7

De evolutie van mens en dier

Op welke manier kwamen de dieren uit de mens voort? In de eerste plaats is de leer niet dat alle diersoorten in de huidige vierde ronde, deze grote levenscyclus op onze aardbol, uit de mens voortkwamen. In deze vierde ronde was dat alleen het geval met de zoogdieren, dat wil zeggen de dieren met borsten en met een wervelkolom en voortplantingsorganen die vanaf het begin tot op de huidige dag dezelfde cyclische veranderingen ondergingen in bouw en functie als bij de ontwikkeling van de mensheid plaatsvonden. Alle andere diersoorten, vooral de lagere orden daarvan, zijn evolutionaire overblijfselen in deze huidige vierde ronde van de grote zich ontwikkelende klassen van het dierenrijk die in de derde ronde op deze aarde op het toppunt van hun evolutie waren. Anders gezegd, alle bezielde entiteiten in de sterk verschillende evolutiestadia lager dan dat van de mens en van de andere niet-menselijke zoogdieren, kennen we nu als overblijfselen van de derde ronde, maar in deze huidige vierde ronde zijn ze in hoge mate gespecialiseerd.
    Grote aantallen klassen van wezens waren in lang vervlogen tijden op deze aardbol op het hoogtepunt van hun evolutie, en zelfs tijdens deze vierde ronde, maar ze zijn nu volledig van het toneel verdwenen en lieten alleen hun fossiele resten achter. De grote reptielen zijn daarvan een voorbeeld, ondanks het feit dat veel reptielen die het door de eeuwen heen hebben volgehouden zelfs tot in onze tijd, overblijfselen zijn die om de een of andere reden erin zijn geslaagd door de verschillende geologische tijdperken heen tot nu toe te overleven. Deze sishta’s of resten of levenszaden van deze overgeblevenen uit de derde ronde waren in de meeste gevallen al aan het begin van de vierde ronde op onze aardbol, voordat het eerste wortelras van ‘mensen’ in deze vierde ronde op deze bol verscheen.
    Ze werden alleen uit welwillendheid ‘mensen’ genoemd, en waren de oorspronkelijke protoplastische verschijningsvormen van de ware mens of mensheid die in veel latere tijdperken zou volgen. Ze worden ‘mensen’ genoemd, enkel om hen te identificeren als de oorsprong die ze in hun eigen tijdperk van evolutie zijn geweest, van wat later de mensheid werd. Ook moet dit ‘eerste wortelras’ op geen enkele manier worden beschouwd als dieren of als de veronderstelde oorspronkelijke dierlijke stam waaruit de mensheid van nu in opeen volgende stadia van evolutie zou zijn voortgekomen, en waar de tegenwoordige mensheid haar directe evolutionaire voorgeslacht op zou moeten herleiden. Het waren geen dieren, hetzij zoogdieren of andere dieren, maar astrale prototypen die in verschillende grote families of orden bestonden en waarvan de huidige mensheid rechtstreeks en in een ononderbroken levensstroom afstamt.
    Het eerste wortelras en het eerste deel van het tweede wortelras van de protoplastische ‘mensheid’ waren astrale mensen; ze waren niet werkelijk menselijk zoals we het woord nu opvatten, omdat ze verstandeloos waren. De zonen van het denkvermogen, de mânasaputra’s, waren nog niet in hen geïncarneerd en hadden hen dus nog niet, zelfs niet in geringe mate, met het goddelijke vuur van zelfbewust denken en intellect vervuld. Daarom waren het ook niet-morele wezens – geen immorele, want het morele instinct was in hen nog niet ontwaakt. Ze waren in dit opzicht even onbewust als de dieren nu. Als deze wezens niet-moreel waren, konden ze evenmin immoreel handelen als weloverwogen en bewust edele morele daden verrichten. Zij werden geleid en de weg gewezen door de praktisch onfeilbare, hoewel niet erkende kracht van het spirituele instinct dat hen ervan weerhield zowel morele als fysieke schade te berokkenen, zoals ook de planten nu moreel noch immoreel zijn, maar met bijna onfeilbare vooruitziendheid worden geleid door het spirituele en intuïtieve instinct dat overal in en door hen werkt. Deze wezens van het eerste en tweede wortelras van de ‘mensheid’ leken mentaal erg veel op kleine kinderen, omdat het denken per se zijn verheven krachten niet in het kind openbaart.
    Het eerste wortelras was astraal. Het was ook astraler of etherischer dan de aarde waarop het leefde. Naarmate de eeuwen verstreken, kreeg dit eerste wortelras langzaam een stoffelijker structuur, dat wil zeggen, het astrale verdichtte zich langzaam en werd vaster. Het tweede wortelras, dat in feite het vaster en stoffelijker geworden eerste wortelras was, was ook duidelijk halfastraal, een in fysiek opzicht gelei- en vezelachtig ras. Zowel het eerste als het tweede wortelras hadden geen beenderen, geen organen, geen haar, noch een echte huid. Er kan op worden gewezen dat zelfs de tegenwoordige grofstoffelijke haai geen echte beenderen heeft. Zijn vastere delen zijn kraakbeenachtig en dat was ook overwegend de inwendige structuur van het laatste stadium van het tweede wortelras.
    Wat de fysieke substantie betreft leek het tweede wortelras enigszins op kwallen. Ook zij werden uit welwillendheid menselijk ge noemd, omdat ze de voornaamste en treffendste kenmerken en eigenschappen van de menselijke soort nog niet hadden ontwikkeld: de psychische, mentale en spirituele vermogens die gezamenlijk hun werk doen door middel van ijle en onzichtbare omhulsels, die op hun beurt samen werken om zich door middel van een fysiek lichaam tot uitdrukking te brengen.
    Het waren ‘omhulsels’ in die zin dat ze nog niet zelfbewust waren vervuld met de spiritueel-intellectuele dhyâni-chohanische essenties en krachten, zoals ook een klein kind vanaf zijn geboorte een menselijk ‘omhulsel’ is in bovenbedoelde zin, totdat de langzaam incarnerende dhyâni-chohanische essentie of het psychomentale fluïdum van zijn incarnerende ego zich begint te manifesteren.

Het eerste wortelras plantte zich voort door deling, dat wil zeggen, doordat een deel van de ouder afbrak en dit deel zich ontwikkelde om precies zoals zijn ouder te worden, bijna op de manier die levende cellen nu volgen. Een levende cel is een geleiachtige, halfastrale entiteit. Het woord ‘geleiachtig’ geeft een tamelijk goede beschrijving van het stadium tussen het stevige vlees en de etherische maar toch halfzicht bare ijlheid van het lagere astrale. Vlees is in feite verdichte of compacter geworden astrale substantie – de dichtste astrale en de ijlste fysieke stof zijn praktisch identiek. De twee rijken, het lagere astrale en het etherisch-fysieke versmelten hier; er is absoluut geen scheidslijn tussen beide.
    In de eerste stadia van zijn evolutionaire ontwikkeling zou men het eerste wortelras reusachtige astrale cellen of puddingzakken kunnen noemen. Deze cellen plantten hun soort voort en werden vervuld met de astrale essentie van het laagste fluïdum van de dhyâni-chohans. Gedurende de evolutionaire levensloop van het eerste wortelras ondergingen deze cellen kleine wijzigingen in vorm en grootte die doen denken aan die van de amoebe, en gingen geleidelijk steeds meer lijken op het astrale type waaromheen ze zich in de loop van de eeuwen langzaam kristalliseerden. Dus toen het tweede wortelras op het toneel verscheen, was de soort van dit nieuwe ras – een evolutionaire voortzetting in de tijd van het eerste wortelras – al een duidelijke hoewel onvolmaakte vorm gaan vertonen van wat in latere eeuwen tegen het eind van het derde wortelras lichamen met een menselijke gedaante moesten worden, die menselijke kenmerken bezaten, hoewel zelfs deze nog onvolmaakt waren, vergeleken met het fysieke gestel van de mens van nu.
    De natuur herhaalt zich overal. Zoals in het geval van een mens: zijn eerste fysieke verschijning is een microscopisch kleine cel of ei dat langzaam de zich herhalende stadia doormaakt van de evolutieweg die het ras in het verleden heeft afgelegd, tot het embryo dat – na zijn verschillende aanpassingen tijdens de ontwikkeling in de baarmoeder te hebben voltooid – nu menselijk is geworden, als een kind wordt geboren en vanaf de geboorte geleidelijk de innerlijke psychische, mentale, intellectuele en spirituele vermogens, die de mens werkelijk tot mens maken, begint te manifesteren. Hier hebben we een zich herhalend beeld van de stadia van evolutionaire ontwikkeling die achtereenvolgens door het eerste, het tweede, het derde en het vierde wortelras werden doorlopen – terwijl onze huidige menselijke stam met al zijn verschillende soorten of variaties het vijfde wortelras wordt genoemd.
    Het tweede wortelras plantte zich voort door knopvorming. In plaats dat een deel van de ouder zich afsplitste, zoals in het eerste wortelras, was het proces in het tweede wortelras als volgt: een klein deel van het lichaam, een knop, scheidde zich van de ouder af of viel van de hoofdstam, en begon zich daarna te ontwikkelen tot een wezen zoals zijn ouder. Ongeveer halverwege de levenscyclus van dit tweede wortelras werden deze knoppen talrijker en werden wat zoölogen waarschijnlijk menselijke sporen of zaden zouden noemen, of wat H.P. Blavatsky ‘levend zweet’ noemde. Op die manier verlieten veel van deze knoppen in bepaalde seizoenen het ouderlichaam, nadat de ouderentiteit volwassen was geworden, zoals de sporen of zaden van planten nu doen. Daarna zorgde de natuur voor deze zaden, op een manier waarop tegenwoordig voor de zaden van planten wordt gezorgd. Miljoenen zijn misschien omgekomen, maar miljoenen anderen konden met succes tot wezens uitgroeien met lichamen soortgelijk aan die van de ouders die aan hen het leven hadden geschonken.
    Vervolgens ontwikkelde zich na verscheidene miljoenen jaren het derde wortelras uit het tweede wortelras. De geleiachtige substantie van het tweede wortelras was nu geworden tot wat men zacht vlees zou kunnen noemen, dat uit cellen bestond en beenderen begon te bedekken, en huid en haar begon te krijgen, en dat ook rudimentaire of tamelijk goed ontwikkelde fysieke organen ging bevatten. De manier van voortplanting van dit verder gevorderde ras was hermafrodiet of tweeslachtig, dat wil zeggen, de twee geslachten bestonden in de begin- en middenperiode van dit derde wortelras in elk indi vidu daarvan. Met andere woorden, gedurende het grootste deel van de tijd die het derde wortelras duurde, was de hermafrodiete of tweeslachtige gesteldheid die van een dubbel functioneren van de organen die geschikt waren voor tweeslachtige voortplanting, enigszins zoals nog altijd kan worden waargenomen bij bepaalde lagere vertegenwoordigers van het dierenrijk en bij bepaalde planten. Gedurende het laatste deel van het derde wortelras wijzigde deze dubbele functie of tweeslachtige gesteldheid zich echter langzaam naar een gang van zaken waarin in ieder individu de bijzondere kenmerken van het ene of het andere geslacht gingen overheersen, wat op zijn beurt ten slotte resulteerde in de geboorte van individuen van een duidelijk eenslachtig type uit een baarmoeder.
    De psychomagnetische activiteiten in die ‘menselijke’ individuen uit dit lang vervlogen geologische verleden brachten een vruchtbare kiem voort die als een ei uit het lichaam werd geworpen, enigszins overeenkomend met het proces dat nu bij vogels en bepaalde reptielen plaatsvindt. Precies zo was het bij het vroege tweeslachtige, eierleggende derde wortelras van ongeveer twintig miljoen of meer jaar geleden. Het ei ontwikkelde zich, maar in die dagen duurde het een jaar of langer voordat het ‘menselijke’ ei werd gebroken en het jong te voorschijn kwam.
    Uit het latere derde wortelras ontstond het begin van het vierde of eenslachtige wortelras. Tegen die tijd was het tweeslachtige ras al eonenlang verdwenen, waren de geslachten ‘gescheiden’ en werden kinderen uit de moederschoot geboren. Aanvankelijk toen de geslachten begonnen te ‘scheiden’, werd zo’n wezen misschien als heel ongewoon beschouwd, als een ‘speling’ van de natuur, maar tenslotte waren deze ‘spelingen’ in de meerderheid en werd de huidige methode van voortplanting regel.

Lang voor het tweede wortelras verscheen, was de evolutie in volle gang – evolutie als evolutie (gezien vanuit de materiekant) tegenover involutie. Ze zette haar werk van de ontplooiing van de stoffelijke kant van wezens voort, dat wil zeggen, de ontwikkeling en specialisatie van hun lichamen, zowel van hun organen als van organische functies, totdat het keerpunt van deze huidige vierde ronde werd bereikt. Dit keerpunt vond plaats halverwege het vierde wortelras, dat het Atlantische ras wordt genoemd omdat het centrum van de prachtige beschavingen die toen bloeiden in een continentaal stelsel dat de aarde omvatte, zich bevond waar nu de Atlantische Oceaan zich uitstrekt.
    Op de neergaande boog van de afdaling in de stof wordt de stof door de monaden of ‘zielen’ geëvolueerd of ontrold, en de geest door deze geïnvolueerd en ingerold; maar wanneer het keerpunt wordt bereikt, volgt automatisch het omgekeerde proces, waarin de geest zijn transcendente krachten ontwikkelt, terwijl de stof pari passu haar eigen kenmerken involueert. Het resultaat van dit wonderbaarlijke proces van de natuur geeft ons aldus een beeld van spirituele wezens die zich geleidelijk hullen in gewaden van materiële substantie, anders gezegd ‘lichamen’, en op de opgaande boog maken ze deze lichamen door de evolutie van de geest geleidelijk etherischer, zodat ze tegen het eind van het manvantara van de planeetketen gewaden van ‘licht’ worden.
    Toen de evolutie als evolutie met haar werk ophield, begon de involutie – het omgekeerde proces; en daarna sloot de ‘deur naar het mensenrijk’. Dit belangrijke natuurfeit uit de biologie betekende niet alleen dat entiteiten lager dan de mens niet langer het mensenrijk konden binnengaan, maar ook dat nieuwe phyla, nieuwe raciale stammen, niet langer konden worden voortgebracht uit de toen bestaande levenszaden, omdat de processen van het in het leven roepen van nieuwe families, orden en klassen waren beëindigd. Evolutie, of de differentiatie van het ene tot het vele, was opgehouden; haar impulsen hadden voor deze vierde ronde langzamerhand hun kracht verloren. Terwijl er meer specialisaties van wat reeds bestond bleven optreden, in sommige gevallen zelfs ver doorgevoerde, konden vanaf dat moment gedurende de rest van de ronde van deze planeetketen geen nieuwe orden van afzonderlijke dierlijke of plantaardige entiteiten verschijnen.
    Vanaf dit keerpunt was involutie de algemene werkwijze van de natuur op deze aardbol; involutie betekent de inwikkeling van de stof en de gelijktijdige evolutie of het tot manifestatie komen door middel van de fysiek reeds ontwikkelde voertuigen van de tot dan toe latente spirituele, intellectuele en psychische functies, processen en zintuigen. Evolutie, zoals hier gebruikt, betekent het ontvouwen van de in de stof latent aanwezige krachten en de inwikkeling of involutie van spirituele eigenschappen; deze involutie verschafte aldus een schat aan vermogens en functies die zich steeds meer terugtrokken naarmate de evolutie of de ontvouwing van lichamen voortging. Op bovengenoemd keerpunt vond de laatste fase plaats van het langzaam in kracht afnemende evolutieproces van de differentiatie in de stof en daarna begon het involutieproces. Op de neergaande of schaduwboog ontvouwt of ontwikkelt de stof zich in talloze vormen en vouwt de geest zich naar binnen of wikkelt zich in. Wanneer de opgaande boog of lichtende boog is begonnen, neemt de involutie een aanvang, en dat betekent de involutie van de stof en het ontvouwen of de evolutie van de geest en zijn vermogens en krachten. De twee processen zijn met elkaar verweven.
    De verwekking, geboorte en groei van een kind kunnen misschien als voorbeeld dienen. Vanaf de conceptie tot het keerpunt van de volwassenheid ontwikkelt het lichaam vermogens en krachten, terwijl de spirituele, intellectuele en psychische vermogens min of meer teruggetrokken of omwikkeld zijn. Vanaf het middenpunt van het leven, zeg het begin van de middelbare leeftijd, treedt het omgekeerde proces op. Het lichaam wordt minder actief en minder belangrijk voor het doel van het leven; en pari passu vindt de evolutie plaats van de spirituele, intellectuele en psychische vermogens.
    De bezielde soorten die op het bovengenoemde grote keerpunt het menselijke stadium niet hadden bereikt, konden zich daarna niet langer opwaarts ontwikkelen op de opgaande boog en moesten als gevolg daarvan voor hun natuurlijke evolutionaire ontwikkeling hun beurt afwachten tot het volgende grote planetaire manvantara of de volgende ronde. Hoewel het waar is dat gedurende de volgende of vijfde ketenronde de bezielde soorten lager dan de mens – dat wil zeggen de dieren – opnieuw op deze aarde zullen verschijnen en hun evolutiereis zullen vervolgen, waarbij zal worden herhaald wat in deze vierde ronde gebeurt, zij het in omstandigheden die de vijfde ronde met zich mee zal brengen, zal het niettemin, omdat de hele planeetketen zelf nu het proces van involutie doormaakt, steeds moeilijker worden de hindernis te nemen die het binnengaan in het mensenrijk belemmert. De bezielde soorten lager dan de menselijke, zelfs die dateren van het keerpunt in deze huidige vierde ronde, zullen dan alle de neiging vertonen uit te sterven en uit de evolutionaire levensstroom te verdwijnen.
    Dit houdt echter niet in dat de natuur hier blijk geeft van bevoorrechting van de menselijke soort en van de mensapen. Dit zal die rijken overkomen die lager staan dan het mensenrijk, omdat ze in hun respectieve evolutieprocessen vertraagd zijn, terwijl het mensenrijk en de mensapen, die ‘op tijd’ waren toen het keerpunt aanbrak, in staat werden gesteld gestaag vooruit te gaan doordat ze in zichzelf reeds die ontwaakte spirituele, intellectuele en psychische vermogens bezaten die hen geschikt maakten om met de opwaartse evolutiestroom mee te gaan.
    Voor de rijken lager dan het mensenrijk zal de ommekeer plaatsvinden in de volgende belichaming van de hele planeetketen; dan zullen de rijken die lager staan dan het mensenrijk ontdekken dat de levensgebieden voor hen gereed zijn om de eigen respectieve evolutionaire groei van hun krachten en vermogens te verwezenlijken, met daarbij als compensatie dat ze mensen zullen worden in een keten die is belichaamd op gebieden die hoger zijn dan wat er op dit ogenblik bestaat.
    De enige uitzonderingen op de bezielde soorten lager dan de mens zijn daarom de mensapen, en misschien de cynocephalus, omdat ze een tikje echt menselijk bloed in zich hadden vóór het keerpunt werd bereikt. Deze apen zijn voorbestemd om over miljoenen en miljoenen jaren, in de volgende of vijfde ketenronde mensen van een lage klasse te worden.

Hoe kwamen de zoogdieren voort uit de menselijke stam? Voordat de heren van het denkvermogen, de mânasaputra’s – ontwikkelde spirituele wezens van een intellectueel type – waren begonnen met hun eerste pogingen zich in de toen verstandeloze mensheid te belichamen (die belichamingen gebeurden in het laatste deel van het tweede en vonden volledig plaats halverwege het derde wortelras tijdens de huidige vierde ronde) was het zich toen ontwikkelende tweede wortelras verstandeloos, net als het eerste. Het bezat niet de psychische en fysieke instincten en belemmeringen die het menselijk bewustzijn nu beheersen en daarom op de fysieke lichamen inwerken en erop reageren – deze natuurlijke psychische barrière of belemmering voorkomt de vermenging van hogere met veel lagere soorten.
    De lichamen van dit verstandeloze tweede wortelras waren de voertuigen van de levensatomen van allerlei zich ontwikkelende entiteiten die trachtten zich te manifesteren, omdat in die vroege geologische tijdsperiode alle soorten vanaf de ‘menselijke’ soort omlaag tot de protozoa, de natuurlijke drang voelden om steeds nieuwe lichaamsvormen te ontwikkelen. Alle entiteiten op de planeet vervolgden nog steeds hun weg omlaag op de neergaande boog of schaduwboog en ontplooiden zich, en dus differentieerden ze zich, door evolutie. In alle soorten was een krachtige innerlijke drang om te ontvouwen wat latent in hen aanwezig was, precies zoals de eikel, na te zijn ontkiemd, door inherente levensimpulsen tot groei wordt aangezet om op die manier de eik te ontwikkelen die onzichtbaar latent al erin aanwezig is.
    Het gevolg van deze evolutiedrang van alle wezens was dat de kiemen, de druppels ‘levend zweet’ in het laatste deel van het tweede wortelras en het begin van het derde, voor het grootste deel gasten waren in de ‘menselijke’ lichamen van deze twee rassen, karmisch psychomagnetisch tot die lichamen aangetrokken, en deze zo hielpen opbouwen – precies zoals de cellen van het menselijk lichaam nu dierencellen zijn, gasten in het lichaam van de mens die bij de bouw en samenhang ervan helpen, want de mens is hun gastheer en gebruikt ze in zijn eigen fysieke voertuig.
    Deze cellen of levenskiemen die de lichamen van het tweede wortelras als hun gastheren gebruikten, werden op een toen volkomen normale manier afgeworpen. Elke cel daarvan groeide overeenkomstig haar eigen svabhâva, wat betekent overeenkomstig de essentiële drijvende karakteristiek of individualiteit die het levenscentrum in elk zo’n cel is. Als de zojuist genoemde psychische hindernis of barrière nu niet zo krachtig werkte, zouden zelfs in deze tijd enorm grote aantallen van de vermoedelijk menselijke kiemen of zaden, die waren afgeworpen, groeien, en in bepaalde gevallen de uitgangspunten worden van nieuwe soorten, die echter in alle gevallen een lagere status dan die van de mens zouden hebben. Deze aldus door de protoplastische menselijke lichamen van de eerste rassen afgeworpen cellen werden in veel gevallen de uitgangspunten van nieuwe soorten van wezens die in de cellen waaruit zij waren voortgekomen in kiemvorm door het menselijk lichaam waren gegaan en eruit waren afgeworpen, precies zoals kiemen of levensatomen nu door ons lichaam trekken.
    Elk zaad, elke kiem, is het lichaam van een zich ontwikkelende entiteit, van een psychisch levensatoom. Ieder levensatoom heeft in essentie alles in zich wat een mens of een god in zich heeft; maar geen enkel levensatoom kan op welk gebied ook, dat betekent op welke bol van een planeetketen ook, meer tot uitdrukking brengen dan zijn op dat ogenblik bestaande ontwikkelde vermogens hem toestaan. Iedere levende cel, elke voortplantingskiem, bevat niet alleen de potentiële kracht van de latente godheid in zich, maar ook talrijke lagere halfpsychische levensimpulsen die, als ze zich zouden kunnen manifesteren, een lager staand wezen zouden voortbrengen.
    Er zijn twee redenen gegeven waarom zulke cellen of voortplantingskiemen in de mens zich tegenwoordig niet tot nieuwe phyla of bezielde soorten lager dan de mens ontwikkelen. Ten eerste: evolutie, als een proces van het ontvouwen van nieuwe lichamen en van het ontstaan van nieuwe soorten is voor de rest van deze ronde voorgoed beëindigd. De evolutiedrang is geleidelijk verdwenen en de involutie heeft zijn plaats ingenomen. Ten tweede: de psychische barrières en belemmeringen gaan krachtig in tegen het ontstaan van zulke nieuwe bezielde soorten. Het psychische fluïdum in de constitutie van de mens heeft tegenwoordig zoveel invloed op de kiemcellen of levensatomen die de lichamen van de mens helpen opbouwen, dat deze cellen of kiemen daaraan onderworpen zijn geraakt, en hun vermogen om vanuit zichzelf met de voortbrenging van nieuwe bezielde soorten een begin te maken, feitelijk ongebruikt laten. De ‘deur naar het mensenrijk’ die is gesloten, is in wezen niets anders dan deze geweldige psychische barrière. Het menselijke levens fluïdum of de psychische essentie is dominant, terwijl de menigten kiemcellen of psychische levensatomen waardoor het menselijke psychische fluïdum werkt, recessief zijn geworden, als individuen en als op natuurlijke wijze verdeelde menigten van deze.
    Als we onszelf in het verleden konden verplaatsen en ons de fysische wetten konden indenken die de evolutieprocessen beheersten toen het tweede wortelras leefde, zouden we ontdekken dat er dingen gebeurden die ons met onze verstarde denkbeelden over hoe ‘dingen moeten zijn’ buitengewoon vreemd zouden voorkomen. Een mens zou ontdekken dat als de levens- of voortplantingskiemen uit zijn lichaam – ‘het zweet’ om de term van H.P. Blavatsky te gebruiken – uit dat deel van zijn organisme afkomstig waren waar het voortplantingsplasma zetelt en is vervolmaakt, ze een tweede mens zouden voortbrengen, zoals ook nu gebeurt; maar als dit ‘levende zweet’, deze kiemen van vitaal psychisch-astraal fluïdum uit enig ander deel van zijn lichaam zou komen, zouden ze zich niet tot mensen ontwikkelen, maar zouden in miljoenen gevallen, als het milieu gunstig zou zijn, tot wezens uitgroeien met bijzonder afwijkende kenmerken die het begin zouden zijn van nieuwe phyla, nieuwe bezielde soorten.
    Iedere levenscel of voortplantingskiem is op zichzelf een opslagplaats van nog niet tot uitdrukking gekomen grondvormen; en als er geen natuurlijke belemmering zou zijn, geen psychische barrière om zich te uiten, zou de grondvorm met de krachtigste drang tot manifestatie als dominant te voorschijn komen en een representatieve entiteit worden die het begin zou zijn van een nieuwe soort van wezens. Dit doet zich niet langer voor als gevolg van de grote psychisch-vitale menselijke kracht die iedere voortplantingskiem onder controle houdt en die de manifestatie van alle grondvormen lager dan de ouder verhindert, en deze lagere typen worden daardoor recessief en komen daardoor niet meer tot zelfexpressie en hun functie is tegenwoordig alleen om hulp te bieden bij het vormen en het in stand houden van de vitale samenhang van het fysieke lichaam als geheel.
    Dit betekent niet dat de esoterische traditie het eenlijnig ontstaan van de mensheid onderwijst uit een enkel individu of uit twee individuen, min of meer naar het voorbeeld van de Hebreeuws-christelijke mythe van de romantische gebeurtenis die plaatsvond in de ‘Hof van Eden’. Integendeel, zij leert een duidelijk polygenisme, en daarmee wordt bedoeld dat een onbeperkt aantal van zulke voortplantingscellen gelijktijdig is voortgekomen uit de lichamen van de vroege mensheid, en omdat deze psychovitale voortplantingscellen zelf tot klassen of families behoren, wordt duidelijk dat er op die manier nieuwe soorten van schepsels zouden gaan verschijnen, die natuurlijk ieder afzonderlijk uit een andere ouder worden geboren of misschien uit dezelfde ouder. Bovendien, omdat deze psychovitale voortplantingscellen of kiemen zelf leden van sterk uiteenlopende klassen waren, kon een enkel individueel ‘menselijk’ lichaam vanuit zichzelf op verschillende tijdstippen nakomelingen van lagere evolutionaire soorten hebben afgeworpen of ‘uitgezweet’. Deze protoplastische ‘mensen’ schonken het leven aan ‘kinderen’ die natuurlijk op henzelf leken. Als de levenskiem die werd afgeworpen of ‘uitgezweet’, uit een deel van het ouderlichaam kwam dat al was bestemd voor ‘menselijke’ voortplanting, ontwikkelden de ‘menselijke’ kiemen uit dit deel zich tot ‘mensen’ zoals hun ouders. De esoterische traditie leert geen monogenese van welke van de soorten ook die oorspronkelijk op die manier werden ‘geboren’ en ‘de aarde vervulden’. Polygenisme was overal de regel, in alle gevallen in die zeer vroege tijdperken.
    In het laatste deel van het tweede wortelras en zich voortzettend tot het midden van het derde wortelras waren al deze dieren – die voortkwamen uit de destijds menselijke lichamen, waarvan er vele de verre ‘ouders’ zijn van de diersoorten die nu op aarde leven – zoogdieren. Waarom? Omdat zij de hoogste soorten evoluerende dierlijke monaden waren, hoewel ze lager stonden dan de zich ontwikkelende menselijke monaden, en als vanzelf werden meegevoerd door psychomagnetische aantrekking naar het volgende en boven hen liggende rijk – het mensenrijk, dat al in die tijd de voorboden van het zoogdiertype begon aan te nemen.
    Maar hadden de dieren dan niet, zoals de menselijke soort, een innerlijke drang om zich langs hun eigen weg te ontwikkelen, zodra hun in het leven geroepen entiteiten waren verschenen? Ja, ongetwijfeld. Alle natuurrijken lager dan dat van de mens verlangen er in psychisch opzicht vurig naar mens te worden; en gedurende hun eonenlange evolutionaire pelgrimstocht werpen de monaden die zich in de dierenlichamen ontwikkelen, dierenlichaam na dierenlichaam af en klimmen geleidelijk langs de levensladder omhoog tot het mensenrijk wordt bereikt, en op dat punt gaan ze de laagste klasse van menselijke voertuigen binnen, niet als dierlijke, maar als menselijke monaden, zij het van het laagste type.
    De dierlijke monaden verschillen niet wezenlijk van monaden van enige andere soort. Het verschil tussen ‘monade’ en ‘monade’ is uitsluitend een verschil in het evolutiestadium dat een monade heeft bereikt, doordat ze vanuit zichzelf iets van haar innerlijke geestelijk-psychische essentie of fluïdum naar buiten heeft gebracht. We spreken van de ‘delfstofmonade’, ‘plantaardige monade’, ‘dierlijke monade’, ‘menselijke monade’, ‘goddelijke monade’, enz., alleen om ze te beschrijven. Al deze verschillende klasssen van monaden zijn voortgekomen uit dezelfde oorspronkelijke kosmische geest en daarom heeft elke monade alle vermogens en eigenschappen in zich besloten die alle andere ook bezitten, zij het dat die monaden verschillende plaatsen of sporten op de evolutionaire levensladder innemen. Het dier van nu is dus niet een mens, omdat het nog niet vanuit zijn eigen essentie die kenmerken of eigenschappen heeft ontplooid die wij menselijk noemen; maar op een bepaald moment zal het dat wel doen en dan zal het een mense lijke monade zijn en zal het een menselijk lichaam gaan gebruiken.
    Volgens de esoterische traditie is het ongeveer 320.000.000 jaar geleden dat op deze bol in deze vierde ronde de sedimentatie begon, terwijl dit lange tijdsverloop niet volledig de evolutie insluit van de drie elementalenrijken die aan de minerale processen waarmee die sedimentatie begon, voorafgingen. Natuurlijk hadden de vier wortelrassen die het onze voorgingen, niet al deze 320.000.000 jaar voor hun evolutie nodig, omdat het eerste wortelras op deze bol in de vierde ronde verscheen lang nadat de minerale processen waren begonnen, lang nadat het plantenrijk was ontwaakt en zelfs nadat het dierenrijk niet meer in zijn toestand van verduistering verkeerde – uitgezonderd natuurlijk het hogere deel van het dierenrijk, de zoogdieren, die in deze vierde ronde de mens volgden.
    Toen het eerste (of onmiskenbaar astrale) wortelras op deze bol verscheen, waren er veel groepen van het plantenrijk op aanwezig, die de sishta’s of overblijfselen waren van het plantenrijk zoals dit in de voorafgaande of derde ronde bestond; ook waren er een aantal groepen van verschillende dieren lager dan de ‘zoogdieren’. Er was in feite een verbazingwekkende mengeling van eencellige organismen en schaaldieren, vissen, en heel weinig reptielen en vogels, maar geen zoogdieren. De eerste zoogdieren verschenen als onbelangrijke ‘spelingen van de natuur’ in het allerlaatste deel van het tweede wortelras of het eerste deel van het derde wortelras.
    Wat betreft het opeenvolgende verschijnen van de verschillende rijken gingen de dieren – maar niet de zoogdieren – op deze bol D op de neergaande boog aan de mens vooraf. Dat wil zeggen, ze daalden sneller af in de stof dan het mensenrijk, omdat ze van een stoffelijker type waren, waardoor de aantrekkingskracht van de stoffelijke bol D op hen groter was dan op de menselijke monaden.
    Bovendien vond de scheiding van de geslachten onder de dieren plaats voordat dit gebeurde in de menselijke familie. Zo kwam het dat de reusachtig grote dieren van verschillende soorten uit die vroege geologische periode zich niet alleen in grofstoffelijke bekleedselen hulden voordat de astrale mens hetzelfde deed, maar zich ook vanuit de voorafgaande tweeslachtige staat in mannelijk en vrouwelijk scheidden voordat de menselijke soort het voorbeeld volgde van wat toen zijn voorlopers waren – de dieren.
    Aan het begin van de opgaande boog werd de positie van de voorlopers verwisseld, want toen de weg omhoog naar de geest was ingeslagen, beïnvloedde de geestelijke aantrekkingskracht het sterkst de in geestelijk opzicht meest ontwikkelde soort van die tijd, zodat de mens vanaf het begin van deze opgang geleidelijk de plaats innam die hij nu heeft van leider en voorloper van alle rijken onder hem, die alle onbewust streven naar het menselijke stadium.

Over de geologische tijdsperioden het volgende: De mensheid ‘scheidde’ zich ongeveer achttien miljoen jaar geleden tijdens het derde wortelras, of in wat geologen in de tijd van H.P. Blavatsky het late Trias of het vroege Jura van het Secundair noemden, in tegengestelde geslachten. Toen H.P. Blavatsky sprak van ‘Jura’, enz., en verklaarde dat de mens in die en die periode bestond, waarbij ze de geologische termen gebruikte die toen in zwang waren, volgde ze de gangbare korte berekening, die in het algemeen aansloot op de ouderdom van de ‘gescheiden’ mensheid (de ‘mensheid van Vaivasvata’), zoals die uit de esoterische gegevens blijkt – ongeveer 18.600.000 jaar. Maar H.P. Blavatsky was zich goed bewust van de mogelijkheid van een verlenging van de tijdsduur van de geologische tijdperken door geologen, toen ze in De Geheime Leer (2:789) het volgende schreef:

Het zal ons standpunt misschien verduidelijken indien we al dadelijk zeggen dat we voor de tijdperken en perioden de nomenclatuur van Sir C. Lyell gebruiken en dat, als we over het Secundair en het Tertiair, over het Eoceen, Mioceen en Plioceen spreken, we dit eenvoudig doen om onze feiten begrijpelijker te maken. Omdat voor deze tijdperken en perioden nog geen vaste duur is bepaald, . . . maakt het voor de esoterische leringen helemaal niet uit of men de mens in het Secundair of in het Tertiair laat verschijnen.

Omdat het Tertiair nu is uitgebreid met veel meer dan de paar miljoen jaar die in 1888 werden aanvaard, zou de ‘Vaivasvata-mensheid’ in zijn recentere tijdvakken zijn begrepen, mits natuurlijk de tegenwoordige schatting van de geologische dateringen wordt geaccepteerd.
    De mensheid van het derde wortelras van ongeveer achttien miljoen jaar geleden was een volledig stoffelijk ras, hoewel niet zo grofstoffelijk als het vierde wortelras van het Atlantische tijdperk dat daarop volgde. Het vroege derde, evenals het hele tweede, ging zelfs verder in de tijd terug, misschien wel tot vijfentwintig of dertig miljoen jaar vóór het huidige tijdperk van het vijfde wortelras, terwijl het eerste wortelras nog verder in de grijze nevelen van de geologische tijd terugging. Zelfs nog vóór het begin van het zuiver astrale of etherische eerste wortelras was er twee- à driehonderd miljoen jaar evolutionaire ontwikkeling die bij het dierenrijk (maar zonder de zoogdieren), het plantenrijk, het delfstoffenrijk en de drie elementalenrijken hoorde.
    Geologen baseren nu hun overdreven lange tijdsperioden op de ontdekking van radioactiviteit in de rotsen, die volgens hen een redelijk betrouwbare methode verschaft om de tijd te berekenen die sinds de vorming van de rotsen is verstreken. Verondersteld wordt dat deze radioactiviteit – dat is het uiteenvallen van bepaalde zware elementen – gedurende alle eeuwen waarin deze radioactieve mineralen in de rotsen hebben gelegen, met constante snelheid heeft plaatsgehad. Eén reden om de moderne tijdsperioden te verwerpen die volgens deze methode worden geschat (en waarover zoveel onenigheid bestaat dat de beste leerboeken over geologie erop wijzen dat ze steunen op tot dusver onbewezen veronderstellingen), is dat de radioactieve veranderingen werden teweeggebracht en zich nu voortzetten, als gevolg van het feit dat de aarde met alles wat zich daarop bevindt nu op de opgaande of lichtende boog is, en dus de processen van dematerialisatie ondergaat die de oorzaak zijn van het uiteenvallen of de desintegratie, wat de natuurkunde en scheikunde nu ‘straling’ noemen, van de zwaarste scheikundige elementen.
    Op de neergaande of schaduwboog, verkeerden alle scheikundige elementen (die het lichaam van de aarde samenstellen) tot halver wege de periode van het Atlantische ras in het stadium van verdichting en daarom van verharding; de radioactiviteit, zoals wij die nu begrijpen, was als natuurfeit onbekend. Vanaf het keerpunt halverwege het vierde wortelras is de aarde met alles erop gestaag maar langzaam etherischer geworden. Als gevolg daarvan zal de radioactiviteit steeds sterker worden, en scheikundige elementen en samenstellingen worden, hoewel heel langzaam, minder zwaar en minder vast. De zwaarste elementen waarvan we weten dat ze nu niet radioactief zijn, zullen – in geologische tijd uitgedrukt – snel ook radioactief worden. Daarom zouden de geologen, wanneer ze hun op dit ogenblik overdreven lange tijdsperioden baseren op wat zij van radioactiviteit begrijpen, pas moeten beginnen vanaf het punt halverwege de periode van het Atlantische ras, toen deze radioactiviteit zich voor het eerst voordeed. Maar omdat ze een neergaande en opgaande boog niet erkennen, denken ze dat radio activiteit bij de eerste korstvorming van onze bol ontstond.
    Wanneer was dit punt halverwege het Atlantische ras? Omdat we nu bijna het midden van ons huidige of vijfde wortelras hebben bereikt, kan worden gezegd dat het midden van het vierde of Atlantische ras tussen acht en negen miljoen jaar geleden lag. Toen in deze lang vervlogen periode radioactiviteit zich voor het eerst voor deed, was ze slechts gering, en nam heel langzaam in omvang toe. Zo zullen in het proces van het etherischer worden, dat onze aarde nu ondergaat, de zwaarste scheikundige elementen en samenstellingen het eerst radioactief worden en hun substantie met toenemende snelheid uitstralen; ze zullen worden gevolgd door de minder zware en grove elementen, terwijl het proces doorgaat tot het einde van de huidige vierde ronde in het bijzonder, en, met onderbrekingen voor het omgekeerde proces gedurende de neergaande bogen van de daarop volgende ronden, zich zal voortzetten tot de zevende ronde haar hoogtepunt of einde zal hebben bereikt. Tegen die tijd zal de bol met alles wat zich erop bevindt zijn teruggekeerd tot de zeer etherische toestand van de stof die tijdens de eerste ronde heerste.

De lagere rijken richten zich op de mens als hun evolutionaire doel op deze aarde, en dit omdat de mens veel ouder is dan zij en de weg heeft gebaand die zij instinctief volgen. Hij heeft de astrale vormen gemaakt en achter zich gelaten waaruit hij tot grotere dingen is gegroeid. Het dierenrijk dat na hem komt, gaat het pad dat de mens heeft gemaakt en volgt hem aldus na, zoals wij mensen de wezens navolgen die ons zijn voorgegaan, namelijk de dhyâni-chohanische rassen.
    De mens ging aan de zoogdieren vooraf en schonk ook het leven aan hun oorspronkelijke phyla of soorten, en daarna begon elke soort zijn eigen snelle evolutionaire ontwikkeling van binnenuit, plantte trouw zijn soort voort en volgde toch zijn eigen bijzondere svâbhâvische of karakteristieke ontwikkelingsgang. Maar toen het midden van het vierde wortelras werd bereikt, was het enige wat de evolutionaire impuls die door en achter deze verschillende diersoorten werkte, kon voortbrengen: specialisatie. Er was sprake van een veelomvattende en ‘scheppende’ evolutie tot de ‘deur naar het mensenrijk’ zich sloot; daarna brachten de evolutionaire impulsen specialisaties voort, wat een bijzondere evolutie was in tegenstelling tot evolutie in het algemeen.
    De bezielde soorten lager dan de mensapen kunnen tijdens de rest van deze ronde niet hogerop komen. Ze zullen uitsterven voordat de laatste of zevende ronde wordt bereikt, omdat ze niet in staat zullen zijn langs de opgaande boog omhoog te gaan – ze zullen niet ‘aan de gestelde eisen kunnen voldoen’. Als er voor hen enige evolutie tot een hogere soort op de levensladder zou zijn, zal dat uitermate beperkt zijn, omdat het enige wat deze bezielde soorten voortaan kunnen doen is zich specialiseren. De olifant, bijvoorbeeld, met zijn lange slurf of proboscis, en zijn enorme oren, is sterk gespecialiseerd, maar hij zal niettemin altijd een olifant zijn zolang het olifanten geslacht gedurende de rest van deze planetaire levenscyclus voortleeft.
    Nog twee voorbeelden van secundaire evolutie, specialisatie genoemd, zijn de vleermuis en de walvis. Beide zijn zoogdieren, maar de ene, de vleermuis, verliet de aarde en werd een vliegend wezen met een vlucht die wat betreft gemak, snelheid en geluidloosheid volmaakter is dan de vlucht van de meeste vogels. De andere, de walvis, verliet het land en nam de wijk naar het water. Dit zijn specialisaties: ‘evolutie’ in de etymologische betekenis van het ontwikkelen van aangeboren vermogens; maar in de ruimere en meer technische betekenis van de ontwikkeling van toekomstige kenmerken van het type zijn ze strikt genomen geen evolutie. Gedurende de rest van de vierde en vijfde ronden, en de zesde ronde als ze tot dan als een rijk blijven bestaan, zullen de dieren zich op ontelbare manieren specialiseren, en toch niet meer werkelijk evolueren. De mensheid echter zal ‘evolueren’ door ‘involutie’, hoe paradoxaal dit ook mag klinken: de geest ontwikkelen en de stof inwikkelen.

Het eerste wortelras op deze vierde bol in deze vierde of huidige ronde was een heel etherisch ras van wezens, een halffluïde of astraal ras dat nog maar pas was begonnen zich te verstoffelijken. Ze waren bovendien doorschijnend – of zouden dat voor de ogen van ons huidige vijfde ras zijn. Het best zou men hen kunnen vergelijken met een wolk in de lucht of een sterk verhitte luchtstroom met zijn dansende effect op het oog. Dit betekent echter niet dat hun gestalte vormloos was. Ze hadden wel degelijk een vorm die vaag leek op de mens, maar veel minder vast dan zijn huidige grofstoffelijke lichaam. Ze waren doorzichtig want hun weefsel was etherisch en ze maakten daarom geen fossiele afdrukken op de aarde.
    Aan het begin van deze vierde ronde was de aarde, de vierde bol, zelf ook etherischer dan ze nu is; niettemin was ze in vergelijking met dit eerste ras van ‘menselijke’ protoplasten betrekkelijk vast en compact. Met andere woorden, het eerste wortelras was in zijn beginstadium, trouwens gedurende zijn hele bestaan, etherischer dan de aarde toen was. Zowel de aarde als de rassen die haar bewoonden werden gestaag compacter tot het midden van het vierde wortelras, toen de verdichting haar hoogtepunt bereikte, dat wil zeggen, de hoogste graad van verstoffelijking die tijdens het huidige ketenmanvantara van zeven ronden mogelijk is. Sinds het midden van het vierde wortelras, wat ook het midden van de vierde ronde was en daarom het midden van het hele ketenmanvantara, zijn de aarde en haar bewoners weer enigszins etherischer geworden. Het vlees van de mensen van het Atlantische ras bijvoorbeeld was grover en vaster dan het vlees van de mensen van nu. Zowel de aarde als haar bewoners zullen steeds etherischer worden, tot na eonen en eonen de aarde en haar toekomstige mensheid aan het eind van de zevende ronde min of meer de heel etherische toestand zullen hebben bereikt die in de eerste ronde heerste.
    Toen het astrale eerste wortelras van de mensheid steviger begon te worden en daardoor fysieker, gebruikte het noodzakelijkerwijs materiaal dat op deze bol al bestond – materiaal dat gedurende de voorafgaande of derde ronde door de zich verder evoluerende menselijke soort was afgeworpen en achtergelaten. Het gebruik van dit materiaal door de evoluerende mensheid in deze vierde ronde bevorderde natuurlijk de evolutie van de levensatomen die dergelijke vroeger gebruikte substantie hadden samengesteld, en die levensatomen werden doordrongen van de invloed van het hogere astrale materiaal van de menselijke soort tijdens zijn evolutiereis in deze vierde ronde.
    Als individu en als soort, of mensheid, is de mens de bewaarplaats van talloze tot dusver ongemanifesteerde toekomstige grote soorten van bezielde wezens die in de verre toekomst in een nieuw ketenmanvantara uit hem zullen voortkomen als zijn nakomelingen. Zoals wij kinderen van de goden zijn, zo zijn de dieren, vooral de zoogdieren, onze afstammelingen of nakomelingen. Trouwens, alle schepsels van de derde ronde, ja alle wezens van de lagere rijken, werden onbewust afgeworpen uit de toenmalige ‘mensheid’. Met andere woorden, het was de mens die in verschillende perioden in zijn lange eonendurende evolutie de grondvormen afwierp, die zich later specialiseerden tot het planten- en dierenrijk. Hetzelfde geldt voor het delfstoffenrijk in de eerste ronde. Wat allemaal erop neerkomt dat van alle soorten op aarde de MENS de oudste is.
    Het tweede wortelras was aanzienlijk compacter en stoffelijker dan het eerste. Het tweede wortelras, vooral in zijn middenperiode en tegen het eind, was niet langer doorzichtig, maar was albumineus, enigszins eiwitachtig, met een bepaalde vorm en met het rudimentaire begin van beenderen en organen, haar en huid. Maar hoewel het bezig was steviger te worden, was het nog te etherisch om enige fossiele resten achter te laten op de toenmalige aarde die, ofschoon zelf actief in het proces van verstoffelijking of verharding, dat niet zo snel kon laten verlopen als het tweede wortelras zelf. Bovendien hield dit hele proces van verdichting niet in dat een astraal met een fysiek wezen ‘samenkwam’ en zich ermee verenigde, maar dat astrale wezens zich verstoffelijkten of materialiseerden, en van astrale wezens fysieke wezens werden.
    Dit proces van verharding of verstoffelijking dat van omstreeks het begin tot het midden van het derde wortelras plaatsvond, betekende dat de lichamen van het laatste deel van het tweede en het begin van het derde overgingen van astrale in fysieke substantie; en naarmate die wezens van het vroege derde wortelras duidelijk fysiek werden – nu inderdaad erg geleiachtig – gingen de beenderen zich onmiskenbaar vertonen, hoewel ze nog zacht waren.
    Vanaf het midden tot het einde van het derde wortelras zette dit proces van verdichting van het astrale naar het fysieke zich snel voort. Aan het einde van het derde wortelras, toen de tweeslachtigen van het midden van dat ras geslachtelijke wezens waren geworden, was dit laatste deel van het derde wortelras een volledig ontwikkelde en verstoffelijkte mensheid, met lichamen van tamelijk vast vlees, met betrekkelijk volledig ontwikkelde organen, met huid en haar en beenderen. Dit proces van verstoffelijking ging daarna zonder onder breking door tot het midden van het vierde wortelras, toen het omgekeerde proces, dat van het etherischer worden, begon te werken; en hoewel dit proces van het etherischer worden van de aarde en alles wat zich daarop bevindt, aanvankelijk heel zwak verliep, heeft het zich sindsdien, hoewel langzaam, voortgezet en zal blijven doorgaan tot het einde van de zevende ronde.
    De wezens van het eerste wortelras hadden een reusachtige omvang; ze hadden weliswaar een vorm, maar geen fysiek uiterlijk, zoals wij het woord nu opvatten. Het tweede wortelras was nog steeds enorm groot, maar kleiner dan het eerste. Het derde wortelras omvatte wezens die nog altijd geweldig groot waren vergeleken met onze eigen dwergachtige mensheid van nu; en tenslotte waren er de schepsels van het zwaarste en grofste ras, het vierde wortelras, die zelfs nog stoffelijker en compacter waren dan wij zijn en die, tenminste tot het punt halverwege hun groei, betrekkelijk groot waren, van negen tot drieëneenhalve meter, waaruit de voortdurende afname van de lichaamslengte blijkt tot die van onze eigen mensheid van het vijfde wortelras van één meter vijftig tot één meter tachtig. Dit houdt niet noodzakelijkerwijs in dat de daaropvolgende zesde en zevende wortelrassen steeds kleiner zullen worden tot het bolmanvantara wordt afgesloten met een dwergachtig of zevende wortelras. In ieder geval is het belangrijk in dit verband te vermelden dat de geestelijke, intellectuele en psychische vermogens en kwaliteiten niet noodzakelijk afhangen van omvang of grootte, want omvang is voor de zaak feitelijk van weinig betekenis.
    Het is moeilijk ons in voldoende mate alle bijzonderheden van de fysieke structuur, functies en organen van deze vroege rassen voor te stellen, omdat er tegenwoordig weinig of niets op aarde is dat ons een exact beeld ervan kan verschaffen. Dit proces vindt plaats in de ontwikkeling van het menselijke embryo, zij het in het klein en aanzienlijk verkort. Het embryo begint zijn bestaan als een microscopisch stipje menselijk protoplasma, een enigszins geleiachtige levenskiem die geleidelijk vaster wordt naarmate ze uitgroeit tot een vlezig embryo en tenslotte als een menselijke baby wordt geboren. Achter deze verdichting van het astrale tot het fysieke staat de voortdurende evolutionaire drang van het menselijke embryo om te groeien, zich te ontwikkelen en te ontvouwen, die zich later voortzet in het kind en het in zijn evolutie naar een volwassen mens aanspoort en leidt.
    Hoe komt het dat de eerste wortelrassen geen fossiele resten in de rotsen hebben achtergelaten? Dat konden ze niet omdat ze, toen hun lichamen stierven en werden afgeworpen, te etherisch waren om een afdruk te maken in de toen relatief vaste aarde. Het eerste wortelras ‘stierf’ strikt genomen helemaal niet, maar iedere ‘generatie’ ging aanvankelijk onmerkbaar in haar eigen nageslacht over; in de latere gedeelten van het eerste wortelras, toen deling plaatsvond, werd de ouder zelfs als het ware een zuster van haar dochter en ‘ging’ op die manier ‘over’ in de volgende generatie.
    Tegen het einde van het eerste wortelras en gedurende het begin van het tweede, toen deling plaats maakte voor knopvorming, verliep het proces vrijwel op dezelfde manier omdat de ‘dood’ nog niet op het toneel was verschenen, en de oudere generatie in bijna alle gevallen eenvoudig verdween in de knoppen van haar dochter en geen enkel fysiek spoor of ‘fossiel’ achterliet. Tegen het eind van het tweede wortelras waren de lichamen echter in voldoende mate vast geworden of ‘geïndividualiseerd’ om werkelijk te sterven toen hun voorraad levensenergie was uitgeput; als in dit geval de omstandigheden gunstig waren geweest, zouden de betrekkelijk vaste lichamen aan het eind van het tweede en het begin van het derde inderdaad afdrukken of ‘fossielen’ hebben kunnen achterlaten.
    De lichamen van het laatste deel van het derde wortelras hadden gemakkelijk versteende resten kunnen achterlaten; het is mogelijk dat sommige van dergelijke fossiele resten uiteindelijk worden blootgelegd; maar dit is uiterst onwaarschijnlijk, als men denkt aan de enorme vulkanische, seismische en catastrofale gebeurtenissen die in de loop van eeuwen en geologisch gesproken met periodieke tussenpozen voorkwamen vanaf het midden en het laatste deel van het derde wortelras. Sindsdien zijn continenten in de oceanen verzonken en zijn op veel plaatsen van de bol nieuwe gebieden van onder de golven verrezen. Het voortdurende verbrijzelen van de rotsen door vulkanische en seismische activiteit zal er zeker toe hebben geleid dat al dergelijke geologische gegevens van de fossiele resten die eeuwen geleden ongetwijfeld bestonden, werden afgebroken en vernietigd.

.         .         .

    De levensgolven volgen elkaar op van bol tot bol langs de planeetketen, zonder één enkele bol over te slaan. Op deze wijze ontwaakt een bol uit zijn verduistering of slaaptoestand om opnieuw het toneel te worden van evolutionaire kringlopen van binnenstromende levensgolven, waarvan elke levensgolf haar eigen verschillende of karakteristieke typen of soorten omvat van rassen, onderrassen en familiegroepen.
    De verschillende levensgolven die elkaar zo door alle bollen van de planeetketen opvolgen, bestaan uit groepen van geestelijke, intellectuele, psychomentale en astrale monaden, waarbij elk van die groepen individuen omvat van min of meer dezelfde graad van evolutionaire ontwikkeling. De hoogste klassen van deze monaden kunnen we groeperen onder de algemene term dhyâni-chohans, geestelijke wezens van het verst ontwikkelde evolutietype dat tot onze planeetketen behoort; de tweede algemene klasse kunnen we samenbrengen onder de naam mânasaputra’s, van wie het overheersende kenmerk of de dominerende eigenschap van intellectuele aard is; de derde groep of klasse wordt gevormd door wezens van een psychomentaal karakter, gewoonlijk pitri’s genoemd – een Sanskrietterm die vaders betekent; de laagste van de vier algemene klassen kunnen we kort omschrijven als psycho-vitaal-astrale monaden, technisch eveneens pitri’s genoemd.
    Nauwkeuriger beschouwd zijn er zeven of tien groepen of klassen van evoluerende monaden die ieder zijn evolutiereis volbrengt, gescheiden van de andere, maar toch alle nauw met elkaar verbonden en in zekere zin met elkaar verweven. Deze zeven (of tien) klassen, gegroepeerd overeenkomstig hun aangeboren vermogens, vormen het geheel van de menigten monaden die zich in zeven (of tien) hiërarchieën door de zichtbare en onzichtbare werelden of sferen ontwikkelen; deze zijn in het geval van onze planeetketen de zeven gemanifesteerde en de vijf ongemanifesteerde bollen van deze planeetketen.
    Meer technisch gesproken waren er zeven (of tien) klassen van monaden of pitri’s – het woord pitri’s wordt hier gebruikt als een algemeen beschrijvende term; de vier lagere klassen van de zeven gemanifesteerde groepen bouwden de fysieke en de vitaal-astrale lichamen die in veel latere tijdperken de fysieke mensheid werden; de drie hogere klassen van deze gemanifesteerde zeven verschaften de hoogste en tussenliggende beginselen van de mens. Deze hogere en lagere klassen werkten samen, en in de loop van de cyclische tijd en strikt in overeenstemming met karma bouwden ze of gaven het aanzijn aan het eerste, tweede, derde en vierde wortelras. Ze zijn bovendien dezelfde monadische individuen die ons eigen vijfde wortelras samenstellen en de zesde en zevende wortelrassen zullen vormen.
    De chhâyâ’s of ‘schaduwen’, waarover H.P. Blavatsky in De Geheime Leer spreekt, zijn de astrale lichamen van de lagere pitri’s (de vier lagere klassen waarop hierboven werd gedoeld) en werden in het fysieke geprojecteerd – wat eenvoudig betekent dat ze zich consolideerden of verdichtten tot het fysieke. De astraal-etherische lichamen van deze lagere pitri’s ontwikkelden zich tot, of nauwkeuriger werden, op die manier tenslotte door verdichting de fysieke lichamen van de mensen van het laatste deel van het tweede en van het begin van het derde wortelras.

De Esoterische Traditie, blz. 154-75

©2001 Theosophical University Press Agency, Den Haag