De grote ketterij van afgescheidenheid
Door de gedachten te concentreren op het eigen ik,
en meer naar persoonlijke dan naar geestelijke vrijheid te streven,
gaan we de weg die naar omlaag voert. Het pad van zelfzucht is het pad
naar steeds lagere, stoffelijke gebieden en sferen, tot tenslotte de
vernietiging volgt aan het einde van de kosmische cyclus, wanneer de
stof zelf oplost: maya, als materie, is een illusie.
Streef omhoog; ontwikkel uw hogere vermogens. Hoed
u voor het betoverende licht van de lagere natuur en vooral van de lagere
tussennatuur, die de psychische wordt genoemd. Niets is zo bedrieglijk
als het valse licht van maya. Mooie bloemen bevatten vaak in de knop
of in de doornen, of in beide, een dodelijk gif. De honing ervan is
dodelijk en betekent voor de menselijke ziel de dood. Zoek eerst uw
eigen geestelijke en verstandelijke vermogens; baad u in het licht van
uw eigen geestelijke natuur, waardoor u inzicht en wilskracht krijgt;
dan zullen die andere vermogens zich op natuurlijke, evenwichtige, passende
en rustige wijze in u ontwikkelen.
De belangrijkste wet van het heelal is zelfvergetelheid
en niet het concentreren van de aandacht op persoonlijke vrijheid, zelfs
niet op uw individualiteit. Leven voor alle dingen is de voornaamste
wet van het heelal, niet de leer dat ieder voor zich moet leven om voor
zichzelf de innerlijke, geestelijke krachten te ontwikkelen. Op zichzelf
is dit laatste wel juist, zij het onvolledig; maar het is ook misleidend,
gevaarlijk, onverstandig en daarom als uitspraak over esoterische training
verwerpelijk, tenzij het op een passende manier wordt toegelicht –
en altijd gekoppeld aan de daarmee samenhangende leer: Geef uw leven
op als u het wilt vinden. Leef om de mensheid van dienst te zijn, want
dat is de eerste stap. Als u de zon wilt vinden, laat dan de aarde met
haar wolken achter u.
De grote ketterij en de enige werkelijke ketterij
is het denkbeeld dat iets afgescheiden is, losstaat en essentieel verschilt
van andere dingen. Dat idee wijkt af van de feiten en wetten van de
natuur, want de natuur kent niets anders dan harmonie, samenwerking,
onderlinge hulpvaardigheid; en de regel van fundamentele eenheid is
volstrekt universeel: alles in het heelal leeft voor al het andere.
Dit gevoel van afgescheidenheid is de oorzaak en
de wortel van alle kwaad. Het kweekt de eigenliefde aan: ik wil
dit, ik ben dat, het is van mij. En dit gevoel van persoonlijke
afgescheidenheid, de waan dat men geheel afgescheiden is, geheel verschilt
van alle anderen, verhindert een mens de innerlijke god te worden. Want
door die innerlijke god te worden, worden we bewust één
met het heelal waarvan we een kind zijn, een onafscheidelijk deel; dat
betekent dat we toegang hebben tot een onuitputtelijke kracht, een wijsheid
die geen grenzen kent, dat we kunnen drinken uit de bronnen van inspiratie
die opwellen uit het hart van het heelal. Ieder heeft zijn oorsprong
in de gemeenschappelijke bron van het leven, de intelligentie en de
substantie van de kosmos.
Zelfzucht is beperkend; ze ligt ten grondslag aan
alle degeneratie, aan alle morele verval, aan alle mentale en lichamelijke
zwakte; ze verlamt; ze stelt grenzen en laat geen ruimte voor uitbreiding
en groei. Zelfzucht is de wortel van alle kwaad en dus ook van mentale
zwakheid, van een gebrek aan aanleg en kracht, van een gemis aan oordeel
en onderscheidingsvermogen, van het ontbreken van een meevoelend hart.
Zelfzucht is daarom de vruchtbare oorzaak van alle tegenslagen en leed.
Alles wat de natuurlijke vermogens van de menselijke constitutie verzwakt,
vloeit voort uit zelfzucht. Ze is de oorzaak van betreurenswaardige
en schadelijke opvattingen, die tot de beperkte aard van uw eigen kleine
denkwereld behoren. U bent dan een gevangene, gevangen in uw eigen zelfzucht
en daardoor vreselijk belemmerd in de edelste strijd van het leven.
Zelfzucht maakt u tot een gevangene – en uw gevangenis is uw lagere
zelf.
Wat een gevoel van vrijheid, van waarlijk mens-zijn,
ervaart iemand die de gevangenis van het lagere zelf verlaat en zijn
eenheid met het Al voelt; want in de mystieke verborgenheden van uw
eigen meest innerlijke wezen bent u werkelijk dat Al.
Zelfzucht en onwetendheid zijn de oorzaak van onenigheid
en ruzie onder de mensen; want wie uit is op eigen voordeel, maakt gebruik
van de natuurkrachten voor persoonlijke en zelfzuchtige doeleinden –
soms met opzet, soms halfbewust. We doen dit met onze vrije wil, die
niettemin zelf een goddelijke kracht of eigenschap is.
We hebben een wil en die wil is vrij. We zijn een
deel van de krachten van het heelal, want we zijn daarvan niet te scheiden.
Soms gebruiken we onze wil goed en soms verkeerd; wanneer we hem goed
gebruiken, zien we wonderbaarlijke mysteriën in het hart en het
gelaat van onze medemensen en herkennen we de grootsheid in hun diepste
wezen; want er is ook grootsheid in ons, en grootsheid herkent altijd
grootsheid. En als we die krachten slecht, onjuist of verkeerd gebruiken,
maken we gebruik van de kleurloze krachten van het heelal, maar we doen
dat op een verkeerde manier, strevend naar ons eigen voordeel. We bezitten
een vrije wil en maken gebruik van die krachten; en we doen dat in onwetendheid
van de wet – de natuurwet.
Onwetendheid is een vloek voor de mens. Als we wisten
wat we deden; als we wisten dat we wanorde brengen in de krachten van
het heelal, boze hartstochten wekken in onszelf en in andere mensen;
als we deze grondwaarheid van de natuur slechts konden beseffen –
dat alle dingen een gemeenschappelijke oorsprong hebben in eindeloze
vrede en harmonie – dan zou geen enkel zinnig mens disharmonie
en kwaad in zichzelf dulden, maar ernaar streven zijn broeders licht
te brengen en te helpen.
Onwetendheid is de grootste vijand van de mens.
De vruchten van onwetendheid zijn ongeluk, verdriet, pijn, ziekte en
lijden.
Zelfzucht is onwaardig. Ze is ook heel onverstandig,
want er is niets dat u zo verlamt en uw voeten bezoedelt in de poel
van het lagere zelf als zelfzucht. De weg naar succes betekent het beteugelen
van de persoonlijkheid, onpersoonlijk worden, zodat uw voeten niet worden
bezoedeld door de modder, het aanklevende vuil van het stoffelijke bestaan.
De wet is voor iedereen gelijk: wees onpersoonlijk, vergeet uzelf!
Iemand die alleen aan zichzelf denkt, ik,
mijn plannen, mijn bezit, mijn wensen, mijn
gedachten, hult zich in een ware cocon van klein en lelijk egoïsme,
waar niets doorheen kan schijnen en die als een ondoordringbare muur
om hem heen is, harder en duurzamer dan staal.
We zijn inderdaad omringd door barrières
die we zelf hebben opgebouwd, die we zelf hebben gevormd uit ons eigen
gedachteweefsel, en onze grootste hindernissen liggen in onszelf. Naarmate
het bewustzijn van de mens groeit, verbreekt het de banden die het omkneld
houden, het neemt de obstakels die het in zijn uitingen belemmeren weg;
en dan straalt de innerlijke luister naar buiten.
Starre gedachten, starre opvattingen, zijn belemmeringen
voor ware geestelijke vooruitgang, want ze duiden op dogmatisme, op
een zelfgenoegzaamheid die de blik vernauwt. Ze komen in feite erop
neer, om een andere beeldspraak te gebruiken, dat we de deur van het
denken sluiten voor een nieuwe waarheid; want een mens is bij wijze
van spreken nooit star en onbuigzaam in zijn ziel – nooit star
en onbuigzaam in zijn denken – tenzij hij zelfgenoegzaam is;
en er is niets dat ons innerlijk zo blind maakt voor de waarheid als
zelfgenoegzaamheid. Bedenk wel dat de meeste mensen maar korte tijd
zelfgenoegzaam zijn, nooit lang.
Een open geest daarentegen, een leergierig verstand,
het verlangen naar een ongesluierde geestelijke visie, de bereidheid
de waarheid te ontvangen en die uit medeleven en de volheid van het
eigen hart aan anderen door te geven – dat alles is een waarborg
voor ware geestelijke vooruitgang en is dus een teken dat op het pad
van geestelijke evolutie enige vordering is gemaakt.
Vermijd daarom starheid. Wees open van geest; laat
uw verstand elk nieuw aspect van de waarheid dat zich aan u voordoet
gretig aanvaarden. Een ongesluierde geestelijke visie betekent alleen
het verlies van persoonlijke opvattingen en meningen en van zelfvoldaanheid.
Het onpersoonlijke te zien, dat betekent dat men een ongesluierde geestelijke
visie bezit.
De voornaamste belemmering die het licht verhindert
binnen te komen is het gevoel dat kan worden weergegeven met de woorden:
‘Ik weet alles wat ik moet weten.’ Dat is egocentrisch!
Dat gevoel komt voort uit zuiver egoïsme. Het tegenovergestelde
van die egocentrische zienswijze is een onpersoonlijke visie van geestelijke
waarheden die in uw ziel werkzaam zijn en haar daardoor geschikt maken
om onpersoonlijke, universele indrukken te ontvangen.
Alles wat u afhoudt van uw dierlijke zelf, wat u
uw persoonlijkheid doet vergeten, u meevoert in de grootsheid van de
natuur en u aanmoedigt tot meedogende, onpersoonlijke dienstbaarheid,
zal u helpen in uw geestelijke groei. Hoeveel troost, hoop, bemoediging
en vrede schenkt zelfvergetelheid ons!
Alles wat u afhoudt van uzelf en het kleine kringetje
van persoonlijke beperkingen, zelfzuchtige denkbeelden en neigingen,
egoïstische gedachten en emoties, en u ertoe brengt in onzelfzuchtig
werk anderen onpersoonlijk te dienen, ergens voor te zorgen, te bemoederen
zo u wilt, is een grote geestelijke hulp voor u. Zorgen voor een boom,
voor bloemen, de belangen van een ander behartigen, bezig zijn met uw
boek, met schrijven, met uw machine, met uw gereedschap, wat het ook
is, alles wat u ertoe brengt uw persoonlijke zelf te vergeten –
zelfvergetelheid – helpt u in uw geestelijke groei. Hoe groot
is de beloning voor de man of vrouw die dat doet! Dat is het geheim
van het beroep dat de religies op de mensen doen. Het stelt hen in staat
het lagere, persoonlijke zelf te vergeten. En u kunt precies hetzelfde
resultaat bereiken door aan de geestelijke krachten in u de volle ruimte
te geven in onpersoonlijk werk, van welke aard ook.
Zoet zijn de vruchten van zelfvergetelheid –
het volkomen vergeten van uw persoonlijkheid in iets zo schoons en onpersoonlijks
dat geen menselijke taal het kan beschrijven! Want zelfvergetelheid,
medelijden, mededogen en vrede zijn de vruchten van kosmische harmonie,
die het hart is van het heelal. Wanneer u zich van dit feit bewust begint
te worden, groeit er iets in uw ziel dat onbeschrijflijk is, dat niet
in woorden kan worden uitgedrukt, maar dat tegelijk licht en leven,
vrede en wijsheid en almachtige liefde is – onpersoonlijk, universeel;
alles heeft dan voor u zijn bekoring, wat of waar het ook is, omdat
u het liefheeft.
Toch is het hele uiterlijke heelal slechts het kleed
of de schaduw van iets onzichtbaars, van het innerlijke leven, waarvan
ieder mens, ja iedere entiteit, een onafscheidelijk deel is; want alle
entiteiten en wezens zijn in dit innerlijke leven geworteld, en daarom
zal alles wat een van ons doet met overeenkomstige kracht alle andere
entiteiten en wezens beïnvloeden.
Iedereen is zijn broeders hoeder, omdat we door
onverbrekelijke banden van oorsprong en bestemming onafscheidelijk met
elkaar zijn verbonden. We zijn in diepste wezen allen één.
Ieder mensenkind is de hoeder van zijn broeders, in die zin dat hij
hen beïnvloedt; en hun hart en geest reageren op wat hij hun zegt.
Zijn verantwoordelijkheid zal bewust, zelfbewust zwaarder worden, naargelang
zijn eigen ontwikkeling verder is gevorderd.
We zijn precies wat we van onszelf maken en we zijn
tegelijk de hoeders van onze broeders omdat ieder van ons, ieder
van ons, verantwoordelijk is voor een eonenlange keten van oorzaken.
Er is wetmatigheid in dit heelal; de dingen worden niet door het toeval
beheerst; en geen mens kan denken, spreken of handelen zonder andere
wezens ten goede of ten kwade te beïnvloeden.
Zaai een daad en u oogst een gewoonte. Zaai een
gewoonte en u oogst een lot, omdat gewoonten een karakter opbouwen.
Dit is de volgorde: een daad, een gewoonte, een karakter, en een lot.
U bent de schepper van uzelf. Wat u nu van uzelf maakt, zult u in de
toekomst zijn. Wat u nu bent is precies wat u in het verleden van uzelf
heeft gemaakt. Wat u zaait zult u oogsten.
Als u voor uzelf zaait, zuiver en alleen voor zelfzuchtige
doeleinden, zal uw oogst daarmee in overeenstemming zijn. Iemand die
zo weinig liefde voelt voor de innerlijke schoonheid van juist handelen
dat hij tot zichzelf zegt: ik wil het goede alleen doen om iets te verkrijgen,
meer geluk, een betere toekomst, een beter lichaam, heeft het goede
dat hij zaait al met een handvol onkruid – zijn zelfzuchtige verlangen
– bedorven. Niets maakt zo klein als het persoonlijke, niets vermindert
de kracht van uw ziel zo als concentratie op uw eigen zelfzuchtige,
persoonlijke belangen en het vergeten van het welzijn van anderen.
De mens die eerder aan anderen denkt dan aan zichzelf
is daardoor al edel. De mens die zijn leven opgeeft opdat anderen kunnen
leven is al edelmoedig. De mens die zichzelf vergeet in een onpersoonlijk
dienen van de mensheid is de edelste van allen; en zo iemand oogst een
lot dat goddelijk is – omdat hij een karakter heeft opgebouwd
dat daarmee in overeenstemming is.
De natuur vraagt van alle mensen samenwerking, broederschap,
vriendelijke gevoelens, liefde, zelfvergetelheid, werken voor anderen.
De zelfzuchtige man of vrouw delft altijd, vroeg of laat, het onderspit.
Wie slecht is kan, zoals de groene laurierboom, wel een poosje bloeien,
maar nooit lang. Zelfzucht werkt vernauwend; ze is koud; ze is het tegenovergestelde
van de expansieve, warme kracht van de liefde.
De natuur staat niet lang toe dat men aanhoudend
zichzelf bevoordeelt ten koste van anderen, want het hart van de natuur
is harmonie, de hele structuur van het heelal berust op coördinatie
en samenwerking, geestelijke eenheid. De mens die standvastig en onafgebroken
ernaar streeft zichzelf te bevoordelen, eindigt in dat verre land van
het ‘mystieke westen’, het land van de vervlogen hoop, het
land van geestelijk verval, want de natuur verdraagt dat niet lang.
Hij heeft zijn nietige, onontwikkelde wil tegenover de machtige stromen
van de kosmos gesteld en vroeg of laat spoelt hij aan op een zandbank
van de rivier van het leven, waar hij vergaat. De natuur duldt geen
voortdurende en hardnekkige zelfzucht.
Kijk eens naar een boom. Kijk naar ons lichaam.
Elk is opgebouwd uit grote aantallen kleinere dingen, kleinere wezens,
die allen samenwerken en samen één ding vormen waarin
ze alle leven, bewegen en hun bestaan hebben, en deel hebben aan het
gemeenschappelijke leven.
Als een mens harmonieus handelt, handelt hij in
overeenstemming met het universele plan en de universele wet. Wat we
verstaan onder het woord ethiek is harmonie in ons bewustzijn en ons
denken en dus in onze daden. De ethiek is geen conventie; de moraal
is geen conventie, maar is geworteld in de harmonie, in de centrale
wetten van het zijn; ze is gebaseerd op de structurele harmonie van
het heelal.
Dit morele instinct welt dus op uit uw innerlijke
constitutie. Het komt voort uit uw geestelijke wezen dat het bestaan
van harmonie, orde en de grootsheid en majesteit van schoonheid erkent
– schoonheid van gedachten, schoonheid van aspiraties en gevoelens,
schoonheid van handelen.
Kennis is het kind van liefdevolle daden –
dit is een van de verhevenste waarheden. Men kan geen kennis krijgen
van de mysteriën, van de hogere mysteriën, als het hart niet
van liefde is vervuld en daarvan overvloeit; en kennis vloeit voort
uit het oefenen van de geestelijke krachten in u. Men oefent ze het
gemakkelijkst door het verrichten van liefdevolle, vriendelijke daden
en door broederschap te voelen en in praktijk te brengen, door anderen
te helpen en met hen te delen, door anderen te helpen en hen te laten
delen in het geluk dat u zelf ervaart.
Hoe edel en verheven is het als mensen hun onderlinge
verwantschap beseffen, als hun hart wordt bewogen door almachtige liefde,
als ze beseffen dat ze allen broeders zijn en als ze leven voor het
welzijn van de mensheid!