Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Reïncarnatie

[The Path, augustus 1888, blz. 163-4]

Sommige bezwaren die vaak tegen reïncarnatie worden gemaakt, en die degenen die ze maken heel ernstig toeschijnen, komen voort uit het emotionele deel van onze natuur. Ze zeggen: ‘We willen in een ander leven niet iemand anders zijn; hoe kunnen we onze vrienden en onze dierbaren herkennen als zij en wij dan een andere persoonlijkheid hebben? De diepe banden van genegenheid die we hier vormen, zijn zo sterk dat geluk onmogelijk lijkt zonder hen die we liefhebben.’

Het is zinloos te antwoorden dat, als reïncarnatie een wet is, het geen verschil kan of zal maken wat we al of niet aangenaam vinden. Zolang iemand geleid wordt door sympathieën of antipathieën zullen logische argumenten zijn bezwaren niet wegnemen en, door koeltjes te beweren dat de geliefde voorwerpen van onze genegenheid bij de dood voor altijd buiten ons bereik komen te liggen, wordt het denken niet gerustgesteld en evenmin wordt daarmee een strikt nauwkeurige uitspraak gedaan. Een van de vormen van ellende van ons voorwaardelijke bestaan is dat we waarschijnlijk die mensen aan wie we ons met hart en ziel verbinden, voor altijd moeten verliezen. Om aan dit bezwaar van de onvermijdelijke dood tegemoet te komen, hebben de christelijke kerken hun hemel bedacht waarin hereniging mogelijk is op één voorwaarde, namelijk het aannemen van het dogma over de verlosser. Geen van hun gelovigen schijnt te bedenken dat, omdat velen die nauwe banden met ons hebben niet aan de vereiste voorwaarde voldoen of in de toekomst zullen voldoen, geluk in die hemel niet mogelijk zal zijn als we ons voortdurend ervan bewust zijn dat die ongelovigen in de hel moeten lijden; want als onze herinnering sterk genoeg is om de gelovige vrienden te kunnen herkennen, dan zullen we de anderen niet kunnen vergeten. Dat bezwaar wordt dus groter dan ooit.

We moeten ons afvragen wat die vormen van liefde inhouden. Ze zijn hetzij (a) liefde alleen voor het fysieke lichaam, of (b) voor de daarin wonende ziel. Natuurlijk is het voor ons in het eerste geval, omdat het lichaam bij de dood uiteenvalt, noch mogelijk noch wenselijk – tenzij we grove materialisten zijn – dat lichaam in het volgende leven te zien. En persoonlijkheid hoort uitsluitend bij het lichaam. Als de ziel die we liefhebben een ander fysiek lichaam bewoont, zullen we, wanneer we opnieuw zijn geïncarneerd, diezelfde ziel in haar nieuwe omhulsel ontmoeten; dit aspect van de wet van reïncarnatie wordt niet vaak vermeld of besproken. We kunnen die ziel echter niet altijd herkennen. Maar de herkenning of herinnering van hen die we eerder hebben gekend, is juist een van de doelstellingen van onze studie en training. Niet alleen is dit de wet zoals die in oude boeken wordt gevonden, maar het werd in de geschiedenis van de Theosophical Society nadrukkelijk gezegd in een brief die enkele jaren geleden door een adept aan enkele Londense theosofen werd gericht. Daarin vroeg hij of ze dachten dat ze als geïncarneerde wezens voor de eerste keer samen waren. Hij verklaarde dat dit niet zo was, en verkondigde de regel dat de werkelijke verwantschap van hun zielenleven hen op aarde bijeenbracht.

Het zou noch rechtvaardig noch nodig zijn tegen onze wil te moeten omgaan met hen die beweren in een vorig leven onze moeder, vader, broer, zoon of vrouw te zijn geweest. Die betrekkingen als zodanig zijn slechts uit fysieke banden gegroeid, en gelijksoortige zielen, die elkaar werkelijk liefhebben, en ook die welke haat koesteren, worden in sterfelijke lichamen bij elkaar gebracht, nu eens als vader, dan weer als zoon of in een andere betrekking.

Zo vinden we in de leer van devachan het antwoord. In die bewustzijnstoestand hebben we – alles welbeschouwd en om aan ons verlangen te voldoen – iedereen om ons heen die we op aarde hebben liefgehad; als we dan opnieuw incarneren, zijn we weer samen met die zielen tot wie we van nature worden aangetrokken.

Door overeenkomstig onze hoogste en beste overtuigingen te leven – voor de mensheid en niet voor onszelf – scheppen we de mogelijkheid dat we ten slotte in een leven op aarde die personen zullen herkennen die we liefhebben, en om hen voor altijd te verliezen lijkt een erg somber en onaantrekkelijk vooruitzicht.

 


Theosofische inzichten, blz. 62-3

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag