De hand glijdt voort en schrijft,
’t geschrevene blijft;
Geen woord kan ongedaan worden gemaakt
door vroomheid of door list,
noch wordt één regel door uw tranen uitgewist.
   – Rubaiyat van Omar Khayyam


Het draaiboek van het lot

 


Als we geloven dat de wet van orde en harmonie die de sterrenwerelden beheerst, zich weerspiegelt in de wereld van de mens, moeten we bedenken dat wat een mens in het veld van zijn eigen karakter zaait, hij ook zal oogsten, in dit leven of in een toekomstig bestaan. Als we daarvan uitgaan en ernstig over ons leven nadenken, zullen we inzien dat alle omstandigheden waarin we ons nu bevinden, eens door onszelf moeten zijn geschapen. Daarom gaat er ook geen ogenblik voorbij dat niet zijn betekenis heeft, want bevinden we ons in feite niet op een ladder van evolutie, halverwege tussen de atomen en de sterren – terwijl alles evolueert en groeit om zijn eigen deel van het goddelijke tot uitdrukking te leren brengen?
    De molens van de goden malen langzaam, maar ze malen buitengewoon fijn. Wat we zaaien moeten we oogsten – in oosterse geschriften wordt dit karma genoemd, wat wil zeggen dat iedere actie wordt gevolgd door een daarmee overeenstemmende reactie. Dit woord dat nu in onze taal is opgenomen, is heel bruikbaar omdat daarin niet alleen de hele filosofie van harmonie en rechtvaardigheid ligt besloten, maar ook de gelegenheid die de natuur in haar mededogen de mens biedt om met uiterste grondigheid zijn lessen te leren door hem zelf de gevolgen van zijn denken en handelen te laten dragen.
    Laten we daarom de gebeurtenissen zoals die zich dagelijks ontwikkelen bezien in het licht van de influisteringen van binnenuit en de aansporingen van buitenaf: misschien vinden we dan in de doolhof van acties en reacties, van zaaien en oogsten en van geven en ontvangen op het objectieve gebied, de draad van ‘Ariadne’ die ons tot richtsnoer kan dienen. Als de werken van het goddelijke zich in alle dingen openbaren, dan is er geen mens die we ontmoeten en geen gebeurtenis die plaatsvindt, die voor ons niet een gelegenheid tot groei en een daadwerkelijke hulp in ons leven betekenen. Dezelfde wet die maakt dat het vuur ons brandt als we ermee in aanraking komen, werkt evenzeer op het ethische en geestelijke gebied en zal ons net zolang pijn en verdriet in een of andere vorm blijven berokkenen, tot we ons bewust worden van het feit dat ons betere zelf ons iets probeert te zeggen en daartoe soms wanhopige pogingen doet. Als we nagaan wat er zich in onze ziel afspeelt, zullen we inzien dat de kwaliteit of het brandpunt van onze interesse geleidelijk van een lager naar een hoger gebied van bewustzijn wordt gebracht.
    We hebben allemaal onze eigen opvatting over de vraag waarom er lijden bestaat, maar de natuur kent geen weldadiger methode om ons attent te maken op onze tekortkomingen of op het kwaad dat we doen, dan ons precies de gevolgen te laten ondergaan van onze dwaze en zelfzuchtige daden – zoals we ook voor de volle honderd procent profiteren van de gevolgen van alle werkelijk onzelfzuchtige gedachten en handelingen. Dit hele proces van vereffening accentueert het onbaatzuchtige aspect van de natuur, die even onpersoonlijk te werk gaat als de zon en de regen.
    Het is het onsterfelijke element in ons dat de bron is van onze grootste inspiratie en kracht, want daarin ligt de wijsheid en kennis verborgen van ons hele verleden, het onvernietigbare getuigenis van ons lijden en streven, van onze hoop en onze dromen. Het legt alles vast wat we denken en doen, en daaruit vloeien de gevolgen voort van de oorzaken die vandaag en gisteren en in vorige levens in beweging werden gezet.
    Het kosmische boek van het lot kent daarom geen engel die optekent en goddelijke beloningen of duivelse straffen uitdeelt. Het is de mens zelf die zijn verleden heeft opgetekend, die zijn heden moet lezen en interpreteren en zo vorm moet geven aan zijn toekomst. We mogen niet verwachten dat we het draaiboek van onze levens onmiddellijk in zijn geheel kunnen ontcijferen, maar wel moeten we proberen de wegwijzers te lezen die we op ons pad vinden.
    Ons grootste probleem is dat we hopen dat karma vlugger en meer in overeenstemming met onze wensen zal werken. Maar naarmate we ons eigen hoofdstuk uit het grotere universele boek van het lot beter begrijpen, zullen we gaan zien dat de omstandigheden en gebeurtenissen die zich dag in dag uit voordoen, op zo wetenschappelijke, nauwkeurige en meedogende wijze werken, dat allen met wie we in aanraking komen, noodzakelijkerwijs tot ons werden gebracht, en wij tot hen, opdat wij en zij daardoor leren en groeien, ontvangen en geven. Het is een mooie en natuurlijke wisselwerking van ervaringen, en als we het karma ‘aanvoelen’ zoals het zich van minuut tot minuut ontvouwt, zullen we daarin aanwijzingen leren zien. Zoeken we echter opzettelijk naar wegwijzers, dan zullen we ze nooit vinden. Dit is de paradox: als we hulp in een bepaalde vorm verwachten, zal die nooit komen, maar als we iedere dag zonder vrees tegemoettreden en op onze innerlijke kracht en wijsheid vertrouwen, ontvangen we alle bescherming en hulp die we kunnen gebruiken.
    We moeten ons echter niets wijsmaken, en ons niet verbeelden dat werkelijke kennis of inspiratie tot ons zal komen als we passief gaan zitten wachten. Ons inzicht groeit alleen dan als we overal waar onze verantwoordelijkheden liggen, bewust en ten volle onze plicht doen. Als we erin slagen dit ideaal op de achtergrond van ons bewustzijn te houden, zullen we instinctief door de uiterlijke gebeurtenissen heen zien en tot het beginsel en wezen ervan doordringen. Doen we dat, dan zal ons karakter worden verrijkt met de innerlijke waarde, de geest en niet de letter van elke ervaring, en dan zal het leven een nieuw aanzien krijgen.
    Als we al vele levens achter de rug hebben, zullen we ongetwijfeld ook in de toekomst meerdere keren op aarde verblijven; sommige levens zullen volgens uiterlijke maatstaven aangenaam en voorspoedig zijn, andere een ware nachtmerrie vol teleurstellingen en beproevingen. De schrijver van ons levensboek, die niemand anders is dan wijzelf, heeft het licht en de schaduw van ons huidige bestaan zo geschetst dat wij, met onze vrije wil en zoveel intelligentie en zuivere aspiratie als we maar kunnen opbrengen, kunnen vaststellen welke eigenschappen van ons karakter moeten worden omgevormd en op welke stevige pilaren we kunnen bouwen. Onze grootste fout is dat we proberen zo gauw mogelijk door de moeilijke perioden heen te komen en totaal vergeten dat de helse momenten ons juist voorbereiden op het tot leven brengen van iets van onschatbare waarde, dat anders misschien doodgeboren zou kunnen worden. Hoe weinigen zijn er onder ons die, als er gelukkiger ogenblikken aanbreken, eraan denken onze medemensen deelgenoot te maken van de waardevolle schatten die in de smeltkroes van het lijden worden aangetroffen? Zodra betere tijden aanbreken, genieten we daar gretig van en vergeten de schoonheid en verrijking die het lijden vergezelden. Dit is de reden waarom tijden van voorspoed de gevaarlijkste perioden voor ons kunnen zijn en die van tegenspoed de meest waardevolle.
    Dankzij de scheppende essentie achter het heelal is zelfs het nietigste deeltje in de kosmos bipolair. Daarom kan de meest negatieve situatie in een positieve worden omgezet, en kan de meest materiële toestand worden bezien vanuit de geestelijke pool van het leven. Het overwinnen van moeilijkheden schenkt ons grote kracht; zelfs de kleinere struikelblokken hebben hun nut, als we tenminste alle omstandigheden verwelkomen als een deel van de schat van mogelijkheden die het leven ons biedt. De hindernissen en obstakels die we bij het vervullen van onze natuurlijke plichten op onze weg vinden, zijn het resultaat van de verantwoordelijkheid op lange termijn van ons hogere zelf om ons te trainen – want de vooruitgang van de enkeling en zelfs van de hele mensheid berust op zelfoverwinning.
    Er gebeurt daarom nooit iets dat niet een gelegenheid inhoudt om onze houding en ons bewustzijn af te stellen op een bredere visie en meer begrip voor anderen. Als zich een probleem voordoet, worden we uitgedaagd om het moedig tegemoet te treden en op te lossen; bij verdriet, om te proberen door alles heen het mededogen van de Wet te voelen; en in geval van vreugde, om na te gaan hoe en waar wij anderen daarin kunnen laten delen. Toch geloof ik niet dat alle beproevingen of moeilijkheden voortkomen uit verkeerd handelen. Het spreekt vanzelf dat fouten en zwakheden lijden met zich brengen, want dat is nu eenmaal de zekerste manier waarop de natuur ons iets kan leren. Maar er is een hoger karma, dat ons magnetisch kan brengen naar de dalen van de smart met het doel ons zo te schokken dat we de oude en vertrouwde platgetreden paden verlaten om nieuwe wegen van denken in te slaan.
    We raken hier het innerlijke aspect van het zich ontvouwende plan van ons leven: als een mens oprecht ernaar streeft zijn bewustzijn te verruimen en een onpersoonlijk dienaar van zijn geestelijke wil te worden, begint hij het christos-element in zichzelf tot grotere werkzaamheid te brengen. Als dat gebeurt, straalt het licht van zijn bewustzijn iets helderder en zal zijn hogere zelf of zijn beschermengel, die de intensiteit van dit streven herkent, het niet wagen dit te veronachtzamen. De natuur verschaft dan de middelen die hem in staat stellen te bewijzen hoe sterk en zuiver zijn aspiraties zijn. De Wet werkt ondanks onze menselijke zwakheid of kracht, en wat iemand werkelijk in de diepste schuilhoeken van zijn ziel is, zal zichtbaar worden. Geen enkel stelsel van leefregels of voorschriften op zichzelf, geen bijbel of veda’s of enig ander heilig geschrift, zal hem nu kunnen helpen. Al kent hij alle technische aspecten van de structuur van de atomen en melkwegstelsels, en weet hij alles van de vele beginselen van de menselijke constitutie, als hij niet heeft gedaan wat zijn plicht hem voorschreef in elk aspect van zijn wezen, zal hij de poort naar wijsheid niet kunnen openen. Dit pad van zelfontplooiing lijkt misschien een eenzaam pad, maar het is een pad van vreugde. Als we eenmaal de hoge beginselen van juist denken in al ons handelen toepassen, zullen we weten dat het goddelijke, dat zowel atomen als sterren bezielt, ook de mens omvat.
    Een absoluut vertrouwen in de Wet doet een innerlijke kracht ontstaan, die de weg van de minste weerstand volgt en door het lichaam van de mensheid circuleert. Want de waarachtigheid van de toewijding en de trouw van een mens functioneert ongeacht tijd en plaats, en zal precies dat goede volbrengen dat nodig is, maar dat u noch ik zouden kunnen uitdenken, voorspellen of regelen. We hoeven niet te weten hoe het werkt; maar als de natuur ernaar streeft het goddelijke de gelegenheid te geven zich in alle delen van het heelal te weerspiegelen, kunnen we er zeker van zijn dat overal waar verlichte harten kloppen, het goede zijn intrede zal doen en naar verhouding de last van het boze en het lelijke in de wereld zal verminderen.
    De hand glijdt voort en schrijft – als we proberen het draaiboek van ons leven in zo’n gedachtesfeer te lezen, zullen we misschien merken dat we, onbewust, natuurlijke instrumenten worden die ter bescherming van onze medemensen het patroon helpen weven van goddelijke waakzaamheid die de mensheid omgeeft.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 16-22

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag