De hedendaagse wetenschap houdt vast aan de evolutieleer; dat doen
ook het gezonde verstand en de ‘geheime leer’, en het
denkbeeld wordt bevestigd door de legenden en mythen van de oudheid,
en zelfs door de Bijbel, wanneer men daarin tussen de regels
door leest. We zien een bloem zich langzaam ontwikkelen uit een
knop, en de knop uit het zaadje. Maar waar komt het zaadje vandaan
met zijn vooraf vaststaande programma van fysieke transformatie
en zijn onzichtbare en dus spirituele krachten die geleidelijk
zijn vorm, kleur en geur laten ontstaan? Het woord evolutie
spreekt voor zich. De kiem van de tegenwoordige mensheid moet eerder
hebben bestaan in de voorloper van dit ras, evenals het zaadje –
waarin de bloem van de volgende zomer verborgen ligt – tot
ontwikkeling kwam in de zaaddoos van zijn moederbloem; al is deze
laatste misschien maar weinig verschillend, toch verschilt
ze van haar toekomstige nageslacht. De antediluviale voorouders
van de tegenwoordige olifant en hagedis waren misschien de mammoet
en de plesiosaurus; waarom zouden dan niet de voorvaderen van onze
mensheid de ‘reuzen’ van de Veda’s,
de Völuspá en Genesis zijn geweest?
Terwijl het bepaald absurd is te geloven dat de ‘vormverandering
van de soorten’ plaatsvond overeenkomstig enkele van de meer
materialistische opvattingen van de evolutionisten, is het alleen
maar natuurlijk te denken dat elke soort, van weekdieren tot de
aapmens, haar eigen oorspronkelijke, kenmerkende vorm heeft gewijzigd.
– Isis Ontsluierd
1:152-3 (Engelse uitgave)