Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Cyclussen

[The Path, december 1889, blz. 272-81]

Wanneer we hier enkele gedachten over de leer van de cyclussen naar voren brengen, maken we daarbij geen aanspraak op volledigheid. Dit artikel wordt slechts ter overweging aangeboden.

Het onderwerp kwam enkele avonden geleden ter sprake toen we in onze discussie aandacht besteedden aan het op aarde neerdalen, en het weer opstijgen daarvan, van hemelse wezens of vergevorderde zielen. Het schijnt een feit te zijn dat dit opstijgen en neerdalen door cyclische wetten wordt beheerst en daarom op regelmatige tijdstippen plaatsvindt. Hier volgen enkele fragmenten uit de Wijsheid van de Egyptenaren door Synesius1 uit materiaal dat ik van Charles Johnston, die nu in India woont, heb ontvangen:

1Select Works of Plotinus, . . . and Extracts from the Treatise of Synesius On Providence, Engelse vert. Thomas Taylor, Londen 1817, blz. 525ev.

Nadat Osiris door zijn vader in de koninklijke mysteriën was ingewijd, deelden de goden hem mee . . . dat een sterke groep jaloerse en boosaardige demonen bij Typhos waren als zijn beschermheren, met wie Typhos samenspande, en door wie hij naar het licht werd geslingerd, opdat ze hem zouden kunnen gebruiken als een instrument voor het kwaad dat ze de mensheid aandoen. Want de rampen voor de volkeren zijn de feestmaaltijden van de kwade demonen . . .

Toch moet u niet denken dat de goden werkloos toezien of dat hun afdaling naar deze aarde permanent is. Want ze dalen op vastgestelde tijden af, met als doel aan de volkeren van de mensheid een impuls in de goede richting te geven. Dit gebeurt wanneer ze de harmonie in een rijk herstellen en voor dat doel naar de aarde zielen zenden die met henzelf verbonden zijn. Want goddelijk en overvloedig is deze voorzienigheid, die vaak door middel van één mens aandacht schenkt aan en inwerkt op talloze andere mensen.

Want op aarde woont in feite de heilige heldenstam waarvan de leden aandacht schenken aan de mensheid en in staat zijn mensen hulp te bieden zelfs in de kleinste aangelegenheden . . . Deze heldhaftige stam is als het ware een kolonie van de goden, hier gevestigd opdat dit aardse verblijf niet van een hogere natuur verstoken zal zijn. Wanneer echter de stof haar eigen voortbrengsels aanspoort tot oorlog tegen de ziel, dan is de weerstand van deze heldenstammen gering wanneer de goden afwezig zijn, want alles is alleen sterk op de juiste plaats en op het juiste moment . . . Maar wanneer de harmonie waarin de goden bij het begin alle aardse dingen hadden gebracht, door ouderdom afneemt, dalen ze opnieuw naar de aarde af om de harmonie te vestigen, om haar kracht te geven en nieuw leven in te blazen, wanneer ze als het ware op het punt staat geheel verloren te gaan. . . . Wanneer echter de hele orde van aardse zaken, van de grootste tot de kleinste, is aangetast, dan is het nodig dat de goden neerdalen om een nieuwe orde van zaken te vestigen.

En in de Bhagavad Gita zegt Krishna:

Wanneer rechtvaardigheid afneemt, o Bharata. Wanneer er overal verderf heerst, dan daal ik neer, van eeuw tot eeuw, belichaam mij en leef als mens onder de mensen. Ik steun het goede, vernietig het kwaad, en zet de deugdzaamheid weer op haar troon.    – 4:7-8

Bij het aanbreken van de dag van Brahma, die eindigt na 1000 tijdperken, komt al het gemanifesteerde uit het ongemanifesteerde tevoorschijn: bij het vallen van de nacht lost het zich weer in het ongemanifesteerde op. Deze menigte schepsels die op die manier telkens weer tevoorschijn komen, worden bij het naderen van die nacht weer opgelost, en bij het opnieuw aanbreken van de dag worden ze vanzelf opnieuw geëmaneerd.    – 8:17-19

In de bovenstaande citaten worden twee grote aspecten van de cyclische wet genoemd.

Laatstgenoemde heeft betrekking op de grote cyclus die alle andere cyclussen omvat. Alle kleinere cyclussen verlopen binnen deze grote. Als deze begint, luidt hij een nieuwe schepping in, en als hij eindigt is de grote dag aangebroken waarop alles uiteenvalt. In Arnolds vertaling van de Bhagavad Gita wordt het begin van deze grote cyclus prachtig beschreven als ‘deze grootse dageraad’, en het einde ervan geeft hij als volgt weer:

Bij het vallen van deze nacht keert alles wat bestaat terug tot het hart van hem die het tevoorschijn bracht.

Het juiste getal dat het aantal aardse jaren van dit tijdvak aangeeft, wordt niet genoemd. De hindoes verdelen elk manvantara in vier yuga’s of tijdperken, die elk een bepaald aantal jaren zouden duren. Bij het behandelen van dit onderwerp in De sleutel tot de theosofie geeft H.P. Blavatsky ons een aanwijzing:

Neem als een eerste vergelijking en als hulpmiddel tot een beter begrip het zonnejaar; en als tweede, de beide helften van dat jaar, die elk aan de noordpool een dag en een nacht van zes maanden opleveren. Stel u nu in plaats van een zonnejaar van 365 dagen, de eeuwigheid voor, als u dat kunt. Denk dan aan de zon als het heelal, en aan de pooldagen en -nachten van elk 6 maanden, als dagen en nachten die elk 182 biljoen en biljard jaar duren, in plaats van elk 182 dagen. Zoals de zon elke ochtend aan onze objectieve horizon uit zijn (voor ons) subjectieve en antipodische ruimte opstijgt, zo komt het heelal periodiek op het objectieve gebied vanuit het subjectieve tevoorschijn – de tegenhanger van eerstgenoemde. Dat is de ‘levenscyclus’. En evenals de zon aan onze horizon verdwijnt, zo verdwijnt ook het heelal op regelmatige tijden, wanneer de ‘universele nacht’ invalt.    – blz. 77-8

Dit is zo ongeveer de beste voorstelling die we ons ervan kunnen maken. Het menselijk verstand kan zich onmogelijk een beeld vormen van deze perioden. Geen enkel brein is in staat 182 biljoen jaar te omvatten, laat staan als daar nog een paar biljard bijkomen. Weinig mensen, zoal iemand, zijn in staat in hun denken zelfs een miljoen te overzien. Maar we kunnen het denkbeeld benaderen met behulp van de wenk van HPB om het jaar te verdelen in een dag van zes maanden en een nacht van zes maanden en deze dan uit te breiden tot wat voor ons gelijkstaat met een oneindigheid, omdat het onmogelijk is zulke onmetelijke tijdsperioden te begrijpen.

En wanneer we de door haar aangegeven analogie doorvoeren, krijgen we direct een beeld van hoe de grote cyclus alle kleine bevat, door elke dag als we opstaan en elke nacht wanneer we gaan slapen als het begin en het einde van kleinere cyclussen te zien. Die dagen en nachten vormen samen onze jaren en ons leven. We kennen elke dag en kunnen hem berekenen, en kunnen in ons denken vrij goed een jaar of misschien zelfs een leven vooruitkijken.

Een citaat uit Isis ontsluierd (1:83) leert ons de Indiase cijfers. Ze zegt:

De mahakalpa omvat een onnoemelijk aantal perioden, die ver teruggaan in antediluviale tijden. Dit stelsel omvat een kalpa of grote periode van 4.320.000.000 jaar, die als volgt wordt verdeeld in vier kleinere yuga’s:

1.
Satyayuga
1.728.000 jaar
2.
Tretayuga
1.296.000 jaar
3.
Dvaparayuga
864.000 jaar
4.
Kaliyuga
432.000 jaar
Totaal
4.320.000 jaar

die één goddelijke eeuw of mahayuga vormen; 71 mahayuga’s hebben 306.720.000 jaar; daarbij voegt men een samdhya (of de tijd dat dag en nacht aan elkaar grenzen, de ochtend- en de avondschemering), die in duur gelijk is aan een satyayuga van 1.728.000 jaar. Zo komt men tot een manvantara van 308.448.000 jaar. Veertien manvantara’s tellen 4.318.272.000 jaar, waarbij men een samdhya van 1.728.000 jaar moet optellen om de kalpa te beginnen, waardoor de kalpa of grote periode 4.320.000.000 jaar omvat. We zijn nu pas in het kaliyuga van het 28ste tijdperk van het 7de manvantara van 308.448.000 jaar; we hebben dus nog voldoende tijd vóór we zelfs de helft van de tijd hebben bereikt die aan de wereld is toegekend.

Verder zet H.P. Blavatsky duidelijk uiteen dat de andere cyclussen binnen deze grotere verlopen (1:85).

Evenals onze planeet elk jaar eenmaal om de zon draait en tegelijk in elke 24 uur één keer om haar eigen as wentelt en zo kleinere cirkels beschrijft binnen een grotere, zo wordt binnen de grote saros het werk van de kleinere cyclische perioden volbracht en opnieuw begonnen.

We verlaten nu het terrein van de wiskunde en zien dat dit grote tijdperk een weergave is van de nietige mens uitgebreid tot de ontzaglijke afmetingen van een reus, van wie de dood aan het einde van het hem toegemeten tijdperk betekent dat alle bestaande dingen weer oplossen in het absolute. Elk van de jaren van dit grote wezen omvat een voor ons onbegrijpelijk aantal van onze jaren. Op elke dag van zijn jaar vindt er onder de mensen een kleine ramp plaats, want aan het einde van elk van zijn dagen valt hij metaforisch in slaap. En wij die dit wezen als het ware navolgen, vallen ’s nachts na onze dagelijkse periode van activiteit in slaap.

We zijn als kleinere cellen in het grote lichaam van dit wezen en moeten gehoorzaam gevolg geven aan de impulsen en bewegingen van het lichaam waarin we besloten liggen en waarvan we deel uitmaken.

Deze reus maakt een kindertijd door, een jeugd, een periode van volwassenheid en één van ouderdom; en wanneer voor elke periode het einde aanbreekt, vinden overal op aarde enorme rampen plaats. En evenals onze eigen toekomst voor onze ogen verborgen is, zo is de lengte van de geheime cyclus die de levensduur van dit wezen aangeeft, verborgen voor de ogen van stervelingen.

We moeten echter niet de fout maken om te veronderstellen dat er maar één zo’n groot wezen bestaat. Er zijn er vele, en elk van deze ontwikkelt zich bij het begin van een nieuwe schepping. Maar hier komen we bij een gedeelte van de oude filosofie dat alleen volledig duidelijk wordt voor mensen die het kunnen begrijpen omdat ze veel inwijdingen hebben doorgemaakt.

De samdhya en samdhyansa die in het citaat uit Isis ontsluierd worden genoemd, zijn respectievelijk de ochtend- en avondschemering, die van gelijke lengte zouden zijn en eenzelfde aantal jaren tellen als de eerste of gouden eeuw – namelijk 1.728.000. Dit is volkomen in overeenstemming met onze eigen zonnedag, die tussen dag en nacht eveneens zijn ochtend- en avondschemering heeft.

Als we de getallen van de vier tijdperken bekijken, valt een bijzonderheid op waarnaar ik nu alleen als een curiosum verwijs. Als men de cijfers van het satyayuga 1.7.2.8. optelt krijgt men 18; die van het tretayuga 1.2.9.6. zijn samen 18; die van het dvaparayuga 8.6.4. zijn samen 18; terwijl die van het kaliyuga 4.3.2. samen maar 9 zijn; maar als die van het totaal 4.320.000 worden opgeteld krijgt men 9, en telt men die op bij die van het kali dan krijgt men weer 18. 18 is een getal dat typerend is voor Krishna in de Bhagavad Gita, en het gedicht heeft 18 hoofdstukken. Als men de bovengenoemde drie 18’s en de ene 9 optelt, is het resultaat 63, en 3 x 6 = 18; als 6 en 3 worden opgeteld geeft dat 9, en als de cijfers van 18 worden opgeteld geeft dat ook 9. Als we de drie 18’s vermenigvuldigen dan geeft dat 5.8.3.2., wat – op dezelfde manier behandeld – opnieuw 18 geeft. En tijdens het vermenigvuldigen en optellen ontdekken we het terugkeren van de drie 18’s en de ene 9, maar dan omgekeerd: de eerste 18 vermenigvuldigd met de tweede geeft 3.2.4. die opgeteld 9 geven; 324 vermenigvuldigd met de derde 18 geeft 5.8.3.2. wat opgeteld 18 geeft; en de som van 5832 en 9 (9 is de optelsom van 432 – de cijfers van kaliyuga) is 5.8.4.1. waarvan de cijfers opgeteld weer 18 zijn. Laten we als laatste van deze ogenschijnlijk bizarre bewerkingen de resultaten optellen die we verkrijgen als we de cijfers van elk van de zojuist verkregen getallen vermenigvuldigen:

De eerste cijfers zijn
1 x 8
=
8
De tweede
3 x 2 x 4
=
24
De derde
5 x 8 x 3 x 2
=
240
De vierde
5 x 8 x 4 x 1
=
160
Deze opgeteld geven
 
=
432

en dat zijn de cijfers van het kaliyuga.

Wanneer we ons nu wenden tot Isis ontsluierd (1:84), dan vinden we deze opmerkelijke zin:

Higgins dacht terecht dat de cyclus van 432.000 jaar van het Indiase stelsel de ware sleutel tot de geheime cyclus is.

Maar in de volgende alinea verklaart ze dat die niet mag worden bekendgemaakt. Toch kunnen we enkele aanwijzingen vinden, want we zien dat het getal voor kaliyuga 432.000 is en voor het grote geheel (zonder de samdhya’s) 4.320.000. Het is echter niet aan mij te zeggen wat deze geheime cyclus is. Ik wil slechts de aanwijzingen onder uw aandacht brengen.

Laten we nu, na de leer over de grote cyclus die alle andere omvat vluchtig te hebben bekeken, enige aandacht besteden aan de cyclus waarnaar in de eerder geciteerde fragmenten uit de Egyptische wijsheid wordt verwezen.

Deze cyclus kunnen we voor het huidige doel ‘de cyclus van de neerdalende hemelse invloeden’ noemen. Met ‘neerdalend’ bedoel ik dan op ons neerdalend.

Naar alle waarschijnlijkheid stelt Osiris hier de goede kant van de natuur voor, en zijn broer Typhos de slechte. Beiden moeten samen verschijnen. Typhos wordt in de Egyptische boeken soms de tegenstander genoemd, en is later bij ons bekend als de duivel. Dit optreden van Typhos, tegelijk met Osiris heeft een parallel in de geschiedenis van de Indiase Krishna, die een adept van de Witte Loge was, want op hetzelfde moment regeerde er ook een machtige zwarte magiër, Kansa genaamd, die Krishna uit de weg probeerde te ruimen op dezelfde manier als Typhos samenspande tegen het leven van Osiris. En ook Rama, de grote adept of heersende god in de hindoeleringen, had zijn tegenstander in Ravana, de machtige koning en zwarte magiër.

Toen ze Osiris na de inwijding onderwezen, voorzagen de goden twee vragen die bij hem zouden kunnen opkomen, en die ook wij ons zullen stellen. De eerste is de gedachte dat als de goden bestaan, en ze niet tot voordeel van de mensen en met het doel hen te leiden, in hun midden leven, ze dan noodzakelijkerwijs volkomen werkloos moeten zijn. Deze beschuldiging is geuit tegen de wezens die in de Himalaya zouden wonen en oneindige kennis en macht zouden bezitten. Wanneer ze zoveel weten, zegt het publiek, waarom komen ze dan niet onder ons leven? En omdat ze dat niet doen, moeten ze niets te doen hebben en eeuwig over niets zitten na te denken.

De leraar beantwoordde dit bij voorbaat door aan te tonen hoe deze wezens – die goden worden genoemd – de mensheid leiden door middel van noodzakelijke oorzaken die trapsgewijs naar beneden doordringen. De goden zijn op hun eigen gebied altijd bezig met die dingen die hen aangaan, en deze dingen brengen op hun beurt andere oorzaken in beweging die op aarde passende gevolgen hebben. Ze maken alleen rechtstreeks contact met de aarde wanneer dit noodzakelijk wordt op bepaalde ‘vastgestelde tijden’ nadat de harmonie volledig is verdwenen en al snel door vernietiging zou worden gevolgd wanneer ze niet zou worden hersteld. Dan dalen de goden zelf af. Dit vindt plaats nadat vele kleinere cyclussen zijn doorlopen. Hetzelfde wordt in de Bhagavad Gita gezegd.

Maar vaak is het gedurende de kleine cyclussen nodig om, zoals de Wijsheid van de Egyptenaren zegt, ‘aan de volkeren van de mensheid een impuls in de goede richting te geven’. Hiervoor is minder kracht nodig dan zou moeten worden aangewend indien een hemels wezen naar de aarde zou afdalen, en hier wordt de leer dat de nirmanakaya’s1 en jñani’s invloed op ons uitoefenen gesteund door de volgende woorden in het Egyptische stelsel:

1Voor nirmanakaya’s zie De stem van de stilte en de bijbehorende noten.

Want op aarde woont in feite de heilige heldenstam waarvan de leden aandacht schenken aan de mensheid en in staat zijn mensen hulp te bieden zelfs in de kleinste aangelegenheden.

Deze heldhaftige stam is als het ware een kolonie van de goden, hier gevestigd opdat dit aardse verblijf niet van een hogere natuur verstoken zal zijn.

Deze ‘helden’ zijn niemand anders dan de nirmanakaya’s – adepten van dit of vroegere manvantara’s – die hier verblijven in verschillende toestanden. Sommigen van hen gebruiken helemaal geen lichamen, maar zorgen ervoor dat het spirituele leven onder de mensen in alle delen van de wereld in stand wordt gehouden, en anderen maken in deze wereld gebruik van lichamen. Wie laatstgenoemden zijn kan ik natuurlijk onmogelijk weten, en indien ik het wist, zou het onjuist zijn dat bekend te maken.

En tot deze ‘heilige heldenstam’ moeten nog andere zielen worden gerekend. Dat zijn zij die, hoewel ze nu in lichamen verblijven en onder de mensen leven, in vroegere levens vele occulte inwijdingen hebben doorgemaakt, maar die nu als het ware veroordeeld zijn tot de boetedoening om te leven onder omstandigheden en in lichamen die hen beperken en hen ook gedurende enige tijd hun glorierijke verleden doen vergeten. Maar hun invloed wordt altijd gevoeld, zelfs als zijzelf zich daarvan niet bewust zijn. Want omdat hun hogere natuur werkelijk meer ontwikkeld is dan die van andere mensen, beïnvloedt ze andere zielen ’s nachts of overdag wanneer de omstandigheden gunstig zijn. Het feit dat deze verborgen adepten zich op dit moment niet ervan bewust zijn wat ze werkelijk zijn, heeft alleen te maken met hun herinnering van het verleden; wanneer iemand zich zijn inwijdingen niet kan herinneren, volgt daaruit nog niet dat hij er geen heeft ondergaan. Er zijn echter gevallen waarin we met enige zekerheid kunnen vaststellen dat zulke ingewijden geïncarneerd waren en wat hun namen waren. Neem Thomas Vaughan, Raymond Lully, Sir Thomas More, Jacob Böhme, Paracelsus en anderen zoals zij, onder wie ook enkele rooms-katholieke heiligen. Deze zielen legden getuigenis af van de waarheid, en lieten door de eeuwen heen onder hun eigen volk bewijsmateriaal achter voor hen die volgden, en aanwijzingen om het spirituele licht brandende te houden – gedachtezaden die gereed waren voor de nieuwe mentale bodem. En naast deze historische figuren zijn er talloze nu levende mannen en vrouwen die in vroegere levens op aarde bepaalde inwijdingen hebben doorgemaakt en die op vele gebieden gevolgen teweegbrengen waarvan ze zich totaal niet bewust zijn. Ze zijn in feite oude vrienden van deze ‘heilige heldenstam’, en kunnen daarom gemakkelijker worden gebruikt om invloeden te verspreiden en gevolgen teweeg te brengen die nodig zijn om in deze eeuw van duisternis de spiritualiteit te beschermen. Onze huidige ervaring laat een parallel zien met dit vergeten van vroegere inwijdingen. Bijna ieder van ons heeft in zijn jonge jaren omstandigheden meegemaakt die we helemaal zijn vergeten, maar die sinds die tijd onze gedachten en ons leven merkbaar beïnvloeden. Het enige punt waarover vragen kunnen worden gesteld betreft dus reïncarnatie. Wanneer we in die lering geloven is het niet moeilijk om te erkennen dat velen van ons tot op zekere hoogte kunnen zijn ingewijd en dit misschien tijdelijk zijn vergeten. In verband hiermee vinden we in De geheime leer (2:340-2) enkele veelzeggende woorden:

Wat de beoefenaars van het occultisme echter behoren te weten is dat het ‘der oog’ onverbrekelijk is verbonden met karma. . . . Maar in het geval van de Atlantiërs was het juist het spirituele wezen dat zondigde, omdat het geest-element in die tijd nog steeds het ‘meester’-beginsel in de mens was. Zo kwam het dat in die tijd het zwaarste karma van het vijfde wortelras door onze monaden werd voortgebracht. . . .

Vandaar de bewering dat velen van ons nu de gevolgen uitwerken van de slechte karmische oorzaken die door ons in Atlantische lichamen in het leven werden geroepen.

Elders stelt de schrijfster het tijdstip van de ondergang van de laatste Atlantiërs op niet minder dan 11.000 jaar geleden en beschrijft hen als een volk met een enorm grote kennis en macht. Wanneer we ongeveer 1000 jaar aannemen voor onze periode in devachan dan hebben we sindsdien slechts ongeveer 11 incarnaties doorgemaakt; en wanneer we aannemen dat we nog veel meer incarnaties hebben gehad, zoals ook mijn mening is, dan moeten we wel hebben behoord tot deze prachtige, maar slechte mensen op het hoogtepunt van hun macht. Wanneer we erkennen dat we schuldig waren aan de zondige praktijken van de tijd waarin we toen leefden, en wanneer we de werking van karma kennen, dan moet hieruit wel volgen dat we sindsdien vele zeer onaangename en verschrikkelijke levens hebben doorgemaakt. Levens die hun analogie vinden in vreselijke ervaringen in de jaren tussen jeugd en volwassenheid. Het is dan ook geen wonder dat we uiterlijk tijdelijk zijn vergeten wat we toen hebben geleerd.

Maar al deze historische figuren naar wie ik verwees, leefden in een duistere cyclus die alleen Europa trof. Deze cyclussen strekken zich gelukkig niet over de hele mensheid uit, maar verlopen gedurende de daarvoor bestemde periode onder de volkeren die erdoor worden beïnvloed, terwijl andere volkeren er niet door worden getroffen. Terwijl Europa bijvoorbeeld in het duister verkeerde, was heel India bevolkt door mensen, koningen en burgers die de ware filosofie bezaten, want daar voltrok zich een andere cyclus.

Aldus luidt de wet zoals de hoogste autoriteiten haar formuleerden. Men beweert dat deze cyclussen op geen enkel tijdstip de hele mensheid omvatten. Het is niet mijn bedoeling om in dit artikel jaartallen te geven, want dat vereist een heel zorgvuldig onderzoek van de daden en werken van een groot aantal historische figuren om op basis daarvan de juiste perioden af te leiden.

Velen zijn van mening dat we nu een tijd doormaken waarin de verst gevorderden van de ‘heilige heldenstam’ voorbereidingen treffen voor een nieuwe cyclus, waarin de hulp van een groot aantal gevorderde zielen uit andere gebieden voor de mensheid kan worden verkregen. Dit wordt in Isis ontsluierd duidelijk gezegd.

In 1877 schreef Mw. Blavatsky in Isis ontsluierd (1:90):

Als de tekenen ons niet bedriegen, nadert de dag waarop aan de wereld de bewijzen zullen worden geleverd dat alleen de religies uit de oudheid in harmonie waren met de natuur en dat de wetenschap van de oudheid alles omvatte wat kan worden gekend. Lang bewaarde geheimen zullen dan misschien worden onthuld; lang vergeten boeken en lang verloren kunsten zullen mogelijk weer aan het licht komen; papyrussen en perkamenten van onschatbare betekenis zullen tevoorschijn komen in handen van mensen die beweren dat ze ze van mummies hebben afgerold of toevallig in onderaardse graven hebben ontdekt; er zullen wellicht kleitabletten en pilaren worden opgegraven en geïnterpreteerd, waarvan de gebeeldhouwde openbaringen de theologen zullen verbluffen en de wetenschappers in verwarring zullen brengen. Wie kent de mogelijkheden van de toekomst? Een tijd van ontnuchtering en van herbouw zal binnenkort beginnen – ja, is zelfs al begonnen. De cyclus is bijna volbracht; een nieuwe staat op het punt te beginnen, en de toekomstige bladzijden van de geschiedenis zullen het volledige getuigenis en bewijs kunnen bevatten dat

Als men van de voorouders ook maar iets mag geloven,
Dan hebben neerdalende geesten met de mens gesproken,
En hem geheimen van een onbekende wereld verteld.
     – John Home, Douglas (1756), 5de bedrijf, 1ste toneel

Om het begin van een tijdperk of het einde van een grotere cyclus te weten te komen zonder in de doolhof van cijfers de weg kwijt te raken, kan men het beste de geschiedenis en de huidige toestand van de mensheid beschouwen zoals die ons bekend zijn.

In de duistere middeleeuwen van Europa, bijvoorbeeld, wist men over India bijna niets en over Amerika helemaal niets. Dat was een tijdperk waarin de cyclussen los van elkaar werkten, want de mensen waren van elkaar gescheiden en wisten niets over elkaar. Grote en machtige volkeren heersten op de continenten van zowel Noord- als Zuid-Amerika, maar ze hadden geen contact met Europa of India.

Maar nu is China op de hoogte van het bestaan van Engeland en Amerika en staat met deze landen in contact, en zelfs donker Afrika heeft voortdurend bezoekers uit alle westerse landen en wordt in zekere mate door ons beïnvloed. Ongetwijfeld is in de meeste Afrikaanse steden de blanke in zijn doen en laten een min of meer fabelachtige figuur, maar wij met onze uitgebreide kennis weten dat deze fabels berusten op het feit van onze ontdekkingsreizen daar naartoe.

Wanneer we dus afgaan op de verschijnselen in de betrekkingen tussen mensen, dan kunnen we concluderen dat er nu een grote cyclus eindigt of begint, en dat een aantal kleine cyclussen elkaar naderen.

Tegelijkertijd met deze maatschappelijke en materiële cyclussen zijn er overeenkomstige cyclussen op een hoger gebied. Eén daarvan is gemakkelijk na te gaan. Dat is de invloed van de oosterse metafysica op het westerse denken. De oriëntalisten hebben vele jaren van deze hogere cyclus doorlopen voordat wij onder zijn invloed kwamen. Dat we in zijn greep komen is te danken aan een fysieke cyclus die daartoe het middel was, namelijk die cyclus die tot uitdrukking komt in de vooruitgang van handel, wetenschap en transportmiddelen. Op deze manier is het filosofische stelsel van India en Tibet begonnen ons te beïnvloeden en geen mens kan de verdere ontwikkeling ervan voorzien.

Wanneer men rekening houdt met de spirituele cyclussen die alle zo nauw met karma en reïncarnatie verbonden zijn, dan zou men moeten concluderen dat deze cyclus niet traag of zwak zal zijn. Want wanneer we in Europa en Amerika de reïncarnaties zijn van de Ouden die deze filosofie formuleerden, dan moeten we ongetwijfeld diep worden getroffen wanneer ze in dit leven onder onze aandacht wordt gebracht. En omdat theosofische ideeën in de lucht zitten en er elke dag kinderen opgroeien, is de conclusie onvermijdelijk dat wanneer de nieuwe generatie opgroeit, ze meer vertrouwd zal zijn met theosofische termen en denkbeelden dan wij in onze jeugd. Want tegenwoordig is overal de kans groot dat kinderen ergens komen waar karma, reïncarnatie, boeddhisme, theosofie en al deze ideeën worden genoemd of besproken. 25 jaar later zullen we dan hier in de Verenigde Staten een grote en intelligente groep mensen aantreffen die opnieuw geloven in dezelfde leringen die ze misschien eeuwen geleden hielpen omschrijven en verkondigen.

Waarom zouden we een van de huidige cyclussen dan niet de cyclus van de Theosophical Society noemen? Deze begon in 1875 en heeft, geholpen door andere cyclussen die toen begonnen, al enige kracht kunnen ontwikkelen. Of ze langere tijd zal voortbestaan, hangt af van haar toegewijde leden. Leden die toetreden met het doel om alleen voor eigen gebruik ideeën op te doen, zullen daaraan niet meehelpen. Het gaat bij haar werk niet om grote aantallen, maar oprechte, serieuze, actieve, onbaatzuchtige leden zullen het werk van deze cyclus altijd draaiende houden. De wijsheid van hen die hem op gang brachten wordt duidelijk indien we iets van de betekenis van een cyclische wet beginnen te begrijpen. De Society had beperkt kunnen blijven tot slechts een idee, en men had er geheel van kunnen afzien om er de uiterlijke vorm van een organisatie aan te geven. Ook dan zou men ideeën zoals die welke in onze Society algemeen voorkomen, hebben kunnen horen. Maar hoe? Verminkt en slechts hier en daar naar voren gebracht, zodat ze misschien pas na een halve eeuw in definitieve vorm zouden worden verkondigd. Iemand die wijs is weet wel hoe hij zich moet voorbereiden op een toestroming van spirituele invloed. Hoe kon echter een gewone Russische of Amerikaanse burger weten dat 1875 precies het geschikte jaar was om te beginnen zodat men gereed was voor de naderende toevloed van ideeën die nu goed en wel is begonnen? Volgens mij is het feit dat we in dat jaar met onze organisatie naar buiten traden een duidelijke aanwijzing dat de ‘heldhaftige heldenstam’ een aandeel had in onze oprichting. Laten we ons daarom niet tegen de cyclus verzetten, noch gaan zitten om uit te rusten en ons te beklagen over onze taak. We hebben geen tijd om te rusten. De zwakken, de wanhopigen en de twijfelaars moeten misschien wachten, maar daadkrachtige mannen en vrouwen kunnen niet stilzitten als zo’n kans wordt geboden.

Sta dus op, Atlantiërs, en herstel het kwaad dat u zo lang geleden heeft gedaan!

Wentel, o wiel, wentel en overwin;
Wentel voort in alle eeuwigheid!

 


Theosofische inzichten, blz. 93-104

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag