dieren
gebeuren. In Prediker, een van de canonieke bijbelboeken,
komt het volgende voor, wat de auteur hier zelf uit het Hebreeuwse origineel heeft
vertaald: Ik overlegde in mijn hart over de gesteldheid van
de mensen zonen, zoals elôhîm (de god of de goden) hen maakte(n), en toen zag
ik hoe zijzelf dieren zijn, zij zelf. Want de bestemming van de mensenzonen en
de bestemming van het dier zijn voor hen beiden één bestemming; zoals de eerstgenoemde
sterft, zo sterft de laatstgenoemde; want er is één geest in hen allen; zodat
de mens in niets de meerdere van het dier is; want alles is illusie. Alles gaat
naar de ene plaats; alles is uit het stof; en alles keert weer tot het stof. Wie
kent de geest van de mensenzonen die opwaarts stijgt, en de geest van het dier
die neerdaalt onder de aarde? 3:18-21
Dit boek Prediker is een mystiek werk, en is getiteld Qôheleth in
het Hebreeuws, wat ‘de leraar’ betekent. In deze passage wordt ons verteld dat
‘zoals het dier sterft, zo sterft ook de mens: beiden gaan zij naar één plaats;
beiden kwamen voort uit het stof en beiden keren naar het stof terug.’ Als men
deze woorden naar hun oppervlakkige betekenis beoordeelt, onderwijzen ze een grof
materialisme; maar dit is niet de bedoeling van dit Hebreeuwse boek. Ligt het
niet voor de hand dat Salomo, of wie ook de schrijver was van deze verhandeling,
onder de dekmantel van oppervlakkige woorden een verborgen en geheime betekenis
onderwees? Waar het om gaat is dat dieren in onze tijd gewoonlijk en ten onrechte
als zielloos worden beschouwd; en terwijl de hele oudheid dat denkbeeld ontkende,
maakte ze niettemin een groot onderscheid tussen de intellectuele en spirituele
vermogens van de mens en het innerlijke psychische gestel van het dier.
Dan wordt ons tenslotte gezegd: ‘Wie kent’ het verschil tussen ‘de geest van de
mensenzonen die opwaarts stijgt, en de geest van het dier die neerdaalt onder
de aarde’ en met deze vergelijking wordt aangetoond dat er tussen mens
en dier een ware afgrond is in morele en intellectuele ontwikkeling, die alleen
door evolutie kan worden overbrugd. Het verschil is kortweg dit: de mens is een
zelfbewust wezen, en dat betekent dat bewustzijn naar zichzelf wordt terug gekaatst
en zo zelfbewustzijn voortbrengt; dit is heel duidelijk een spirituele eigenschap,
want zo kent het bewustzijn zichzelf. In de mens is het
proces van ontplooiing zover gevorderd, dat de psychische levensatomen die de
structuur van de menselijke ziel vormen van een veel hogere graad zijn dan die
waardoor de structuur van de ziel van het dier wordt samengesteld, en daarom brengen
ze in de mens in veel grotere mate de vermogens en krachten van de monadische
straal tot uitdrukking. Als de structuur van de ziel van de mens alle vermogens
en krachten van zijn geestelijke monade tot uitdrukking kon brengen, dan zou de
mens een ware menselijke god op aarde zijn. Als iemand zichzelf
onderzoekt, zal hij soms ontdekken dat zijn natuur zo tegengesteld is aan zichzelf,
als het ware zo op voet van oorlog met zijn eigen elementen, dat als deze toestanden
zich in sterke mate voordoen hij in het bezit is van wat de psychologie een ‘dubbele’
of ‘meervoudige’ persoonlijkheid noemt en in feite het ene ogenblik de
ene persoon schijnt te zijn en op andere momenten een andere persoon of personen.
De mens is inderdaad ‘een legioen’ om de beeldspraak van het Nieuwe Testament
te gebruiken; hij is echter niet alleen het legioen van duiveltjes of van elementale
krachten, maar evenzeer een legioen van elementen van licht en inspiratie; want
in zijn diepste innerlijk is hij in essentie een ‘schepper’ in de zin van een
voortbrenger, die constant van binnenuit allerlei krachten en stromen van etherische
substanties uitzendt, die resulteren in een gewoon menselijk bewustzijn dat zich
in die legioenen van manifestaties tot uitdrukking brengt. Deze zijn alle uit
en van hem, want hij is hun ouder; maar niemand van deze is hij, want hij is in
zijn essentie hoger dan zij. We zien hierin één belangrijke psychologische reden
waarom het koesteren van deze veranderlijke impulsen en zwer vende gedachten,
die in ons bewustzijn rondwaren, niets goeds kan opleveren, want zij leiden de
aandacht af van het centrale vuur van de mens, zijn essentiële zelf.
Wat er in die gevallen van een ‘dubbele’ of ‘meervoudige’ persoonlijkheid aan
mankeert is dat de eigen stroom van egoïsch bewustzijn van het individu soms schijnt
te worden overspoeld of overweldigd door deze andere en denkbeeldige verschijningen
van ‘persoonlijkheid’. Het zou echter verkeerd zijn te zeggen dat er iets ‘aan
mankeert’ in zulke gevallen van een gespleten of ontwricht bewustzijn, want het
centrale egoïsche zelf is altijd aanwezig; maar de mens heeft nog niet geleerd
zich te verbinden met zijn eigen geestelijke zelf, en daarom volgt hij de psychomentale
dwaallichtjes van impulsen, gedachten en emoties in plaats van het centrale licht.
Nu bestaan er in de dieren hartstochten, herinneringen, instincten, die soms bijna
de intuïtie schijnen te benaderen, en ook een beperkte kennis van dingen, evenals
gevoelens van haat, liefde en allerlei tegenstrijdigheden, precies zoals een mens
deze voelt. Maar men vindt in het dier bijvoorbeeld niet het vermogen om te oordelen,
zoals de mens dat kent, noch onderscheidingsvermogen of creatieve intellectuele
kracht, noch een herkenning van abstracte waar heden of onpersoonlijke liefde.
Het verschil tussen mens en dier is één in graad van evolutionaire groei, maar
niet in soort en ook niet in spirituele oorsprong. Het dier heeft alles in zich
wat de mens in zich heeft, maar meestal latent, ongemanifesteerd.
Overal bewustzijnen in vele myriaden graden, van goden tot levensatomen, die alle
één algemeen pad van evolutionaire vooruitgang volgen, maar toch als individuen
wegen volgen die elkaar op hoogst ingewikkelde manieren kruisen en herkruisen,
en die zo de zich onderling vermengende karmische bestemming van alle dingen teweegbrengen.
Zoals Einstein heeft gezegd: Het is voor mij voldoende het mysterie
van het bewuste leven dat tot in alle eeuwigheid voortduurt te overpeinzen
na te denken over de wonderbare structuur van het heelal die we vagelijk kunnen
waarnemen, en nederig te proberen ook maar een oneindig klein deeltje te begrijpen
van de intelligentie die zich in de natuur openbaart. De esoterische
traditie verdeelt het heelal en dus ook de mens in vier fundamentele gebieden
of werelden van manifestatie. Men moet deze gebieden of werelden niet opvatten
als een trap die naar boven (of naar beneden) voert, maar alsof ze zich binnen
elkaar bevinden, elk etherischer dan de grovere en meer materiële die deze omsluit
en dus belichaamt. Ze zijn de werkingssferen of -terreinen van de vier lagere
beginselen van het zevenvoudige heelal; en dezelfde regel geldt voor de mens.
Het eerste en hoogste gebied is het goddelijke, het terrein of de sfeer van activiteit
van de goden de hoogste spirituele entiteiten die behoren tot ons eigen
thuis-heelal, dat alles binnen de gordel van de melkweg omvat.
Het volgende en lagere is het geestelijke, de woonplaats van de monaden
die term betekent een ‘eenheid’ of ‘individu’, en beschrijft de aard van die entiteiten
die een betrekkelijk volledig zelfbewustzijn hebben bereikt voor zover het de
wezens onder hen in dezelfde hiërarchie betreft dus zelfbewuste individuele
levenscentra of jîva’s. De derde wereld of het derde
gebied is het rijk of werkterrein van zielen van verschillende soort, die zelf
stralen zijn van de monaden en daarom kunnen worden teruggeroepen of teruggetrokken
in de ouderbron. Het zijn entiteiten die groeien om opnieuw hun eigen innerlijke
en tot dusver onontwikkelde monadische essentie te worden, precies zoals de monaden
of embryogoden groeien naar goddelijkheid, om goden te worden.
De vierde en laatste van deze werelden of gebieden is de woonplaats van andere
ontelbare menigten van entiteiten, die we bij gebrek aan een betere term, ‘levensatomen’
kunnen noemen of eenvoudig ‘atomen’, waarbij we de term overnemen van de oude
Grieken van de atomistische school, zoals Leucippus en Democritus. Deze atomaire
entiteiten zijn niet noodzakelijk de stoffelijke atomen van de scheikunde; laatstgenoemde
zijn slechts de materiële weerkaatsingen van de ware levensatomen. Zij zijn de
actief werkzame centra in en achter de fysieke atomen die ze bezielen, en die
ze samenhouden als de individuele eenheden van fysieke materie, waarbij de fysieke
atomen de verdichtingen van substantie zijn rond de stroom van energie vanuit
deze levensatomen. In het Sanskriet worden deze levensatomen met dezelfde term
aangeduid die we voor de monaden hebben gebruikt jîva’s. Dit woord
dat ‘leven’ betekent, en hier wegens zijn toepasselijkheid in twee betekenissen
is gebruikt, betreft strikt genomen alleen het fundamentele monadische levenscentrum
zelf een term die daarom van toepassing is zowel op entiteiten in de hogere
werelden als op dit gebied. De wezenlijke betekenis van jîva is dus levenscentrum,
mits dit begrip het hebben van denkvermogen en bewustzijn omvat.
Men zou misschien kunnen zeggen dat een levensatoom hetzelfde is als de bezielende
levenskracht van het elektron, echter onder het voorbehoud dat dit levensatoom
zelf is bezield door een elementale ziel. Een elementaal is dus een evoluerende
ziel in haar vroegste of elementale stadia een levenscentrum bij haar
verschijnen in deze materiële sfeer. De vorm of gedaante is van geen belang,
omdat de elementalen of elementale levens, als de natuurgeesten van de elementen,
hun vorm of gedaante met grote snelheid veranderen. Met andere woorden, het elementaal
is precies dat: een elementale kracht of energie die door een jîva is bezield.
Elke zonnestraal, elke kleine ‘wervelende duivel’, zoals de Arabieren ze noemen,
op een stoffige weg, elke waterhoos en zelfs elke regendruppel, belichaamt een
elementaal of een groep elementalen. Elke elektrische vonk is een elementaal of
een verzameling ervan; elke zenuwtrek is het gevolg van de werking van een of
meer van hen; maar dit betekent niet dat de elementalen miniatuurentiteiten zijn
met een menselijke vorm, die aan een zenuw trekken, of water laten kolken, of
regendruppels neergooien; of die met een of ander middel de miniatuurcyclonen
van stof teweegbrengen die men op de weg ziet. Elk atoom
in een menselijk lichaam is het fysieke omhulsel van een psychisch elementaal
of een natuurgeest, die zelf in hogere mate is bezield door een jîva. We spreken
met de hulp van elementalen; we verteren voedsel met hun hulp; we ademen en leven
met hun hulp. In feite worden we door hen omringd; ze vormen elk deel van ons
en hebben deel aan iedere gedachte of emotie die we hebben en aan iedere handeling
en dit omdat ze natuurkrachten zijn, natuurgeesten, en dus in zekere zin
individuen. Sommige zijn titanen, andere hebben de omvang van atomen; en tussen
deze twee uitersten komen allerlei grootten en variëteiten voor.
Denk eens aan de variëteiten of soorten van straling die het bereik doorlopen
van de oneindig kleine trillingen die kosmische stralen worden genoemd, via de
röntgenstralen, tot weer andere die door stralingsgebieden gaan die we warmte
en licht noemen en die in amplitude toenemen tot de lange golven die in de radio
worden gebruikt; en er zijn nog andere stralingsgebieden waarvan wetenschappers
het bestaan vermoeden. Elk zo’n straal wordt teweeg gebracht door de werking van
een elementaal, dat zo zijn eigen kenmerken tot uitdrukking brengt in het type
stralingsgolf dat het voortbrengt. Elementalen zijn eenvoudig
natuurgeesten in allerlei verschillende stadia van evolutionaire ontwikkeling.
Een blikseminslag is een kosmisch elementaal in actie. De maruts uit de
Indiase Veda’s, merkwaardig vertaald door ‘windgoden’ of ‘stormgoden’,
zijn kosmische elementalen, maar van een uitzonderlijk hoge klasse; deze maruts
zijn werkelijk elementalen met een zo hoge mate van ontwikkeling dat ze naar waarheid
zelfbewuste natuurgeesten kunnen worden genoemd. De mens was zelf een elementaal
dat door evolutie van innerlijke ver mogens is gegroeid van niet-individualiteit
tot monadische individualisatie. De mens is tegelijk een massa elementalen die
aan hem ondergeschikt zijn, zoals hijzelf ondergeschikt is aan de goden die in
kosmische perioden in het verre verleden elementalen waren.
De elementalen zijn dus de halfautomatische en quasibewuste werktuigen in de natuur,
die niet alleen hun betrekkelijk kleine denkvermogen en bewustzijn belichamen,
maar ook het hiërarchische bereik van de hogere denkvermogens en bewustzijnen
die hen op deze manier gebruiken en zo de ontelbare vormen van activiteit in het
heelal teweegbrengen. Deze steeds actieve natuurgeesten zijn daarom overal, en
zijn de instrumenten of oorzaken van alles wat er waar dan ook gebeurt
dit geldt evengoed voor werk dat een hoge mate van intelligentie vereist als voor
werk van een lage graad. Iemand die een boek schrijft, doet dat met de hulp van
elementalen die hij tijdelijk tot slaaf maakt van de opdrachten van zijn denken
en wil; hetzelfde geldt als iemand zwemt, of paardrijdt of autorijdt, of in een
kerk zit al deze handelingen worden verricht door en met de hulp van elementalen.
Wanneer bepaalde mediamieke mensen in seancekamers aanwezig
zijn, gebeurt het wel eens dat de elementalen als het ware onbeheersbaar worden.
Ze geven dan van hun aanwezigheid blijk door voorwerpen te laten bewegen of te
laten schokken, of door vreemde en ongewone geluiden te maken. Een huis waar zulke
dingen voorkomen bevat een Poltergeist of spook, of wat men in het oosten
een bhûta of een jinnî noemt; men zegt dan dat het een spookhuis
is. In aanwezigheid van bepaalde mediums van wie de menselijke beginselen zo slecht
zijn gecoördineerd en worden beheerst dat ze niet automatisch gehoorzamen aan
het hogere denkvermogen en de wil van deze personen, loopt het met de elementalen
soms zo ‘uit de hand’ dat er verbazingwekkende dingen kunnen gebeuren, zoals het
oplichten of omgooien van tafels, of het neergooien van aardewerk in een kast.
Wanneer het medium vlakbij is, laten ze hem struikelen en vallen, of wordt zijn
bed geschud of op één poot gezet ze kunnen inderdaad allerlei streken uithalen.
Het is allemaal een kwestie van natuurkrachten die ongeordend en halfchaotisch
uit het ‘medium’ stromen. Als het principe, de aard en de oorzaak van deze verschijnselen
eenmaal zijn begrepen, ziet men dadelijk in dat er volstrekt niets geheimzinnigs
of griezeligs aan is, evenmin als bij een aanval van hysterie of reumatiek, of
bij een lelijke misstap tijdens het wandelen. Elke keer
dat een mens wordt overmand door hartstocht, verkeert hij tijdens die reeks van
ogenblikken min of meer in de greep van de dominerende macht van een elementaal
of groep elementalen die normaal thuishoren en functioneren in de lagere delen
van zijn constitutie, en die hij, wanneer hij zichzelf volledig onder controle
heeft, gebruikt als krachten die automatisch de bevelen van zijn denkvermogen
en wil opvolgen voor hogere doeleinden. Alle elementalen,
hetzij kosmisch of oneindig klein van omvang, zijn onontwikkelde entiteiten omdat
ze zijn ontstaan in de kosmische elementen. De goden zijn zelfbewuste wezens die
in vroegere kosmische tijdperken elementalen waren. De mens was in het verre verleden
een natuurgeest of een kosmische elementaal. Wat kon hij anders zijn geweest?
Hij is een deel van de natuur; hij is een geestelijk en intellectueel geïndividualiseerde
natuurkracht. Zoals H.P. Blavatsky schreef:
De nuchtere waarheid is, zoals zoëven werd uiteengezet, dat iedere zogenaamde
‘geest’ òf een ontlichaamde òf een toekomstige mens is. Zoals allen, vanaf
de hoogste aartsengel (dhyân-chohan) tot de laatste bewuste ‘bouwer’ (de lagere
klasse van geestelijke wezens), mensen zijn, die eeuwigheden geleden leefden,
in andere manvantara’s, op deze of op andere gebieden, zo zijn de lagere semi-intelligente
en niet-intelligente elementalen allemaal toekomstige mensen. Alleen al
dat feit dat een geest intelligentie bezit vormt voor de occultist
een bewijs dat zo’n wezen een mens moet zijn geweest en zijn kennis en
intelligentie tijdens de menselijke cyclus moet hebben verkregen.
De Geheime Leer, 1:304 Deze vier hoofdklassen van
wezens evolueren niet alleen maar revolueren eveneens, en niet alleen als geaggregeerde
klassen maar ook als individuen. De atomen of levensatomen, de onzichtbare deels
bewuste levens die het heelal vullen en die feitelijk samen de ‘materie’-kant
ervan vormen, groeien langzaam door in de loop van de eonen te evolueren. Naarmate
deze voortgaande evolutie vordert, begint het zelfbewustzijn te verschijnen, zich
te ontplooien en voortdurend en steeds sterker te groeien. Wanneer tenslotte zelfbewustzijn
wordt bereikt, zijn deze levensatomen zielen geworden. Iedere entiteit, waar dan
ook, kan alleen maar manifesteren wat zijzelf wezenlijk is; maar omdat
dit zelf op zijn beurt in het grenzeloze Al is geworteld, is het natuurlijk duidelijk
dat evolutie of zelfexpressie geen einde en ook geen begin heeft.
Die monadische straal die zich manifesteert door middel van de menselijke ziel
is ons essentiële zelf. Naarmate deze zielen evolueren, worden ze in de loop van
de tijd wat wij monaden noemen niet omdat een ziel door groei als gevolg
van aanwas in een monade verandert, maar door naar buiten te brengen wat al in
haarzelf in de monadische essentie aanwezig is. Deze monaden, die door de sferen
heen evolueren en revolueren, worden op hun beurt godheden of super-geestelijke
wezens door op een precies gelijke manier de innerlijke essentie te ontvouwen.
Zoals H.P. Blavatsky schreef: De Geheime Leer is de verzamelde
wijsheid van de eeuwen en alleen al haar kosmogonie vormt het meest verbazingwekkende
en uitgebreide stelsel: . . . Alles in het heelal, in al zijn rijken, is BEWUST:d.w.z.
voorzien van een eigen soort bewustzijn op zijn eigen waarnemingsgebied. . . .
Het heelal wordt van binnen naar buiten bestuurd en geleid. Zoals
boven zo is het ook beneden, zoals in de hemel zo ook op aarde; en de mens
de microkosmos en het verkleinde evenbeeld van de macrokosmos is de levende
getuige van deze universele wet en van haar manier van werken. . . . De hele Kosmos
wordt geleid, beheerst en bezield door een bijna eindeloze reeks hiërarchieën
van bewuste wezens, die elk een taak hebben te volbrengen en die of we
ze nu de ene of de andere naam geven en ze dhyân-chohans of engelen noemen
‘boodschappers’ zijn, maar alleen in die zin dat ze werktuigen zijn van de karmische
en kosmische wetten. Ze variëren oneindig in hun respectievelijke graden van bewustzijn
en intelligentie; en als men ze allen zuivere geesten noemt, zonder enig aards
bijmengsel ‘waar de tijd aan pleegt te knagen’, geeft men zich slechts over aan
dichterlijke verbeelding. Want ieder van die wezens is òf een mens geweest,
òf bereidt zich voor er een te worden, zo niet in het heden, dan toch in een vroegere
of komende cyclus (manvantara). Als ze geen beginnende mensen zijn, zijn
ze vervolmaakte mensen en verschillen moreel alleen daarin van de aardse
mensen in hun hogere (minder materiële) gebieden, dat ze vrij zijn van het gevoel
van persoonlijkheid en van de menselijke emotionele aard twee puur
aardse eigenschappen. De Geheime Leer, 1:299-302
We bewegen ons als zelfbewuste mensen in de richting van die goddelijke bestemming,
maar het zal nog eeuwen duren voordat mensen zelfs maar weten wat en wie ze in
essentie zijn. We komen uit een verleden zonder inzicht, en maken nu slechts een
tijdelijk stadium door op onze lange, eonendurende kosmische pelgrimstocht, op
weg naar de eeuwig onuitsprekelijke Kosmische ZELF-heid
die de wortel is van alles, en het doel van alle wezens en entiteiten.
De natuur en de geestelijke krachten die haar beheersen en besturen, vertonen
geen grillen en kennen geen bevoorrechting. De mens is de architect van zijn ziel,
de bouwer van zijn lichamen, de vormgever van zijn denkvermogen, de schepper van
zijn lot. Het besef hiervan verleent waardigheid en zelfrespect, want het betekent
dat de mens het vermogen heeft van de vrije wil en de vrije keuze, hoe beperkt
ook door vroeger karma. Dit onderscheidende vermogen van de wil is goddelijk,
omdat alleen die goddelijke wezens die het menselijke stadium hebben doorlopen
dit wonderbaarlijke vermogen bezitten om met een volledig vrije en onbelemmerde
wil en bewustzijn te handelen bij het vormen van hun bestemming. Het uitoefenen
van de vrije wil houdt voor de handelende mens vanzelfsprekend een verantwoordelijkheid
in, en dit over het hele traject van oorzakelijke gedachte tot aan het resultaat
toe. De levensatomen van ons fysieke lichaam, maar ook van
de tussenliggende en meer etherische voertuigen die de enorme energieën van onze
geestelijke natuur ‘neertransformeren’ al deze zijn wezens op weg omhoog.
Door onze gedachten en daden verbinden we ons aan deze levenscentra met onverbrekelijke
banden van het lot, die deel gaan uitmaken van de vezels van ons wezen en ons
krachtig beïnvloeden totdat we de knopen erin hebben ontward en de wirwar hebben
ontrafeld. Deze levensatomen kwamen tot ons omdat wij hun
ouders zijn en daarom voor hen verantwoordelijk zijn. Stop een eikel in de grond.
Na verloop van tijd zal hij een eik voortbrengen, en deze eik zal het leven schenken
aan veel andere eikels die uit hemzelf ontstaan. Op een soortgelijke manier zijn
deze levensatomen onze eigen kinderen, in hun essentie de vruchten van onze geest.
Want ze zijn niet alleen elementale zielen, maar zijn het bloed van ons geestelijke
bloed. Wij zijn voor hen als goden: ze komen tot manifestatie vanuit de hoogste
delen van onze natuur als onze geestelijke gedachten; en omdat een gedachte
een kracht of energie is, is ze een substantie en daarom een ding, en omdat ze
is bezield door een geestelijke energie is ze ook een ziel. Deze levensatomen
zijn aan ons ontsprongen, zoals wij aan de goden zijn ontsprongen. Dit is de reden
waarom de mens een goddelijke natuur heeft, want ieder van ons is geworteld in
een evoluerende god en is aan het begin van onze eigen tegenwoordige kosmische
evolutie als een niet-zelfbewuste godsvonk voortgekomen uit het hoogste deel van
dat goddelijke wezen. Dat gebeurde toen dit zich vroeger in een eerder heelal
ontwikkelde als een mens, of een wezen dat min of meer met de mens gelijkstond.
De levensatomen waaruit het menselijk lichaam bestaat, en die zelf elementale
zielen zijn, zijn bewustzijnscentra en daarom ook bewuste krachten, want kracht
en stof, geest en substantie, zijn in essentie één. Waren ze dat niet, dan zouden
er in het grenzeloze Al twee oneindigheden zijn één die we de lichtkant
of dagkant van de natuur kunnen noemen, bestaande uit de ontelbare menigten van
wezens die via alle tussenliggende stadia tot het goddelijke zijn uitgegroeid;
en anderzijds een andere oneindigheid van materiële wezens en dingen. Dit is een
logische onmogelijkheid in de natuur. De twee kanten van de natuur, de lichtkant
en de materiekant, zijn in essentie en voor altijd één. Een levensatoom is dus
aan zijn lagere of voertuiglijke kant substantieel; en aan zijn hogere of energiekant
is het een centrum waardoor alle krachten en substanties worden uitgestort en
tot manifestatie komen, die aan het wezen of de entiteit aangeboren zijn en die
behoren tot een innerlijke stroom die de monadische straal is, de karakteristieke
individualiteit van het geestelijke wezen. Het heelal bestaat
dus in feite uit belichaamde bewustzijnen: dit is een ware sleutel tot kennis
en wijsheid. Er is in het heelal niets anders dan bewustzijnen, want het macrokosmische
geheel van deze bewustzijnen is het heelal zelf. Er bestaat geen materie per
se; er is geen geest per se; het zijn twee aspecten van de eraan ten
grondslag liggende WERKELIJKHEID. De vier
grote gebieden of werelden, respectievelijk genoemd het goddelijke, het geestelijke,
de wereld van de zielen en de stoffelijke sferen, zijn de vier lagere kosmische
gebieden of rûpawerelden van het zevenvoudige zonnestelsel; de drie hogere gebieden
worden de arûpawerelden van het kosmische zevental genoemd. H.P. Blavatsky geeft
in De Geheime Leer (1:228) een suggestief diagram van de manier waarop
de oude wijsheid deze zeven basisgebieden heeft ingedeeld, waarin de vier lagere
gebieden als volgt zijn benoemd: DE WERELD VAN
DE ARCHETYPEN DE VERSTANDELIJKE OF 'SCHEPPENDE' WERELD DE SUBSTANTIËLE OF
VORMENDE WERELD DE STOFFELIJKE WERELD, dat is de wereld van de vaste
lichamen of 'schillen' Deze vier rûpawerelden of werelden van vorm
zijn dus de vier kosmische gebieden waarop de zeven gemanifesteerde bollen van
de planeetketen bestaan; en daarom wordt in deze vier lagere kosmische gebieden
het grootste deel gevonden van de zichtbare en onzicht bare werelden die in het
tegenwoordige evolutiestadium van de mens het nauwst bij zijn lot zijn betrokken,
omdat hij als een evoluerende monade daar doorheen zijn omzwervingen maakt.
Deze vier kosmische gebieden of werelden worden in veel religieuze en filosofische
literatuur uit de oudheid genoemd. Ze worden in het bijzonder vermeld in de Hebreeuwse
kabbala - de theosofie van de joden die, hoeveel ze door latere christelijke denkers
misschien ook is gewijzigd, is afgeleid van de archaïsche kabbala van Chaldea,
de vorm die de esoterische traditie in Mesopotamië aannam. De kabbala geeft deze
vier kosmische gebieden de volgende namen: 1. ‘Olâm Atsîlôth
wereld van emanaties 2. ‘Olâm-hab-Berîâh wereld van ‘schepping’ 3.
‘Olâm hay-Yetsîrâh wereld van vormen 4. ‘Olâm ha-‘Âsîâh wereld
van werk of handelingen De kabbala geeft aan elk van deze vier
basiswerelden een hiërarchie van tien sephîrôth geestelijke of engelachtige
wezens, en eveneens de geestelijke of engelachtige eigenschappen die zulke wezens
belichamen. De sephîrôth komen overeen met de dhyâni-chohans en met de hiërarchieën
van geestelijk-goddelijke wezens in andere wereldreligies.
Zo zijn er tien sephîrôth in de eerste wereld, of wereld van emanaties, hoewel
naar deze hoogste tien zelden wordt verwezen. De daaropvolgende en lagere wereld
bevat eveneens tien sephîrôth en vormt zo een hiërarchie die tot de wereld van
‘schepping’ behoort, en de tien sephîrôth van de wereld van emanaties werken in
en door hun nakomelingen, de tien sephîrôth van de tweede wereld. De derde of
wereld van vormen bevat eveneens haar hiërarchie van tien sephîrôth, met hun eigen
individuele kenmerken, maar belichaamt toch een ‘neertransformatie’ van de kenmerken
van de tien plus tien sephîrôth van de tweede wereld boven haar. Tenslotte bevat
de laagste van deze kabbalistische werelden haar eigen hiërarchie van tien sephîrôth,
die niet alleen de kenmerken heeft die juist bij haar horen, maar eveneens de
tien plus tien plus tien sephîrôth van de drie werelden boven haar belichaamt
en neertransformeert. De laagste of vierde wereld wordt
ook ‘Olâm haq-Qelîphôth genoemd de wereld van schillen. In dit hiërarchische
stelsel brengt iedere hogere wereld zichzelf opnieuw voort in de wereld onder
haar, die haar emanatie is, zodat er een keten van krachten en substanties en
van menigten evoluerende ‘zielen’ is die werken door middel van circulaties door
dit kabbalistische wereldstelsel heen die aldus getrouw een van de meest
verheven leringen van de esoterische filosofie weergeeft.
De Zôhar zegt: Het goddelijke bezielde alle delen van het
heelal met karakteristieke en passende geestelijke wezens, en zo bestaan alle
menigten. 3:68a Deze oude kabbala
ziet de essentie van het heelal dus als god delijk, als de bron waaruit alles
voortkomt, waardoor alles is doordrongen van geest, bewustzijn en krachten, en
waarin alles zal terugkeren. Goethe had dezelfde opvatting over de oorsprong van
het heelal in, en zijn uiteindelijke terugkeer tot, het goddelijke:
Die ganze Schöpfung nichts ist und nichts war als ein Abfallen und Zurückkehren
zum Ursprünglichen. Wahrheit und Dichtung,
8 Er is een begin en een einde aan de omstandigheden en
toestanden van wezens. Zo heeft de menselijke ziel als toestand van de vitale
zielenstructuur een begin, en bakent haar deel af van de goddelijke monadische
straal; en ze heeft een einde als een menselijke ziel, omdat ze begon als
een ziel. Dit is zo omdat ze een evoluerende entiteit is, en dus onderworpen aan
voortdurende veranderingen, totdat ze uit een zuiver menselijke ziel een
groter deel van de in haar aanwezige goddelijke essentie heeft ontwikkeld. De
monadische straal gebruikt deze samengestelde zielenstructuur om daarin te werken,
precies zoals de menselijke ziel gebruik maakt van de levensatomen die het lichaam
van de mens samenstellen en door middel daarvan werkt. De
mens is de ouder van alle lagere levens of levensatomen die de verschillende voertuigen
van zijn bewustzijn samenstellen met uitzondering van die migrerende
lagere levensatomen die op een bepaald moment door hem heengaan. Zijn lichaam
zelf is samengesteld uit de entiteiten, de ‘onzichtbare levens’, die zijn voortgevloeid
uit het meest innerlijke van zijn eigen natuur, zowel in vroegere levens op aarde
als in zijn tegenwoordige leven. Men mag aannemen dat op
onze aarde geen enkel deeltje fysieke stof is dat niet herhaaldelijk in deze en
in andere incarnaties door onze lichamen is gegaan. Door middel van lucht, water
en voedsel wordt het lichaam alleen gevoed door die delen die er van nature in
thuishoren, zijn eigen atomaire kinderen, die de atomaire zielen zijn die oorspronkelijk
voortkwamen uit het levenscentrum dat de mens is, en die nu tijdelijk weer tot
hem worden aangetrokken. Zij bouwen hem op en gaan daarbij opnieuw hun ouder binnen,
blijven een korte tijd binnen de sfeer van zijn etherische of elektromagnetische
natuur, en komen dan weer te voorschijn en vervolgen hun eigen karakteristieke
pelgrimstocht, en keren opnieuw tot hem terug om dezelfde cyclus eindeloos
te herhalen, hoewel ze als individuen gestaag evolueren. Dezelfde regel is van
toepassing op de onzichtbare lichamen van de constitutie van de mens. Dezelfde
regel van de omzwervingen geldt overal in het heelal, zodat elke entiteit zich
in een onafgebroken en oneindige reeks kringlopen bevindt door de verschillende
werelden die ons zonnestelsel vormen, zichtbare of onzichtbare.
De wetenschapper, Geoffrey Martin, schreef: Elk beetje stikstof
in ons lichaam zweefde eens in de atmosfeer van de oertijd, eeuwen voordat de
mens, het dier of de plant ontstond. Elk stikstofdeeltje in ieder levend wezen
dat op de aarde kruipt, in elke bloem op een beschut plekje op de grond, en in
elke boom die naar de hemel groeit, dreef eens op de oerwinden van onze planeet.
Er is geen atoom stikstof in de lucht dat niet ooit in de loop van zijn bestaan
in de weefsels van een levende plant of levend dier heeft meegetrild, niet eenmaal
maar vele keren. We nemen iets in onze lichamen op als voeding,
maar dit kan niet meetrillen met het ritme van het hart en in de weefsels van
ons lichaam tenzij het een essentieel deel ervan is en ertoe behoort; anders wordt
het na een tijdelijk verblijf daarin uitgeworpen. Niets kan de ziel binnengaan
en daar blijven tenzij het tot die ziel behoort. En wat meer zegt, iedere entiteit
die binnenkomt, levensatoom of rondtrekkende monade, betreedt en verlaat het lichaam
of de ziel op haar eigen vastgestelde tijden. Dit is een van de bijkomstige aspecten
van de leer die de circulaties in het heelal wordt genoemd. Als
een evoluerende menselijke ziel een samengestelde entiteit is, sterfelijk van
aard en dus uiteenvalt wanneer haar leven ten einde is, welk deel van haar blijft
dan bestaan en stelt haar in staat zich als een voortlevende entiteit te ontwikkelen?
Het is niet de samengestelde zielenstructuur zelf waarvan ooit werd gezegd dat
ze voorbij de poorten van de dood zou voortduren, maar de individuele levensenergie
of geestelijke straal die door elke samengestelde entiteit werkt en deze bijeenhoudt.
Deze individuele monadische straal blijft in stand; want deze levensenergie, geïndividualiseerd
als een kracht, verzamelt bij iedere nieuwe incarnatie op aarde de levensatomen
van die samengestelde structuur van de menselijke ziel en brengt zich daarna opnieuw
tot uitdrukking door middel van zo’n nieuw-oude samenstelling. Ze doet dat als
het ego van de nieuwe incarnatie. We volstaan hier met te
zeggen dat deze nieuwe verzameling een nieuw voertuig is, maar het bestaat uit
precies dezelfde levensatomen waaruit zowel de zielenstructuur als het fysieke
lichaam van de direct voorafgaande incarnatie op aarde waren samengesteld. Als
het mogelijk was om naar welgevallen ons fysieke lichaam te ontbinden en de levensatomen
waaruit het bestaat uiteen te laten vallen, en precies dezelfde levensatomen door
wilsinspanning opnieuw bijeen te brengen, dan zouden we het hele beeld van het
incarnatieproces vóór ons hebben, want dat is precies wat er gebeurt wanneer er
een nieuwe incarnatie op aarde plaatsvindt hoewel zo’n ‘wilsinspanning’
in dit geval eerder bijna automatisch dan zelfbewust is. Toch zijn deze beide
voertuigen, de zielenstructuur en het lichaam, in de nieuwe incarnatie enigszins
verbeterd ten opzichte van hun ontwikkelings stadium in de direct voorafgaande
incarnatie. De ziel is niet samengesteld uit de fysieke
atomen van de scheikunde, zoals het fysieke lichaam; toch weerspiegelt het lichaam
de ziel van de mens een oud gezegde van dichters en filosofen, zoals Spenser
in An Hymne in Honour of Beautie (vers 132-3) laat zien:
Het lichaam neemt een vorm aan op basis van de ziel; Want ziel is vorm, en
maakt het lichaam.* [*For of the soule the bodie forme
doth take; For soule is forme, and doth the bodie make.] Hoewel
de menselijke ziel een samengestelde entiteit of structuur is en is gevormd uit
de levensatomen die behoren tot het psychomentale gebied door middel waarvan de
monadische invloed werkt, verschaft ze toch het werkterrein voor het reïncarnerende
ego. Bovendien stijgt de zielenstructuur zelf verder op de evolutieladder door
de verfijnende invloeden van het reïncarnerende ego, zodat in verre eonen van
de toekomst de tijd zal aanbreken waarin de menselijke ziel zich zal hebben ontwikkeld
tot een geïndividualiseerd en duurzaam bewustzijnscentrum. Ze zal een monade zijn
geworden omringd door een menigte ondergeschikte entiteiten die haar vroegere
levensatomen waren, en die nu in dit stadium op hun beurt menselijke zielen zijn.
Deze gedachte geeft ook de sleutel tot een heel belangrijk onderwerp, namelijk
het ontstaan van nieuwe elementalen door de evoluerende en revoluerende ziel-entiteit,
waarbij deze nieuwe elementalen bij hun ontstaan delen worden van, of individuen
die thuishoren op, de materiële gebieden of sferen; vanuit de lichtkant van de
natuur brengen ze die vloeiende stroom van energie-substanties voort die zich
manifesteren als de materiële of nachtkant van de natuur. Maar deze uitspraak
over het ontstaan van die elementalen waarvan het gebied waar ze thuis zijn karmisch
is geplaatst in de materiële gebieden of sferen, vervangt op geen enkele manier
het andere even belangrijke feit dat de evoluerende ziel-entiteit andere klassen
van elementalen in andere gebieden en sferen voortbrengt, waar ze in haar evolutionaire
rondgang of pelgrimstocht doorheen trekt. Anders gezegd, de monade is door middel
van haar verschillende voertuigen, waaronder de zielenstructuur, een voortdurend
emanerend of ‘scheppend’ centrum of brandpunt, dat op ieder van deze gebieden
elementalen voortbrengt die karmisch geschikt zijn voor elk van de genoemde gebieden
of sferen. Velen hebben zich afgevraagd waar en hoe de materiële
kant van de natuur wordt gerekruteerd, als door heel de eeuwigheid ieder geïndividualiseerd
wezen steeds verder is ontwikkeld in de richting van goddelijkheid of de lichtkant
van de natuur. Deze vraag is relevant omdat de eindeloze eeuwigheid van het verleden
voldoende tijd lijkt op te leveren om de hele substantiële kant van de natuur
te louteren tot goddelijkheid. De grondgedachte bij deze vraag is het misleidende
geloof dat aan het begin van de kosmische manifestatie alle moge lijke emanaties
voor die kosmische periode eens en voor altijd hadden plaatsgevonden, en dat daarna
de entiteiten die hun eonenlange pelgrimstocht door de zichtbare en onzichtbare
werelden waren begonnen, slechts moeten blijven evolueren totdat het oorspronkelijk
geëmaneerde enorme aggregaat, zowel individueel als collectief, de goddelijke
vervolmaking bereikt waaruit alles in het begin voortkwam. Dit denkbeeld is volstrekt
onjuist. De waarheid is dat emanatie of voortbrenging zelfs gedurende de kosmische
tijds periode een continu proces is, en het is juist deze onophoudelijke stroom
van pas ontstane monadische eenheden die de eindeloze verscheidenheid in de universele
natuur verschaft; maar men moet bedenken dat de processen van groei of evolutionaire
ontvouwing in de natuur plaats vinden door middel van cyclische impulsen, zoals
de golven van de opkomende getijden die elkaar regelmatig en eindeloos opvolgen.
|