Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Is karma alleen maar straf?

[The Path, februari 1890, blz. 333-5]

We hebben van H.M.H. de volgende vraag ontvangen:

In The Path van augustus schrijft Hadji Erinn in zijn antwoord op bovenstaande vraag dat ‘zij die over rijkdom beschikken, evenals de gelukkige moeder die ziet dat al haar kinderen worden gerespecteerd en deugdzaam zijn, door karma worden begunstigd’. Ikzelf en anderen met mij vinden dat deze schijnbare gunsten slechts bestraffingen of hindernissen zijn, en anderen denken dat de termen straf en beloning niet moeten worden gebruikt.

Ik ben het met deze opvatting niet eens en ook niet met de gedachte dat straf en beloning termen zijn die we niet moeten gebruiken. Het is gemakkelijk om alles terug te brengen tot een oorspronkelijke basis, en dan te zeggen dat alles het absolute is. Maar dat is alleen de methode van hen die zonder meer bevestigen en ontkennen. Ze zeggen dat kwaad en dood niet bestaan; alles is goed, alles is leven. Dit leidt tot absurde situaties, want we hebben dan geen termen meer om heel duidelijke zaken en toestanden mee aan te duiden. We kunnen evengoed zeggen dat goud noch ijzer bestaat omdat beide stof zijn. Zolang we mensen zijn, moeten we woorden gebruiken die onze bewuste gewaarwording van denkbeelden en dingen weergeven.

Het is daarom volkomen juist om te zeggen dat iemand die ongelukkig is of in slechte omstandigheden verkeert straf ondergaat, en dat een ander die rijk en gelukkig is een beloning ontvangt. Anders is onze leer niet zinvol.

Het misverstand dat uit de vraag blijkt, ontstaat omdat er niet zorgvuldig over karma wordt nagedacht. Een onderdeel van deze wet heeft te maken met de wisselvalligheden van het leven, de verschillende toestanden waarin mensen verkeren. De ene mens krijgt goede kansen en ondervindt geluk, een ander alleen het tegenovergestelde. Waarom? Omdat elke toestand het onvermijdelijke gevolg is van zijn handelingen waarbij hij de harmonie in de natuur heeft verstoord of in stand gehouden. Hij die in dit leven over veel geld beschikt, heeft in een vorige incarnatie gebrek daaraan gehad of het was hem ten onrechte ontnomen. Hoe moeten we dit anders noemen dan beloning? Als we compensatie zeggen, drukken we precies hetzelfde uit. We kunnen niet verwachten dat men de volgende omslachtige uitleg zou gebruiken: ‘Dit alles is te wijten aan het feit dat deze mens de kosmische harmonie in stand heeft gehouden.’

Het punt dat de vraagsteller eigenlijk bedoelt, is heel wat anders dan wat hij formuleert. Hij verwart het een met het ander. Hij denkt aan het feit dat zich zo vaak aan ons opdringt, dat iemand die rijkdom of macht bezit deze vaak misbruikt en egoïstisch of tiranniek wordt. Maar dit alles doet niets af aan het feit dat deze rijkdom voor hem een beloning is. Karma zal hem geven wat hem toekomt en als hij de omstandigheden niet gebruikt ten bate van zijn medemensen, of als hij hen er kwaad mee doet, dan zal hij gestraft worden als hij op aarde terugkeert. Het is maar al te waar, zoals Jezus zei, ‘dat het voor een rijke man moeilijk is om de hemel binnen te gaan’, maar die man bezit naast rijkdom ook andere eigenschappen die nog grotere hindernissen op het pad van ontwikkeling zijn en deze vormen dan bestraffingen die kunnen bestaan in hetzelfde leven waarin hij met rijkdom of iets dergelijks wordt beloond. Ik bedoel belemmeringen en hindernissen zoals domheid of aangeboren laaghartigheid of zinnelijke neigingen. Deze zullen hem bij zijn streven naar vooruitgang en uiteindelijke verlossing vermoedelijk meer hinderen dan alle rijkdom en voorspoed die iemand ooit heeft genoten.

In zulke gevallen – en daar zijn er veel van – zien we op het uiterlijke stoffelijke gebied karmische beloning in de vorm van rijkdom en voorspoed, en in het innerlijke karakter de straf van onbekwaamheid of ongeschiktheid door veel gebreken in hun denken of in hun aard. Het tegenovergestelde kan evengoed voorkomen. Ik betwijfel of de vraagsteller het onderwerp op deze manier voldoende heeft geanalyseerd.

Ieder mens beschikt echter over een geweten en over het vermogen om zijn leven – welke vorm het ook aanneemt en in welke omstandigheden hij ook verkeert – op de juiste manier te gebruiken, zodat hij voor zichzelf en zijn medemensen, gezien de beperkingen van zijn aanleg, zoveel mogelijk goeds kan voortbrengen. Dit is zijn plicht, en naarmate hij eraan voldoet of tekortschiet, zal hij later gestraft of beloond worden.

Er is nog een ander soort rijkdom dan alleen goud, een ander soort macht dan die van aanzien in politiek of maatschappij. Een krachtig, veelzijdig, snelwerkend verstand dat over veel kennis beschikt, is een geweldig bezit. Een mens kan er goed of slecht gebruik van maken. Misschien brengt het hem tot allerlei excessen, tot laaghartigheid, tot precies het tegenovergestelde van al wat goed is. Het is zijn beloning voor een langvervlogen leven van stompzinnigheid waarop andere levens volgden van edel denken en handelen. Wat zal de vraagsteller hiermee doen? Iemand die een beloning ontvangt, kan deze dus zo misbruiken dat ze in een volgend leven de oorzaak van straf wordt. We zetten dus voortdurend pijlen op onze boog, spannen de pees en schieten ze dan ver van ons weg. Wanneer we terugkeren tot het aardse leven, zullen deze pijlen ons of onze vijanden in menselijke vorm of door omstandigheden die ons op een andere manier zouden schaden, zeker treffen. Niet de pijl en de boog zijn belangrijk, maar het motief en de gedachten waarmee de pijl wordt afgeschoten.

Hadji Erinn

 


Theosofische inzichten, blz. 109-11

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag