Inleidende opmerkingen
over de archaïsche stanza’s
en de vier prehistorische continenten
Facies totius universi, quamvis infinitis modis variet,
Manet tamen semper eadem. –
Spinoza
De stanza’s en de toelichtingen erop in dit tweede deel zijn
ontleend aan dezelfde archaïsche verslagen als de stanza’s
over kosmogonie in deel 1. Er wordt zoveel mogelijk een letterlijke
vertaling gegeven, maar enkele stanza’s waren te duister om zonder
uitleg te worden begrepen. Daarom worden ze, evenals in deel 1, eerst
volledig en onveranderd weergegeven, en als ze vers voor vers met hun
toelichtingen worden behandeld, wordt een poging gedaan ze te verduidelijken
door tussen haakjes toegevoegde woorden, vooruitlopend op de vollediger
verklaring in de toelichting.
Over de evolutie van de mensheid formuleert de geheime leer drie nieuwe
stellingen, die lijnrecht in strijd zijn met zowel de moderne wetenschap
als de gangbare religieuze dogma’s: ze leert (a) de gelijktijdige
evolutie van zeven mensengroepen op zeven verschillende delen van onze
aardbol; (b) de geboorte van het astrale lichaam vóór
het fysieke, waarbij het eerste een model is voor het laatste;
en (c) dat de mens in deze ronde aan alle zoogdieren in het
dierenrijk voorafging1 – waaronder
de mensapen.
De geheime leer is niet de enige die spreekt over de oorspronkelijke
mensen die tegelijkertijd op de zeven
delen van onze bol werden geboren. In de Goddelijke Pymander
van Hermes vinden we dezelfde zeven oorspronkelijke mensen2
die evolueren uit de natuur en de ‘hemelse mens’, in de
collectieve zin van het woord, namelijk uit de scheppende geesten; en
op de (door George Smith verzamelde) fragmenten van Chaldeeuwse kleitabletten,
waarin de Babylonische scheppingslegende is gegrift, in de eerste kolom
van het Cutha-tablet, worden zeven mensen met gezichten van
raven (donkere gelaatskleur) genoemd, die werden ‘geschapen door
de [zeven] grote goden’. Of, zoals in regel 16 en 18 wordt verklaard:
‘Te midden van de aarde groeiden ze op en werden groot . . . zeven
koningen, broeders uit hetzelfde gezin.’3
Dit zijn de zeven koningen van Edom, naar wie in de kabbala wordt verwezen;
het eerste ras, dat onvolmaakt was, d.w.z. dat werd geboren
vóór het ‘evenwicht’ (de seksen) bestond,
en dat daarom werd vernietigd.4
Zeven koningen, broeders, verschenen en verwekten
kinderen, 6000 in getal waren hun volkeren. De god Nergas (de dood)
vernietigde hen. ‘Hoe vernietigde hij hen?’ Door het in
evenwicht brengen van hen die nog niet bestonden’.5
Ze werden als ras ‘vernietigd’ door op te gaan in hun eigen
nageslacht (door uitzweting); dat wil zeggen, het geslachtloze ras reïncarneerde
in het (potentieel) biseksuele; laatstgenoemde in het androgyne; dit
weer in het seksuele, het latere derde ras (voor verdere uitleg zie
hieronder). Als de tabletten minder waren verminkt, dan zou blijken
dat ze woord voor woord hetzelfde verhaal bevatten als wordt gegeven
in de archaïsche verslagen en in Hermes, zoal niet in de kleinste
details dan toch tenminste wat de voornaamste feiten betreft; want Hermes
is door verkeerde vertalingen sterk misvormd.
Ongetwijfeld staat het schijnbaar bovennatuurlijke van deze leringen,
al zijn ze allegorisch, zo lijnrecht tegenover de volgens de dode letter
opgevatte beweringen van de Bijbel6
en ook tegenover de meest recente hypothesen van de wetenschap dat het
hartstochtelijke ontkenning zal uitlokken. De occultisten weten echter
dat de tradities van de esoterische filosofie de juiste moeten zijn,
eenvoudig omdat ze de meest logische zijn en elke moeilijkheid erdoor
verdwijnt. Bovendien hebben we de Egyptische Boeken van Thoth
en het Dodenboek en de hindoe-Purana’s met de
zeven manu’s, zowel als de Chaldeeuws-Assyrische verslagen, waarvan
de kleitabletten over zeven oorspronkelijke mensen of Adams spreken;
de ware betekenis van deze naam kan men vaststellen met behulp van de
kabbala. Zij die iets weten van de mysteriën van Samothrake, zullen
zich ook herinneren dat de algemene benaming van de kabiren de ‘heilige
vuren’ was, die op zeven plaatsen van het eiland Electris
(of Samothrake) de ‘kabir geboren op het heilige Lemnos’
(het aan Vulcanus gewijde eiland) schiepen.
Volgens Hippolytus was deze kabir, die de naam Adamas droeg, in de
tradities van Lemnos het type van de oorspronkelijke mens, geboren uit
de schoot van de aarde. Hij was in de volgorde van voortbrenging het
archetype van de eerste mannelijke wezens en een van de zeven autochtone
voorouders of voortbrengers van de mensheid.7
Als we dit in verband brengen met het feit dat Samothrake werd gekoloniseerd
door de Feniciërs en vóór hen door de geheimzinnige
Pelasgen die uit het oosten kwamen, en men ook bedenkt dat de mysteriegoden
van de Feniciërs, Chaldeeën en Israëlieten identiek zijn,
dan kan men gemakkelijk ontdekken waar het verwarde verhaal van de zondvloed
van Noach vandaan kwam. De laatste tijd is onweerlegbaar gebleken dat
de joden, die hun oorspronkelijke denkbeelden over de schepping van
Mozes hadden gekregen, die ze weer van de Egyptenaren had, hun Genesis
en eerste kosmogonische overleveringen – toen deze door Ezra en
anderen werden herschreven – hebben samengesteld uit het Chaldeeuws-Akkadische
verhaal. Het is daarom voldoende het Babylonische en Assyrische spijkerschrift
en de andere inscripties te onderzoeken om ook daarin, hier en daar
verspreid, niet alleen de oorspronkelijke betekenis van de naam Adam,
Admi of Adami8 te vinden, maar ook de schepping
van zeven Adams of wortels van mensen, fysiek geboren uit moeder aarde,
en spiritueel of astraal uit het goddelijke vuur van de voorvaderen.
Van de assyriologen, die onbekend waren met de esoterische leringen,
kon men nauwelijks verwachten dat ze meer aandacht zouden besteden aan
het mysterieuze en steeds terugkerende getal zeven op de Babylonische
cilinders, dan toen ze het aantroffen in Genesis en de Bijbel.
En toch staan het getal van de voorvaderlijke geesten en hun zeven groepen
menselijke nakomelingen er, ondanks de vervallen toestand van de fragmenten,
even duidelijk als in Pymander en in het Boek van het verborgen
mysterie van de kabbala. In laatstgenoemde is Adam-Kadmon de sefiroth-boom,
en ook de ‘boom van kennis van goed en kwaad’. En die ‘boom’,
zegt hfst. 5, vers 32, ‘is omringd door zeven zuilen’ of
paleizen van de zeven scheppende engelen die werken in de sferen van
de zeven planeten op onze bol. Evenals Adam-Kadmon is ook de naam van
de mens Adam een verzamelnaam. George Smith zegt in zijn Chaldean
Account of Genesis (blz. 86):
Het woord Adam dat in deze legenden wordt gebruikt
voor de eerste mens is duidelijk geen eigennaam, maar wordt slechts
gebruikt als een benaming voor de mensheid. Adam komt in Genesis
als eigennaam voor, maar wordt in sommige passages beslist alleen
in de betekenis van het Assyrische woord gebruikt.
Verder zijn noch de Chaldeeuwse noch de bijbelse verhalen over de zondvloed
(van Xisuthrus en Noach) gebaseerd op de algemene of zelfs op de Atlantische
zondvloeden, die zijn vastgelegd in de Indiase allegorie van Vaivasvata
Manu. Het zijn de exoterische allegorieën, gebaseerd op de
esoterische mysteriën van Samothrake. Zelfs als de eerste
Chaldeeën de esoterische waarheid kenden die in de puranische legenden
verborgen lag, waren de andere volkeren zich slechts bewust van het
mysterie van Samothrake, en allegoriseerden het. Ze pasten het aan aan
hun astronomische en antropologische of beter gezegd fallische begrippen.
Het is uit de geschiedenis bekend dat Samothrake in de oudheid
beroemd was wegens een zondvloed die het land overstroomde en die de
toppen van de hoogste bergen bereikte; een gebeurtenis die plaatsvond
vóór de tijd van de Argonauten. Het eiland werd plotseling
overstroomd door de wateren van de Zwarte Zee, die tot die tijd als
een meer werd beschouwd.9 Maar de Israëlieten
hadden nog een andere legende waarop ze hun allegorie baseerden: de
‘zondvloed’ die de tegenwoordige Gobiwoestijn ongeveer 10.000
of 12.000 jaar geleden voor de laatste keer in een zee veranderde,
en die veel Noachs en hun gezinnen naar de omliggende bergen dreef.
Doordat de Babylonische verslagen pas nu uit honderdduizenden stukjes
zijn gereconstrueerd (de heuvel Kouyunjik alleen al heeft bij
de opgravingen van Layard meer dan 20.000 fragmenten van inscripties
opgeleverd), zijn de hier aangevoerde bewijzen betrekkelijk schaars;
maar de bewijzen die we hebben, bevestigen bijna al onze leringen, in
ieder geval tenminste drie. Deze zijn:
(1) Dat het ras dat zich het eerst ging voortplanten, een donker
ras was (Zalmat qaqadi) dat men de Adami of het donkere
ras noemt, en dat Sarku of het lichte ras nog lange tijd daarna
zuiver bleef.
(2) Dat de Babyloniërs in de tijd van de val twee hoofdrassen
kenden, terwijl het ras van de goden (de etherische dubbels van
de pitri’s) daaraan was voorafgegaan. Dit is de mening van
Sir H. Rawlinson. Deze ‘rassen’ zijn ons tweede en derde
wortelras.
(3) Dat deze zeven goden, die ieder een mens of een groep
mensen hebben geschapen, ‘de gekerkerde of geïncarneerde
goden waren’. Deze goden waren: de god Zi; de god Ziku
(edel leven, bestuurder van de zuiverheid); de god Mirku (edele
kroon), ‘verlosser van de dood van de [later gekerkerde] goden’
en schepper van ‘het donkere ras dat door zijn hand is gemaakt’;
de god Libzu ‘wijs onder de goden’; de god Nissi;
de god Suhhab; en Hea of Sa, hun synthese,
de god van de wijsheid en van de diepte, in de tijd van de val vereenzelvigd
met Oannes-Dagon, en (collectief) de demiurg of de schepper genoemd.10
Er zijn in de Babylonische fragmenten twee zogenaamde ‘scheppingen’,
en omdat Genesis zich hieraan heeft gehouden, worden de eerste
twee hoofdstukken onderscheiden als de elohistische en de jehovistische
schepping. Hun juiste volgorde is echter niet in deze fragmenten of
in enig ander exoterisch verslag bewaard gebleven. Deze ‘scheppingen’
hebben volgens de occulte leringen respectievelijk betrekking op de
vorming van de oorspronkelijke zeven mensen door de voorvaderen
(de pitri’s of elohim), en op die van de menselijke groepen na
de val.
Dit alles zal hierna worden onderzocht in het licht van de wetenschap
en van vergelijkingen tussen de geschriften van alle oude volkeren,
waaronder de Bijbel. Intussen kan het nuttig zijn, vóór
we ons gaan bezighouden met het ontstaan van de prehistorische
mensenrassen, het eens te worden over de namen van de continenten waarop
de vier grote rassen die aan ons ras van Adam voorafgingen,
werden geboren, leefden en stierven. Hun archaïsche en esoterische
namen waren talrijk en varieerden met de taal van het volk dat ze in
zijn annalen en geschriften noemde. Wat bijvoorbeeld in de Vendidad
wordt vermeld als Airyanem Vaego11, waarin
de oorspronkelijke Zoroaster12 werd geboren,
wordt in de puranische literatuur ‘Svetadvipa’, de ‘berg
Meru’, de verblijfplaats van Vishnu, enz., genoemd; in de geheime
leer heet het eenvoudig het land van de ‘goden’, onder hun
leiders, de ‘geesten van deze planeet’.
Met het oog op de mogelijke en zelfs heel waarschijnlijke verwarring
die zou kunnen ontstaan, vinden we het gemakkelijker om voor elk van
de vier telkens weer genoemde continenten een naam aan te nemen die
bij de ontwikkelde lezer beter bekend is. We stellen daarom voor het
eerste continent, of beter gezegd de eerste vaste grond waarop het eerste
ras door de goddelijke voorouders werd ontwikkeld, te noemen:
1. ‘Het Onvergankelijke Heilige Land’.
Voor de keuze van deze naam bestaan de volgende redenen: dit ‘Heilige
Land’ – waarover later meer – heeft, zoals wordt gezegd,
nooit het lot van de andere continenten gedeeld, omdat dit het enige
is dat is bestemd om van het begin tot het einde van het manvantara,
door alle ronden heen te blijven bestaan. Het is de bakermat van de
eerste mens en de woonplaats van de laatste goddelijke sterveling,
die is gekozen als een sishta voor het toekomstige zaad van
de mensheid. Over dit mysterieuze en heilige land kan heel weinig worden
gezegd, behalve misschien dat, volgens een dichterlijke uitdrukking
in een van de toelichtingen, de ‘poolster er een wakend oog op
houdt van de dageraad tot het einde van de schemering van ‘een
dag’ van de grote adem’13.
2. Het ‘land van de hyperboreeërs’
is de naam die wordt gekozen voor het tweede continent, het land dat
zijn voorgebergten zuidwaarts en westwaarts van de noordpool uitstrekte
om het tweede ras te ontvangen, en dat alles omvatte wat nu bekend is
als het noorden van Azië. Dit was de naam die door de oudste Grieken
was gegeven aan het verafgelegen en mysterieuze gebied waarheen volgens
hun traditie Apollo de ‘Hyperboreeër’ elk jaar reisde.
Astronomisch is Apollo natuurlijk de zon, die jaarlijks zijn
Helleense heiligdommen verliet, omdat hij ervan hield zijn verafgelegen
land te bezoeken waar, zoals men zei, de zon een half jaar niet onderging.
Ἐγγὺϛ γὰρ νυκτοϛ
τε καὶ ἤματοϛ
εἰσι κέλευθοι,
zegt een vers in de Odyssee (10:86).
Maar historisch, of misschien beter etnologisch en geologisch,
is de betekenis anders. Het land van de Hyperboreeërs, de streek
die zich uitstrekte voorbij Boreas, de koelbloedige god van sneeuw en
orkanen, die ervan hield zwaar te slapen op de ketenen van de berg Riphaeus,
was geen denkbeeldig land zoals de mythologen vermoeden, en ook geen
land in de nabijheid van Scythië en de Donau.14
Het was een werkelijk continent, een bona fide land dat in
die vroege tijd geen winter kende, en waarvan de armzalige overblijfselen
zelfs nu per jaar niet meer dan één nacht en één
dag hebben. De nachtelijke schaduwen vallen nooit op dit land, zeiden
de Grieken; want het is het land van de goden, de favoriete
verblijfplaats van Apollo, de god van het licht, en de bewoners ervan
zijn zijn geliefde priesters en dienaren. Dit wordt nu misschien als
dichterlijke fictie beschouwd; maar het was toen dichterlijke
waarheid.
3. We stellen voor het derde continent ‘Lemurië’ te
noemen. De naam is uitgevonden of bedacht door P.L. Sclater, die tussen
1850 en 1860 op zoölogische gronden beweerde dat er in de prehistorie
werkelijk een continent had bestaan dat, zoals hij aantoonde, zich uitstrekte
van Madagascar tot Ceylon en Sumatra. Het omvatte enkele delen van het
huidige Afrika; maar overigens is dit gigantische continent, dat een
aardoppervlak van de Indische Oceaan tot Australië besloeg, nu
geheel verdwenen onder het water van de Grote Oceaan, waarbij hier en
daar slechts enkele bergtoppen zijn achtergelaten, die nu eilanden zijn.
A.R. Wallace, de natuurkenner, ‘laat het Australië van het
tertiair zich uitstrekken tot Nieuw-Guinea en de Salomonseilanden, en
misschien tot Fiji’; en uit de daar aanwezige met het buideldier
verwante soorten leidt hij ‘een verband af met het noordelijke
continent tijdens het secundair’, schrijft C. Gould.15
Dit onderwerp wordt elders uitvoerig behandeld.16
4. ‘Atlantis’ is het vierde continent. Het zou het eerste
historische land zijn, als de tradities van de Ouden meer aandacht hadden
gekregen dan tot nu toe. Het beroemde eiland van Plato dat die naam
had, was slechts een stuk van dit grote continent.17
5. Het vijfde continent was Amerika, maar omdat het het land van de
tegenvoeters is, worden Europa en Klein-Azië, die bijna even oud
zijn, gewoonlijk door de Indo-Europese occultisten het vijfde genoemd.
Indien hun leer het verschijnen van de continenten in hun geologische
en geografische volgorde zou geven, zou deze rangschikking moeten worden
veranderd. Maar omdat men de opeenvolging van de continenten laat verlopen
volgens de evolutie van de rassen, van het eerste tot het vijfde, ons
Indo-Europese wortelras, moet Europa het vijfde grote continent worden
genoemd. De geheime leer houdt geen rekening met eilanden en schiereilanden,
en volgt ook niet de tegenwoordige geografische verdeling van land en
zee. Sinds de tijd van haar vroegste leringen en de vernietiging van
het grote Atlantis is het gezicht van de aarde meer dan eens veranderd.
Er was een tijd dat de delta van Egypte en Noord-Afrika tot Europa behoorden,
vóór de vorming van de Straat van Gibraltar en een verder
oprijzen van het continent het uiterlijk van de kaart van Europa volkomen
veranderden. De meest recente belangrijke verandering vond ongeveer
12.000 jaar geleden plaats18, en werd gevolgd
door de overstroming van Plato’s kleine Atlantische eiland, dat
hij naar het moedercontinent Atlantis noemt. De geografie was in de
oudheid een onderdeel van de mysteriën. De Zohar (3:10a)
zegt: ‘Deze geheimen [van land en zee] werden onthuld aan
de mensen van de geheime wetenschap, maar niet aan de geografen.’
De bewering dat de fysieke mens oorspronkelijk een kolossale vóór-tertiaire
reus was en dat hij 18.000.000 jaar geleden bestond, moet aan de bewonderaars
en aanhangers van de hedendaagse wetenschap natuurlijk belachelijk toeschijnen.
Het hele posse comitatus van biologen zal zich afkeren van
het denkbeeld van deze titan van het derde ras uit het secundair, een
wezen dat geschikt was om met evenveel succes te strijden tegen de gigantische
monsters van de lucht, de zee en het land van die tijd, omdat hij evenals
zijn voorvaderen – het etherische oertype van de Atlantiër
– weinig angst hoefde te hebben voor wat hem niet kon deren. De
hedendaagse antropoloog mag gerust lachen om onze titanen, evenals hij
lacht om de bijbelse Adam, en de theologen lachen om zijn aapachtige
voorvader. De occultisten en hun strenge critici vinden nu misschien
dat ze hun onderlinge rekeningen vrijwel hebben vereffend. De occulte
wetenschappen beweren in elk geval minder en bieden meer dan zowel de
darwinistische antropologie als de bijbelse theologie.
De esoterische chronologie hoeft ook niemand af te schrikken; want
als het om getallen gaat, zijn de grootste autoriteiten van deze tijd
even wispelturig en onzeker als de golven van de Middellandse Zee. Alleen
al op het punt van de duur van de geologische tijdperken zijn de geleerden
van de Royal Society allemaal hopeloos de kluts kwijt, en springen met
het grootste gemak van 1.000.000 op 500.000.000 jaar, zoals we bij deze
vergelijking meer dan eens zullen zien.
Neem voor dit doel één voorbeeld – de berekeningen
van Croll. Of er nu, zoals deze autoriteit zegt, 2.500.000 jaar zijn
voorbijgegaan sinds het begin van het tertiair of het eoceen, zoals
een Amerikaanse geoloog hem laat zeggen,19
dan wel of Croll ‘15.000.000 jaar laat verlopen sinds het begin
van het eoceen’, zoals een Engelse geoloog20
hem citeert, deze beide getallen dekken de uitspraken van de geheime
leer.21 Want die rekent vier tot vijf miljoen
jaar tussen het begin en het einde van de evolutie van het vierde wortelras
op de Lemurisch-Atlantische continenten; 1.000.000 jaar voor het vijfde
of Indo-Europese ras tot nu toe; en ongeveer 850.000 jaar na het overstromen
van het laatste grote schiereiland van het grote Atlantis – en
dit alles kan dus gemakkelijk hebben plaatsgevonden in de 15.000.000
jaar die Croll aan het tertiair toekent. Maar chronologisch
gezien is de duur van het tijdperk van secundair belang, omdat we tenslotte
bepaalde Amerikaanse wetenschappers hebben om op terug te vallen. Deze
heren, niet onder de indruk van het feit dat hun beweringen niet alleen
twijfelachtig maar ook absurd worden genoemd, beweren dat de mens al
in het secundair bestond. Ze hebben in gesteenten van die formatie menselijke
voetsporen gevonden, en bovendien vindt De Quatrefages geen enkele geldige
wetenschappelijke reden waarom de mens niet in het secundair
zou hebben bestaan.
De ‘tijdperken’ en perioden in de geologie zijn nuchter
beschouwd zuiver conventionele termen, omdat ze nog maar nauwelijks
zijn afgebakend, en omdat bovendien geen twee geologen of biologen het
met elkaar eens zijn over de duur ervan. De geleerde broederschap biedt
de occultisten dus een ruime keuze aan. Zullen we ter ondersteuning
van ons standpunt T. Mellard Reade nemen? In een lezing, ‘Kalksteen
als maatstaf bij de geologische tijdsbepaling’, in 1878 gehouden
voor de Royal Society, beweert deze heer dat de minimale tijd
die nodig is voor de vorming van de sedimentlagen en de verwijdering
van de kalkhoudende stof, in ronde getallen 600 miljoen jaar bedraagt.22
Of zullen we voor onze chronologie steun zoeken bij de boeken van Darwin,
waarin hij volgens zijn theorie voor de organische transformaties 300
tot 500 miljoen jaar nodig acht? Sir C. Lyell en prof. Houghton waren
tevreden met het stellen van het begin van het cambrium op respectievelijk
200 en 240 miljoen jaar geleden. Geologen en zoölogen eisen de
maximale tijd op, hoewel Huxley eens het begin van de vorming van de
aardkorst stelde op 1000 miljoen jaar geleden, en hiervan geen millennium
wilde afwijken.
Maar de hoofdzaak voor ons is niet de al of niet aanwezige overeenstemming
tussen de biologen over de duur van de geologische tijdperken, maar
veeleer hun volkomen eensgezindheid (een wonder!) over één
heel belangrijk punt. Ze zijn het allen erover eens dat Groenland en
zelfs Spitsbergen, de overblijfselen van ons tweede continent, dat van
de Hyperboreeërs, tijdens ‘het mioceen’ – of
dit nu één of tien miljoen jaar geleden was – ‘een
bijna tropisch klimaat hadden’. De vóór-homerische
Grieken hadden een levendige traditie bewaard over dit ‘land van
de eeuwige zon’, waarheen hun Apollo ieder jaar reisde. ‘Tijdens
het mioceen ontwikkelde zich in Groenland (op 70° NB) een overvloed
van bomen, zoals de taxis, de redwood, de sequoia, verwant aan de Californische
soorten, beuken, platanen, wilgen, eiken, populieren en notenbomen,
en ook een magnolia en een zamia’, zegt de wetenschap;23
kortom, Groenland had zuidelijke planten die in noordelijke streken
onbekend zijn.
Nu rijst vanzelf de volgende vraag. Als de Grieken in de tijd van Homerus
op de hoogte waren van een land van de Hyperboreeërs, d.w.z. een
gezegend land buiten het bereik van Boreas, de god van de winter en
de orkaan, een ideaal gebied dat de latere Grieken en hun klassieke
schrijvers tevergeefs hebben gezocht voorbij Scythië, een land
waar de nachten kort waren en de dagen lang, en daarachter nog een land,
waar de zon nooit onderging en de palm welig groeide – als ze
dit alles wisten, wie heeft dit dan aan hen verteld? In hun tijd en
eeuwenlang daarvóór moet Groenland beslist al bedekt zijn
geweest met eeuwige sneeuw en met nooit smeltend ijs, evenals nu. Alles
wijst erop dat het land van de korte nachten en de lange dagen Noorwegen
of Scandinavië was, waarachter het gezegende land van
het eeuwige licht en de eeuwige zomer lag; en om dit te kunnen weten,
moeten de Grieken hun traditie hebben ontleend aan een volk dat ouder
was dan zijzelf en dat bekend was met die klimatologische bijzonderheden
waarvan de Grieken zelf niets konden weten. Zelfs in onze tijd vermoedt
de wetenschap dat er achter de poolzeeën, in de omgeving van de
noordpoolcirkel, een zee bestaat die nooit bevriest en een continent
dat altijd groen is. De archaïsche leringen en ook de Purana’s
bevatten – voor wie de allegorieën van laatstgenoemde begrijpt
– dezelfde beweringen. Voor ons is het voldoende dat het heel
waarschijnlijk is dat er een volk, dat nu onbekend is aan de geschiedenis,
leefde tijdens het mioceen van de moderne wetenschap, toen Groenland
een bijna tropisch land was.
Opmerking. De lezer wordt verzocht te
bedenken dat de eerste en de volgende afdelingen van dit deel niet precies
in tijdsvolgorde staan. In de eerste afdeling worden de stanza’s
gegeven die het ‘geraamte’ van de uiteenzetting vormen,
en worden bepaalde belangrijke punten toegelicht en verklaard. In de
volgende afdelingen zijn verschillende aanvullende bijzonderheden bijeengebracht,
en wordt geprobeerd een vollediger verklaring van het onderwerp te geven.
Noten
- Zie Genesis 2:19. Adam wordt gevormd in vers
7, en in vers 19 wordt gezegd: ‘Uit de aarde vormde
de Heer God alle dieren van het veld en alle vogels van de lucht;
en hij bracht ze naar Adam om te zien hoe hij ze zou noemen.’
De mens werd dus geschapen vóór de dieren,
want de dieren die in hoofdstuk 1 worden genoemd, zijn de tekens van
de dierenriem, terwijl de mens ‘man en vrouw’ niet de
mens is, maar de menigte van de sefiroth; krachten of engelen,
‘gemaakt naar zijn [Gods] beeld en gelijkenis’. Adam,
de mens, is niet naar die gelijkenis gemaakt, en dit wordt in de Bijbel
ook niet beweerd. Bovendien is de tweede Adam esoterisch een
zevenvoud dat zeven mensen of beter gezegd mensengroepen voorstelt.
Want de eerste Adam – de Kadmon – is de synthese van de
tien sefiroth. De bovenste triade hiervan blijft in de archetypische
wereld als de toekomstige ‘drie-eenheid’, terwijl de zeven
lagere sefiroth de gemanifesteerde stoffelijke wereld scheppen, en
dit zevenvoud is de tweede Adam. Genesis en de mysteriën
waarop dit boek berustte, waren afkomstig uit Egypte. De ‘God’
van het eerste hoofdstuk van Genesis is de logos,
en de ‘Heer God’ van het tweede hoofdstuk is de scheppende
elohim – de lagere machten.
- Zo zegt Pymander: ‘Dit is het mysterie dat tot
nu toe verborgen was. De natuur, vermengd met de hemelse mens [elohim
of dhyani’s], bracht een wonder voort . . . zeven mensen,
allen man en vrouw [hermafrodiet] . . . overeenkomstig de natuur van
de zeven bestuurders’ (boek 2, v. 29) – of de zeven menigten
van de pitri’s of elohim, die hem uitstraalden of schiepen.
Dit is heel duidelijk, maar zie niettemin de interpretaties van zelfs
onze moderne theologen, mensen die geacht worden geleerd en belezen
te zijn! In de Theological and Philosophical Works of Hermes Trismegistus,
Christian [?] Neoplatonist (blz. 9), een boek dat is samengesteld
door John David Chambers van Oriel College, Oxford, vraagt de vertaler
zich af ‘wat de bedoeling is van deze zeven mensen’.
Hij lost de moeilijkheid op door te concluderen dat, omdat ‘de
oorspronkelijke modelmens [Adam-Kadmon van hfst. 1 van Genesis]
mannelijk-vrouwelijk was, de zeven misschien de opeenvolgende patriarchen
betekenen, die in Genesis worden genoemd’. Een wel
erg theologische manier om de Gordiaanse knoop door te hakken!
- George Smith, The Chaldean Account of Genesis,
1876, blz. 103.
- Dr. A.H. Sayce, Hibbert Lectures, 1887, blz.
372-3; A. Franck, La Kabbale, blz. 205; Sifrah Dzeniouta,
eerste alinea’s.
- Sayce, Op.cit., blz. 313.
- Er wordt nu beweerd dat de Chaldeeuwse kleitabletten,
die de allegorische beschrijving geven van de schepping, de val en
de zondvloed, en zelfs van de legende van de toren van Babel, ‘vóór
de tijd van Mozes’ werden geschreven (zie G. Smith, The
Chaldean Account of Genesis, blz. 86). Maar hoe kan men de Pentateuch
dan een openbaring noemen? Het is alleen maar een andere
versie van hetzelfde verhaal.
- Philosophumena, boek 1, hfst. 7, editie van
Miller, Oxford, 1851, blz. 98, 108.
- Zie ‘Adam-Adami’ in afd. 2 van dit boek.
- Zie Plinius, Naturalis historia, boek 4,
hfst. 12, §73-5; Strabo, Geogr., boek 10, hfst. 2, §17-9;
boek 1, hfst. 3, §4; Herodotus, Historiën, boek
7, §108, 129; Pausanias, Reisverhalen, boek 7, hfst.
4.
- G. Smith, The Chaldean Account of Genesis,
blz. 82.
- Vendidad, farg. I, 3.
- Met ‘oorspronkelijk’ bedoelen we de ‘Amshaspend’,
genaamd ‘Zarathoestra, de heer en heerser van de Vara, door
Yima in dat land gemaakt’. Er waren verschillende Zarathoestra’s
of Zertusts – alleen al de Dabistan noemt er 13 –
maar deze waren allen reïncarnaties van de eerste. De meest recente
Zoroaster was de stichter van de vuurtempel van Azareksh en de schrijver
van de boeken over de oorspronkelijke heilige magische religie die
door Alexander werden vernietigd.
- In India ‘de dag van Brahma’ genoemd.
- Zie K.H.W. Völcker, Mythische Geographie
der Griechen und Römer, 1832, blz. 145-70.
- Mythical Monsters, blz. 47
- Er moet echter worden opmerkt dat Wallace het denkbeeld
van Sclater niet aanvaardt en het zelfs bestrijdt. Sclater gaat uit
van een land of continent dat vroeger Afrika, Madagascar en India
(maar niet Australië en India) verbond; en A.R. Wallace toont
in zijn Geographical Distribution of Animals (blz. 59ev)
en Island Life aan dat de hypothese van het bestaan van zo’n
land door de aangevoerde zoölogische argumenten volstrekt niet
wordt ondersteund. Maar hij geeft toe dat India en Australië
ongetwijfeld dichter bij elkaar hebben gelegen, in een tijd die zover
in het verleden ligt dat deze ‘ongetwijfeld vóór-tertiair’
was, en hij voegt er in een persoonlijke brief aan toe dat ‘aan
dit veronderstelde land geen naam is gegeven’. Toch bestond
dit land, en het was natuurlijk vóór-tertiair,
want ‘Lemurië’ (wanneer we deze naam voor het derde
continent aanvaarden) was al ondergegaan vóór Atlantis
zich volledig had ontwikkeld; en dit laatste verzonk, en zijn voornaamste
delen waren verdwenen vóór het einde van het mioceen.
- Esoteric Buddhism, hfst 4, 5de ed., blz.
70.
- Nóg een ‘samenloop van omstandigheden’:
‘Het is nu bewezen dat in een geologisch niet ver verleden dit
gebied van Noord-Afrika in feite een schiereiland van Spanje was,
en dat de verbinding ervan met [het eigenlijke] Afrika in het noorden
tot stand was gekomen door de doorbraak van Gibraltar, en in het zuiden
door een oprijzen van de bodem waaraan de Sahara zijn bestaan
dankt. De kusten van deze vroegere Sahara-zee worden nog altijd
gekenmerkt door de schelpen van dezelfde slakken die leven langs de
kust van de Middellandse Zee.’ (Prof. Oscar Schmidt, Doctrine
of Descent and Darwinism, blz. 244.)
- A. Winchell, professor in de geologie, World-Life,
blz. 369.
- Charles Gould, voorheen geologisch onderzoeker van
Tasmanië, in Mythical Monsters, blz. 84.
- Sir Charles Lyell, aan wie de ‘gelukkige
vondst wordt toegeschreven van de termen eoceen, mioceen en plioceen’
voor de drie onderdelen van het tertiair, had eigenlijk de leeftijd
van zijn ‘geesteskinderen’ bij benadering moeten vaststellen.
Maar omdat hij de duur van deze tijdperken heeft overgelaten aan de
gissingen van specialisten, ontstond door die gelukkige gedachte de
grootste verwarring en verbijstering. Het lijkt een hopeloze taak
om een stel getallen uit het ene boek te citeren, zonder gevaar te
lopen dat dit door dezelfde schrijver in een vroeger of later deel
wordt tegengesproken. Sir W. Thomson, een van de meest vooraanstaande
hedendaagse autoriteiten, is over de ouderdom van de zon en de tijd
van de verharding van de aardkorst ongeveer een half dozijn keer van
mening veranderd. In Natural Philosophy van Thomson en Tait
wordt slechts 10.000.000 jaar gegeven voor de tijd sinds de temperatuur
van de aarde het verschijnen van plantenleven daarop toeliet (App.
D e.v., zie ook Transactions of the Royal Society of Edinburgh,
deel 23, afd. 1, 157, 1862, waar §847 wordt herroepen). Volgens
Darwin was de schatting van Sir W. Thomson ‘een minimum van
98 en een maximum van 200 miljoen jaar sinds de verharding van de
aardkorst’ (zie Ch. Gould). In hetzelfde boek (Nat. Phil.)
wordt 80 miljoen jaar gegeven voor de duur van de beginnende verharding
tot de tegenwoordige toestand van de wereld. En zoals al eerder is
meegedeeld, verklaart Sir W. Thomson in zijn laatste lezing (1887)
dat de zon niet ouder is dan 15 miljoen jaar! Intussen noemt Croll,
die zijn argumenten over de grenzen van de duur van de zonnewarmte
baseert op cijfers die vroeger door Sir W. Thomson zijn vastgesteld,
60 miljoen jaar voor de tijd vanaf het begin van het cambrium. Dit
geeft de liefhebbers van de exacte wetenschap hoop. Welke
getallen ook door de occulte wetenschap worden gegeven, het staat
vast dat ze worden bevestigd door een van de hedendaagse wetenschappers
die als autoriteit worden beschouwd.
- Proceedings of the Royal Society, Londen,
deel 28, blz. 282.
- Gould, Op.cit., blz. 91.