De onzichtbare kant van de natuur
Bovenzintuiglijke bestaansgebieden
Onze zintuigen zijn beperkt
Een gedachtewereld
Buitenzintuiglijke waarneming
Talrijke dwarsdoorsneden van bewustzijn
Bovenzintuiglijke bestaansgebieden
In het voorafgaande is een korte schets gegeven van enkele van de leringen
van de oude wijsheid over evolutie en het heelal als een ‘praktijkschool’,
om de plaats van de mens in het grotere geheel te laten zien. In dit
verband komen vanzelf een aantal vragen op.
Hoe kan het heelal een levend organisme zijn? Waar zijn de schakels
die de individuele levens met het ene leven verbinden?
Hoe zijn de gevolgen verbonden met hun oorzaken als er in de uiterlijke
wereld geen zichtbare verbinding is?
Hoe kan het bewustzijnscentrum van elke entiteit, de monade, die tijdens
het leven op aarde in het fysieke lichaam woont, overleven na de dood
van dit lichaam, en wat is de aard van haar bestaan tijdens het interval
tussen twee fysieke belichamingen?
Het antwoord op deze vragen is, volgens de oude wijsheid, dat de fysieke
wereld waarin we leven slechts een van vele verschillende ‘gebieden’
of niveaus, of dwarsdoorsneden van bewustzijn is die in de natuur bestaan.
Deze andere gebieden of werelden bestaan tegelijk met en doordringen
onze fysieke wereld zoals water een spons doordringt, of zoals een gas
een vloeistof kan doordringen en erdoor kan worden geabsorbeerd. Er
zijn andere bewustzijnstoestanden die verschillen van die waarmee we
vertrouwd zijn en die corresponderen met deze innerlijke, onzichtbare
gebieden.
Zoals de mens een stel fysieke zintuigen heeft voor het contact met
het fysieke gebied, zo heeft hij ook andere, innerlijke zintuigen voor
het contact met de innerlijke, onzichtbare gebieden van de natuur. Deze
innerlijke zintuigen zijn echter in de meeste mensen nog slapend of
inactief.
De monaden bestaan op deze innerlijke, onzichtbare gebieden wanneer
ze niet belichaamd zijn op het fysieke gebied, en in deze innerlijke,
onzichtbare wereld moeten we zoeken naar de krachten, energieën
en ‘mechanismen’ die nodig zijn voor de verklaring van veel
van wat er in de uiterlijke zichtbare wereld gebeurt.
Deze innerlijke werelden zijn de werelden van de oorzaken, terwijl
de uiterlijke wereld een van gevolgen is.
Het denkbeeld van zulke onzichtbare werelden is in het westen niet
vertrouwd, en zij die denken dat er niets bestaat dat niet door onze
vijf zintuigen kan worden onderzocht zullen het idee onmiddellijk verwerpen
en het als bijgeloof aanmerken of als geloof in het ‘bovennatuurlijke’.
De oude wijsheid erkent niet het bestaan van ‘wonderen’
en van iets ‘bovennatuurlijks’, maar zegt daarentegen dat
alles in de natuur, hetzij zichtbaar of onzichtbaar, onderworpen is
aan welomlijnde natuurwetten. Maar ze bevestigt dat er aan de onzichtbare
kant van de natuur andere werelden of bestaansgebieden zijn die de mens
nog niet kent. Omdat de stof waaruit die werelden bestaat etherischer
is dan gewone grove stof en omdat deze trilt met een frequentie die
verschilt van die van de bekende materie, is deze vanzelfsprekend niet
afgestemd op onze zintuigen en kan deze daardoor evenmin worden ‘opgepikt’
als dat we een radiostation kunnen ontvangen met een frequentie die
buiten het bereik van onze ontvangstapparatuur ligt.
We kunnen daarom het bestaan van zulke gebieden noch bewijzen noch
ontkennen op basis van de gegevens die door onze zintuigen worden verstrekt.
Een poging om dit te doen zou zoiets zijn als de aan- of afwezigheid
te bewijzen van een gas door een draadscherm erdoor te halen. Deze werelden,
die buiten het bereik van de gewone zintuigen van de mens liggen, kunnen
‘bovenzintuiglijk’ worden genoemd, maar ze zijn niet bovennatuurlijk.
Het denkbeeld van onzichtbare werelden zal minder vreemd lijken wanneer
we even stilstaan en ons realiseren dat er in onze eigen natuur onzichtbare
elementen zijn en dat we iedere dag van ons leven te maken hebben met
en gebruikmaken van vermogens en krachten die onzichtbaar en ontastbaar
zijn, maar niettemin werkelijk bestaan.
Het centrum van bewustzijn in ons dat zichzelf herkent als ‘ik
ben mezelf en niet iemand anders’, de lerende en zich ontwikkelende
entiteit, is onzichtbaar. Gedurende het fysieke leven is deze verbonden
met het lichaam; ze drukt zich uit door middel van het lichaam, en toch
is dit centrum van bewustzijn zelf onzichtbaar.
Hoeveel kunnen we over het karakter, de intelligentie en de capaciteiten
van een mens te weten komen door zijn uiterlijke verschijning waar te
nemen? In de meeste gevallen heel weinig, en als we een mens alleen
op grond hiervan beoordelen, maken we algauw heel ernstige fouten. Als
het mogelijk zou zijn het karakter van een mens te bepalen op basis
van zijn uiterlijk, zouden we een misdadiger moeten kunnen herkennen
nog voordat hij zijn vergrijp pleegt. Maar dit is niet mogelijk, want
het karakter behoort tot het onzichtbare deel van de mens.
Gedachten en ideeën zijn werkelijkheden, want ze beïnvloeden
individuen en de hele mensheid, maar niemand heeft ooit een gedachte
gezien. Begrip, sympathie, liefde en haat, al deze zijn sterke krachten
die de mens ertoe brengen ten goede of ten kwade te handelen; toch zijn
ze onzichtbaar.
We zien het leven niet dat de boom bezielt, maar we weten dat het er
moet zijn, want we zien het verschil wanneer de boom is gestorven. We
zien het proces niet waardoor een plant het materiaal uit de donkere
grove aarde opneemt en het verandert in het tere weefsel van een mooie
bloem, maar we zien het resultaat van dit proces zich voor onze ogen
ontvouwen. We kunnen de lucht niet zien, en veel andere gassen zijn
ook onzichtbaar. Zwaartekracht, magnetisme en elektriciteit zijn krachten
die nooit zijn gezien, maar alleen bekend zijn door hun gevolgen.
Onze zintuigen zijn beperkt
Ook zien we vaak het feit over het hoofd dat onze zintuigen maar een
beperkt bereik hebben en ons een heel onvolledig beeld geven van de
fysieke wereld om ons heen. Dit wordt op frappante wijze geillustreerd
als we het elektromagnetische spectrum gaan bestuderen.
Wanneer men zonlicht door een glazen prisma laat gaan, wordt het gebroken
in zeven verschillende kleuren; elke kleur wordt veroorzaakt door straling
van een golflengte die verschilt van de andere. Aan één
uiteinde van dit spectrum of deze kleurenband is het violette licht,
met een relatief korte golflengte; aan het andere uiteinde bevindt zich
het rode licht met een golflengte die bijna twee keer zo lang is als
die van violet licht; en tussen deze twee uitersten zijn de andere kleuren,
elk met haar eigen tussenliggende golflengte. Al deze stralingen kunnen
met het menselijke oog worden gezien.
Maar het elektromagnetische spectrum strekt zich uit tot ver buiten
het zichtbare lichtspectrum, zowel aan de kant van de langere als van
de kortere golflengten. Er zijn stralingen bekend die variëren
van golflengten die juist iets te lang zijn om door het menselijke oog
te worden gezien, tot aan die met een golflengte die vele miljoenen
keren zo groot zijn. Evenzo zijn er stralingen bekend met golflengten
die zo kort zijn dat er miljoenen van nodig zijn om gelijk te zijn aan
de kortste golflengte die door het menselijke oog kan worden gezien.
Naarmate de wetenschappelijke kennis toeneemt breidt het elektromagnetische
spectrum zich uit. Het zou zich voorzover we weten wel onbeperkt in
beide richtingen kunnen uitbreiden, en te midden van deze bijna oneindige
verscheidenheid van stralingen is de kleine groep die door het menselijke
oog kan worden waargenomen een oneindig klein deel.
Sommige stralingen die het oog niet kan waarnemen, kan onze tastzin
wel opmerken, omdat ze warmte ontwikkelen. Als we helemaal blind waren,
zouden we die warmtestralen toch gewaarworden, maar konden we het licht
niet zien dat ons misschien overspoelde. Als onze ogen normaal waren
maar we de tastzin moeten missen, zouden we het licht herkennen, maar
waren we ons niet bewust van het bestaan van de warmtestralingen die
ons misschien bereiken.
De gebruikelijke fotografische platen zijn gevoelig voor normaal licht,
maar er zijn met behulp van chemicaliën platen gemaakt die gevoelig
zijn voor onzichtbare stralingswarmte. Een groep mensen die in een vertrek
zat waar alle licht was buitengesloten, werd gefotografeerd met behulp
van deze onzichtbare stralen, soms ‘zwart licht’ genoemd.
De mensen zagen niets en voelden niets, en konden niet waarnemen of
deze straling er al dan niet was, maar de foto die het opleverde zag
er ogenschijnlijk uit als een normale foto en toonde hun aanwezigheid
aan.
Röntgenstralen kunnen fysieke lichamen doordringen. Er zijn afbeeldingen
van voorwerpen gemaakt door een plaat van 10 cm massief staal heen.
Maar misschien is dat niet zo verrassend wanneer wetenschappers ons
vertellen dat er niet zoiets is als ‘vaste stof’, maar dat
wat ons vast toeschijnt grotendeels lege ruimte is, en dat de atomen
in de stof naar verhouding even ver van elkaar staan als de sterren
in de ruimte. En verder zeggen ze ons dat de atomen zelf niet massief
zijn maar bestaan uit verschillende ladingen van energie die met ongelooflijke
snelheden om elkaar heen bewegen. Materie die voor onze tastzin en ons
gezichtsvermogen massief lijkt, is dus in werkelijkheid grotendeels
lege ruimte, en de weinige ‘substantie’ die er in de materie
is, is elektrisch van aard. Dit is iets waarover onze zintuigen ons
zonder hulpmiddelen niets hebben verteld.
Bepaalde stenen die in daglicht niet anders lijken dan die op een of
ander terrein of in een grindgroeve worden gevonden, zijn gevoelig voor
ultraviolette straling. Als deze stenen in een donkere kamer worden
geplaatst en worden blootgesteld aan ultraviolet licht, dat ook onzichtbaar
is, lijken ze te gloeien en doorzichtig te worden, hoewel ze niet heet
zijn; schijnbaar wordt het binnenste van de stenen blootgelegd en in
verschillende prachtige kleuren verlicht. Deze straling lijkt in het
binnenste van de massieve steen te kunnen doordringen en tijdens haar
gang door het gesteente daarin een verandering aan te brengen, of ze
wordt zelf in straling omgezet die binnen het bereik van het gezichtsvermogen
van de mens valt. Door dit onzichtbare licht beschenen bieden deze vaalbruine
stenen een aanblik van ongekende schoonheid.
Men moet haast wel speculeren over wat een prachtig sprookjesland deze
wereld te zien zou geven als onze ogen zo waren afgesteld dat ze door
middel van ultraviolette stralen zouden zien in plaats van via het gewone
zonlicht.
De kat en de uil hebben ogen met een ander gezichtsbereik dan die van
de mens. Zij ‘zien in het donker’. Met andere woorden, hun
ogen zijn gevoelig voor sommige stralingen die voor ons onzichtbaar
zijn. Daardoor is voor hen licht wat voor ons duisternis is. Dit toont
aan dat zelfs ogen van fysieke materie zo kunnen zijn gebouwd dat ze
een verschillend bereik hebben van wat ze kunnen zien.
Röntgenstralen en ook kosmische en ultraviolette stralen kunnen
in vaste stof binnendringen en erdoorheen gaan. Zouden er ook ogen gevormd
kunnen worden die deze stralen kunnen volgen en aldus door fysieke substantie
heen kunnen kijken alsof deze lege ruimte was, zoals onze ogen door
lucht en water kunnen zien?
Tientallen telefonische berichten kunnen tegelijkertijd via dezelfde
kabel worden verzonden zonder elkaar te storen, eenvoudig door bij het
overzenden verschillende golflengten te gebruiken. Terwijl we praten
zijn we ons niet ervan bewust dat andere gesprekken zich met het onze
vermengen, maar ze worden tenslotte allemaal gescheiden en bereiken
hun bestemming alsof de andere niet bestonden.
De lucht is onophoudelijk vol radiogolven van diverse lengten en toch
zijn we ons totaal niet van hun aanwezigheid bewust tot we onze radio
aanzetten. Als we van het ene radiostation naar het andere gaan, horen
we de meest uiteenlopende programma’s die allemaal tegelijk worden
uitgezonden en elkaar toch niet storen als het toestel goed is afgestemd.
Ethertrillingen van vele verschillende golflengten kunnen elkaar dus
doordringen en in dezelfde ruimte tegelijk bestaan zonder elkaar te
hinderen en zonder een indruk achter te laten op de zintuigen van de
mens.
Trillingen in de lucht bereiken ons als geluidsgolven, maar onze oren
zijn evenals onze ogen beperkt in hun vermogen om ze te registreren.
Er zijn geluidsgolven die voor het oor van de mens een te lage toonhoogte
hebben en andere met een te hoge toonhoogte om ze waar te nemen.
Onze tast-, smaak- en reukzin lijken naar verhouding minder ontwikkeld
dan die voor het zien en het horen en ze vertellen ons erg weinig over
de wereld waarin we leven.
Onze zintuigen waarvan we afhankelijk zijn voor het contact met de
fysieke wereld, zijn als vensters waardoor we naar buiten kunnen kijken
en de wereld om ons heen waarnemen, maar het zijn erg kleine vensters,
smalle spleten, kleine ‘periscopen’ waarmee we slechts een
klein deel kunnen zien van de waarneembare wereld waarin we leven. Met
behulp van verschillende mechanische en elektrische apparaten zijn we
in staat ons gezichtsveld aanzienlijk te verruimen; maar zelfs met deze
hulpmiddelen is het beeld dat onze zintuigen ons verschaffen erg onvolledig.
Wat buiten het bereik van deze instrumenten ligt is voor ons onbekend
terrein.
Niettemin is onze huidige kennis voldoende om aan te tonen dat er een
onzichtbare kant in de natuur bestaat. Die is onzichtbaar op grond van
de beperkingen van onze zintuigen en niet omdat ze niet bestaat.
Een gedachtewereld
Er is één onzichtbare wereld waarvan we ons elk moment
van de dag bewust zijn, maar die is zo dichtbij ons dat we het bestaan
ervan over het hoofd zien. We leiden hier en nu een dubbel bestaan,
een uiterlijk fysiek, en een innerlijk, onzichtbaar bestaan van gedachten
en gevoelens. Het uiterlijke, zichtbare leven delen we met onze medemensen,
maar ons innerlijke gedachteleven speelt zich als het ware achter een
gordijn af en is alleen aan onszelf bekend.
We weten dat veel van onze gedachten worden opgewekt door gebeurtenissen
in de buitenwereld die onze aandacht trekken, maar we weten ook dat
gedachten vaak ‘bij ons opkomen’ zonder enige prikkel van
buitenaf. Hetzelfde geldt voor stemmingen en gevoelens.
Waar zouden die vandaan kunnen komen als we niet alleen in een atmosfeer
van lucht leven maar ook in een wereld van gedachten en gevoelens; en
hoe zouden we ons daarvan bewust kunnen worden als we niet een innerlijk
‘ontvangsttoestel’ hadden dat reageert op dit soort trilling?
En hoe weten we of onze eigen gedachten niet in diezelfde atmosfeer
worden uitgezonden om zonder dat we het weten door iemand anders te
worden opgevangen tot wie ze misschien worden aangetrokken?
We kunnen dus gedachten uitzenden en ontvangen, maar dit gebeurt onbewust.
We hebben nog niet geleerd hoe we rechtstreeks moeten communiceren vanuit
onze eigen gedachtesfeer naar die van iemand anders. Als we met anderen
ideeën willen uitwisselen, moeten we daarvoor gebruikmaken van
het fysieke lichaam en ons mondeling of schriftelijk uitdrukken.
We moeten toegeven dat we, hoewel we allemaal in die gedachtewereld
actief zijn, er toch heel weinig van begrijpen, maar het idee is wel
in overeenstemming met onze kennis over andere kanten van de natuur.
Fysieke energieën bestaan en ze hebben een wereld van fysieke materie
waarin ze werkzaam zijn. Gedachte-energieën bestaan; waarom zouden
die niet een gedachtewereld hebben met haar eigen gedachtesubstantie
om in te functioneren?
Alles in de natuur is een vorm van energie. Fysieke energieën
hebben hun ‘spectrum’ of trillingsschaal waarop ze worden
geregistreerd. Zou er dan niet een ander spectrum zijn dat energieën
van een verfijndere soort omvat met heel andere trillingssnelheden dan
alles wat we kennen, misschien in een andere ‘dimensie’
of via een ander hulpmiddel? Is het niet mogelijk dat er ooit gedachte-energieën
worden gevonden die ergens in dit ‘spectrum’ hun plaats
hebben?
Wetenschappers hebben al ontdekt dat de organen van het menselijk lichaam,
vooral het hart en de hersenen, stralen uitzenden die door middel van
geschikte apparatuur kunnen worden vastgelegd. Het is bekend dat door
de hersenen uitgezonden stralingen variëren bij slaap, bewustheid,
verstandelijke activiteit, enz. Deze ontdekkingen kunnen voorboden zijn
van andere die het bestaan aan het licht kunnen brengen van nog verfijndere
energieën binnen het menselijke organisme. Maar waarschijnlijk
zijn de gedachte-energieën te subtiel om ze op te sporen door middel
van een apparaat dat we zouden kunnen vervaardigen. Misschien moeten
we wachten op het definitieve bewijs tot we zelf onze innerlijke zintuigen
hebben ontwikkeld en hebben geleerd hoe we ze kunnen gebruiken.
Het is bekend dat de mens, zelfs het verstandelijke type, slechts een
heel klein deel van zijn hersencapaciteit gebruikt. Het ligt dus heel
wel binnen de mogelijkheden dat de mens innerlijke zintuigen heeft die
hun tegenhanger of zetel kunnen hebben in het ongebruikte deel van zijn
hersenen.
We lijken onbewust te erkennen dat we zulke zintuigen gebruiken, want
wanneer ons een idee wordt uitgelegd dat we aanvankelijk niet snappen,
zeggen we ‘ik vat het niet’, alsof we in het duister rondtastten
en met iemand of iets in contact probeerden te komen. Als we het tenslotte
wel begrijpen, zeggen we ‘ik zie wat je bedoelt’, alsof
we daarvoor een innerlijk oog gebruiken.
Buitenzintuiglijke waarneming
De verschijnselen zoals gedachtelezen en telepathie, of gedachteoverbrenging
op afstand zonder fysieke middelen, kunnen niet bevredigend worden verklaard
als we niet erkennen dat de mens in het bezit is van een innerlijk stel
zintuigen of organen dat tot op zekere hoogte wordt beheerst door zijn
wil en kan worden opgedragen om gedachten over te brengen en te ontvangen.
Gewoonlijk heeft de mens niet de macht die vermogens bewust en naar
goeddunken te gebruiken en is daarom van nature geneigd het bestaan
ervan te ontkennen. Het wordt niet langer als een blijk van intelligentie
beschouwd om te spotten met geloof in gedachtelezen en telepathie, want
van deze verschijnselen zijn te veel bewijzen om ze te negeren of met
een grapje af te doen, wat iedereen die zich op de hoogte wil stellen
gemakkelijk kan nagaan.
Van mensen die deze vermogens hebben wordt gezegd dat ze de gave bezitten
van ‘buitenzintuiglijke waarneming’, want ze ontvangen indrukken
zonder hulp van de fysieke zintuigen. We voelen echter instinctief dat
ze een of andere soort zintuigen gebruiken, want we spreken vaak over
hen als ‘sensitief’. Omdat de meeste mensen deze vermogens
niet bezitten, zijn die buiten-gewoon of bovennormaal, maar ze zijn
niet bovennatuurlijk.
Een treffend voorbeeld van geslaagde gedachteoverbrenging over grote
afstanden toont de proefneming van de noordpoolonderzoeker Sir Hubert
Wilkins als afzender, met zijn vriend Harold Sherman als ontvanger.
Eerstgenoemde was bezig met een expeditie in noordwest Canada en Alaska,
terwijl de ander zich in New York bevond, op een afstand van 2000 tot
3000 mijl. De meeste impressies bij Sherman over de activiteiten van
Wilkins in het noordpoolgebied werden ontvangen en opgetekend op dezelfde
dag dat ze plaatshadden, weken voordat Wilkins voor de controle kon
worden bereikt. De experimenten werden in de winter van 1937-38 driemaal
per week gedurende een periode van zes maanden uitgevoerd. Bijhouden
van verslagen gebeurde zodanig dat elke mogelijkheid van bedrog was
uitgesloten en ze werden later in kolommen naast elkaar gerangschikt
om de experimenten van Wilkins puntsgewijs te vergelijken met de impressies
die Sherman had genoteerd. Al is het resultaat niet honderd procent
volmaakt, het laat werkelijk een opmerkelijk percentage correcte notities
zien. In één geval vermeldt Sherman precies op het moment
dat het plaatsvond dat hij een brand ziet in een nederzetting in Alaska.
Een andere keer ‘ziet’ hij dat er een ongeluk is gebeurd
met een propeller van het vliegtuig van Wilkins en dat het schroefblad
van de bestelde nieuwe propeller niet de juiste hellingshoek heeft.
Veel andere soortgelijke voorbeelden worden genoemd. Het experiment
dat volledig is gedocumenteerd, is beschreven in een boek met de titel
Thought Through Space* [Gedachten door de ruimte heen] dat
iedereen zou moeten lezen die ook maar de geringste twijfel koestert
over het bestaan van gedachteoverbrenging.
*Creative Age Press, Inc., 11 East 44th St., New York
City.
Andere experimenten met gedachteoverbrenging, die zich over een tijdvak
van vele jaren uitstrekken, zijn onder nauwkeurig gecontroleerde omstandigheden
uitgevoerd door dr. J.B. Rhine aan Duke University. De uitkomst varieerde
per geteste proefpersoon, maar het resultaat van duizenden proeven met
proefpersonen met zowel goede als slechte resultaten gaf gemiddeld 6,5
treffers, terwijl de uitkomst volgens puur toeval 5 zou zijn geweest.
Met meer begaafde proefpersonen liep de uitslag meer dan eens op tot
8, 9, 10 of 11, terwijl 5 een uitkomst volgens toeval zou zijn geweest
en 25 een volmaakte score.
Eén persoon haalde de volmaakte score van 25 treffers in 25
pogingen. Deze onderzoeken die dr. Rhine heeft beschreven in New
Frontiers of the Mind [Nieuwe grenzen van het bewustzijn] zouden
zij moeten lezen die twijfelen aan de werkelijkheid van gedachteoverbrenging.
Succes of mislukking bij proefneming met buitenzintuiglijke waarneming
is afhankelijk van de mate waarin de innerlijke zintuigen van de persoon
met wie wordt geëxperimenteerd zijn ontwikkeld. Zelfs bij de besten
zijn die maar net begonnen te functioneren en het is verrassend dat
zoveel proefnemingen blijken te zijn geslaagd. Dat er veel fouten zijn
gemaakt was te verwachten. Een kind leert niet lopen bij zijn eerste
poging.
Hoe kunnen we telepathie verklaren en hoe kunnen we het feit verklaren
dat ‘gedachten bij ons opkomen’, schijnbaar uit de lucht,
als we niet een soort ‘ontvangsttoestel’ hebben met een
of andere antenne, een innerlijk en onzichtbaar orgaan om ze op te vangen
en naar ons bewustzijn over te brengen?
Gebruikt de gedachtelezer zonder het zelf te weten een innerlijk stel
‘ogen’ of andere organen die niet van grove fysieke substantie
zijn gemaakt maar van een materie die geschikt is voor het gebied waarin
ze functioneert?
De vijf gewone zintuigen kunnen niet werkzaam zijn zonder de fysieke
organen waarmee ze corresponderen. Is het dan niet redelijk ervan uit
te gaan dat onze innerlijke vermogens ook een soort innerlijke organen
moeten hebben om te kunnen functioneren? En als we innerlijke organen
hebben, moeten die dan niet deel uitmaken van een innerlijk lichaam?
Staan wij in dezelfde verhouding tot ons innerlijke lichaam als een
kind tot zijn lijfje? Het ligt in zijn wieg en beweegt zijn armen en
benen en gebruikt zijn ogen om zijn omgeving gade te slaan. Het is te
onvolgroeid om zijn toestand te overdenken. Het heeft een lichaam en
gebruikt dat in beperkte mate, maar is zich niet ervan bewust dat het
dit lichaam heeft en het gebruikt.
Maken wij als we onze innerlijke vermogens gebruiken eveneens gebruik
van een innerlijk lichaam en zintuiglijk apparaat vóór
we bewust zijn van het bestaan ervan? We weten niet wat er misschien
bestaat in de onverkende diepten van de natuur. Vrijwel alles behoort
tot de mogelijkheden. Gezien de wetenschappelijke ontdekkingen die al
zijn gedaan, lijkt het niet verstandig grenzen te stellen aan de mogelijkheden
van de toekomst. Wat voor ons tegenwoordig doodgewone kennis is, zou
door onze voorouders als wilde speculatie zijn beschouwd.
In onze huidige kennis is er niets dat botst met het denkbeeld van
onzichtbare kanten van de natuur. Integendeel, zover we weten zouden
er best hele werelden of gebieden kunnen bestaan met andere trillingsfrequenties
dan de onze, waarin andere groepen wezens kunnen leven, bewegen en bestaan
die wij niet kunnen waarnemen en die zich misschien ook niet bewust
zijn van ons bestaan.
Ontkennen dat er onzichtbare gebieden kunnen bestaan omdat ze onzichtbaar
zijn, is even weinig gefundeerd als wanneer een blinde het licht ontkent
of dat een dove zegt dat geluid niet bestaat.
Talrijke dwarsdoorsneden van bewustzijn
De leraren van de oude wijsheid, mensen van wie de evolutie verder
is gevorderd dan die van gewone mensen, vertellen ons dat ons bewustzijnsgebied
te vergelijken is met maar één ‘dwarsdoorsnede’
midden in een denkbeeldige oneindig lange boomstam; of als een octaaf
is in het midden van een oneindige bewustzijnsschaal, zoals het octaaf
van de stralingen dat voor ons licht schijnt te zijn, een oneindig kleine
fractie is van het elektromagnetische spectrum.
Zij zeggen ook dat er aan beide kanten van onze ‘dwarsdoorsnede’
andere dwarsdoorsneden van bewustheid zijn, hogere en lagere dan die
van ons, en dat het voor hen die hun innerlijke vermogens hebben ontwikkeld
mogelijk is over de grens heen in die andere gebieden te stappen. Voor
hen zijn die innerlijke werelden werkelijker dan de uiterlijke fysieke
wereld die wij kennen. Deze uiterlijke wereld noemen zij een ‘illusie’,
in die zin dat ze niet is wat ze lijkt te zijn. Voor hen is ze een ‘schaduwwereld’
met haar materie die zo massief lijkt, maar zo poreus is dat ze bijna
niet bestaat.
De leraren zeggen ons ook dat het bewustzijn van de mens in deze innerlijke
en onzichtbare werelden functioneert, waarneemt en ervaring opdoet,
terwijl wij denken dat hij tijdens de slaap of de dood onbewust is.
Dat sommige mensen, zoals bij gedachteoverdracht, hun innerlijke vermogens
in beperkte mate kunnen gebruiken is een aanwijzing dat deze vermogens
bij enkelen uit hun sluimerende toestand beginnen te ontwaken. Wanneer
deze vermogens volledig in ons zijn ontwikkeld, zullen we gedachten
even duidelijk zien als we nu fysieke voorwerpen zien.
Het tegenwoordige stadium in de evolutie van de mens maakt het nodig
dat hij voornamelijk op het fysieke en het mentale gebied bestaat en
zijn belangrijkste les is te leren hoe hij in harmonie met zijn medemens
kan leven. Als we letten op de hebzucht, de afgunst en het eigenbelang,
die de oorzaak ervan zijn dat mensen afzonderlijk en in groepen met
elkaar strijden, wordt duidelijk dat de mens nog lang niet de les heeft
geleerd die hij in zijn huidige bestaan had moeten kennen. Als we zien
hoe nieuwe vindingen, bestemd voor het welzijn van de mensheid, zoals
de onderzeeboot, het vliegtuig, de kernenergie, enz., in plaats daarvan
voor vernietigingsdoeleinden worden ingezet, moet het ons duidelijk
zijn dat de mens geen nieuwe krachten en nieuwe vermogens nodig heeft,
maar de bekwaamheid om de talenten die hij al bezit voor het welzijn
van hemzelf en zijn medemensen te gebruiken.
Voortijdige ontwikkeling van innerlijke vermogens door enkele mensen
zou hun een voordeel opleveren ten opzichte van hun medemens. Met onze
kennis van de ingewortelde zelfzucht van de lagere natuur van
de mens, kunnen we veilig voorspellen dat deze vermogens vroeg of laat
door zelfzuchtige mensen ten eigen bate en ten koste van anderen zullen
worden gebruikt.
Aan een voortijdige en kunstmatige ontwikkeling van de psychische vermogens
van de mens zijn ook werkelijke gevaren verbonden, zoals krankzinnigheid
en ernstig uit het evenwicht raken van zijn psychische en morele natuur.
Daarom hebben echte geestelijke leraren altijd de nadruk erop gelegd
dat de mens eerst zijn geestelijke vermogens tot ontwikkeling zou moeten
brengen: vergevensgezindheid, mededogen, liefde, enz., en deze in het
dagelijkse leven toepassen.
Als de mens heeft geleerd in harmonie met zijn medemens te leven en
in zijn dagelijkse leven broederschap in praktijk brengt, zullen zijn
innerlijke psychische vermogens zich veilig en normaal ontwikkelen,
zoals nu met onze fysieke en mentale vermogens gebeurt.