Het heelal: een praktijkschool
De leerschool van de natuur
De wet van oorzaak en gevolg
Wederbelichaming
Cyclussen
De klas van de mens
Het doel
Het heelal, waaronder het zichtbare en het onzichtbare
. . . bestaat voor de ervaring en de bevrijding van de ziel. –
Patañjali (hindoefilosoof uit de oudheid)
De leerschool van de natuur
Het heelal is een enorme praktijkschool voor het ontvouwen van een
ruimer bewustzijn in alle levenseenheden die het heelal samenstellen.
De stoffelijke natuur is een van de leerscholen waarin bepaalde leergangen
worden gegeven. De monaden die hun ervaring opdoen in deze grote school
van de natuur begonnen hun evolutie in deze cyclus op verschillende
momenten in het verre verleden, en laten dan ook enorme verschillen
in ontwikkeling zien. Daarom kunnen ze op dit moment niet allen profiteren
van dezelfde ervaringen, en de natuur biedt voor deze grote diversiteit
van ontwikkeling kansen om zich te belichamen in een breed scala van
verschillende vormen: in het delfstoffen-, planten-, dieren- en mensenrijk;
en een bijna oneindig aantal subgraden en onderverdelingen binnen die
rijken.
De minder ontwikkelde monaden belichamen zich in het delfstoffenrijk;
zij die zich iets verder hebben ontwikkeld in hun evolutie belichamen
zich in het plantenrijk, en zij die nog verder zijn gevorderd in het
dierenrijk. De monaden die alles hebben geleerd wat ze in een bestaan
in het dierenrijk kunnen leren, overstijgen dat stadium en beginnen
hun evolutie in het mensenrijk.
Omdat de monaden die nu in een menselijke vorm zijn belichaamd op verschillende
tijdstippen in het verre verleden aan hun evolutiereis zijn begonnen
en dus op verschillende momenten het menselijke stadium ‘hebben
bereikt’, is het heel natuurlijk dat mensen zulke enorme verschillen
in hun ontwikkeling vertonen. Zij die eeuwen geleden het menselijke
stadium bereikten, en dus vele gelegenheden hebben gehad om te incarneren,
zijn heel ver gevorderd in hun menselijke evolutie, en belichamen zich
in een van de hoger ontwikkelde volkeren van de mensheid. Die monaden
echter die meer recentelijk het menselijke stadium bereikten, belichamen
zich in een van de meer primitieve volkeren om aan hun menselijke evolutie
te beginnen. Naarmate ze vorderen belichamen ze zich in steeds hoger
ontwikkelde volkeren. Binnen een volk worden de monaden aangetrokken
tot en incarneren ze in die familie die het meeste overeenkomt met hun
eigen ontwikkeling.
Zo gaat er door de hele natuur een enorme menigte omhoog, een immense
verzameling monaden die achtereenvolgens verschillende levensvormen
in de lagere rijken bewonen, dan migreren naar hogere en nog hogere
soorten, waarbij ze steeds leren en vooruitgaan door die ervaringen
die hun diverse belichamingen hun bieden.
Een gewone school heeft klaslokalen en leergangen voor kinderen van
de kleuterschool tot aan hun eindexamen. Elk jaar komt er een nieuwe
groep op de kleuterschool, en elk jaar voltooien de kinderen in een
bepaalde klas hun lessen en gaan ze door naar het volgende niveau. Na
elk kwartaal is er een vakantieperiode voordat het volgende begint,
en elk jaar verlaten de leerlingen van de hoogste klas de school om
aan andere activiteiten te beginnen, of om misschien in de laagste klas
van een hoger type onderwijs te gaan zitten. Er is dus een voortdurende
stroom kinderen die in deze school onderwijs krijgen door zich door
de verschillende klassen te werken en als het ware van de ene naar de
andere klas ‘over te gaan’, nadat ze voldoende bekwaamheid
hebben opgedaan in de voorafgaande klas.
De klassen en leergangen in de school blijven onveranderd, zoals de
natuurrijken, maar de kinderen, zoals de monaden, vormen een constante
stroom van nieuwe en vorderende entiteiten. De perioden die deze migraties
van de monaden beslaan, terwijl ze omhooggaan door de natuurrijken,
hebben zo’n enorme duur dat dit de verbeelding doet duizelen,
en overtreffen alles wat tegenwoordig aannemelijk wordt geacht.
De wet van oorzaak en gevolg
Er is gezegd dat het heelal een praktijkschool is. Om door ervaring
te leren, is het nodig een handeling telkens weer te herhalen. Het is
ook nodig dat de natuur in haar reacties consequent is. Als we een bal
tegen de vloer laten stuiten, springt die terug in een richting die
geheel afhangt van de manier waarop de bal werd geworpen. Omdat de natuurkrachten
aan welomschreven en onveranderlijke wetten gehoorzamen, kan de balwerper
profiteren van ervaring en bepaalde gewenste effecten teweegbrengen.
Als de natuurkrachten niet constant zouden zijn, zou de bal elke keer
anders kunnen reageren en zou het onmogelijk zijn te voorspellen wat
er zou kunnen gebeuren. Onder zulke omstandigheden zou er niets zijn
om de ervaring op te baseren en elke vooruitgang zou onmogelijk zijn.
De oude leringen zeggen dat alles in het heelal onderworpen is aan
een absolute en onfeilbare wet van oorzaak en gevolg die aan elke actie
een gelijke en tegengestelde reactie toevoegt. Deze wet beheerst elke
actie die betrekking heeft op atomen en heelallen en alles daartussenin,
hetzij zichtbaar of onzichtbaar, fysiek, psychisch, mentaal of geestelijk.
In een gewone school is de leraar een mens. In de ‘praktijkschool’
is de leraar niet een mens maar deze wet van oorzaak en gevolg, die
inherent is in de natuur. Naar deze wet wordt in de oude leringen verwezen
door het begrip karma, en ze zal meer in detail worden besproken
in het hoofdstuk met die titel.
Wederbelichaming
Geen kind kan in één dag alles leren wat er in zijn school
is te leren. De tijd zou te kort zijn en de inspanning te zwaar. Daarom
gaat hij dag in dag uit verder met zijn studie. Het kind kan niet 24
uur per dag op school blijven, maandenlang, zonder onderbreking. Als
het zijn gezondheid en zijn vermogen om te leren wil bewaren, moet de
tijd die het aan studie besteedt worden afgewisseld met perioden van
spelen, om zich te verfrissen en te rusten, en ons onderwijs is in overeenstemming
met die vereisten geregeld. Evenmin kan een monade alles wat er in een
bepaalde vorm of lichaam kan worden ervaren in één enkele
belichaming leren, evenmin als een kind al het lesmateriaal in één
dag in zich kan opnemen.
Evolutie van de monade zou onmogelijk zijn als deze beperkt zou zijn
tot één enkel leven in één soort lichaam.
Om het doel van de evolutie te bereiken, moet de monade tijd hebben
en nog meer tijd. En de natuur biedt de noodzakelijke tijd door de monade
nieuwe gelegenheden te geven voor herhaalde belichamingen in een bepaalde
vorm, zolang zo’n wederbelichaming nodig is.
Volgens de oude wijsheid is de leer van wederbelichaming van toepassing
op elke individuele levenseenheid in het heelal. Ze nemen allemaal lichamen
of voertuigen van verschillende typen aan; allen hebben hun perioden
van activiteit van verschillende duur; allen laten hun versleten gewaden
achter en maken hun periode van assimilatie en rust door, en allen belichamen
zich opnieuw om hun evolutie voort te zetten.
Wanneer de wederbelichaming plaatsvindt in een lichaam van vlees, wordt
ze reïncarnatie genoemd, van de drie Latijnse woorden
re, ‘opnieuw’, in, ‘in’, en
carnis, ‘vlees’, die samen het woord de betekenis
‘weer in het vlees’ geven. Alle levenseenheden belichamen
zich opnieuw. Alleen die waarvan het lichaam van vlees is reïncarneren.
Reïncarnatie is dus een ‘speciaal geval’ van wederbelichaming.
Cyclussen
Volgens de oude leringen verloopt elke activiteit in de natuur cyclisch.
Dat wil zeggen, ze herhaalt zichzelf, en bestaat uit perioden van activiteit
afgewisseld met perioden van rust. Op een kleine tijdschaal zien we
deze wet van periodiciteit, of wet van cyclussen, werken in verschijnselen
zoals de terugkerende seizoenen, de getijden eb en vloed, dag en nacht,
slapen en waken, enz. Op een grotere tijdschaal werkt hetzelfde beginsel
door middel van herhaalde belichamingen, levensperioden, afgebroken
door de dood, en gevolgd door rustperioden in andere bestaanstoestanden,
op hun beurt gevolgd door nieuwe belichamingen in de stoffelijke wereld.
De klas van de mens
In het mensenrijk wordt onze evolutie bevorderd door zowel uiterlijke
als innerlijke ervaringen. Uiterlijk leren we onze lessen door het contact
met de natuur en met onze medemensen. Soms leren we op een prettige
manier, maar vaak door lijden en strijd. We ‘leren door vallen
en opstaan’; we bevinden ons in verschillende omstandigheden waarbij
een beroep wordt gedaan op onze vindingrijkheid, waarbij latente vermogens
en talenten naar buiten worden gebracht, en waarbij moed, standvastigheid
en geduld worden ontwikkeld.
Innerlijk ziet de mens zich verstrikt in een netwerk van tegengestelde
krachten en energieën die binnen zijn eigen natuur werkzaam zijn.
Aan de ene kant staan zijn verlangens en zijn ‘onbeteugelde zintuigen
en organen die tot handelen in elke richting aanzetten’, om een
uitdrukking aan De Bhagavad Gita te ontlenen. Deze worden tot
activiteit geprikkeld door de behoeften, verleidingen en verlokkingen
die de materiële wereld ons biedt. Aan de andere kant staat de
goddelijke natuur van de mens van waaruit hij impulsen krijgt om onzelfzuchtige,
altruïstische handelingen te verrichten, te dienen, te geven, een
betere wereld op te bouwen. Om hem in zijn pogingen te sterken, beschikt
hij ook over de ethische leringen van de religie die hem aansporen zijn
naaste lief te hebben, om ‘het koninkrijk der hemelen te zoeken’,
en om anderen te behandelen zoals hij behandeld wil worden.
De meeste mensen slingeren heen en weer tussen deze twee kanten van
hun natuur, waarbij ze soms gehoor geven aan de ene en dan weer aan
de andere kant. Hij staat als het ware tussen twee tegengestelde polen
die zijn wezen aantrekken, maar hij is niet een hulpeloze speelbal van
een van beide kanten. Hij heeft een vrije wil, en kan zijn hogere impulsen
volgen of toegeven aan de lagere, al naar hij verkiest. De mens heeft
het vermogen om door zijn herhaalde gedachten en daden zijn karakter
te veranderen en daardoor zijn eigen lot te bepalen.
Wanneer we ons realiseren dat de wet van oorzaak en gevolg al onze
handelingen beheerst, en ons een reactie van pijn zal geven voor elk
leed dat we anderen toebrengen, en ook voordeel voor elke weldadige
daad, dan beginnen we de wijsheid te zien van het verrichten van goede
daden voor anderen en de dwaasheid hen te kwetsen. We gaan dan inzien
dat als we geluk en harmonie willen ervaren, we eerst zaden van geluk
en harmonie moeten zaaien.
Als we ondanks deze kennis volharden in het doen van verkeerde daden
en anderen ongeluk bezorgen en verdriet doen, dan brengen we daardoor
een reactie van lijden over onszelf. Dit lijden is echter niet zonder
compensatie, want het leert ons lessen die we niet op een andere manier
wilden leren. Het richt onze aandacht op de belangrijke vraagstukken
in het leven, die anders misschien over het hoofd waren gezien. Het
wekt mededogen, sympathie en begrip voor het verdriet van anderen. Als
we onze verkeerde daden niet herhalen, zal het lijden geleidelijk ophouden,
en als we luisteren naar de stem van onze hogere natuur en in overeenstemming
daarmee leven, zal het leven gemakkelijk en harmonisch verlopen.
Zo leren we van de ervaringen van het leven en worden geleidelijk wijzer
en zachtaardiger, en zijn we beter in staat in harmonie met anderen
te leven.
Het doel
Theosofie beschouwt de mensheid als een emanatie
van het goddelijke dat op weg terug is naar dat goddelijke.
– H.P. Blavatsky
De oude wijsheid vertelt ons dat het doel van het bestaan van de mens
op aarde is om als een god te worden, en om in zijn dagelijks leven
actief en volledig de goddelijke eigenschappen tot uitdrukking te brengen
die, hoewel sluimerend, ons zijn ingeboren. De beperkte en op zichzelf
gerichte persoonlijkheid van de mens zorgt ervoor dat deze
goddelijke eigenschappen niet tot uitdrukking kunnen komen. Het doel
van de evolutie van de mens is daarom om de persoonlijkheid te verruimen,
te verfijnen en te verheffen totdat deze een geschikt instrument wordt
om de goddelijke eigenschappen in hem tot uitdrukking te brengen.
Alle grote leraren zoals Christus en Boeddha waren ooit gewone mensen.
Mededogen voor hun lijdende medemensen wekte in hun hart een verlangen
om verlichting te brengen en gelukkiger en meer harmonische betrekkingen
tussen de mensen tot stand te brengen. Om dit te bereiken moesten ze
hun eigen evolutie versnellen door zelfgeleide inspanning,
voortgezet gedurende vele levens. Zo kregen ze geleidelijk een voorsprong
op hun medemensen, en vorderden in volmaking tot ze de vereniging met
hun innerlijke god bereikten. Het bereiken van deze vereniging maakte
hen tot de hoogontwikkelde opmerkelijke figuren die ze waren, met een
veel dieper begrip van de natuurwetten dan gewone mensen, en daardoor
een grotere controle over bekende en onbekende krachten in het heelal.
Christus en Boeddha hebben altijd verkondigd dat wat zij hebben bereikt
door iedereen kan worden bereikt. Jezus toonde zijn geloof in de vervolmaakbaarheid
van de mens toen hij zijn toehoorders aanspoorde: ‘Wees dus volmaakt,
zoals ook uw Vader in de Hemel volmaakt is’ (Matth. 5:48).
De ‘Vader in de Hemel’ is volgens de oude wijsheid de innerlijke
godheid in ieder mens. Jezus zei ook, in Johannes 10:30: ‘Ik
en mijn Vader zijn één’, waarmee hij aangaf dat
zijn menselijke zelf zuiver was geworden en verheven tot de volledige
en bewuste vereniging met zijn innerlijke god.
Het doel van het bestaan van de mens – hier op aarde –
en van de evolutie zal zijn bereikt wanneer in de verre toekomst de
mensheid als geheel zoals Christus is geworden. Dan zullen er op aarde
goddelijke mensen wandelen, er zal harmonie heersen, en het koninkrijk
der hemelen zal een werkelijkheid op aarde zijn.