De mens, een samengesteld geheel
Zelfanalyse is moeilijk
Eén straal – verschillende aspecten
Het menselijke ego
De innerlijke god van de mens
Het denkvermogen
Stemmingen, gevoelens, emoties
Het modellichaam
Het fysieke lichaam
Beginselen vermengen zich
Het karakter
Karaktervorming
Het zelfgemaakte lot van de mens
Zelfanalyse is moeilijk
Om te begrijpen wat er tijdens de slaap en na de dood met de mens gebeurt,
is inzicht in de structuur van de mens essentieel.
Een onderwerp zoals dit kunnen we niet behandelen als wiskunde of scheikunde,
waarin ideeën in formules kunnen worden weergegeven en woorden
scherp begrensde dingen betekenen. Als we bedenken dat we niet uit eigen
waarneming kunnen beschrijven hoe onze organen er uitzien en hoe ze
in ons lichaam functioneren, moeten we niet verbaasd zijn over de moeilijkheden
waarop we stuiten wanneer we proberen zulke ondefinieerbare zaken als
denkvermogen en bewustzijn te begrijpen; we kunnen geen scherpomlijnde
uiteenzetting verwachten zoals mogelijk zou zijn als het over fysieke
voorwerpen ging.
Eén zo’n moeilijkheid is dat we van de dingen die we proberen
te begrijpen niet voldoende afstand kunnen nemen om ze in de juiste
verhoudingen te zien, want in één opzicht zijn ze delen
van onszelf. In een ander opzicht zijn ze onze instrumenten en, afhankelijk
van het standpunt dat we op dat moment innemen, wijzigt de beschrijving
van hun functies. Een andere moeilijkheid is dat de verschillende elementen
of beginselen van de samenstelling van de mens elkaar overlappen, zich
vermengen en geleidelijk in elkaar overgaan; en sommige gaan helemaal
het begrip van het menselijke verstand in zijn huidige ontwikkelingsstadium
te boven. Bij het bestuderen van dit onderwerp moeten we daarom zowel
onze intuïtie als ons verstand gebruiken.
Eén straal – verschillende
aspecten
De mens is niet een enkelvoudige, ondeelbare, homogene eenheid, maar
is een samengesteld wezen, gevormd uit veel verschillende elementen
en beginselen die tijdens het leven van de mens op aarde onder normale
omstandigheden harmonisch samenwerken. Naast zijn zichtbare fysieke
lichaam beschikt hij over een innerlijke, onzichtbare, samengestelde
constitutie die voor een deel lager is dan zijn gewone mentale bewustzijn
en voor een deel hoger dan dit bewustzijn.
Het wezenlijke deel van de mens is een straal of stroom van bewustzijn,
een deel van het universele bewustzijn dat de goddelijke bron is van
al het leven. Deze straal is onscheidbaar van het ene universele leven,
zoals een zonnestraal niet is te scheiden van de zon, maar wanneer hij
is belichaamd, verschijnt hij als een afzonderlijke eenheid.
Deze straal is de kern waaromheen de samengestelde natuur van de mens
wordt gebouwd. De diverse beginselen van zijn constitutie zijn allemaal
verschillende aspecten of manifestaties van deze straal, die alle door
zijn aanwezigheid tot activiteit worden gebracht.
Terwijl deze straal door de verschillende gebieden of niveaus van de
natuur afdaalt, concentreert hij zijn essentie op elk niveau in actieve
centra en bouwt voor zichzelf voertuigen die geschikt zijn om daar te
bestaan. Het voertuig wordt daarbij steeds opgebouwd uit de materialen
en energieën van het gebied waar hij gaat functioneren en via elk
voertuig kan de straal zich door ervaringen op zo’n gebied ontwikkelen
en vorderingen maken.
Het idee van een bewustzijnsstroom die verschillende voertuigen gebruikt
of onder verschillende aspecten verschijnt, kan worden geillustreerd
door de stroom van bewustzijn te vergelijken met een straal zonlicht.
Die verschijnt als een enkelvoudige straal, maar is in werkelijkheid
een combinatie van verschillende stralingen waarvan men de verschillende
facetten tevoorschijn kan brengen als de zeven prismatische kleuren.
We kunnen de afdaling van de straal van bewustzijn door de verschillende
gebieden van de natuur heen vergelijken met het gaan van een zonnestraal
door een aantal lagen glas. Er bestaan glassoorten die bepaalde stralingen
van de zon doorlaten en andere buitensluiten. Laten we ons een zonnestraal
voorstellen die door zeven verschillende soorten glas gaat, waarvan
de eerste al de stralingen zal doorlaten; de volgende zal ondoorlatend
zijn voor één golflengte met de daarmee overeenstemmende
kleur, maar laat de andere zes door; en zo verder naar beneden door
de verschillende lagen glas heen tot tenslotte in het laatste stadium
maar één enkele kleur doordringt en de voorwerpen onder
het onderste glas verlicht. Al is het licht dat tot het laagste niveau
doordringt zwak en geeft het niet voldoende idee van de schittering
van zijn bron, toch is het een deel van de oorspronkelijke straal en
brengt een flauw schijnsel over van het hoogste naar het laagste niveau.
Op soortgelijke wijze komt de bewustzijnsstraal die de kern van het
wezen van de mens vormt, alleen op de hogere bestaansgebieden volledig
tot uitdrukking, terwijl op de lagere slechts een heel klein deel zich
kan manifesteren.
De bewustzijnsstraal brengt zich dus via uiteenlopende voertuigen tot
uitdrukking; daarbij functioneert ieder op zijn eigen gebied en alle
schijnen min of meer onafhankelijk van elkaar; maar omdat al deze voertuigen
worden bezield door dezelfde straal, zijn ze in werkelijkheid slechts
verschillende aspecten van deze ene straal, zoals de zeven prismatische
kleuren verschillende aspecten van de ene zonnestraal zijn.
Hoewel de ene bewustzijnsstraal alle beginselen bezielt die de constitutie
gaan vormen, kan hij zijn dominerende activiteit slechts in één
van die beginselen tegelijk concentreren, en terwijl hij ten volle actief
is in dit ene principe, blijven de andere latent.
Het bewustzijn van één gebied ontvangt in elk van de
gevallen zijn levenskracht uit het volgende en hogere gebied en bezielt
op zijn beurt het bewustzijn op het aangrenzende lagere gebied. Wanneer
de levenbrengende stroom zich uit één gebied terugtrekt
in haar bron op het volgende en hogere gebied, wordt het voertuig op
het lagere gebied latent.
Het voertuig heeft een beperkende invloed op de bewustzijnsstraal waardoor
het deel van de zo ingesloten straal zich gaat vereenzelvigen met zijn
voertuig en dat geeft aldus aan dit onderdeel van de straal een gevoel
van afgescheiden en onafhankelijk bestaan.
Wanneer de straal zijn voertuig bezielt, brengt hij iets van zijn bewustzijn
ernaar over, en met de beperkende invloed van het voertuig geeft dit
aan de combinatie van straal en voertuig een gevoel van ik-bewustzijn
of egoïteit dat behoort tot het gebied waarin de straal op dat
moment functioneert.
Er is in de mens dus slechts één straal of stroom van
bewustzijn, maar meer dan één ego. Slechts één
daarvan is echter op een bepaald tijdstip actief.
De relatie tussen de straal van bewustzijn en zijn voertuigen kan worden
vergeleken met het verband tussen een mens en zijn verschillende dagelijkse
bezigheden.
Een man die, gekleed in overall, in de kelder van zijn huis werkt,
het water bijvult van de centrale verwarming, rommel opruimt of reparaties
verricht in zijn ondergrondse werkplaats, lijkt een ander persoon wanneer
hij, gekleed in een kostuum, bezig is met zijn dagelijkse werk, misschien
cliënten ontmoet, gesprekken met hen voert en adviezen geeft of
samen met zijn compagnons dineert. We zouden hem misschien ook nauwelijks
herkennen als we hem op een zondagmiddag thuis bezochten wanneer hij
met zijn gezin naar muziek luistert, televisie kijkt of zich ontspant
bij de haard of in zijn hobbyruimte.
We kunnen zeggen dat deze man zich manifesteert en functioneert door
drie verschillende ‘ego’s’, het kelder-ego, het zaken-ego
en het gezinsego. Terwijl hij als het ene functioneert is hij op dat
ogenblik daarmee identiek en de andere ‘ego’s’ zijn
dan latent. Hij heeft als het ware een ‘glijdende ego-schaal’
door middel waarvan hij zich manifesteert; zijn bewustzijn beweegt naargelang
van de omstandigheden langs die schaal omhoog en naar beneden.
In het gebruikte voorbeeld is het verschil tussen de uiteenlopende
ego’s niet zo groot dat de persoon zijn identiteit niet heel goed
zou kennen door al die ego’s heen, want zijn ervaringen vinden
alle op hetzelfde gebied plaats en hij raakt zijn bewustzijn niet kwijt
wanneer hij van het ene ‘ego’ naar het andere overgaat.
De verschillende ego’s in de constitutie van de mens zijn echter
door een grotere kloof gescheiden, en gewoonlijk treedt er bewustzijnsverlies
op wanneer hij van het ene voertuig overgaat naar een ander; daarom
is de continuïteit van de identiteit in dit geval niet zo duidelijk.
Het menselijke ego
Als we de constitutie van de mens meer in bijzonderheden gaan bestuderen,
is het het handigst om ‘bij het midden te beginnen’ of met
het deel dat ons het meest vertrouwd is. Laten we daarom in de eerste
plaats proberen vast te stellen wat ons gewone, dagelijkse bewustzijn
is en welke plaats het inneemt op de schaal van de samengestelde natuur
van de mens.
Iedereen neemt innerlijk een bewustzijnscentrum waar dat hij als ‘zichzelf’
herkent. Dit geïndividualiseerde bewustzijn voelt dat het gescheiden
is van andere wezens en denkt over zichzelf als ‘ik-ben-ik’
en niet iemand anders. Dat ‘ik-ben-ik’
of ego heeft het vermogen zijn gedachten te richten op elk object dat
het kiest. Het denkvermogen werkt in dat geval als een spiegel die het
licht van het bewustzijn weerkaatst op het object en zo het ego in staat
stelt erover te leren.
Wanneer het ego de spiegel van het denkvermogen gebruikt om het licht
van het bewustzijn terug te kaatsen op zichzelf, krijgt het ego besef
van zijn eigen bestaan. Dan is het wat we noemen ‘zelfbewust’.
Het bestaat en het weet dat het bestaat. Dit vermogen behoort tot het
evolutiestadium van de mens, maar het ontbreekt bij de dieren. Die zijn
bewust, maar nog niet zelfbewust.
Wat is dit ‘ik-ben-ik’,
dit centrum van zelfbewust bestaan, deze ‘jij’
of ‘ik’, deze entiteit of
dit ‘ego’ dat overdag de leiding heeft over ons wezen tijdens
de uren dat we wakker zijn?
Het is een deel van de centrale kern van het wezen van de mens, dat
is geconcentreerd of geïndividualiseerd doordat het werkt via een
fysiek-mentaal voertuig. Het is de bewustzijnsstraal die zich manifesteert
door middel van de menselijke constitutie en kan daarom worden aangeduid
als het ‘menselijke ego’.
Als we gaan slapen trekt de straal zijn projectie terug uit het fysieke
lichaam waarin hij tijdens de waaktoestand verbleef.
Het menselijke ego verliest dan zijn bewustzijn van het fysieke gebied,
want het verlaat het lichaam, het enige middel van contact met dit gebied.
Het wordt dan weer opgenomen in zijn bron op het eerstvolgende hogere
bestaansgebied. Deze bron is het ego of brandpunt van de straal op het
volgende gebied boven het gewone mentale. Dit hogere bewustzijnscentrum
is het werkelijke of blijvende beginsel in de mens. Het functioneert
in en door middel van een hoger, mentaal-geestelijk voertuig dat onafhankelijk
is van het fysieke lichaam en het zal in het vervolg worden aangeduid
als het ‘hogere ego’ of ‘reïncarnerende ego’.
Bij het slapengaan laat het menselijke ego het fysieke gebied achter
zich en heeft zijn bestaan dan op het mentaal-geestelijke gebied van
het hogere ego; maar omdat het hier zijn gebruikelijke voertuig mist,
kan het niet het volledige zelfbewustzijn op dit hogere gebied vasthouden
en verzinkt daarom in een latent of droombestaan.
Als de ochtend aanbreekt is het lichaam uitgerust en verfrist, en weer
gereed om zijn bewoner-eigenaar te ontvangen. Het hogere ego zendt dan
zijn projectie, het menselijke ego, opnieuw uit naar zijn voertuig,
het fysieke lichaam, dat op hem wacht; voor het waarnemend bewustzijn
begint een nieuwe dag van leren en ervaring.
Er zijn gebieden tussen het fysieke en het mentaal-geestelijke waar
het hogere ego bestaat, en het menselijke ego moet door deze heengaan
voor het naar zijn bron kan terugkeren. Het komt vaak voor dat het menselijke
ego tijdens zijn reis op één ervan blijft hangen. Sommige
herinneringen daaraan kunnen worden bewaard als dromen en in zeldzame
gevallen kan het zelfs enige herinnering hebben aan het bestaan op het
gebied van het hogere ego.
Zoals de blaadjes van een ‘overblijvende’ plant hun oorsprong
hebben in de blijvende wortel, zo heeft het menselijke ego zijn oorsprong
in het hogere ego, het onvergankelijke deel van de mens. En zoals het
zichtbare deel van de plant in de herfst verwelkt en sterft wanneer
haar levenskracht weer in de wortel wordt teruggetrokken, zo wordt het
menselijke ego weer opgenomen in zijn wortel, het hogere ego, zowel
in de slaap als na de dood. In de slaap is de terugkeer onvolledig,
misschien meer zoals de bloemblaadjes van sommige bloemen zich ’s
avonds sluiten. Bij de dood sterft het ‘gebladerte’, het
lichaam met de hersenen en het lagere denkvermogen, en is de terugkeer
van het menselijke ego naar zijn ‘vader’, het hogere ego,
compleet.
Het menselijke ego is zelf niet een ‘vaste grootheid’,
want zijn octaven van bewustzijn lopen helemaal van onze hoogste aspiraties
aan de hogere pool, door tussenliggende toestanden heen naar beneden,
naar zuiver persoonlijke bezorgdheid over lichamelijke gemakken en genoegens
aan de lagere pool. Het laagste octaaf van het menselijke bewustzijn
dat zich alleen bezighoudt met zijn eigen persoonlijke welzijn kan worden
aangeduid als het ‘persoonlijke ego’.
Gezien deze variabele bewustzijnsschaal, dit zich vermengen en overlappen
van het hogere en het lagere, zal het niet altijd mogelijk zijn precies
te omschrijven welke betekenisnuance van het woord ‘ego’
moet worden gebruikt.
Omdat het gemakkelijker lijkt zich een voorstelling te maken van een
‘ego’ dan van een straal of stroom van bewustzijn en een
ego in feite altijd een product is van de straal, wordt aangenomen dat
het woord ego zonder bezwaar in algemene zin kan worden gebruikt en
soms kan worden verwisseld met het woord straal; de intuïtie van
de lezer zal hem leiden om de juiste betekenis aan te voelen.
Het menselijke ego kan worden gezien als het middelpunt van de samengestelde
natuur van de mens. Het is als het ware een toeschouwer, een waarnemer
van het levensdrama. Het voelt de impulsen vanuit de organen van het
lichaam. Het neemt kennis van de gebeurtenissen die rondom in de buitenwereld
plaatsvinden. Het observeert de gedachtestroom die door het denkvermogen
vloeit zoals een toeschouwer in een bioscoop de beelden op het scherm
gadeslaat. Het ervaart de stromen van emotie en gevoel die het soms
op vleugels van hoop opheffen en het dan weer in de diepten van wanhoop
laten zakken. Het kan zich vereenzelvigen met de ervaringen die het
doormaakt, of het kan er los en onafhankelijk van blijven en ze bekijken
als een panorama gezien vanuit een observatiepost. In het eerste geval
wordt het rondgeslingerd aan ‘de rand van het levenswiel’.
In het laatste geval is zijn observatiepost bij de rustige en niet bewegende
‘naaf’. Het weegt de levenservaringen en denkt erover na,
velt een oordeel erover, keurt goed of af afhankelijk van de situatie.
Uit deze ervaringen trekt het lessen voor de toekomst. Bij zijn keuze
van het goede of het slechte wijzigt en vormt het zijn karakter en gebruikt
daarbij de wil als instrument om toezicht uit te oefenen.
Dit is het menselijke ego, het ik-ben-ik,
het jij of ik
van het leven van alledag. Dit is de straal van bewustzijn zoals hij
iedere vierentwintig uur pendelt tussen activiteit op het fysieke gebied
en op de innerlijke bestaansgebieden.
Vanaf zijn eerste bewuste herinnering als kind is het menselijke ego
in de jeugd, volwassenheid en ouderdom door vele en afwisselende ervaringen
gegaan. Het heeft zijn kijk op het leven herhaaldelijk gewijzigd, maar
aan het einde van het leven weet het dat het hetzelfde identieke wezen
is dat in de eerste kinderjaren tot bewustzijn ontwaakte.
De innerlijke god van de mens
In de constitutie van de mens staat boven het menselijke ego het reeds
genoemde hogere of reïncarnerende ego. Dit is echter niet het hoogste
niveau, want de kern van de mens, de bewustzijnsstraal, heeft zijn oorsprong
in de universele goddelijke essentie – het ene leven – en
er zijn andere en hogere centra tussen het hogere ego en zijn primaire
bron. Deze hogere centra, die we onder één noemer kunnen
brengen en gezamenlijk als ‘innerlijke god van de mens’
kunnen omschrijven, zijn in de gewone mens nu nog latent.
De oude wijsheid vertelt ons dat de enige manier waarop de mens kan
leren over zijn innerlijke god, is door geleidelijk de vermogens te
ontwikkelen die nodig zijn voor een bewust bestaan op de niveaus waar
die god functioneert; dit betekent dat het menselijke ego moet opstijgen
langs de straal van bewustzijn en één moet worden met
zijn innerlijke god.
Omdat de innerlijke god zich bevindt boven het bevattingsvermogen van
het menselijke verstand en dit de neiging heeft het bestaan te ontkennen
van wat het niet kan begrijpen, is het niet verwonderlijk dat het idee
vreemd schijnt en voor velen niet aanvaardbaar is. Dat het menselijke
verstand iets niet kan begrijpen is echter geen geldige reden om te
ontkennen dat iets bestaat. Mededogen en zelfopofferende liefde kunnen
nooit door het verstand worden verklaard, want deze behoren tot een
hoger niveau van bewustzijn; toch weten we dat ze werkelijk bestaan
en in de wereld een krachtige invloed hebben.
Alle grote religies leren ons dat er in de mens iets goddelijks is.
De bijbel zegt dat de mens werd geschapen naar het beeld van God (Gen.
1:26-27) en verwijst naar zijn ingeboren goddelijkheid in 1 Cor.
3:16, waar Paulus vraagt: ‘Weet u niet dat u Gods tempel bent
en de geest Gods in u woont?’
De oude geschriften van de hindoes spreken over de mens als een ‘weerspiegeling
in de stof’ van zijn innerlijke god, en hun literatuur staat vol
met toespelingen op dit onderwerp. De hele Bhagavad Gita, bijvoorbeeld,
is een dialoog tussen de innerlijke god ‘Krishna’ en het
menselijke ego, hier ‘Arjuna’ genoemd. In de volgende citaten
zegt Krishna tegen Arjuna:
Het is inderdaad een deel van mij dat, als het in
deze wereld van voorwaardelijk bestaan een leven heeft aangenomen,
de vijf zintuigen en het denkvermogen bij elkaar brengt zodat het
een lichaam kan krijgen en dat weer kan achterlaten. En de Verheven
Heer voert deze mee naar elk lichaam dat hij ingaat of verlaat, zoals
de wind de geur van bloemen overbrengt. Door het beheersen van het
oog, het oor, de tastzin, de smaak en de reuk, en ook van het denkvermogen,
ervaart hij de voorwerpen van de zintuigen. – 15:7-9
En zegt Krishna:
Arjuna, in het hart van ieder schepsel woont de meester
– Isvara* – die door zijn magische kracht oorzaak is van
de rondgang van alle wezens die zich bevinden op het universele wiel
van de tijd. Zoek uw toevlucht in hem alleen . . .
– 18:61-2
*Isvara: een geïndividualiseerde straal van de kosmische
geest in ieder mens.
Hoewel we ons slechts vaag en onvolledig bewust zijn van de godheid
in ons, is ze niet helemaal afwezig. Vanwaar komen de impulsen tot edele
en grootmoedige daden, tot zelfopoffering, vriendelijkheid en medeleven?
Wat brengt een moeder ertoe haar eigenbelang op te offeren voor het
welzijn van haar kinderen? Waarom blijft de nederigste mens trouw een
eenvoudige taak vervullen? Wat spreekt er tot de mens via de stem van
het geweten? Waar komt de inspiratie van een genie, of voor muziek en
kunst vandaan? Waarom schetst de dichter voor het denken van de mens
een beeld van het gouden tijdperk, de ideale staat waar liefde, schoonheid
en harmonie ‘ergens’ verblijven – ‘op verre
stranden die voor sterfelijke voeten zijn verboden’; en waarom
geeft de mens innerlijk gehoor aan deze ideeën en droomt hij op
zijn beurt over die ideale staat en verlangt hij daarnaar? Waardoor
is de mens altijd rusteloos en onvoldaan over wereldse successen, steeds
op zoek naar iets anders, al weet hij niet wat? Is het een herinnering
aan een vergeten hogere toestand, een gouden eeuw, ‘een paradijs’
dat op de een of andere manier was verloren en dat nu in zijn hoofd
speelt en zijn aandacht probeert te trekken?
De oude wijsheid antwoordt op al deze vragen dat die drang omhoog,
die impulsen naar hogere zaken, tot de mens komen vanuit zijn innerlijke
goddelijke bron, de god in hem, de straal in de mens uit de Ene Geestelijke
Zon. In dit deel van zijn wezen voelt de mens zijn eenheid met alle
leven. De ingevingen die van deze kant van zijn natuur komen, zijn steeds
gericht op harmonie en welwillendheid en leiden altijd tot eenheid en
broederschap.
In het huidige stadium van zijn ontwikkeling reageert de mens vaak
niet op deze impulsen van bovenaf en dan wordt de uiterlijke mens, het
‘beeld’, de ‘weerspiegeling van de innerlijke god’,
verwrongen en vertekend; maar als hij ook maar enigszins daarop reageert,
groeit hij steeds dichter naar het ideaal binnenin hem. Terwijl de evolutie
vordert, zal steeds meer van de innerlijke god van de mens in zijn uiterlijke
leven zichtbaar worden.
Laten we nu eerst kort samenvatten wat we tot dusver hebben bestudeerd
voordat we verdergaan met onze studie van die beginselen in de constitutie
van de mens die lager staan dan het menselijke ego. Als we deze keer
‘bovenaan’ beginnen en elk element in de juiste volgorde
plaatsen, hebben we eerst een straal uit het universele bewustzijn die
zich manifesteert op de verschillende gebieden van de natuur door middel
van diverse voertuigen, waarvan het hoogste de innerlijke god van de
mens is. Als volgende op de schaal komt het hogere of reïncarnerende
ego met zijn verschillende aspecten, dan het menselijke ego of het gewone
zelfbewustzijn met zijn hogere en lagere aspecten, waarvan het eerstgenoemde
het echte menselijke ego is en het laatste het persoonlijke ego.
Hierna zullen we de beginselen of voertuigen bestuderen die door het
ego worden gebruikt in zijn contact met de mentale, tussenliggende en
fysieke bestaansgebieden.
Het denkvermogen
Wanneer het ego actief is op het mentale vlak, is het alsof iemand
een film van gedachtebeelden gadeslaat die voor zijn geestesoog wordt
afgedraaid. Deze mentale activiteit begint zodra het ego in het lichaam
terugkeert na zijn afwezigheid tijdens de slaap en gaat door tot het
ego het lichaam ’s avonds verlaat.
Veel mensen maken geen enkel onderscheid tussen de gedachtebeelden
en het ego dat ze waarneemt. De toeschouwer is zo geïnteresseerd
in de beelden die hij ziet dat hij zich ermee vereenzelvigt. Als we
zo in die beelden opgaan dat we er niet in slagen ze van onszelf te
onderscheiden, worden we de slaaf van de gedachtestroom. Onze gedachten
vliegen her en der, de ene geeft aanleiding tot de volgende en we worden
voortgesleept naar waar deze gedachten ons brengen. We zijn ons op dat
moment echter niet bewust van deze slavernij, want we hebben ons ten
onrechte vereenzelvigd met onze gedachten.
Op andere momenten beseffen we ons vermogen om het denken te beheersen,
want we kunnen het ene onderwerp loslaten en onze aandacht op een ander
richten. De gedachtestroom kan echter hardnekkig zijn en terugkeren
naar het eerste onderwerp. Hij lijkt in groeven te lopen en een eigen
wil te hebben die vaak tegen onze wil ingaat, maar we weten dat, als
we genoeg wilskracht gebruiken, we de halsstarrigheid van het denken
kunnen overwinnen en het aan onze wil laten gehoorzamen.
Hierdoor worden twee belangrijke feiten duidelijk: ten eerste zijn
we niet identiek aan onze gedachtestroom, maar ervan gescheiden en verschillend.
Door deze scheiding zijn we in staat het denken van een onderwerp dat
we ongewenst achten af te wenden en op iets opbouwends te richten. Ten
tweede, het feit dat we het denken soms kunnen beheersen toont aan dat
we niet de slaaf van het denken hoeven te zijn, maar deze beheersing
door oefening en volharding kunnen vergroten tot we volkomen meester
erover zijn.
De relatie tussen de mens en zijn denken lijkt op die tussen een ruiter
en zijn paard. Het paard heeft eigen verlangens en een eigen wil en
als men het toestaat zijn eigen neigingen te volgen, zal het doelloos
van de ene naar de andere plek zwerven en misschien zijn berijder in
moeilijkheden brengen. Maar een ruiter met kennis van zaken zal het
paard onder controle houden en het voor een nuttig doel gebruiken, wat
tenslotte zowel paard als ruiter ten goede zal komen. Het paard is een
goede dienaar, maar een slechte meester.
Het denkvermogen is, evenals het paard, een slechte meester, maar het
kan een geweldige dienaar zijn als het onder controle wordt gebracht
en op de juiste manier geoefend. We weten dat we met voldoende wilskracht
het denken op een enkel punt kunnen concentreren en op die manier vraagstukken
oplossen die we nooit hadden kunnen oplossen als we hadden toegelaten
dat het denken ongecontroleerd en doelloos zou ronddwalen. Het denkvermogen
is dus een instrument dat door het ego wordt gebruikt, en het brein
is het instrument van het denkvermogen. In oude hindoegeschriften wordt
het denkvermogen aangeduid als ‘het denkorgaan’.
Het denkvermogen is tweeledig van aard. Het hogere deel ervan staat
in verbinding met onze geestelijke natuur; het lagere deel is afhankelijk
van het brein en de fysieke zintuigen en wordt aangetrokken tot de stoffelijke
kant van onze natuur.
Wanneer het ego zijn aandacht concentreert in het hogere denkvermogen,
is het zich bewust van zijn één-zijn met al het leven.
Het denkt en voelt zich dan in harmonie met zijn medemensen. Het streeft
ernaar uiting te geven aan altruïstische en meedogende gedachten
en daden. Het herkent de betere kant in de ander en door zijn vertrouwen
en overtuiging helpt het deze betere kant te versterken.
Het lagere denkvermogen is een voortbrengsel van het functioneren van
de bewustzijnsstraal via de constitutie van de mens en is zo nauw verbonden
met het brein en de lichamelijke verlangens dat het zich ermee vereenzelvigt.
Het ontvangt impulsen uit de organen in het lichaam die om bevrediging
van hun uiteenlopende behoeften vragen. Het houdt zich bezig met persoonlijk
gemak en genoegen en met de kleine problemen van het dagelijks leven.
Het ziet dat zijn eigen voertuig verschillend en gescheiden is van andere
voertuigen en meent daarom dat zijn belangen botsen met die van anderen.
Zo wordt het zelfzuchtig, sluit anderen buiten, maakt vaak plannen en
intrigeert om voordeel te behalen op zijn medemensen, want het ziet
niet in dat het één is met hen. Als het niet met een bepaalde
taak bezig is, drijft het doelloos van de ene gedachte naar de andere,
of wordt door gebeurtenissen van buitenaf tot activiteit geprikkeld.
Tussen het hogere en het lagere denkvermogen bestaat geen duidelijke
scheidslijn; het ene gaat onmerkbaar in het andere over. Het ego kan
zijn aandacht slechts op één deel van het denkvermogen
tegelijk concentreren en op dat moment is alleen dat deel van het denkvermogen
actief.
Door het hogere denkvermogen voortdurend voor altruïstische, opbouwende
gedachten en een verheven idealisme te gebruiken, wordt de geestelijke
kant van onze natuur sterker. Wanneer we na vele incarnaties ons bewustzijn
naar dit deel van onze constitutie hebben overgebracht, zullen we volledig
bewust door de deur van de dood overgaan naar een geestelijke bestaanstoestand.
Stemmingen, gevoelens, emoties
Een andere kant van ons wezen bestaat uit eigenschappen zoals stemmingen,
gevoelens en emoties. We voelen ons afwisselend rustig of prikkelbaar,
somber of opgewekt, gelukkig of terneergeslagen. Soms zijn we hartelijk
tegenover onze medemensen en andere keren onverschillig. De ene keer
worden we door haat en wraak beheerst, dan weer tonen we liefde, grootmoedigheid
en goede wil. Zulke gevoelens hebben we niet vaak in extreme mate, maar
we zijn ons bewust van hun invloed op ons. Evenals bij onze gedachten
kunnen we afstand nemen en het opkomen en wegebben van onze emoties
gadeslaan. Bepaalde gevoelens keuren we goed; andere vinden we ongewenst.
Om onze stemmingen te beschrijven gebruiken we soms de uitdrukking
dat we in een bepaalde ‘gemoedstoestand’ verkeren. Dit lijkt
een nauwkeurige beschrijving, want het ego bekijkt dan alles slechts
uit één vaste hoek en sluit alle andere gezichtspunten
uit. Als we gelukkig zijn, ziet alles er rooskleurig uit; we kunnen
dan niet begrijpen hoe we ons eerder zo ellendig konden voelen. Als
we ons treurig voelen, ziet alles er naargeestig uit en twijfelen we
eraan of we ooit weer gelukkig zullen zijn.
Onze gevoelens en stemmingen kunnen veel invloed op ons hebben. We
weten uit ervaring dat stemmingen niet blijvend zijn, maar aan verandering
onderhevig. De verandering kan langzaam komen en een stemming kan verdwijnen
ten gevolge van het routinewerk van het dagelijkse leven. Of we kunnen
plotseling uit een gemoedstoestand worden gerukt door een gebeurtenis
van buitenaf, zoals wanneer de telefoon gaat of een vriend opbelt met
belangrijk nieuws dat van ons een snelle reactie vraagt. We hoeven echter
niet op uiterlijke omstandigheden te wachten om een ongewenste stemming
van ons af te schudden. Hetzelfde resultaat kunnen we bereiken als we
resoluut nuttig en constructief werk aanpakken dat onze aandacht helemaal
opeist. We weten ook dat we onze stemmingen kunnen veranderen door louter
wilskracht te gebruiken; de methode houdt in dat we doelbewust een ongewenste
stemming door een prettige vervangen. We kunnen weigeren ons ellendig
en neerslachtig te voelen en in plaats daarvan een opgewekte houding
aankweken. We kunnen weigeren toe te geven aan geprikkeldheid en aan
een kritische houding, en die vervangen door kalmte en vriendelijkheid.*
*Over dit onderwerp is een nuttig artikel van W.Q. Judge,
‘Cyclic Impression and Return and Our Evolution’ [Cyclische
indrukken en hun terugkeer en onze evolutie], opgenomen in Echoes
of the Orient (1:492-504).
Evenals gedachten lijken onze emoties ook een eigen wil te hebben en
vaak is het moeilijk ze te beheersen. Maar omdat we ze af en toe de
baas zijn gebleven, weten we dat het kan en door ons hierin te oefenen
neemt onze macht erover toe.
Omdat het voor ons mogelijk is afstand te nemen en het opkomen en wegebben
van onze emotie gade te slaan en er een oordeel over te hebben, en daar
we over het vermogen beschikken met onze wil richting te geven aan de
stroom, is het duidelijk dat we evenmin identiek zijn met onze stemmingen
en gevoelens als met onze gedachten.
Het modellichaam
De medische wetenschap heeft over het menselijk lichaam een grote hoeveelheid
kennis verzameld, waaronder het verband tussen de hersenen, het zenuwstelsel,
de spieren en de verschillende organen. Ze kan ook uitleggen hoe de
indrukken van het licht dat in het oog valt en van geluidsgolven die
in het oor komen, door middel van verschillende tussenstappen worden
overgebracht tot ze via de zenuwen de hersenen bereiken.
Er is echter een hiaat in onze kennis over hoe een gedachte tot een
daad kan leiden; hoe een mentale prikkel, een daad van de wil, van het
bewustzijn kan worden overgebracht naar de hersenen en dan tenslotte
de materie in een spier ertoe brengt aan een bevel van de wil te gehoorzamen.
Er is ook een hiaat in onze kennis over hoe zintuiglijke indrukken vanuit
de fysieke buitenwereld, zoals geluid en licht, nadat ze de hersenen
als zenuwprikkels hebben bereikt, vanuit de hersenen worden overgebracht
naar het aanwezige bewustzijn.
De oude wijsheid zegt ons dat het bewustzijn en het denkvermogen niet
rechtstreeks kunnen inwerken op grofstoffelijke materie, maar dat er
in de natuur materie is die etherischer en verfijnder is dan de grove
stof die wij kennen. Er bestaan andere vormen van energie die zich bevinden
tussen onze mentale energieën en de genoemde etherische materie.
Door middel van die nog onbekende energieën worden mentale prikkels
‘trapsgewijs gereduceerd’ of getransformeerd tot ze de hersenen
bereiken. Daarvandaan worden de impulsen als zenuwprikkels uitgezonden
die tenslotte de spieren beïnvloeden en uiteindelijk uitmonden
in handelingen op het fysieke gebied.
De oude wijsheid zegt bovendien dat de mens een innerlijk, onzichtbaar
lichaam heeft dat uit deze etherische en onzichtbare materie is opgebouwd
en dat ons grofstoffelijke lichaam een nauwkeurig duplicaat in fysieke
materie is van dit etherische lichaam. In feite neemt ons fysieke lichaam
zijn vorm aan, krijgt samenhang en behoudt zijn betrekkelijk stabiele
uiterlijk doordat het als het ware ‘steen voor steen’, cel
voor cel, op dit onzichtbare raamwerk of modellichaam is gebouwd. Omdat
het modellichaam uit een etherischer substantie bestaat, is het voor
mentale impulsen gevoelig en het vertaalt deze in fysieke handelingen.
Door tussenkomst van het denkvermogen en het modellichaam kan het ego
dus zijn wil aan het fysieke lichaam opleggen.
Het fysieke lichaam
In het lijstje van de verschillende onderdelen die samen de constitutie
van de mens vormen, komen we tenslotte bij het meest materiële
deel, zijn fysieke lichaam. Dit is het enige deel van de mens dat zichtbaar
is; al het andere is onzichtbaar.
Het menselijke lichaam is echt een prachtig instrument, met al zijn
organen en vermogens die samenwerken om een levende eenheid te vormen
– de dierlijke kant van de mens. Door middel van dit lichaam met
zijn vijf zintuigen en fysieke hersenen kan het ego in contact komen
met de stoffelijke wereld, en door ervaringen daarin leren en evolueren.
Het lichaam is als het ware de ‘façade’ van de samengestelde
aard van de mens, het deel dat ‘op straat uitkijkt’, het
deel dat ‘van de buitenkant zichtbaar is’. Achter die façade
leidt de mens een innerlijk leven in zijn andere en onzichtbare beginselen.
Het lichaam is het ‘raadhuis’ in die kleine gemeente van
verschillende elementen die de menselijke constitutie samenstellen.
Het is het gemeenschappelijke centrum waar al die elementen bijeenkomen
en tegenover elkaar staan met hun uiteenlopende begeerten en eisen,
aspiraties en verlangens. Als de ‘raadsvergadering’, die
door deze tegenover elkaar staande belangen wordt gehouden, onder leiding
staat van het ego dat in zijn kern door de straal van het goddelijke
wordt geïnspireerd en beheerst, dan zullen de verschillende elementen
samenwerken en zal een harmonisch en nuttig leven het gevolg zijn. Als
het ego toegeeft aan de ongedisciplineerde lagere elementen zal disharmonie
en leed het gevolg zijn, al zal zelfs dit lijden na verloop van tijd
het ego ertoe brengen een verstandiger gedragslijn te kiezen.
Veel mensen vereenzelvigen zich alleen met hun lichaam en denken dat
het lichaam het voornaamste deel van hen is. Enig nadenken toont aan
dat dit niet het geval is.
Als we kijken naar iemand die slaapt, valt het ons op dat het lichaam
rustig ligt en bepaalde automatische functies verricht. Het hart klopt,
het bloed circuleert, de longen ademen, enz. De ogen zijn gesloten,
maar de oren ontvangen geluiden van buiten op, maar er volgt geen reactie
op die geluiden. Als er honderd slapende lichamen voor ons zouden liggen,
zouden die zich allemaal op ongeveer dezelfde manier gedragen. Het lichaam
dat we voor ons zien is niet de vriend die we zo goed kennen. De deugden
in hem, waar we van houden en die hem uniek maken, hebben zich van het
slapende lichaam losgemaakt en het toneel tijdelijk verlaten, misschien
om zich terug te trekken in het etherischer deel van de innerlijke constitutie.
We kunnen via het slapende lichaam niet in contact komen met het werkelijke
deel van onze vriend, maar we weten dat hij op de een of andere manier
ermee is verbonden. Hij kan geen contact met ons maken, tenzij hij in
het lichaam terugkeert en dat weer bezielt. Hieruit zien we dat het
lichaam niet de mens zelf is maar, evenals het denkvermogen, een werktuig
dat door het ego wordt gebruikt voor zijn evolutie hier op aarde.
Het deel dat tijdens de slaap afwezig is, is meer essentieel dan het
slapende lichaam vóór ons. Als we dit afwezige essentiële
deel voorlopig de ‘ziel’ noemen, zien we in dat het juister
zou zijn om te zeggen dat de mens een ziel is en een lichaam
heeft dan te zeggen dat hij een lichaam is en een ziel heeft.
Het lichaam wordt zwakker als de jaren voorbijgaan, maar het betere
deel van het menselijke ego, het deel dat zijn bewustzijn in de hogere
beginselen van zijn wezen heeft geconcentreerd, wordt door de achteruitgang
van het lichaam niet aangetast. Het ware menselijke ego weet dat het
niet het lichaam is en voelt zich ‘jong in de geest’ ondanks
het verzwakte lichaam. Alleen het laagste deel van het persoonlijke
ego, het deel dat zich met het lichaam heeft vereenzelvigd, heeft het
gevoel dat het oud wordt.
Beginselen vermengen zich
De diverse elementen van de mens – die hierboven zijn genoemd
– zijn niet in verschillende ‘vakjes’ gescheiden maar
vermengen zich en doordringen elkaar zodat ieder beginsel tot op zekere
hoogte iets van de aard van alle andere in zich draagt. Zoals de prismatische
kleuren zich vermengen en geleidelijk in elkaar overgaan en, als ze
alle aanwezig zijn, wit licht voortbrengen, evenzo vermengen de beginselen
van de mens zich en gaan ze in elkaar over, en als ze alle aanwezig
zijn brengen ze een complete mens voort.
Tijdens ons leven op aarde zijn ze alle rechtstreeks of indirect verbonden
met het fysieke lichaam. Het ego kan wel honderd keer per dag zijn aandacht
van het ene deel van zijn wezen naar een ander deel verplaatsen, maar
de overgang van het ene naar het andere is zo soepel en geleidelijk
dat we vaak niet opmerken dat er een verandering heeft plaatsgehad.
Misschien is het interessant op dit punt een passage uit de Katha
Upanishad aan te halen om te laten zien hoe de leraren in die tijd
de samengestelde aard van de mens hebben geschetst:
Weet dan dat het zelf (de atman) zetelt in een wagen
en dat het lichaam die wagen is. Weet dat het geestelijke bewustzijn
(buddhi) de wagenmenner is en dat het denkvermogen (manas) de teugel
is.
Men zegt dat de zintuigen de paarden zijn, en dat
de voorwerpen van de zintuigen de paden (het bereik van de zintuigen)
zijn. De wijzen verklaren dat het zelf verbonden met de zintuigen
en het denkvermogen de ‘genieter’ (degene die ervaart)
is.
Hij die geen inzicht heeft en van wie het denken
niet beheerst is, zijn zintuigen zijn altijd ongecontroleerd zoals
koppige paarden voor een wagenmenner.
Hij die inzicht heeft en van wie het denken altijd
beheerst is, zijn zintuigen zijn onder controle zoals goede (gewillige)
paarden voor een wagenmenner. – 3:3-6
De zintuigen en organen van de mens proberen voortdurend hun behoeften
te bevredigen, en zijn daarom de ‘paarden’ die de drijfkracht
leveren voor de menselijke activiteiten. De ‘voorwerpen van de
zintuigen’ zijn de objecten in de stoffelijke wereld die de zintuigen
kunnen bevredigen; ze vormen dus ‘de paden’ die de ‘paarden’
volgen. Het zelf reist in de wagen. De voerman, de wagenmenner, is het
geestelijke bewustzijn en als dit bekwaam is en de bevelen van zijn
meester, het zelf, gehoorzaamt en met het denken de zintuigen onder
controle houdt, gaat alles goed. Maar als het geestelijke bewustzijn
zijn aandacht laat verslappen, kunnen de zintuigen ongeremd gaan steigeren
en de veiligheid van het zelf in gevaar brengen.
Er is een moderne manier om het onder woorden te brengen die aangeeft
dat de praktische mens van nu het leven beschouwt op een manier die
niet zoveel verschilt van die in het bovenstaande voorbeeld dat aan
de Ouden werd ontleend. De tegenwoordige versie treedt niet zo erg in
detail maar zegt eenvoudig: ‘We doen ervaring op terwijl we naar
iets anders zoeken’. Het ‘iets anders’ is gewoonlijk
geld, wat eenvoudig ons vermogen weergeeft om onze verlangens te bevredigen.
Het zijn onze begeerten die ons op zoek doen gaan naar de ‘voorwerpen
van de zintuigen’ en ons de een of andere gok laten wagen om ons
doel te bereiken. Uiteindelijk kregen we meestal niet wat we hadden
gehoopt. Maar we hebben wel flink wat ervaring opgedaan die we niet
hadden gekregen als we geen poging hadden gewaagd; en ervaring moeten
we hebben als we willen evolueren. Zo verijdelt een zelfzuchtig motief
zichzelf, maar het kan door teleurstellende ervaringen wel tot enige
vooruitgang leiden.
Het karakter
Omdat de constitutie van de mens met de verschillende bovenvermelde
beginselen of ‘instrumenten’ bij iedereen hetzelfde is,
zou men natuurlijk kunnen verwachten dat de mensen op alle punten gelijk
zijn. Dit is echter niet het geval. We zien aan alle kanten grote verschillen
in kenmerken bij de mensen, verschillen in instelling, temperament,
levensbeschouwing, enz. We merken ook grote verschillen op in natuurlijke
aanleg, begaafdheid en neigingen. Deze verschillen bestaan niet alleen
bij volwassenen, maar zijn ook bij kinderen duidelijk aanwezig. Moeders
met grote gezinnen zullen ons vertellen dat zulke verschillen al vanaf
het begin bestaan en dat ze duidelijk worden zodra het kind de vermogens
heeft ontwikkeld om zich te uiten. Deze verschillende eigenschappen
komen tevoorschijn voordat opvoeding of omgeving invloed kunnen hebben
gehad. Ze ontvouwen zich van binnenuit en zijn niet het gevolg van inprenting
van buitenaf.
Zo kan bij kinderen van dezelfde ouders het ene een zonnige en vrolijke
instelling hebben en een ander is misschien ernstig of knorrig. Het
ene kan netjes en ordelijk zijn, terwijl een ander nonchalant is; het
ene kan grootmoedig zijn, een ander zelfzuchtig; het ene roekeloos en
niet te vertrouwen, terwijl een ander voorzichtig en betrouwbaar is.
Zelfs kinderen in hetzelfde gezin vertonen vaak een opvallend verschil
in hun natuurlijke aanleg, begaafdheid en ‘aangeboren gaven’.
De uitdrukking ‘aangeboren’ laat al een erkenning zien van
het feit dat zulke eigenschappen niet zijn aangeleerd, maar al vóór
de geboorte moeten hebben bestaan. Zo merken we op dat sommige kinderen
wiskunde gemakkelijk vinden, maar talen moeilijk. Sommigen houden van
muziek en kunst, terwijl anderen technisch zijn ingesteld; sommigen
lijken in veel richtingen talenten te hebben, terwijl anderen niet over
bijzondere begaafdheden beschikken.
Wanneer zo’n ongelijkheid bij kinderen uit verschillende gezinnen
voorkomt, wordt gewoonlijk een verschil in erfelijke eigenschappen als
oorzaak genoemd, maar als even grote verschillen voorkomen bij kinderen
in hetzelfde gezin, waar de erfelijke achtergrond dezelfde is, moeten
we de oorzaak elders zoeken.
Aanleg voor muziek openbaart zich bij een kind al vroeg in het leven
en vaak voordat het enige muziekles heeft gehad of een instrument heeft
aangeraakt. Uit de levensgeschiedenis van grote musici blijkt vrijwel
altijd dat de gave van muzikale genialiteit zich al in de vroege jeugd
in opmerkelijke mate vertoont en vaak in gezinnen waar geen sprake is
van erfelijke factoren om het verschijnen ervan te verklaren.
Het is waar dat aangeboren eigenschappen door oefening, opvoeding en
omgeving kunnen worden veranderd. Onderricht zal naar buiten brengen
wat reeds vanbinnen aanwezig is, maar als daar als basis geen talent
is, zal het resultaat pover blijven. Dat blijkt als we de sterk uiteenlopende
effecten van dezelfde training bij verschillende leerlingen in dezelfde
groep waarnemen.
De bovengenoemde eigenschappen zoals temperament, instelling, talent
en begaafdheid tezamen onderscheiden het ene individu van een ander
en vormen zijn karakter. Het karakter kan door opvoeding, training en
omgeving worden gewijzigd, maar omdat het zich openbaart vóór
een van deze omstandigheden tijd heeft gehad om invloed uit te oefenen,
moet het veeleer zijn aangeboren dan verworven. En omdat het vaak anders
is dan dat van de ouders, kan het niet als het gevolg van erfelijkheid
worden verklaard. Hoe moeten we dan het bestaan van dit karakter uitleggen?
De oude wijsheid leert dat het een erfenis is die het ego meebrengt
uit een vroeger bestaan.
Karaktervorming
Het woord karakter komt van een Grieks woord dat ‘stempelen,
graveren of ingriffen’ betekent. Voordat er papier was, had men
de gewoonte letters in steen te graveren of ze te stempelen op kleitabletten.
Elke letter had een merkteken, enig in zijn soort, dat hem van alle
andere onderscheidde. Wanneer we over de letters van het alfabet spreken,
verwijzen we ook nu nog ernaar als de ‘karakters’ van het
alfabet en daarbij hebben we in gedachte dat al deze letters door karakteristieke
tekens van elkaar zijn te onderscheiden.
Het karakter van een mens bestaat dus uit de gezamenlijke eigenaardigheden
of eigenschappen die hem onderscheiden van andere mensen.
We bouwen ons karakter op door zich herhalende gedachten, terugkerende
emoties en gevoelens en door de daden die daaruit voortvloeien. Denk
een gedachte vaak en lang genoeg en ze zal tot uitdrukking komen in
een gesproken woord of een daad. Herhaal een daad vaak genoeg en hij
zal een gewoonte worden. Een gedachte kan men algauw van zich afzetten,
een daad snel vergeten, maar ze laten een spoor na in het karakter,
hoe gering ook. Als ze een gewoonte worden, planten ze zich diep in
het onzichtbare deel van de menselijke natuur.
We bouwen ook het deel van ons karakter op dat vorm geeft aan onze
aangeboren gaven, talenten en capaciteiten. Dit deel bouwen we op door
herhaalde inspanning en oefening in deze verschillende richtingen, zodat
deze ‘gaven’ geen geschenken zijn in de betekenis van onverdiende
gunsten, maar geschenken van onszelf aan onszelf. Ze zijn herinneringen
van vaardigheden uit het verleden, verworven door inspanning in vroegere
levens en voor ons bewaard in het onzichtbare deel van ons wezen.
Karakter is daarom niet een afzonderlijk beginsel of onafhankelijk
onderdeel van de constitutie van de mens, maar is het totaal van de
gewoonten en de daaruit voortgekomen neigingen die we in al de verschillende
delen van onze constitutie hebben ontwikkeld. Het is de som van de gewoonten
van lichaam, emoties en gevoelens; gedachtegewoonten en morele gewoonten;
gewoonten om aan de stem van het geweten te gehoorzamen of om toe te
geven aan een verleiding, en ook oefengewoonten op alle terreinen waar
we ons op richten. Het is wat we van onszelf hebben gemaakt.
Het bijeengebrachte resultaat van al deze gewoonten verschaft ons een
aanleg, een ‘voorkeur’ voor een bepaalde richting, een predispositie,
een ‘neiging’ die het voor ons natuurlijk en gemakkelijk
maakt te handelen in de groef die de gewoonte heeft ingekerfd.
Ons karakter of de gezamenlijke gewoonten bepalen hoe we zullen reageren
op plotselinge invloeden van omstandigheden van buitenaf en wat ons
‘startklaar’ doet zijn om in deze of gene richting te gaan.
Het is ook ons karakter dat bepaalt waarheen onze gedachten zullen terugkeren
als ze niet door onze wil worden geleid. Het bepaalt ook wat onze emoties
en gevoelens worden als ze niet onder controle zijn maar hun eigen niveau
kunnen zoeken. Of dit niveau hoog of laag is, goed of slecht, hangt
af van de richting en de impuls die wij eraan hebben gegeven.
Het karakter is het innerlijke, onzichtbare gewaad dat het ego door
de gedachten en daden om zich heen weeft, draad na draad, vezel na vezel,
zoals een larve haar cocon bouwt waarin ze later moet wonen. Tijdens
het leven verbeteren we dit karakter of we tasten het aan en bederven
het. Aan het einde van het leven blijft het altijd over als een opstapeling
van krachten en energieën en als zodanig kan het niet worden vernietigd
of ongedaan gemaakt. Wat gebeurt er na de dood met dit karakter?
De oude leringen geven aan dat het op innerlijke gebieden van de natuur
onveranderd en latent blijft tot in toekomstige eeuwen het ego terugkeert
tot fysieke belichaming, en het zijn erfenis, dit karakter, vindt dat
op zijn meester wacht. Het is als een reischeque die vooruit wordt gestuurd
en op de plaats van bestemming ligt te wachten wanneer de reiziger aankomt.
Het is een ‘laatste wilsbeschikking’ die ons huidige zelf
maakt voor zijn toekomstige zelf, en wanneer het ego naar de aarde terugkeert
als een pasgeboren kind is zijn karakter – dat zich nu opnieuw
gaat manifesteren – het ‘kapitaal’ waarmee het zijn
nieuwe incarnatie begint. De pasgeboren baby is daarom feitelijk een
reproductie van het vroegere wezen.
Omdat het karakter – het ‘gewaad’ waarin we nu zijn
gehuld, ons alledaagse zelf – het bijeengebrachte resultaat is
van onze eigen gedachten en daden in het verleden, kunnen we zeggen
dat we ons eigen handwerk zijn, ons eigen karma. Als we dit in gedachte
houden, kunnen we de uitspraak van Pythagoras begrijpen dat ‘we
ons eigen kind zijn’. Wanneer we bedenken dat onze aard en neigingen,
onze talenten en gaven allemaal ‘herinneringen’ van gewoonten
zijn die we in vorige levens hebben aangenomen en dat ons karakter dus
ons collectieve geheugen is van al onze vroegere levens, kunnen we de
bedoeling begrijpen van wat Plato zei: ‘ . . . elk onderzoek en
alle kennis betreft herinnering.’
We hebben misschien dingen bewaard op de ‘zolder en in de kleerkast’
van ons karakter waarvan we ons niet bewust zijn. Sommige mensen zijn
onaangenaam verrast als ze zonder aanleiding plotseling aandrang krijgen
zich te misdragen. Een andere keer zijn de opwellingen misschien weldadig
van aard. Deze impulsen zijn inblazingen in het bewustzijn van gedachtebezinksels
uit een lang vergeten verleden. In de loop van de tijd zullen alle verborgen
bezinksels in ons karakter aan de oppervlakte komen, de slechte om ze
te verbeteren of van ons af te schudden, de goede om ze te ontwikkelen
en te versterken.
Veel mensen zijn zich innerlijk ervan bewust dat ze onontplooide talenten
hebben die door het ontbreken van een geschikte gelegenheid niet naar
buiten zijn gebracht. Na verloop van tijd zullen al die gaven tot uitdrukking
komen en kunnen dan worden ontwikkeld en verbeterd.
Het karakter van de mens is diepgeworteld en verandert niet van dag
tot dag of van uur tot uur zoals onze gedachten en gevoelens. We kunnen
het niet van ons afschudden zoals een slechte bui, maar we kunnen het
wel veranderen op dezelfde manier die we hebben gebruikt bij het vormen
ervan. Als een gebouw niet is wat het moet zijn en we een nieuwe vorm
eraan willen geven of het verbouwen, dan moet dat worden gedaan door
beschadigde stenen te vervangen door nieuwe en betere en dat moet steen
voor steen gebeuren. Het kan niet met een enkele poging worden gedaan
maar het is een langzaam en moeilijk proces. Daarom moeten we eerst
en vooral zo zorgvuldig zijn met onze gedachten en daden. Dan moeten
we ze zo maken dat we ze later niet hoeven te vervangen.
Er bestaat geen kortere weg om het karakter om te vormen. Daarom schijnt
het dat nieuwjaarsvoornemens vaak weinig doeltreffend zijn, al hebben
ze een goede invloed. In ons enthousiasme zien we het feit over het
hoofd dat wat we met een enkele poging hopen te veranderen, was opgebouwd
door herhaalde gedachten en daden in lange perioden in het verleden.
Om doeltreffend te zijn moet de poging het hele jaar door voortdurend
worden herhaald en vastberaden worden volgehouden.
Een voornemen is echter, ook al wordt het niet waargemaakt, beter dan
helemaal geen voornemen, want geen enkele poging gaat verloren en ze
is tenminste één steen die is vervangen. Inzicht in de
omvang van de taak die we ondernemen om oude, vaste gewoonten te veranderen,
zal ons ervan weerhouden de moed te verliezen als de vooruitgang langzamer
lijkt te gaan dan we hadden gehoopt en zal ons helpen om de poging vol
te houden.
Het zelfgemaakte lot van de mens
Er is al gezegd dat ons karakter is wat we van onszelf hebben gemaakt
als resultaat van al onze gedachten en daden, en van de gewoonten die
daaruit zijn voortgekomen. Ons karakter geeft ons een ‘aanleg’
of voorkeur voor een bepaalde richting en als deze ongewijzigd blijft
bepaalt ze ons uiteindelijke lot.
Er is een fragment uit de oosterse wijsheid dat luidt:
Als je een gedachte zaait, oogst je een daad;
Als je een daad zaait, oogst je een gewoonte;
Als je een gewoonte zaait, oogst je een karakter;
Als je een karakter zaait, oogst je een lot.
Als we zo goed leven als we kunnen, zal ons karakter steeds beter worden
en zal het ons op weg helpen naar een stralende en vruchtbare bestemming.
Als we in de verkeerde richting lijken te koersen, kan dat worden veranderd,
maar om het te veranderen moeten we eerst ons karakter veranderen. Daarvoor
moeten we onze gewoonten, onze daden en onze gedachten veranderen, wat
natuurlijk tijd en voortdurende inspanning vergt.
Het volgende citaat, ontleend aan het Dhammapada, een boeddhistisch
geschrift, laat zien hoe de Ouden duizenden jaren geleden leerden dat
ons karakter door onze gedachten wordt gevormd:
Alles wat we zijn is het resultaat van wat we hebben
gedacht. Het is gebaseerd op onze gedachten. Het komt allemaal voort
uit onze gedachten. Als iemand spreekt of handelt met een boze gedachte,
volgt lijden hem, zoals het wiel de voet van de os volgt die de wagen
trekt.
Alles wat we zijn is het resultaat van wat we hebben
gedacht. Het is gebaseerd op onze gedachten; het komt voort uit onze
gedachten. Als iemand spreekt of handelt met een onschuldige en zuivere
gedachte, volgt geluk hem als een schaduw die hem nooit verlaat.
‘Hij heeft me slecht behandeld; hij heeft me
geslagen; hij heeft me verslagen; hij heeft me beroofd’ –
in mensen die zulke gevoelens koesteren zal haat nooit ophouden.
‘Hij heeft me slecht behandeld; hij heeft me
geslagen; hij heeft me verslagen; hij heeft me beroofd’ –
in mensen die zulke gevoelens niet koesteren zal haat ophouden te
bestaan.
Want haat wordt nooit en te nimmer door haat overwonnen.
Haat verdwijnt alleen door liefde. Dit is de eeuwige wet.
– vs. 1-5
Ons lot wordt dus uiteindelijk bepaald door onze eigen gedachten en
daden. We zijn door niemand anders tot iets ‘voorbeschikt’.
Wanneer we ons karakter ten goede of ten kwade veranderen, bepalen we
daardoor zelf ons eigen lot.