Karma: de wet van oorzaak en gevolg


Vraag — Ik wil graag meer weten over karma, vooral over de opvatting dat wijzelf verantwoordelijk zijn voor onze levensomstandigheden. Zouden we daarover kunnen spreken?

Commentaar — Dit is een onderwerp waarover men nooit uitgepraat raakt. U herinnert zich waarschijnlijk wat het Nieuwe Testament erover zegt: ‘Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten’. Dit is precies wat karma betekent – het is een Sanskrietwoord en het wordt in de hindoe- en boeddhistische filosofie gebruikt om aan te duiden dat ‘actie’ wordt gevolgd door reactie. Elke religie heeft de nadruk gelegd op de leer van de morele verantwoordelijkheid. De moslims kennen het begrip kismet en bedoelen daarmee het individuele levenslot. De oude Grieken spraken van Nemesis of de godin van de vergeldende rechtvaardigheid; ze personifieerden ook het verleden, het heden en de toekomst in de drie moiren of spinsters van het lot. Zij die in het joodse geloof zijn opgevoed, zijn vertrouwd met de Mozaïsche uitspraak: ‘Oog om oog en tand om tand’. Het zijn allemaal verschillende manieren om de universele wet van harmonie en evenwicht te beschrijven, die ervoor zorgt dat elke oorzaak die is gelegd na verloop van tijd het gevolg voortbrengt dat daarmee in overeenstemming is.
    Wat ons bij de studie van karma allereerst aanspreekt, zijn de overweldigende gedachten die in ons worden opgeroepen als we het beschouwen in verband met de bijbehorende leer van wedergeboorte en de rol die ieder van ons moet spelen in het lange drama van het bestaan. Waar we ons voor moeten hoeden is de neiging om onze gedachten te beperken tot ‘onszelf en ons karma’; we kunnen zó in onze eigen zorgen opgaan, dat we onze dagelijkse ervaringen niet nuchter en verstandig in een ruimer verband kunnen zien.
    Karma heeft vele aspecten, zoals wereld-, nationaal- en raskarma, familie- en individueel karma. We kunnen zelfs zeggen dat er karma bestaat van een onderneming of een gemeenschap, enz. Met andere woorden, op elk terrein van het leven, van het individuele tot het internationale, denkt en handelt de mens en worden daardoor bepaalde oorzaken gelegd die noodzakelijk hun gevolgen zullen voortbrengen. Er komt dan ook geen einde aan de vertakkingen van acties en reacties.

Vraag — Maar hoe begon het allemaal?

Commentaar — Om een beter begrip te krijgen van karma met betrekking tot het heden, moeten we ver teruggaan en wel naar de tijd van de Hof van Eden. Ons is verteld, dat sinds het moment dat de mens at van de vrucht van de boom van kennis van goed en kwaad, hij een zelfbewuste eenheid werd van de mensheid, moreel verantwoordelijk voor al zijn daden en gedachten. Als dat zo is, zijn we vanaf dat ogenblik de scheppers geworden van ons eigen karakter en de makers van ons eigen lot en heeft die goddelijke wet van zaaien en oogsten ons in de gelegenheid gesteld precies die omstandigheden in het leven te roepen waarin we ons nu bevinden, van welke aard die ook zijn.
    Het is echter te betreuren dat we in het westen zo zijn opgevoed dat we aan de werking van deze wet denken met vrees in het hart: ‘als je niet goed leeft, zal God je straffen; als je kwaad doet, ga je niet naar de hemel’. We kunnen ons moeilijk een God voorstellen die ieder mens afzonderlijk in het oog houdt, gereed om toe te slaan als hij fouten maakt, of hem met speciale gunsten te belonen als hij zich goed gedraagt. De mens mag dan ‘op ontzagwekkende en wonderbaarlijke wijze zijn gemaakt’, maar dat betekent niet dat hij in vrees werd geschapen. De vloek van het dogmatische geloof dat we in zonde zijn geboren, heeft verstrekkende en rampzalige gevolgen gehad. De mens is inderdaad op wonderbaarlijke wijze gemaakt, en beschikt in zijn aard over kwaliteiten van het hoogste potentieel – kwaliteiten die zijn gebaseerd op een goddelijk vertrouwen en niet op een goddelijke vrees. De almachtige intelligentie, die zelfs het kleinste atoom van ons heelal doordringt, zou nooit hebben kunnen toestaan dat zijn essentie zich manifesteerde, zonder het volle vertrouwen dat elk van die atomen eens de gelijke zou worden van dat waaruit het voortkwam. Als we onze voorstelling van de godheid beperken tot een wezen dat aan de ene kant persoonlijk toezicht houdt op de hele evolutionaire ontwikkeling van ieder mens afzonderlijk en dat ons aan de andere kant tot wezens maakt die in ‘zonde’ zijn geboren, dan verlagen we het waarachtige doel van het leven.
    In de allegorie van de gevallen engel ligt veel waarheid verborgen. Dit verhaal waarvan de orthodoxe interpretatie zo’n povere weergave is, komt bij talrijke volkeren in de oudheid voor. In de overleveringen van de hindoes wordt het gesymboliseerd in de neerdaling van de mânasaputra’s of ‘zonen van het denkvermogen’ – goddelijke wezens die het vuur van de menselijke geest ontstaken, zoals in de Griekse mythologie Prometheus het ‘vuur’ van de goden aan de mensheid bracht. Zo betekende in de bijbel de verdrijving van Adam en Eva uit het Paradijs de overgang van de mensheid van een kinderlijke fase in haar groei naar een toestand van bewuste individuele verantwoordelijkheid.
    Als we inzien dat we allen in onze evolutiecyclus vanaf dat moment op onszelf staan, beginnen we beter te begrijpen wat deze leer van karma inhoudt. Het komt erop neer dat wij als nieuwelingen in het gebruik van onze vrije wil heel wat blunders hebben begaan. En telkens als we een fout maakten, ondervonden we de reactie ervan, waarbij wordt geprobeerd ons denken zo te richten dat we niet opnieuw in dezelfde fout zouden vervallen. Op het fysieke gebied leren we allemaal snel genoeg, maar het kost ons heel wat meer tijd om onze lessen te leren op het ethische en geestelijke vlak. Niettemin brengt de wet van harmonie in de natuur altijd herstel van evenwicht teweeg, soms op een nogal krachtdadige manier, maar juist op die wijze ontwikkelen we langzamerhand ons onderscheidingsvermogen.
    Eenvoudig gezegd, we hebben in de loop van de eeuwen heel wat gevolgen opgehoopt van vroegere daden, zodat we nu met een aantal karmische verantwoordelijkheden worden geconfronteerd die uit een ver verleden stammen en waaruit het onsterfelijke element in ons een bepaald gedeelte voor dit leven heeft gekozen. Dit deel is niet te zwaar en niet te licht, want in de hele kosmos heerst volmaakte rechtvaardigheid.
    Men spreekt soms van goed en slecht karma, prettig en onprettig karma. Voor mij bestaat er niet zoiets als goed of slecht karma, want de resultaten, de gevolgen van onze daden en gedachten, zijn voor ons niets anders dan kansen. Dat is de sleutel. Karma opgevat als kansen geeft ieder mens dezelfde mogelijkheden om te groeien. Ik kan dit nu niet direct als een zware last zien. Het enige wat we moeten doen is onze reacties aanpassen aan onze omstandigheden en deze in de juiste houding tegemoettreden. Maar als we zo dwaas zijn gevoelens van afkeer te koesteren tegen de zogenaamde onprettige dingen in het leven, breiden we de gevolgen van de verkeerde oorzaken steeds verder uit, tot tenslotte het besef in ons ontwaakt dat we in feite alleen maar tegen onszelf in opstand zijn.
    Het doet er niet toe hoeveel leed we in dit leven moeten ondergaan – ons karma zal nooit méér zijn dan we kunnen verwerken. Wijs mij iemand die een zware karmische last moet dragen, dan is dat iemand met een sterke ziel. Een mens die door een ware hel gaat, is een ziel die door de kracht van zijn innerlijke aspiratie het recht heeft verworven zijn wezen tot in de kern te toetsen.

Vraag —Als we wisten door welke vroegere daden onze tegenwoordige problemen zijn veroorzaakt, zouden we ze dan niet gemakkelijker kunnen begrijpen? Ik weet dat ik verantwoordelijk ben voor wat mij overkomt, de prettige zowel als de onprettige dingen. Maar hoe kan ik al dit karma op de juiste manier verwerken?

Commentaar — Als de natuur in diepste wezen harmonieus, goed en rechtvaardig is, zou ze volgens mij niet van ons verlangen verantwoordelijkheden te dragen zonder ons een sleutel of een leidraad te geven, en dit geldt in het bijzonder voor iemand die bewust naar het hogere streeft. De natuur geeft die sleutel inderdaad, al kost het ons veel moeite hem te vinden. Maar als we geloven dat er geen oorzaak kan bestaan zonder gevolg en geen gevolg zonder oorzaak, moeten we ook geloven dat niets bij toeval gebeurt. Dan is elke situatie waarin we komen te verkeren het resultaat van iets dat we in het verleden hebben gedacht of gedaan of waaraan we hebben deelgenomen, en dat ons de gevolgen bracht die in de omstandigheden waarin we ons nu bevinden, tot uitdrukking komen. Moeten we werkelijk precies de oorzaak weten? In bijzonderheden is dit niet mogelijk, maar wel kunnen en moeten we proberen erachter te komen van welke aard de ervaringen waren die de huidige toestand hebben teweeggebracht.
    In dit stadium van onze groei beginnen diegenen die bewust proberen hun karakter te verbeteren en zelf richting te geven aan hun evolutie, het eerste zwakke schijnsel te bespeuren van waarachtige intuïtie. We zijn nog lang niet op het hoogtepunt van de huidige cyclus van onze mensheid, maar toch wordt nu reeds van ons verlangd dat we leren omgaan met de eerste tekenen van intuïtie in ons bewustzijn. Daarom zal iemand die begint na te denken over de leringen van karma en reïncarnatie vroeg of laat tot de ontdekking moeten komen, dat hij een duidelijke verantwoordelijkheid heeft om zijn eigen karma op verstandige wijze tegemoet te treden. Hij zal moeten leren hoe hij er tegenover moet staan, hoe hij moet luisteren naar zijn onsterfelijke zelf, zijn intuïtie, zo u wilt. Het is het onsterfelijke zelf, dat het drama van deze incarnatie heeft uitgekozen waarin hij de acteur is, en dit hogere element probeert hem door middel van de levensomstandigheden te helpen om aan de uitdagingen van iedere dag op de juiste wijze het hoofd te bieden.
    Daarom beginnen we in onze strijd voor een beter begrip te beseffen dat we het vermogen kunnen ontwikkelen het zich ontvouwende karmische draaiboek van ons leven te lezen. Als we daarmee gaan werken, zullen we ontdekken dat we de situaties die zich voordoen, beter aanvoelen en op verstandiger wijze ermee overweg kunnen. We zouden het kunnen zien als een Boek – het Boek der optekeningen zoals de Koran het noemt – waarin ons individuele leven volledig staat vermeld. Elke dag in ons leven, die een bladzijde vormt van zogenaamd karmisch debet en credit, houdt voor ons aanwijzingen in, aansporingen en weerstanden, waarschuwingen van het geweten en zelfs influisteringen van de intuïtie, waarvan we gebruik moeten maken. Wanneer we eenmaal, al is het in geringe mate, het dagelijkse draaiboek van onze ervaringen kunnen lezen, beseffen we nog iets anders, namelijk dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen de kwaliteit van de reactie en de kwaliteit van de handeling die haar teweegbracht. Dit wordt niet in finesses voor ons uitgewerkt, maar als we ons ervan bewust blijven dat onze belangrijkste taak tenslotte de volledige ontplooiing is van de goddelijke waarden die in ons liggen besloten, zullen we ook gaan beseffen dat het proces van het omzetten van het lagere door het hogere zelf gepaard moet gaan met het aanhoudende streven om in alle omstandigheden onze houding te verbeteren.

Vraag — Als we proberen onze houding ten opzichte van ons eigen karma te verbeteren, moeten we dan niet ook rekening houden met het karma van degenen die ons omringen? Ik denk nu in het bijzonder aan familie- en nationaal karma.

Commentaar — Als we in de natuurlijke werking van deze wet geloven, weten we dat onze dagelijkse ontmoetingen met andere mensen door karma geschieden, en dat wij als gevolg van dit contact iets van hen ontvangen, of zij iets van ons. Geen van beide partijen hoeft zich van deze uitwisseling bewust te zijn. Het gaat even natuurlijk als de ademhaling, en het effect is misschien oneindig klein, maar alles tezamen draagt bij tot het karmische evenwicht, het karmische totaal van een bepaalde dag. Als onze innerlijke houding de beste is waartoe we in staat zijn, als we onze persoonlijke wil ondergeschikt maken en de geestelijke wil of de intuïtie zoveel mogelijk de vrije teugel laten, gaan we inzien wat de ander bijdroeg aan de mogelijkheden tot groei die op elk ogenblik binnen ons bereik liggen.

Vraag — Maar is het niet arrogant aan te nemen dat we bewust enige invloed kunnen uitoefenen op het karma van volkeren? We doen toch al heel wat als we met ons eigen persoonlijke leven verstandig omspringen?

Commentaar — De meesten van ons kunnen niet rechtstreeks het nationale of wereldkarma beïnvloeden. Maar we zijn een deel van de mensheid, en naarmate we ons karakter sterker maken, zal ons volk en de wereld in het algemeen daarvan profiteren. De voornaamste sleutel is plicht: we volbrengen onze levenstaak het best als we die plichten vervullen die vlak voor ons liggen. Mocht het gebeuren dat u of ik op natuurlijke karmische wijze deel zou gaan uitmaken van de regering of het parlement, dan zouden we in de gelegenheid komen op krachtiger wijze en meer direct het land waartoe we behoren van dienst te zijn. Waar het in de allereerste plaats om gaat is waar we nu in het leven staan en wat we ermee doen, want de kwaliteit van onze gedachten en daden bepaalt onze invloed in de toekomst.
    Ziet u niet welke grootse mogelijkheden we hebben? Door creatief te reageren en met de wil om fouten uit het verleden te herstellen, zullen we onvermijdelijk de kwaliteit van ons streven op het bewustzijn van onze medemensen overdragen, waardoor we aan hen nieuwe moed geven. Zonder vrees, maar vol vertrouwen kunnen we van nu af aan de toekomst tegemoetgaan, terwijl we weten dat onze goede gedachten en juiste handelingen eens hun dienovereenkomstige gevolgen zullen teweegbrengen. Dit maakt elk moment tot een kans – een uitdaging om de ons door het lot opgelegde verantwoordelijkheden te vervullen, niet alleen tegenover onszelf, maar jegens de hele mensheid.


Mens, Vonk der Eeuwigheid, James A. Long, blz. 23-30

© 2000 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag