6
Het pad van evolutie naar de goden De eeuwigheid strekt zich vóór
ons in de ene richting en achter ons in de andere richting uit, en met en binnen
deze eeuwigheid hebben de talloze menigten van wezens en entiteiten zich geëvolueerd
en zullen eeuwig blijven evolueren. Deze voortgaande groei is onophoudelijk aan
de gang in de hele universele natuur nevelvlek of komeet, ster of planeet,
atoom of elektron, al deze zijn voorbeelden aan de ene kant; en aan de andere
kant hebben we goden, kosmische geesten of dhyâni-chohans, mensen, dieren en alle
zogenaamd ‘bezielde’ entiteiten. Men kan zich voorstellen
dat de universele natuur uit twee delen bestaat: ten eerste ontelbare menigten
entiteiten in sterk verschil lende graden van evolutionaire ontwikkeling, die
een daarmee overeenstemmend zelfbewustzijn bezitten en, ten tweede talloze
menigten entiteiten op een lagere trap van evolutie, die in hun eindeloze verzamelingen
gewoonlijk de materiële zijde van de universele natuur worden genoemd deze
zijn het thuis of de woonplaats van de zelfbewuste entiteiten.
Deze fundamentele bouw van het heelal met de menigten die het bezielen zou men,
technisch gesproken, kunnen aanduiden met de namen monadenleer en atomisme
twee woorden die verwijzen naar de aangeboren en onophoudelijke drang in de universele
natuur om zichzelf te manifesteren of tot expressie te brengen in en door middel
van individuen. Als men denkt dat deze individuen tot godde lijke en spirituele
werelden behoren, worden ze monaden genoemd; en wanneer deze individuen zichzelf
tot expressie brengen in de werelden of rijken van het substantiële zijn of de
materie, omdat ze zich daarin als afzonderlijke of individuele punten manifesteren,
worden ze terecht aangeduid met het woord atomen in de oorspronkelijke Griekse
betekenis van dat woord, zoals Democritus en Epicurus het gebruikten om er ondeelbare
dingen mee aan te duiden. Enkele van de grote religieus-filosofische
stelsels van de oude wereld, zoals bijvoorbeeld dat van Zarathoestra, de Pers,
waren uitgesproken dualistisch van karakter met het doel welomschreven leringen
te geven aan het gewone volk. Toch waren deze zogenaamd dualistische religie-filosofieën
zonder uitzondering gebaseerd op een esoterische leer een getrouwe echo
van de archaïsche esoterische traditie die de oorspronkelijke eenheid van
het kosmische Zijn onderwees met een even krachtige stem als die waarmee in het
openbaar het kosmische dualisme in perioden van manifestatie werd verkondigd. Monadenleer
en atomisme vertegenwoordigen dus de bewustzijnskant van de natuur en de zogenaamd
‘onbewuste’ kant van de natuur. Beide samen vormen de duidelijk aanwezige dualiteit
van en in de natuur, waarbij men dient te bedenken dat deze dualiteit alleen tijdens
de perioden van kosmische manifestatie bestaat. Deze twee kanten gaan echter,
zover het ons eigen heelal betreft, onmerkbaar in elkaar over. De intermediaire
gedeelten tussen de twee relatieve uitersten van het kosmische geheel omvatten
de menigten wezens waarin geest en stof min of meer met elkaar in evenwicht zijn
onze menselijke familie is een van die menigten. Maar elders in ons thuis-heelal
of melkwegstelsel bestaan dezelfde tussenliggende delen van het kosmische geheel
uit wezens en entiteiten die eenzelfde relatieve positie innemen als de verschillende
geslachten of groepen van entiteiten hier op aarde. Zoals de mensheid op aarde
zo streven ook met mensen overeenkomstige wezens op andere planeten naar het goddelijke
en evolueren vanuit de duisternis van onvolmaaktheid van de materiële kant van
de natuur om goden te worden, die een betrekkelijk volledig zelfbewuste bijdrage
kunnen leveren aan het werk van de lichtzijde van het heelal.
Deze inspirerende beginselen van religie, filosofie en wetenschap zijn in alle
tijden en onder alle mensenrassen onderwezen. In zijn vertaling van de Barddas
(een verzameling manuscripten in het Welsh) geeft de Eerw. J. Williams ab Ithel,
M.A., twee druïdische triaden als volgt weer:
13. De drie bestaanstoestanden van levende wezens: de toestand van Abred in Annwn;
de staat van vrijheid bij de mensheid; en de toestand van liefde, d.i., Gwynvyd
in de hemel. 17. De drie noodzakelijke werkzaamheden van
Abred: het verzamelen van de materialen van iedere aard, het verzamelen van kennis
over alle dingen, en het verkrijgen van macht om alle tegenstand en Cythraul te
overwinnen en zich van het kwade te bevrijden; zonder deze reis door alle toestanden
van het leven kan geen bezield leven of soort volmaaktheid bereiken.
blz. 173 Met andere woorden en in een parafrase luiden ze:
Bezielde wezens hebben drie bestaanstoestanden: die van de inchoatie (het begin)
in de grote diepte of het laagste punt van het bestaan (de atomen); die van vrijheid
in de toestand van de mensheid (de zichzelf tot expressie brengende monade in
de mens); en die van liefde, die geluk in de hemel is (de goden, van wie stralen
in de mensheid leven als het goddelijke deel van ons mensen).
Er zijn drie noodzakelijke werkzaamheden van inchoatie: het verzamelen van de
materialen en eigenschappen van iedere aard (de aggregatie van atomen volgens
een bepaald patroon voor het vormen van lichamen of lichamelijke voertuigen, groot
of klein, al naar het geval en op verschillende gebieden); het verzamelen van
kennis over alle dingen (de ingeboren en natuurlijke functie van de lerende monade,
de lerende ziel, de zich ontwikkelende menselijke bewuste entiteit); en het verkrijgen
van macht om de tegenstander en vernie tiger te bedwingen, en het kwade te ontmaskeren
(wat het werk van de goden is). Laten we ons nu wenden tot de Latijnse
dichter Lucretius, die in onze tijd volkomen verkeerd is begrepen. Lucretius was
leerling van de Griekse filosoof Democritus, of misschien beter, van die andere
Griekse atomistische filosoof, Epicurus, die een aanhanger was van het atomistische
stelsel van Democritus. Het bijvoeglijk naamwoord ‘epicuristisch’ heeft tegenwoordig
een onprettige klank, omdat het schijnt te betekenen: iemand die alleen maar genot
zoekt en dat tot een levensdoel maakt. Maar deze misvatting is ronduit ongerechtvaardigd,
want deze twee mannen waren grote denkers, die feitelijk de basis legden van de
moderne wetenschappelijke theorie over de atomaire structuur van de materiële
wereld. Slechts enkele honderden jaren geleden ontleenden Europese schei- en natuurkundigen
de fundamentele denkbeelden van de moderne fysische chemie aan hun theorieën,
en namen zelfs de oorspronkelijke Griekse exoterische betekenis van het
woord ‘atoom’ over, dat iets ondeelbaars betekent, hoewel men nu weet dat het
atoom wel degelijk deelbaar is. Deze eerste Europese scheikundigen
begrepen niet wat Democritus en Epicurus in feite bedoelden. Het is heel goed
mogelijk dat Democritus een monadenleer onderwees, identiek met wat de esoterische
traditie leert. Ze onderwezen inderdaad een monadenleer, het bestaan van spirituele
bewustzijnscentra, spirituele individualiteiten; en men heeft, evenals de eerste
Europese scheikundigen, ten onrechte gedacht dat zij het bestaan onderwezen van
harde, ronde lichaampjes die niet samendrukbaar zijn en nagenoeg onvergankelijk,
en waarvan men tot voor kort veronderstelde dat ze ondeelbaar zijn en bovendien
de uiteindelijke of oorspronkelijke deeltjes van de stof.
Lucretius beschrijft in zijn prachtige gedicht De rerum natura (Over de
aard van de dingen) op welsprekende wijze het filosofische stelsel van Democritus
en Epicurus: Ik zal u nu het hele stelsel van hemelse dingen en
van de goden uiteenzetten, en voor u de eerste beginselen van alle dingen ontvouwen,
van waaruit de natuur al wat is voortbrengt, ontwikkelt en in stand houdt, en
waarin de natuur alle dingen bij hun dood weer doet opgaan. Deze eerste beginselen
noemen we bij het uiteenzetten van ons onderwerp gewoonlijk materie, en de voortbrengende
elementen van de dingen, en wij zullen ze de zaden van alle dingen noemen en aanduiden
met de naam ‘oorspronkelijke lichamen’, omdat alle latere dingen uit deze eerste
elementen zijn voortgekomen. Bk. I, 48-56
Dit is een vrij goede benadering van de theosofische leer over monaden die atomen
bezielen. Verder lezen we: De rede en het onderzoeken van de natuur
moeten de vrees en de duisternis uit ons denken . . . uit onze ziel verdrijven
en ons eerste filosofische beginsel is dit, dat GEEN
ENKEL DING OOIT DOOR GODDELIJKE MACHT UIT HET NIETS IS VOORTGEBRACHT.
Bk. I, 149-51 Bovendien lost de natuur alle dingen op in
haar eigen oorspronkelijke elementen en HERLEIDT GEEN ENKEL
DING TOT NIETS. Bk, I, 249-50
Merk op hoe deze laatste gedachte nog naklinkt in meer recente tijden:
Geen wezen kan tot niets uiteenvallen. GOETHE
Alles wat ook maar bestaat, Duurt onherroepelijk eeuwig
voort. BROWNING Als de lezer
beïnvloed is door de leringen van de Europese orthodoxe godsdiensten, zou hij
misschien direct willen opmerken dat deze oude Romeinse epicurist persoonlijke
onsterfelijkheid onderwees. Aan de andere kant heeft men ten onrechte verondersteld,
dat de filosofie van Epicurus leert dat de mens slechts een bundel fysieke atomen
is, en dat die bundel of verzameling bij het sterven van de mens uiteenvalt; en
dat het hedonisme, de leer dat men slechts genot moet zoeken in het leven, daaruit
op een natuurlijke en logische wijze voortvloeit. Maar Lucretius onderwees geen
van beide opvattingen. Hij verkondigde dat de centrale spirituele kern van de
mens een ondeelbare entiteit is, een atoom, een ondeelbaar bewustzijnscentrum
dat zichzelf door lagere atomaire aggregaten tot uitdrukking brengt, omdat het
op geen andere manier in contact kan komen met dit fysieke gebied.
Dat we dit ondeelbare centrum of deze monade in onszelf hebben, betekent dat onze
essentie onsterfelijk is; omdat zij onsterfelijk is, kent deze essentie logischerwijs
ook geen geboorte, omdat er niet zoiets bestaat als een oneindigheid met een begin
een oneindigheid die slechts aan één kant begrensd is. Ons gehele innerlijke
wezen is een bundel van kracht-substanties, die gezamenlijk en als een geheel
beschouwd de volledige constitutie van de mens vormen; en door deze bundel, door
onze menselijke individualiteit, brengt de godheid in het hart van ons zichzelf
tot uitdrukking. De hele constitutie van de mens is niet alleen
een integrerend en onscheidbaar deel van het omringende Kosmische geheel, maar
ook van het zonnestelsel, en eveneens van een nog kleiner onderdeel van het Kosmische
geheel dat we de planeetketen van de aarde kunnen noemen. Tot het volledige stelsel
van de aarde behoren die monaden of spirituele centra die nu ieder individueel
(elk afzonderlijk voor de hiërarchie van het aardestelsel) een mens zijn, op welke
bol van de planeetketen dan ook, alsmede alle andere wezens die zo’n aardestelsel
bevat. Ze hebben alle in tijd en ruimte bestaan vanaf het allereerste begin van
onze planeetketen. Bovendien zijn we even oud als ons zonnestelsel en ook even
oud als het melkwegstelsel; en in een nog ruimer gebied van het zijn, zijn we
identiek met en even oud als een willekeurig groot deel van de grenzeloze Kosmos
dat we op een bepaald moment wensen te beschouwen als het terrein van onze toekomstige
bestemming. We bestonden samen met de zon, met de aarde,
bij het allereerste begin van de tijd, maar hadden toen geen lichamen van vlees.
We hebben geholpen met de bouw van de planeetketen van onze aarde, want we zijn
niet alleen de kinderen ervan, maar ook integrerende delen zowel gezamenlijk
als individueel. Zelfs onze fysieke lichamen zijn van de substantie waaruit ook
moeder aarde is samen gesteld; ieder atoom dat nu in ons lichaam zijn harmonische
hymnen of tonen zingt, heeft tijdens zijn onophoudelijke omzwervingen evenzeer
zijn loflied gezongen in de zon, in andere planeten en in de interplanetaire ruimten
in dit geval als een levensatoom in de loop van zijn ontwikkeling
en rondgang in vervlogen eeuwen. Door zo uit geest voort
te komen, hulde de natuur zich gestaag en systematisch in sluiers of gewaden van
toenemende stoffelijkheid totdat ze de uiterste grens daarvan voor deze grote
evolutie periode had bereikt. Na het passeren van dit laagste punt van de grootst
moge lijke stoffelijkheid voor de planeetketen in dit kosmische manvantara, begon
het hele stelsel van de aarde of de planeetketen weer op te klimmen naar de geest,
maar nu met ontelbare vruchten van die ervaringen die zijn opgedaan door alle
entiteiten waaruit dit aardestelsel bestaat. In het tegenwoordige
stadium van evolutie op aarde geschiedt de evolutionaire groei van buiten naar
binnen, want, nu het opklimmen tot de geest is begonnen, zal het proces in het
vervolg bestaan uit de involutie van stof naar geest en de evolutie van geest,
zoals tijdens de neergaande boog of de neerdaling in de stof het proces van ontwikkeling
en groei bestond uit de involutie van de geest en de evolutie van de stof. Dat
wil dus zeggen dat we nu de innerlijke en onzicht bare gebieden en sferen naderen
en binnengaan waar we op onze neergaande boog doorheen zijn gegaan. Dit betekent
dat niet alleen de meer gevorderde wezens, zoals de mens, op deze wijze evolueren,
maar ook dat de hele gemanifesteerde natuur op onze aarde zo evolueert. Er vindt
dus voortaan een geleidelijke, eeuwen durende, en gestage dematerialisatie van
de stof plaats, waarbij de stof steeds ijler en etherischer wordt, wat tenslotte
eindigt met het opgaan in de kosmische geest van alle wezens en entiteiten die
gezamenlijk een ware rivier van levens vormen, die in de vorm van ervaring alle
resultaten van dit kosmische proces meevoert. Na aldus te
zijn opgegaan in de kosmische geest, voor een zeer lange periode in deze hoogste
of spirituele rijken of sferen, staakt de evolutionaire rivier van levens eonenlang
haar in golven verlopende voortgang, omdat ze als het ware de Kosmische oceaan
van het zijn heeft bereikt en we doelen in dit geval op de kosmische geest
van het zonnestelsel. De entiteiten van alle verschillende klassen waaruit zo’n
golf of rivier bestaat, gaan weer op in het onuitsprekelijke mysterie van het
goddelijk-spirituele, waarin ze gedurende de eeuwen van de eropvolgende pralaya
van de planeetketen blijven rusten. Daar wordt de enorme oogst van evolutionaire
ervaringen, opgedaan in de voorafgaande periode van kosmische manifestatie, verwerkt
en als het ware verweven in de structuur van hun respectieve monadische essenties.
Wanneer de kosmische klok opnieuw de tijd aanwijst voor een volgende evolutieperiode
van manifestatie voor de planeetketen, begint dezelfde golf of rivier van levens
die uit bijna ontelbare menigten entiteiten bestaat, een nieuwe evolutionaire
loop, maar in hogere gebieden van een fijnere substantie dan de gebieden van de
voorafgaande levenscyclus. Pralaya betekent het oplossen
of de dood; en de pralaya van een zonnestelsel of van een planeetketen betekent
dat haar hogere beginselen nog verhevener spirituele rijken zijn binnengegaan
voor hun periodieke rust; en dat het lagere viertal ervan wordt ontbonden in de
levensatomen waaruit het was samengesteld, en deze levensatomen rusten eveneens
tijdens hun lange droomloze slaap. In deze toestand blijven alle dingen en wezens
totdat het ontwaken voor het nieuwe manvantara begint, hoewel men dient te bedenken
dat de rustperioden van de levensatomen veel korter zijn dan die van hoog geëvolueerde
spirituele wezens. De levensatomen worden binnen een relatief korte tijd weer
actief en volbrengen opnieuw hun onophoudelijke omzwervingen door nog grotere
gebieden van de ruimte, tot het opnieuw ontwaakte zonnestelsel of de planeetketen
hen weer magnetisch aantrekt. Gedurende de pralaya van een
stelsel zijn de spirituele en intellectuele beginselen dus in hun nirvâña
dat overeenkomt met het devachan van het reïncarnerende ego van de mens na de
fysieke dood terwijl de levensatomen van zo’n stelsel hun zwerftochten
op dezelfde wijze vervolgen als de levensatomen van het fysieke lichaam van de
mens die hun omzwervingen voortzetten terwijl het reïncarnerende ego van de mens
in zijn devachan verblijft. Dit geeft ons enige indruk van de toestand van de
dingen of van bewustzijn tijdens de rust periode van een planeetketen.
Een duidelijker beeld van wat er tijdens de pralaya van een stelsel gebeurt, kan
worden verkregen door iemand die door inwijding heeft leren ‘zien’, en dit inzicht
kan door zo’n getraind ego worden verkregen door zelfbewust te beleven wat het
menselijke bewustzijn van dat ego ervaart tijdens wat men de droomloze slaap noemt.
De technische term voor deze staat is (turîya)
een Sanskrietwoord dat ‘vierde’ betekent en betreft de hoogste toestand
van samâdhi, die in feite een nirvâñische toestand van menselijk bewustzijn is.
Anders gezegd, de turîya-toestand van menselijk bewustzijn is in feite het bereiken
van spiritueel zelfbewuste eenwording met de âtman of het essentiële zelf van
de mens, en dit betekent de identificatie van het ego met de kosmische geest,
een eenworden met de essentie van de monade. De ingewijde adept kan deze toestand
van spiritueel bewustzijn naar welgevallen ingaan. Maar de gewone mens in wie
de hogere beginselen tot op zekere hoogte actief zijn, kan ook tot enig begrip
komen al is dat vaag van het bewustzijn dat tijdens de pralaya van
een stelsel bestaat. H.P. Blavatsky verwijst in zeker opzicht
naar het feit van het opgaan van alle wezens in de kosmische geest tijdens de
zonnepralaya, wanneer ze zegt: ‘De theosofie beschouwt de mensheid als een emanatie
uit het goddelijke, die op weg is daarnaar terug te keren’. Wanneer het goddelijke
dan is bereikt, laten de individuele monaden hun respectieve monadische bewustzijnen
opgaan in hun goddelijke bron, en delen aldus tijdens de pralaya in de aard en
de omvang van het bewustzijn van de goddelijke oerbron om daaruit weer
als monaden te voorschijn te komen wanneer er een nieuw manvantara begint.
Deze denkbeelden werden in het vroege christendom onder wezen. Degenen die nooit
het bewijsmateriaal, zowel historisch als theologisch, voor deze uitspraak hebben
onderzocht, hebben waarschijnlijk geen idee van de geweldige veranderingen die
sinds de tijd van de eerste en grootste geloofsverkondigers in de opvattingen
over de grondslagen van het christendom zijn opgetreden en daarom in de manier
waarop de christelijke religie werd gepresenteerd. Laten
we als voorbeeld het goddelijke nemen. Clemens van Alexandrië, een van de eerste
kerkvaders en een van de grootste, en ook heel zijn school, sprak en schreef over
de goden als werkelijk bestaande wezens en noemde ze slechts af en toe ‘engelen’.
Origenes van Alexandrië zegt in zijn polemische geschriften tegen Celsus (Contra
Celsum, V, iv) dat in de boeken van de Hebreeuwse Heilige Schrift passages
voorkomen waarin over ‘engelen’ wordt gesproken als over ‘goden’.
Zelfs de christen Arnobius, die in de vierde eeuw leefde, schrijft over deze dingen
als volgt: Goden, engelen, demonen, of hoe ze verder mogen heten
Adv. Gentes en daarmee stelt hij deze godheden
aan elkaar gelijk zoals ze in de verschillende heidense scholen met allerlei namen
werden aangeduid, en verwart ze met elkaar. Augustinus,
eveneens uit de vierde eeuw, en een van de belangrijkste en invloedrijkste kerkvaders
van latere eeuwen, beschouwt de spirituele wezens die door de Ouden ‘goden’ werden
genoemd als identiek met de wezens die toen door de christenen ‘engelen’ werden
genoemd (De civitate Dei (De stad van God), xix, 3). Dit was ongeveer honderd
jaar na Clemens en Origenes ongetwijfeld de algemene opvatting. Het verval van
het oorspronkelijke of vroegste christendom was al begonnen en naarmate de tijd
voortschreed werd het woord ‘goden’ in de theologie niet meer gebruikt. Eerst
klonk het onaangenaam voor het orthodoxe oor en later werd het als een uitgesproken
ketterij beschouwd. Lactantius, een andere christelijke
kerkvader uit de vierde eeuw, betoogt, wanneer hij verwijst naar het verslag van
Seneca over de spirituele wezens die de wereld besturen en die hun spirituele
positie van en door middel van het goddelijke hebben verkregen, dat men deze wezens
beter ‘engelen’ zou kunnen noemen omdat deze naam de voorkeur verdient boven ‘goden’;
hij protesteert tegen het als goden aanbidden van deze christelijke ‘engelen’.
Hij citeert verder een orakelspreuk van de Pythia in Delphi, waarin de goden de
‘boodschappers’ worden genoemd, dat wil zeggen, de ‘engelen’ van Zeus.
‘Engel’ is een christelijke term, ontleend aan het Griekse woord [...] (aggelos)
dat ‘boodschapper’ betekent; in een bepaalde tak van de Griekse filosofie duidde
het woord ook de middelaars of ‘boodschappers’ aan die boodschappen van de mensen
aan de goden brachten, en evenzo de boodschappen van de goden aan intelligente
wezens hier beneden overbrachten, en zo in feite een van de ‘circulaties in de
kosmos’ vormden. Dit woord ‘engel’ is vanaf het begin van de christelijke ‘bedeling’
bijna altijd gebruikt om er bepaalde spirituele wezens mee aan te duiden, die
niet alleen ‘engelen’ waren in de oorspronke lijke Griekse betekenis van het woord,
maar het betrof ook hiërarchieën of families van wezens tussen het goddelijke
en de mens. Dit alles vormt slechts een echo van de archaïsche leer, het gemeenschappelijke
bezit van de hele oudheid, dat er tussen de spirituele rijken en de materiële
wereld, waarin de mens leeft, verschillende hiërarchische families of menigten
van spirituele wezens bestaan. De mensheid is een van deze en wel een ‘gevallen’
menigte gevallen omdat zij vanuit een oorspronkelijke spirituele staat
is neergedaald of verzonken in een incarnatie op aarde. Dat is ook de reden waarom
Europese mystici van het allereerste begin de mensen ‘gevallen engelen’ hebben
genoemd. Wat zijn nu ‘gevallen’ engelen of goden? In alle
religies en filosofieën kunnen we legenden vinden over het bestaan van geestelijke
wezens die ‘vielen’, dat wil zeggen die hun spirituele staat ‘verloren’ en wezens
werden in de lagere of materiële werelden, waarbij ze niettemin hun individualiteit
behielden. Ze zijn dus in feite zoekers naar kennis en wijsheid, en wezens die
de verschillende hiërarchieën vormen van de lagere sferen, de verschilende wereldstelsels
deze wezens zijn de ‘gevallen goden’, de ‘gevallen engelen’.
Men kan hierin een rechtstreekse verwijzing zien naar de mythe van de ‘hof van
Eden’ uit het Hebreeuwse Testament. Adam en Eva die leven in hun paradijs vertegenwoordigen
één aspect van deze min of meer universele mythe, want pas toen ze van de ‘boom
van kennis’ hadden gegeten, verloren ze hun oorspronkelijke spirituele staat van
onschuld en quasi-niet-zelfbewustzijn, en verlieten hun paradijs om volgens deze
merkwaardige Hebreeuwse legende het zaad van de toekomstige mensheid te worden.
Milton gebruikte in zijn prachtige gedicht, Paradise
Lost, de puriteinse denkbeelden van zijn tijd om opnieuw de eeuwenoude
mystieke leringen te beschrijven over wezens die oorspronkelijk vonken
van kosmische goddelijkheid waren, en die zich individualiseerden
en daardoor leerlingen en evoluerende wezens waren geworden. De ‘gevallen
goden’, de ‘gevallen engelen’, waren dus degenen die de zuivere spirituele
toestand waarin geen verpersoonlijkte individualiteit bestaat
hadden verlaten, om denkende wezens te worden met een zich ontwikkelende
wil en een zich ontplooiende geïndividualiseerde intelligentie. Van
vonken van goddelijkheid, vonken van het centrale levensvuur, worden
ze stralende, vurige intelligenties, ieder bestemd om in de toekomst
zijn eigen individuele weg te banen.
Zo vormen de legenden over de ‘gevallen goden’ de
kern van vele van de oude mysterieleringen. De christenen bezaten de legende in
een bepaalde vorm in het boek Openbaringen. De oude Grieken bezaten haar
in hun mythen over hun Titanen die op bevel van de almachtige heerser van de Olympus,
Zeus, in de diepste diepten van Tartarus werden geworpen, en dat betekent dat
zij waren begonnen op onafhankelijke wijze hun eigen aangeboren vermogens van
intelligentie en wilskracht te ontwikkelen. Deze groei naar
een individualiserend bewustzijn kan men zien wanneer men de menigten gemanifesteerde
entiteiten beschouwt en terugvolgt tot in de rijken lager dan dat van de mens.
De verschillende dierenfamilies zijn minder geïndividualiseerd dan de mensen.
De planten hebben een nog minder geïndividualiseerd bewustzijn. De gesteenten
bestaan in wat men een soort eenheidsvorm van bewustzijn zou kunnen noemen, die
maar nauwelijks geïndividualiseerd is; nog lager dan de gesteenten staan de verschillende
atomaire elementen; en weer lager de hiërarchieën van de ele mentalenrijken, gewoonlijk
in drie groepen verdeeld, die op een quasi-geïndividualiseerde wijze bestaan en
de verspreide kosmische krachten manifesteren. De oude Perzen
hadden, in navolging van de oudere Babyloniërs, eveneens hun mythen over een oorlog
of rebellie tegen de machtige krachten van de hemel; deze ‘rebellen’ waren degenen
die in de Perzisch-Babylonische cyclus ‘vielen’ of werden ‘uitgeworpen’
de ‘gevallen goden’, de ‘gevallen engelen’ van de religies en filosofieën van
Mesopotamië en de hooglanden rond de grote vlakten van de Eufraat en de Tigris.
In het oude India lezen we eveneens over asura’s die hadden gerebelleerd tegen
de sura’s of ‘goden’. De asura’s, letterlijk ‘niet-goden’, waren oorspronkelijk
sura’s of goden; maar zij ‘rebelleerden’ en vielen, en raakten daardoor in een
nooit eindigende strijd met de sura’s die, om zo te zeggen, in een onverstoorbare
‘zuiverheid’ waren verstard. Deze ‘val’, deze ‘rebellie’,
is dus voor al deze talloze menigten, die ‘vielen’ of werden ‘uitgeworpen’, in
wezen niets anders dan het betreden van het pad van evolutionaire ontwikkeling,
het begin van het uitoefenen van individuele wilskracht, individuele intelligentie
het begin van ‘zelfgeleide evolutie’. Dit is dus de betekenis van de ‘gevallen
goden’ of de ‘gevallen engelen’, waarvan wij mensen tenminste één menigte zijn.
Toen de eerste impulsen tot het oefenen van individuele wilskracht en intelligentie
ontwaakten in het hart van elke monade, ‘vielen’ deze schitterend stralende levens
of werden zij ‘uitgeworpen’; dat wil zeggen, zij ‘daalden neer’ in de materiële
werelden om daar de lessen te leren die de gemanifesteerde werelden hun konden
geven. Door bij de aanvang van de tijd hun hoge spirituele status van niet-zelfbewuste
godsvonken te verlaten en cyclisch neer te dalen door de zichtbare en onzichtbare
werelden, begonnen zij aan het verheven avontuur van zelfevolutie, van zelfwording;
daarbij schonken ze aan elk van de hen omhullende halfbewuste bewustzijnslagen
een zich steeds verruimend bewustzijn van hun innerlijke wezen. Niet alleen evolueert
de spirituele monade zelf tijdens haar onophoudelijke cyclische rondgang, maar
ze helpt daarbij de evolutie van elk van deze omhullende gewaden of sluiers waarin
en door middel waarvan ze haar eigen transcendente vermogens tot uitdrukking brengt.
Bij de woorden ‘vallen’ en ‘uitwerpen’ moet men niet denken aan superieure intelligenties
die minachtend op lagere wezens neerzien en deze daarom naar de lagere werelden
drijven, want dat is vol komen onjuist. De uitdrukkingen ‘vallen’ en ‘uitwerpen’
betekenen slechts dat toen het karmische evolutiestadium was aangebroken waarin
deze wezens een nieuwe evolutiecyclus moesten aanvangen, ze uit eigen innerlijke
impuls daarmee begonnen, karmisch veroorzaakt door de zaden van handeling en aantrekking
die in voorafgaande wereld cyclussen waren verzameld, voordat deze wezens hun
laatste pralaya of rustperiode ingingen. De zogenaamde ‘rebellie’ is dus maar
een poëtische en aanschouwelijke voorstelling van het feit dat ze door eigen innerlijke
drang neerdalen langs hun evolutiepad, waardoor ze als het ware direct tegenover
de reeds vollediger ontwikkelde spirituele wezens in de hogere sferen komen te
staan. Evolutie vindt plaats op elk van de gebieden waaruit de
innerlijke constitutie van ieder samengesteld wezen bestaat. Er bestaat daarom
(a) goddelijke evolutie; (b) spirituele evolutie; (c) intellectuele evolutie;
(d) evolutie van de psychomentale menselijke ziel; (e) astrale evolutie en (f)
evolutie van het fysieke lichaam. Dit is slechts een andere manier om te zeggen
dat de mens een microkosmos of kleine wereld is die in zichzelf menigten lagere
entiteiten bevat door middel waarvan hij zich manifesteert, en die ieder op zichzelf
lerende en evoluerende wezens zijn; zoals ook de macrokosmos of de grote wereld
van het heelal in zichzelf haar eigen menigten evoluerende entiteiten bevat in
een bijna eindeloze reeks hiërarchieën. De evolutie is bovendien
teleologisch, doelbewust en gericht op een bepaald doel. Maar deze aangeboren
drang naar verbetering ligt in de entiteit zelf besloten, en wordt niet van buitenaf
opgedrongen door een god of door goden die gescheiden van de evoluerende entiteit
bestaan. Niettemin bestaan al deze hiërarchieën ieder binnen de levensruimte van
een nog grotere hiërarchie, waarvan de meeromvattende invloeden voortdurend door
de kleinere hiërarchieën stromen. De fysieke natuur verschaft
één aspect van de omgeving of van de ervaringsgebieden waarin de verschillende
menigten monadische essenties werken. Juist het besef van dit innerlijke brandpunt
van energie, dat als een individu eigen is aan iedere evoluerende eenheid, ontbreekt
in de wetenschappelijke opvatting van evolutie. Ook weet de wetenschap niets over
het bestaan van innerlijke, onzichtbare werelden waarin de fysieke wereld is geworteld
en waaruit alle krachten vloeien die dit fysieke heelal doordringen.
Omdat deze fundamentele zienswijze bij Darwin ontbrak, zag hij het evolutieproces
als slechts een reeks toevoegingen of onttrekkingen aan de fysieke lichamen van
de evoluerende entiteiten, veroorzaakt door wat hij ‘natuurlijke selectie’ noemde
of het ‘voortbestaan van de sterkste rassen in de strijd om het bestaan’. Zolang
deze leer die nog minder dan een halve waarheid was als het laatste
woord van de wetenschap werd aanvaard, was het niet mogelijk zich een juist beeld
te vormen van de universele werking van de krachten in de natuur, die alle
zij het op uiteenlopende wijzen op een gemeenschappelijk doel waren gericht;
en omdat het darwinisme dus in wezen materialistisch was, had deze leer een verderfelijke
invloed op het ethische besef van de menselijke ziel en verlamde ze de drang naar
kennis en onderzoek door het intellect. Ze leerde dat de
mens slechts een ontwikkelde aap was; dat er in de wereld alleen grofstoffelijke
materie bestond, onbezield, ongevoelig, dood; dat toeval of geluk de fundamentele
wet of werkwijze was die de verbeteringen van de lichamen door toevallige aanpassingen
tot stand bracht; dat geest en spirituele idealen niet op zichzelf bestonden,
maar het mysterieuze en onverklaarbare gevolg zijn van chemische werking in de
hersencellen; dat de dood het absolute einde van de mens was. Een Engelse bioloog
zei: ‘De enige onsterfelijkheid waarin moderne biologen geloven, is de onsterfelijkheid
van het nageslacht van de mens.’ Dat is natuurlijk geen
onsterfelijkheid voor het individu, maar betekent de volkomen ondergang of vernietiging
van het individu, en dit is een grove vorm van materialisme. Het is dwaas om over
‘onsterfelijkheid’ te spreken in verband met fysieke lichamen die kennelijk slechts
tijdelijke en niet erg duurzame vitaal-chemische samenstellingen zijn. Men kan
zich er slechts over verbazen dat wetenschappers die vertrouwd zijn met de vergankelijke
en sterfelijke aard van het vlees, dit woord onsterfelijkheid gebruiken in verband
met het lichaam van de mens, zelfs indien zij dit toepassen op de opeenvolging
van de generaties. Ware onsterfelijkheid betekent een ononderbroken
voortzetting van een individueel bewustzijn in welk evolutiestadium het ook verkeert;
en de enige gevallen waarin zo’n onsterfelijkheid mogelijk wordt, zijn die van
de jîvanmukta’s, ‘bevrijde monaden’. De monade kan slechts worden ‘vrijgemaakt’
in de technische betekenis van een bevrijding van de wervelende veranderingen
van het levenswiel in het materiële bestaan met de daarmee gepaard gaande reeks
belichamingen, wanneer de monade of jîva een stadium bereikt waarin zij zelfbewust
het vermogen verkrijgt om naar wens en met behoud van volledig bewustzijn van
het ene lichaam naar het andere te gaan; en daarbij maakt ze gebruik van zo’n
reeks geselecteerde lichamen om haar gekozen opdracht in de wereld van ‘schillen’
onze materiële gebieden te volbrengen. Maar
zelfs die onsterfelijkheid kan slechts duren voor de periode van de kosmische
manifestatie waarin de jîva of monade haar evolutie volbrengt. Eenmaal ‘bevrijd’
is zij onsterfelijk voor het resterende deel van het zonnemanvantara, maar wanneer
deze enorm lange periode ten einde loopt, moeten zelfs de jîvanmukta’s of bevrijde
monaden de rivier van opklimmende levens volgen, die alles stuwt naar nog verhevener
gebieden van de geest dan die van het voorafgaande manvantara van het zonnestelsel.
Wanneer het volgende kosmische manvantara begint, zullen deze jîvanmukta’s opnieuw
verschijnen om een nog grootsere cyclische pelgrimstocht te volbrengen. Dit veroveren
van het koninkrijk der hemelen door middel van de kracht van een belichaamde jîva
of monade, het betreden van het pad van onsterfelijkheid, is de ware weg die naar
de goden voert. Het is interessant om over Darwins zogenaamd
wetenschappelijke beginsel van de ‘natuurlijke selectie’ enkele uitspraken te
beschouwen van de verdedigers van deze biologische leer. In de eerste plaats geven
we een alinea uit een boek van prof. George McCready Price, The Phantom of
Organic Evolution: Iedere beginneling op het gebied van het
onderzoek van de organische evolutie kan zien dat de leer van het overleven van
de sterkste, of de natuurlijke selectie, enkele van de moreel meest verwerpelijke
kenmerken van dier en mens tot de ladder maakt waarlangs alle ware vooruitgang
is bereikt. Met andere woorden, die eigenschappen van de lagere mensenrassen of
van de dieren die wij terecht afkeurenswaardig en verwerpelijk achten, zoals zelfzucht,
wraakzucht en het harteloos negeren van de gevoelens en verlangens van anderen,
zijn door Darwin en zijn volgelingen tot de voornaamste factor in hun stelsel
van organische evolutie gemaakt. blz. 180
Luister nu naar John Fiske, de grote Amerikaanse darwinistische evolutionist.
Hij zegt: De best geslaagde primitieve mensen, waarvan de beschaafde
volkeren de afstammelingen zijn, moeten hebben uitgeblonken in verraad, wreedheid,
scherpte van verstand, en wilskracht. Prof. J. Arthur Thomson schrijft
over erfelijkheid het volgende: Verzacht het als u wilt, maar het
blijft een feit dat darwinisme de ontwikkelingsgang van de dieren beschouwt als
een strijd die op een individueel doel is gericht, en vaak over de lijken van
hun medeschepselen gaat in een keiharde, bloedige competitie, dikwijls door een
vreemd mengsel van geweld en list, waarin ieder voor zichzelf zorgt en waarbij
vernietiging het lot van de achterblijvers is. Huxley sluit zich
hierbij aan met de volgende woorden: Zijn succesvolle ontwikkelingsgang
tot aan de staat van een wilde heeft de mens voornamelijk te danken aan die eigenschappen
die hij met apen en tijgers gemeen heeft. Het is geen wonder dat
de wereld zich in de huidige hachelijke situatie bevindt, als haar wankele ethische
besef op geen stabielere grondslag berust dan wat men kan ontlenen aan een materialisme
dat ervan uitgaat dat de edelste intuïties van de menselijke geest zijn ontstaan
uit impulsen, begeerten en beestachtige eigenschappen die de mens deelt met de
meest meedogenloze vertegenwoordigers van het dierenrijk! De oorzaken van zulke
wetenschappelijke nachtmerries zijn ontstaan door het volkomen, en in sommige
gevallen naar het schijnt bewust, negeren of opzijschuiven van alle edele eigenschappen
van de mens. Men zou deze wetenschappers graag eens willen vragen of ze nooit
van andere eigenschappen, impulsen en vermogens van de menselijke constitutie
hebben gehoord, dan alleen die instincten die we met de dieren gemeen hebben en
die, wanneer ze eenmaal de vrije loop worden gelaten, de mens verlagen tot een
niveau van verdorvenheid, dat zelfs de beesten niet kunnen bereiken. Hun redenering
is belachelijk, omdat deze bewust geen rekening houdt met al wat de mens juist
tot mens maakt, wat de grote beschavingen uit het verleden heeft doen ontstaan,
wat de grote werken tot stand heeft gebracht die getuigen van morele en intellectuele
grootsheid, die in het verleden eeuwenlang de mensheid hebben geïnspireerd en
haar hoop hebben geschonken. Het darwinisme onderwijst hooguit een onvolkomen
en secundair aspect van het grote evolutiedrama van het leven.
De kosmische geest, de verblijfplaats van denkvermogen en bewustzijn, doordringt
alles en is daarom de uiteindelijke, stuwende kracht achter het evolutieproces
die overal werkzaam is. Het is natuurlijk duidelijk dat de natuur, die in wezen
bewustzijn is, selecteert, niet door toeval zoals in de darwinistische hypothese,
maar min of meer bewust, want elke natuurlijke selectie wordt bestuurd en beheerst
door de spirituele drang of impuls in de evoluerende entiteit zelf. Ook kunnen
we niet in alle opzichten de waarheid ontkennen van Darwins denkbeeld van het
overleven van de sterksten, want kennelijk hebben de in bepaalde omstandigheden
meest geschikte exemplaren verreweg de grootste kans om te slagen. Maar we moeten
bedenken dat het darwinisme geen inwonende en stuwende geest erkent die haar voertuigen
tot verdere ontplooiing aanspoort. Maar waarom zouden we
ons er druk over maken? Het materialistische darwinisme is ten dode opgeschreven,
zo niet reeds gestorven; en de nieuwere opvattingen van de meeste biologen verschillen
veel van het darwinisme dat zo luidkeels werd verkondigd door mensen zoals Haeckel
en Huxley. Een groot aantal mensen, voorgegaan door zulke grote figuren als Einstein,
Jeans, Eddington, Planck, Bohr en anderen, aarzelt niet te verklaren dat volgens
hen achter en in alle materiële bestaan een kosmische oorzaak of oorzaken liggen,
die ze met verschillende namen aanduiden zoals denkvermogen, gedachte-stof, of
met een andere gelijkwaardige term. Dit is iets totaal anders dan het dogmatische
gepreek van het laatste kwart van de 19de eeuw, en die eeuw was het hoogtepunt
van het materialisme. Het darwinistische stelsel vertoont
in veel opzichten juist het omgekeerde van wat er in het verleden heeft plaatsgevonden.
Het hoeft ons in het geheel niet te verbazen dat de mens trekken van het dier
in zich heeft, zoals bijvoorbeeld van de aap en de tijger, maar het zou beter
zijn te zeggen dat de dieren deze eigenschappen bezitten omdat ze eonen geleden
zelf uit de onvolmaakt geëvolueerde mensheid zijn voortgekomen. Maar het moreel
besef van de mens, zijn overheersende intellect, zijn op de vleugels van de geest
gedragen aspiraties, dit zijn kwaliteiten die nog geen enkel dier heeft vertoond
- dat wil zeggen een dier heeft zijn latente spirituele, intellectuele en psychische
vermogens nog niet van binnenuit ontwikkeld. Als voorbeeld
van het effect van dit biologische materialisme op het denken van zelfs de naar
verhouding groten uit de tijd dat deze materialistische theorieën de menselijke
ziel volledig beheersten, zou men Friedrich Wilhelm Nietzsche kunnen noemen, de
Duitse filosoof die in 1900 in een psychiatrische inrichting is gestorven. Hij
was een evolutionist volgens de materialistische biologische leer van zijn tijd,
en het schijnt dat zijn overigens briljante geest werd verwrongen door de leer
van Darwin en Haeckel over het ontstaan van de mensheid uit de dieren. In zijn
filosofische geschriften heeft hij ongetwijfeld prachtige dingen gezegd, en daarin
schuilt nu juist het gevaar voor de lezers omdat alles wat mooi is magnetische
aantrekkingskracht bezit en de macht om menselijke zielen te beïnvloeden.
In dit eerste citaat neemt Nietzsche de stijl en de houding aan van iemand die
zich een profeet waant maar gelukkig vernietigt dit soort zelfingenomenheid
tenslotte altijd zijn eigen gevolgen. Hij schreef: Hier is de nieuwe
wet, o broeders, die ik u verkondig. Verhard u, want scheppende geesten zijn hard.
U moet uw grootste geluk vinden in het drukken van uw stempel op en het voorschrijven
van uw wil aan duizenden en duizenden als waren zij zachte was.
Also sprach Zarathustra, blz. 287 Deze leer schijnt
bijna monsterlijk, en in flagrante strijd met alle geestelijke instincten van
mededogen. In een tweede citaat bereikt Nietzsche het hoogtepunt van zijn egoïstische
visie: Denkbeelden als barmhartigheid, medelijden en liefdadigheid
zijn verderfelijk, want ze geven de kracht van de sterken aan de zwakken, die
als taak hebben de sterken te dienen. Bedenk dat zelfopoffering, broederlijkheid
en liefde geen echte morele instincten zijn, maar slechts gekunstelde gewetenswroegingen
die u verhinderen uw ware zelf te zijn. Bedenk dat de mens in wezen zelfzuchtig
is. Op. cit., blz. 417
Deze dingen zijn het resultaat van de invloed van onjuiste religieuze en wetenschappelijke
leringen op daarvoor ontvankelijke geesten, vooral op hen die graag een autoritaire
stem horen. Evolutie is cyclisch en alleen in deze cyclische betekenis
kan men zeggen dat ze een begin, een hoogtepunt en een einde heeft, waarbij zo’n
voorlopig einde alleen maar een nieuw begin op een hoger niveau is. Vanaf Darwins
tijd werd al geconstateerd dat er met het steeds beter bekend worden van de geologische
geschiedenis een heel interessant feit wordt waargenomen, namelijk dat er in het
verleden op aarde evolutiegolven of cyclische perioden schijnen te zijn geweest
waarin een of andere soort schijnbaar ‘plotseling’ in de geologische geschiedenis
verschijnt, gestaag vooruitgaat naar een hoogtepunt of een rijpheid van ontwikkeling,
vorm en kracht, en dan uitsterft en in sommige gevallen schijnbaar even ‘plotseling’
verdwijnt, terwijl in andere gevallen overblijfselen van die soort meegaan naar
een volgende periode. Er zijn drie treffende voorbeelden
van zulke elkaar opvolgende evolutiegolven: het eerste was in het tijdperk van
de vissen, de tijd die men gewoonlijk het Primair of het Palaeozoïcum noemt. Dit
was het geologische tijdperk waarin de zee wemelde van vissen van allerlei grootte
en soort en deze vissen vertegenwoordigden toen, voor zover dit uit de geologische
geschiedenis blijkt, naar men veronderstelt, de hoogste bekende vormen.
De tweede golf, die optrad tijdens het zogenaamde Secundair, is het tijdperk van
de reptielen, waarin reptielachtige monsters van velerlei soort en vaak met een
reusachtig lichaam, zoals de geologische geschiedenis laat zien, de meesters van
de aarde waren. Het derde voorbeeld is de golf die gedurende
het Tertiair optrad of misschien tegen het einde van het Secundair begon
en zich voortzette tot in het Tertiair en deze derde evolutiegolf of cyclische
periode kunnen we het tijdperk van de grote zoogdieren noemen, die toen op hun
beurt de reptielen opvolgden als de meesters van de aarde en die dat in hun huidige
vorm nog steeds zijn. Het is heel goed mogelijk dat de namen van de drie genoemde
tijdperken niet precies overeenkomen met de meer recente uitspraken van de geologie.
Bij het bestuderen van de geologische geschiedenis zien we in elk van deze drie
gevallen het respectieve begin van een soort; we kunnen de groei in omvang en
in fysieke kracht opmerken en het bereiken van het hoogtepunt of de rijpheid of
de volle wasdom van de betreffende soort. Daarna zien we het verval en tenslotte
het verdwijnen van het overgrote deel van de bezielde wezens die tot de betreffende
evolutionaire levensgolf behoren, om aldus plaats te maken voor de volgende nieuwe
soort die op haar beurt betrekkelijk plotseling op het geologische toneel verschijnt.
De nieuwe soort bereikt volledige ontplooiing van haar fysieke kracht en omvang
en verdwijnt dan weer. De ene golf volgt de andere op en iedere nieuwe golf bereikt
een hoger niveau van evolutionaire ontplooiing dan de voorafgaande; iedere golf
wordt gevolgd door een andere die wezens of entiteiten en dingen ten tonele voert
van een ‘nieuw’ en ander evolutionair type. Dit is altijd een van de mysteries
van de geologie geweest en er is tot nog toe nooit een bevredigende verklaring
gegeven van het betrekkelijk plotselinge verschijnen van sommige soorten en
na een verblijf op aarde van eeuwen van hun schijnbaar even plotselinge
verdwijnen. Men zegt gewoonlijk dat de vissen de reptielen
hebben doen ontstaan, de reptielen de zoogdieren, en dat deze grote dieren
althans een bepaalde tak ervan uit het hoogste van hun eigen soort de mens
hebben voortgebracht, die toen de mensaap was. Maar het aantal moeilijkheden dat
door het aanvaarden van deze theorie ontstaat is veel groter dan het aantal argumenten
dat ten gunste van deze theorie naar voren is gebracht.
De theosofische leer staat hier lijnrecht tegenover. Volgens haar is het volkomen
juist dat deze evolutiegolven elkaar opvolgen, en dat ieder van die golven een
‘nieuwe’ familie of een ‘nieuwe’ menigte van evoluerende entiteiten in het fysieke
bestaan vertegenwoordigt. Bovendien heeft elk van die menigten haar dageraad,
haar middaguur en haar avond; en de fysieke lichamen waarin deze monadische menigten
wonen, sterven op een bepaalde tijd. Na deze lichamen te hebben gebruikt, trekken
de menigten monaden verder en gaan voertuigen bewonen die evolutionair gezien
van een hoger type zijn en die door deze monadische menigten zelf door emanatie
zijn voortgebracht vanuit hun eigen respectieve monadische essenties.
Wanneer we een evoluerende entiteit beschouwen in die fase van haar evolutiereis
op en door onze aarde, die het delfstoffenrijk wordt genoemd dat wil zeggen
een spirituele monade die door haar tijdelijke delfstoffenfase trekt dan
luidt de leer, dat in de loop van lange tijdperken, tengevolge van het ontvouwen
van aangeboren kwaliteiten en vermogens die uit de monade zelf voortvloeien, de
intermediaire of psychische natuur tussen de monade en het delfstoffenrijk een
geschikter voertuig voor de zelfexpressie van de evoluerende monade wordt. De
rondtrekkende monadische eenheid verlaat uiteindelijk die tijdelijke fase van
haar reis, die het delfstoffenrijk wordt genoemd, mogelijk als een soort korstmos
om later, na vele eeuwen, misschien als de laagste van de hogere planten te verschijnen.
Voortdurende vervolmaking van het intermediaire of psychische voertuig tussen
de monade en het plantenlichaam, brengt dit intermediaire voertuig in een nog
gevoeliger en halfbewuste toestand, zodat het geschikt wordt als woning voor de
monade in die tijdelijke fase van haar evolutie die het dierenrijk wordt genoemd.
De monade die door middel van haar intermediaire voertuig werkt, gaat dus verder
naar het dierenrijk, waar meer gelegenheid is tot voortgaande ontplooiing van
spiritueler kwaliteiten en eigenschappen die uit de innerlijke en ‘overschaduwende’
monade zelf voortvloeien, totdat de aldus tot leven gewekte dierlijke natuur beter
in staat is om in ruimere mate nog hogere en edeler kwaliteiten en eigenschappen
en krachten, die uit de monade voortvloeien, tot uitdrukking te brengen; en op
dit punt zien we dat de evoluerende en revoluerende monade zich in het mensenrijk
manifesteert. Deze leer betekent niet dat de spirituele
monade op zichzelf een goddelijk en zelfbewust wezen zelf een steen
wordt en na haar cyclische omzwervingen in het delfstoffenrijk dit gebied
verlaat en een plant wordt, en later een dier wordt, en tenslotte
een mens wordt. Zo is de leer niet bedoeld, hoewel deze verkeerde zienswijze
lijkt te worden ondersteund door het bekende kabbalistische axioma: ‘de steen
wordt een plant, de plant wordt een dier, het dier wordt een mens en de mens wordt
een god’. Dit axioma is letterlijk waar, als men begrijpt dat de monade de oorsprong
van en de voortdurend stuwende spirituele prikkel achter alle evolutionaire ontplooiing
is. Iedere evoluerende entiteit is een zelfbewust goddelijk wezen, maar tengevolge
van het karma van haar voorafgaande levens in het vorige kosmische manvantara
is zij als een eenheid onlosmakelijk betrokken bij het helpen opbouwen en leiden
van het hele stelsel van evoluerende wezens en dingen in het tegenwoordige kosmische
manvantara. Zij doet dit door de emanatie van een straal uit zichzelf die zelfs
reikt tot in de laagste van de met elkaar verbonden hiërarchieën die het samengestelde
lichaam van het heelal vormen, dat nu zelf deze stralen is, en aldus geïndividualiseerd
is als een stroom van halfbewuste kracht-substantie die zichzelf eerst in het
delfstoffenrijk manifesteert; daarna werkt iedere straal zich hieruit op en gaat
naar het plantenrijk en nadat ze zich hier doorheen heeft gewerkt komt ze in het
dierenrijk en nadat zij hierin al haar cyclussen heeft volbracht komt ze in het
mensenrijk. Wanneer haar evolutionaire omzwervingen in het mensenrijk zijn volbracht,
gaat ze naar nog hogere rijken als een godheid die zich, voorzien van haar
rijkdom aan ervaringen, weer verenigt met de ouder-monade. De aggregaten van individuele
stralen vormen de verschillende rijken. Deze ervaringen
worden niet verkregen in de darwinistische betekenis van toevoegingen vanuit de
verschillende rijken waar zij doorheen gaat, maar door een voortdurend verdergaande
ontvouwing van haar ingeboren monadische essentie de verschillende rijken
geven de straal zó niet alleen de gelegenheid zich te ontvouwen, maar de straal
helpt eveneens bij de evolutie van de verschillende rijken waar ze doorheen trekt.
Het zou volkomen onjuist zijn te veronderstellen dat de monade van een Newton
of van een Einstein in het verre verleden slechts een brokje minerale substantie
is geweest, zonder enige spirituele achtergrond, dat zich zonder geestelijke stuwkracht
langzaam door de eonen van evolutie tot een mens heeft ontwikkeld. De esoterische
leer over evolutie zegt dat de ziel van het levensatoom zich in verschillende
lichamen manifesteert op verschillende gebieden, zowel gelijktijdig als
in elkaar opvolgende perioden. De ziel van een levensatoom, die in wezen een elementaal
is, brengt zich in een bepaalde fase van haar evolutiereis tot uitdrukking als
een delfstoffen-levens atoom. De ziel van datzelfde levensatoom manifesteert zich
in een later stadium als een levens atoom van een plant. Na lange tijd belichaamt
de ziel van dit planten-levensatoom zich van binnenuit in een dierenlichaam.
De ziel van ditzelfde levensatoom brengt zichzelf weer later tot uitdrukking door
de kwaliteiten die ze uitstraalt, in een menselijk lichaam te belichamen. Nog
later zal de ziel van hetzelfde levensatoom zich als een god tot uitdrukking brengen,
enz. Dat telkens dezelfde term ‘levensatoom’ wordt gebruikt, wil niet zeggen dat
de evoluerende straal van de monade steeds een ‘levensatoom’ is. Het is als het
ware zo, dat het uiteinde van de straal het fysieke gebied binnengaat als een
levensatoom in het delfstoffenrijk en dat dezelfde monadische straal in een later
tijdperk haar meer ontwikkelde vermogens tot uitdrukking brengt als een levensatoom
in het plantenrijk en zo verder omhoog langs de ladder.
Een god is een wezen dat, oorspronkelijk een levensatoom, goddelijk zelfbewustzijn
heeft bereikt. Elke god is als een rondtrekkende psychospirituele entiteit door
het mensstadium gegaan; ieder mens is als een psychospirituele monade door het
dierstadium gegaan; en hier gaat het om: ieder mens heeft zich als een psychospirituele
monade als dier gemanifesteerd in een of ander manvantara, maar niet in dit.
Op dezelfde manier is ieder dier in een of ander manvantara door het plantstadium
gegaan, zoals tenslotte ook iedere plant door het stadium van het delfstoffen-levensatoom
is gegaan, zoals ieder delfstoffen-levensatoom vroeger een elementaal-levensatoom
is geweest, enz. Uit dit alles moet duidelijk zijn dat de
mens in feite niet een dier is geweest, maar dat de monadische straal
eerst door het dierstadium is gegaan en toen ze die reeks van cyclussen had volbracht,
had ze uit haar eigen wezen de reeds latente menselijke kwaliteiten te voorschijn
gebracht en bouwde aldus menselijke lichamen op om die tot uitdrukking te brengen.
Op precies dezelfde wijze zal de reeds in het hart van de mens aanwezige god tenslotte
tot manifestatie worden gebracht als een zelfbewuste godheid. De
stuwkracht achter alle evolutie en het doel waar deze kracht ons naartoe drijft,
is eenvoudig de goddelijke honger in het heelal om te groeien. Dit is het heelal
aangeboren. Waarom dit zo is, kan niemand verklaren. Misschien weten zelfs de
goden het niet. Wij mensen kunnen alleen maar verzekeren dat het zo is. Alle dingen
groeien en verlangen groter te worden, zich te verheffen, zich te ontwikkelen,
met het doel zelfbewust één te worden met het grenzeloze iets wat nooit
bereikt kan worden! Hierin ligt de oneindige schoonheid, want er is geen absoluut
einde aan groei in schoonheid, wijsheid en kracht. Datgene
wat we in de atomen een blinde drang naar verbetering noemen, wordt in de mens
een zelfbewust verlangen om te groeien, om steeds meer de godheid te worden die
binnenin hem is, zich te verheffen in het besef, nu nog halfbewust, dat de mens
een zoon van de goden is. Deze zelfde drang wordt in de goden het goddelijke weten
dat zij onafscheidelijke delen van het heelal zijn en dat ze een steeds grotere
zelfbewuste bijdrage zullen leveren aan het universele werk.
Al wat mogelijk is, ligt latent in het hart van ieder van ons, en dit is de eigen
innerlijke god van de mens, de kosmische dhyâni-boeddha, de immanente goddelijke
christus in hem, de levende Osiris van de paden van oneindigheid. |