De innerlijke god
De mens per se is een onzichtbare entiteit. Wat
we van hem zien, in en door het lichaam, is slechts de uitdrukking van
de innerlijke mens, want de mens is in wezen een geestelijke energie
– een geestelijke, intellectuele en psychomateriële energie,
afhankelijk van het gebied waarop we zijn daden waarnemen; want men
kan terecht zeggen dat hij op alle gebieden bestaat, innerlijke en uiterlijke.
Al is de mens een onzichtbare entiteit, hij heeft
op dit fysieke gebied een fysiek lichaam nodig om in te leven en mee
te werken. Hij is een eeuwigheidspelgrim. Hij kwam voort uit het onzichtbare
deel van het kosmische zijn, in eonen die zo ver achter ons liggen dat
de mensheid, met uitzondering van de grote wijzen en zieners, alle herinnering
daaraan heeft verloren. Hij kwam als een onzelfbewuste godsvonk uit
de schoot van het kosmische zijn, en na eonen en eonen lang door al
de verschillende innerlijke werelden te zijn getrokken, in sommige stadia
door onze eigen materiële sfeer, en vandaar weer naar de innerlijke
werelden, werd hij tenslotte mens, een zelfbewuste entiteit; en op dat
punt zijn we nu aangekomen. In toekomstige eonen zullen zelfs op deze
aarde de verborgen vermogens en krachten die in ieder mens aanwezig
zijn in een veel volmaaktere vorm dan nu tot openbaring komen; in die
dagen van de verre toekomst zal de mens op aarde wandelen als een god
en hij zal op deze aarde wandelen en zich met zijn medegoden onderhouden,
want hij zal dan die goddelijke krachten hebben voortgebracht die hoewel
nu nog onontwikkeld, niettemin in zijn diepste kern aanwezig zijn.
Het hart van het hart van een mens is een god, een
kosmische geest, een vonk van het centrale kosmische vuur; en alle evolutie
– wat betekent het ontvouwen van wat binnenin is, het loswikkelen
van wat zich in de evoluerende entiteit bevindt, het tevoorschijn brengen
van wat innerlijk verborgen is – alle evolutie is niets anders
dan het op steeds volmaaktere wijze manifesteren van de ingesloten,
omwikkelde energieën, vermogens, krachten en organen van de evoluerende
entiteit. Naarmate deze vermogens en energieën zich beter kunnen
manifesteren en zich op volmaaktere wijze ontwikkelen, toont het organisme
waardoor ze werken – het lichaam – de gevolgen van dit innerlijke
evoluerende vuur, van deze innerlijke energie; en op die manier ontwikkelt
zich ook het lichaam zelf, omdat het elke innerlijke stap vooruit automatisch
in zichzelf weerspiegelt.
De mens is in diepste wezen verwant aan de goden,
verwant aan de kosmische geesten. Het heelal is ons thuis. We kunnen
het nooit verlaten. We zijn de kinderen, de voortbrengselen ervan, en
daarom zijn wijzelf in ons meest innerlijke wezen alles wat de grenzeloze
ruimte is. We zijn er geboren en de grenzeloze ruimte is ons thuis,
en daarom zegt ons instinct ons: ‘Alles is goed.’
Zoals een plant groeit, vanuit het onzichtbare naar
het zichtbare, zo verschijnt ook de mens, de mens-plant van de eeuwigheid.
De mens begint het leven op aarde als een menselijk zaad; hij groeit
en wordt volwassen en brengt tevoorschijn of ontwikkelt wat innerlijk
is opgesloten; dan komt het natuurlijke verval van krachten, het lichaam
sterft en keert tot de aarde terug; en na een lange periode van rust
en verwerking van de ervaringen in de onzichtbare werelden, komt de
innerlijke geestelijke vlam weer naar de aarde terug voor een nieuwe
incarnatie.
Dat is in het kort de geschiedenis van de mens,
de mens-plant van de eeuwigheid. Hij wordt geboren, maakt een bloeitijd
door, sterft dan en rust; en met het terugkerende seizoen van het leven
begint hij een nieuw bestaan, ontplooit zich en sterft dan weer; maar
de gouden draad van het zelf – de sutratman – loopt
altijd door, in zowel tijd als ruimte.
De geest van de mens werkt door de menselijke ziel
en deze menselijke ziel werkt door het vitaal-astrale of etherische
voertuig of lichaam of omhulsel: de overbrenger van de energieën
of krachten van de ziel, die psychomagnetisch met de organen van het
fysieke lichaam is verbonden. Dit vitaal-astrale beginsel werkt op die
wijze door het fysieke lichaam en wordt naar alle delen van onze fysieke
vorm gevoerd, bijna zoals elektrische stroom niet alleen in maar ook
over en rondom de draad wordt overgebracht. De geest omhult en bewaakt
de menselijke ziel, en brengt haar voort vanuit zijn eigen innerlijke
zelf; de menselijke ziel schept en doordringt op overeenkomstige wijze
het vitaal-astrale voertuig; en op zijn beurt doordringt en schept dit
weer het fysieke lichaam.
Een menselijk zaad komt uit de etherische werelden
en is een layacentrum; vanuit de innerlijke werelden komt via dit layacentrum
het toekomstige lichaam, dat cel voor cel wordt opgebouwd. Dit zaad
groeit uit tot het fysieke lichaam en naarmate het groeit, incarneren
de menselijke energieën in onderlinge harmonie en samenhang stap
voor stap tot de mens volwassen is; dan is hij volgroeid en is de menselijke
ziel min of meer volledig geïncarneerd.
De mens is een ingewikkeld en samengesteld wezen.
Zijn constitutie strekt zich uit van lichaam tot geest, met daartussen
alle graden van etherische substanties, energieën en krachten,
zeven in getal. Wanneer deze zeven verschillende graden of aspecten
samenwerken in een vitaal en actief verband, hebben we een complete
mens, een mens die ten volle leeft.
De menselijke ziel per se is noch onsterfelijk,
noch sterfelijk; in de gemiddelde mens is ze de zetel van de wil, het
bewustzijn, de intelligentie en het gevoel. Ze is niet onsterfelijk,
omdat ze niet zuiver genoeg is om werkelijk onpersoonlijk te zijn; was
ze dat wel, dan zou ze niet menselijk maar bovenmenselijk zijn. Ze is
niet helemaal sterfelijk, omdat haar instincten, haar opwellingen, haar
eigen werkingen, zich in zekere zin boven de zuiver sterfelijke materiële
dingen bevinden.
De mens kent heilige liefde, aspiraties, hoop en
visie. Die behoren tot de geest, die onsterfelijk en onvergankelijk
is, en worden via deze tussennatuur of menselijke ziel, die de mensen
gewoonlijk ‘ik’ noemen, overgebracht, zoals de stralen van
het zonlicht door een venster vallen. De vensterruit is het voertuig,
de overbrenger of doorgever van deze wonderlijke eigenschap of kracht
die uit de zon daarboven stroomt. De menselijke ziel is als deze glasruit
en laat zoveel van de geest, van het gouden zonlicht van de geest door
als gezien haar evolutionaire ontwikkeling mogelijk is.
De menselijke ziel is voorwaardelijk onsterfelijk
als de mens door gebruik te maken van zijn wil en visie zich met de
onvergankelijke geest in en boven hem verbindt; en sterfelijk als hij
zich laat omlaaghalen tot wat men de materie en materiële instincten
en aandriften noemt, die geheel en al sterfelijk zijn en alle tenietgaan
als de dood komt die de innerlijke, onsterfelijke geest bevrijdt. Wanneer
de mens dus naar zijn verheven thuis gaat voor de periode van rust en
vrede tussen twee levens, wachten hem slechts geluk, verheven visioenen
en de herinnering aan alles wat edel en mooi was in het vorige leven.
De ziel is zelf een etherisch voertuig of drager van de onsterfelijke,
onvergankelijke energieën van de scheppende geest of monade.
De geest is het onsterfelijke deel van de menselijke
constitutie. Hij is de monade, de monadische essentie, die geen dood
kent en van het begin van het manvantara tot het einde van die grootse
periode van kosmische manifestatie blijft bestaan; die de kosmische
pralaya overbrugt en zijn geestelijke en andere activiteiten weer begint
wanneer het nieuwe kosmische manvantara een aanvang neemt.
En zo groeit de geest of monade voortdurend in de
loop van zich cyclisch herhalende perioden: hij evolueert en is op weg
om supergeestelijk te worden, tenslotte goddelijk en daarna supergoddelijk.
Is dat het einde van zijn ontwikkelingsmogelijkheden? Nee, hij gaat
steeds verder vooruit, evolueert en groeit eindeloos. Maar woorden schieten
hier tekort om dit verheven denkbeeld te beschrijven. We kunnen het
niet in gebrekkige menselijke taal weergeven. Onze verbeeldingskracht
is als verlamd als we het proberen, en we kunnen niet meer doen dan
wijzen op het pad van evolutie dat in beide richtingen in het oneindige
en in de eeuwigheid verdwijnt, en dat evenzeer zonder begin als zonder
einde is.
Dat is de geest of de monadische essentie. Het is
de innerlijke god; het is de schitterende intelligentie die de meest
innerlijke werkingen van de hogere delen van de constitutie beroert
en in beweging zet, en deze bewegingen worden op hun beurt weerspiegeld
in het brein, in het menselijk denkvermogen. Het is de bron van alles
wat groots, edel, hoog, zuiver, goed, aspirerend en rein is in de mens.
Het is de bron van onsterfelijke liefde, de bron van zelfopoffering,
de bron van alle harmonie en schoonheid in de mens – het gevoel
van ‘ik ben’. Dat is de geest, de onsterfelijke monade,
de onvergankelijke, vlekkeloze, eeuwige, innerlijke god.
De menselijke ziel is daarvan een straal; deze straal
is wat u kent als de mens, het gevoel van ‘ik ben ik’. En
de ziel is evenals de geest een groeiende, zich ontwikkelende, evoluerende
entiteit, die steeds in grootsheid toeneemt. In eonen van de verre toekomst
zal de ziel op haar beurt haar eigen ingeboren en latente vermogens,
krachten en gaven – de innerlijke luister – zo hebben ontwikkeld
dat ze van ziel geest is geworden, omdat de wortel of het zaad van
de ziel een geestelijke straal is. Wanneer dat hoogtepunt is bereikt,
heeft de mens zich ontwikkeld uit het menselijke tot het menselijk-goddelijke
en is hij van een mens, een geïncarneerde god geworden. Dan zal
de god in u zich met zijn bovenzinnelijke vermogens en krachten manifesteren
en zult u een levende boeddha zijn geworden.
Een menselijke geest is een onsterfelijke entiteit;
in zijn diepste innerlijk is hij een deel van het weefsel van het universele
leven; en deze geest van de mens, dit innerlijke wezen, deze geestelijke
ziel, volbrengt in de ruimte een eeuwige pelgrimsreis, oneindig in de
ruimte en eeuwig in de tijd. Hij gaat van levenswoning tot levenswoning,
leeft en verblijft nu hier dan daar, en leert overal. De aarde is in
feite zo’n woning. Iedere sfeer, iedere bol in de hemelruimten
is eveneens een levenswoning.
De belangrijkste lessen worden in de onzichtbare
werelden geleerd; want deze fysieke wereld die we zien is, ondanks haar
natuurlijke schoonheid, haar bedrieglijke en magische glans, niets anders
dan de schil, het kleed, het lichaam, het uiterlijk. En zoals uit het
innerlijk van de mens al zijn gedachten, al zijn inspiratie, al zijn
genialiteit, al zijn krachten en energieën in het fysieke leven
stromen en tot uitdrukking komen in de dingen die de mens doet, zo is
ook alles wat zich in het fysieke heelal manifesteert slechts de uiting
van de energieën, vermogens, eigenschappen en krachten die in dat
heelal aanwezig zijn.
Deze eeuwige pelgrimstocht van de geestelijke ziel
van de mens voltrekt zich niet alleen in dit deel van het fysieke heelal
dat onze onvolmaakte ogen kunnen zien, maar meer in het bijzonder in
de onzichtbare gebieden, in wat men de geestelijke werelden noemt; want
die bestaan in velerlei graden, die steeds hoger en hoger opklimmen.
Maar deze innerlijke god, een eeuwige pelgrim, leert
onafgebroken en klimt hoger en hoger; en zoals mensenrassen op aarde
na hun glansrijke hoogtepunt van beschaving en schoonheid te hebben
bereikt, in verval raken om later weer te verrijzen, zo daalt de monade,
de god, de geestelijke ziel, vanuit de geestelijke werelden af in de
etherische stof, leert overal, en stijgt dan weer eruit op om een nog
hogere bestemming te bereiken; daarna volgt weer een neerwaartse reis
in de etherisch-materiële rijken om dan opnieuw op te stijgen naar
iets dat nog weidser en verhevener is – en zo altijd verder.
O, hoe groot is de vrede en het geluk als men zich
met deze innerlijke schoonheid verbindt! Dit verbond van leven en bewustzijn
met deze innerlijke godheid verrijkt uw leven door alles wat waardevol
is, en door u zo te verbinden wordt u één met de energieën
en krachten die het heelal beheersen, waarvan uw innerlijke god een
vonk is, een vonk van het centrale vuur; en wanneer deze innerlijke
vereniging volledig is bereikt, bent u op weg naar het menselijk-goddelijke.
Het boeddhaschap ligt voor u.
Deze kennis van uw innerlijke zelf, van uw innerlijke
god, betekent ontplooiing van uw eigen bewustzijn; het is groei; het
is evolutie; het voert tot het begrijpen van al wat bestaat. En al heeft
u van deze visie zelfs maar een vaag vermoeden, een zwakke aanwijzing,
dan verdwijnt zoiets als angst. De dood verliest alle verschrikking;
want u weet dan dat u één bent met het Al, onafscheidelijk
daarvan; dat u feitelijk dat Al zelf bent; en dat u daarom in de uiterste
diepten van uw wezen grenzeloos bent, want in werkelijkheid zijn er
geen uiterste diepten. U kunt de grenzen van uzelf, uw goddelijke zelf,
nooit bereiken, nooit; want uw meest innerlijke natuur is het geestelijke
heelal zelf, waarin u leeft, u beweegt en uw bestaan heeft.
Het zijn de uiterlijke zintuigen die onze aandacht
afleiden van de innerlijke schoonheid. Inderdaad leiden de vijf zintuigen
onze aandacht af van de tempel van het Allerhoogste, van de geest in
de menselijke constitutie die zich door middel van het menselijk lichaam
manifesteert. Ze geven uitdrukking aan vijf verschillende energieën
van de tussennatuur van de mens; het zijn de wegen – of ze functioneren
als zodanig – waarlangs de mens de buitenwereld zelfbewust kan
waarnemen. In zekere zin zijn deze zintuigen een hulpmiddel; en in een
ander opzicht hinderen ze de vooruitgang. Ze bewijzen goede diensten
omdat ze iets laten zien van de natuur die de mens omringt; en het is
door middel van de zintuigen dat een groot deel van zijn gewone bewustzijn
nu functioneert; op die manier leert de mens veel over de wereld en
zijn medemensen. Dit leert hem tenslotte zelfbeheersing en de wil om
het beter te doen en draagt ertoe bij dat eigenschappen zoals medelijden,
liefde en mededogen in de mens ontwaken.
De innerlijke geest van de mens is de tempel van
het oneindige, van zijn vele levensenergieën en levenskrachten;
en in de loop van onze cyclische gang door de stof komen die levensenergieën
en levenskrachten naar buiten. Maar we bevinden ons nu op de opgaande
boog van de ontwikkelingsgang, en de toekomstige evolutie zal geheel
erop zijn gericht in de mens de drang, en uiteindelijk het vermogen
te ontwikkelen om naar binnen te zien, zodat de mens zichzelf leert
kennen: zich leert kennen als een van de medewerkers van de goden bij
de bouw en het besturen van het heelal, als een van de vonken van het
oneindige kosmische vuur. Want in de mens ligt alles besloten –
elke kracht en energie die in de oneindige ruimten bestaat; en alle
evolutie is slechts het naar buiten brengen van deze opgesloten krachten,
het ontplooien, zoals een bloem die zich opent, van wat binnenin is.
De innerlijke god is altijd in u, hij omgeeft u,
overschaduwt u, wacht op u, wacht en wacht; hij wordt pas in de loop
van de eonen, als die wegzinken in de oceaan van het verleden, via de
uiterlijke mens tot manifestatie gebracht, en wel door zelfgeleide evolutie,
wat de ontwikkeling betekent van de innerlijke mens – van dat
wat u in de kern van de kern van uw wezen bent. Het hele doel van de
evolutie is de zware mentale en stoffelijke sluiers ijler te doen worden,
zodat het licht van de heilige tempel, het menselijk hart, de mens luisterrijk
kan verlichten.
Wat verhindert dat het licht de mens verlicht en
wat belemmert de werking van de innerlijke god? Het is de persoonlijkheid
– dat is alles, en al het kwaad dat uit de persoonlijkheid voortvloeit.
Niet de individualiteit, die het goddelijke, het ondeelbare deel van
ons is – onvergankelijk en onsterfelijk – en die nooit met
dood of verval te maken krijgt, maar de persoonlijkheid: de kleine,
lage, kleinzielige, bekrompen dingen, die een dichte en benauwende atmosfeer
om ons wezen vormen, waar bijna niets doorheen kan dringen, behalve
onsterfelijke liefde.
Het ik-gevoel, de zelfzucht, het egoïsme –
dat zijn de dingen die verhinderen dat de goddelijke energieën
zich in ons manifesteren. Die verlammen de mens, zodat hij zelfs de
krachten en vermogens die hij nu reeds bezit, niet volledig tot uitdrukking
brengt.
Om te groeien en onpersoonlijk te worden moeten
we het persoonlijke afschudden; om ons te ontplooien moeten we ons van
het beperkte ontdoen, het opgeven. Hoe kan een kuiken het ei verlaten
zonder de schaal te laten barsten? Hoe kan de innerlijke mens groeien
zonder de schaal van het lagere zelf open te breken? Hoe kan de innerlijke
god – uw eigen goddelijke bewustzijn – zich manifesteren
vóór het onvolkomene, het kleine, het beperkte, met andere
woorden, het persoonlijke, is overwonnen, achtergelaten, opgegeven,
verworpen? In het onpersoonlijke ligt onsterfelijkheid, in het persoonlijke
de dood. Word daarom wat u vanbinnen bent, ontplooi u, groei en ontwikkel
u. De goden roepen ons voortdurend – niet met menselijke woorden,
maar met die geluidloze signalen die langs de innerlijke ethers naar
ons worden overgebracht en die door het hart en de ziel van de mens
worden geïnterpreteerd als geestelijk instinct, aspiratie, liefde,
zelfvergetelheid; en de hele bedoeling van deze stille boodschappen
is: ‘Kom hoger!’
Wat een zegen is het als we beseffen dat we verwant
zijn aan al wat is, als we voelen en begrijpen, en daardoor dienovereenkomstig
handelen, dat we verwant zijn aan de goden die het grenzeloze heelal
besturen en leiden! En u kunt zich met de goden onderhouden als u eerst
leert u met de innerlijke god te onderhouden.
Ieder mens is niet anders dan de meest uiterlijke
openbaring van een goddelijke entiteit, van een innerlijke god, van
een geestelijk-goddelijk wezen, waar de menselijke openbaring een onvolkomen
en zwakke afspiegeling van is – een zwakke en onvolkomen weergave
in menselijke vorm van de innerlijke, geestelijke krachten. Zoveel mensen
op aarde, zoveel goden in de innerlijke werelden.
Wanneer een mens zich bewust is geworden van de
innerlijke god, zijn god als het ware heeft bevrijd door de kleine persoonlijkheid
van het gewone leven op te geven – het persoonlijke zelf van de
mens – en zo de banden heeft verbroken die de bovenzinnelijke
krachten van de innerlijke god kluisteren en binden, dan kan de messias,
de opgestane christus, de verlosser van ieder mens, zijn verheven eigenschappen
en krachten tot uitdrukking brengen. Dan zal de mens een levende christus
zijn – opgestaan uit het graf van het lagere zelf, en opgegaan
in een atmosfeer van geestelijke majesteit; en het christuslicht zal
in hem werken. Hij zal de levende boeddha in zijn wezen hebben gewekt,
of liever, de buddhische luister die al in zijn ziel aanwezig was, naar
buiten hebben gebracht.
Dit goddelijke wezen in het hart van ieder van ons
probeert voortdurend zich beter, steeds beter tot uitdrukking te brengen
via de emotionele en mentale tussennatuur – door dat wat de menselijke
ziel wordt genoemd. Deze innerlijke godheid is de bron, het reservoir,
de oorsprong van alles wat de mens werkelijk tot mens maakt; wat de
mens groot, nobel en edelmoedig maakt; wat de mens begrip, kennis, mededogen,
liefde en vrede geeft.
Spreek in de stilte met uw innerlijke god –
die levende tempel en binnenkamer in u waarin u, als u aandachtig luistert,
de fluisteringen van het goddelijke kunt horen, van de godheid waarvan
die kamer geheel is vervuld. Daar bevinden zich waarheid en wijsheid,
begrip en onuitsprekelijke vrede. Open de poorten van uw persoonlijke
zelf voor de stralen van de innerlijke, goddelijke zon; betreed deze
kamer in het hart van uw hart; word één met uw zelf, uw
goddelijke zelf, de god in u; wees de god die u in de kern van uw wezen
bent!