|
Het lichaam en het astrale lichaam
|
|
Het lichaam als een massa vlees, beenderen, spieren, zenuwen, hersenstof, gal, slijm, bloed en huid, is voor teveel mensen het voorwerp van hun enige zorg; ze maken het tot hun god, omdat ze zich ermee zijn gaan vereenzelvigen, en bedoelen slechts het lichaam als ze ‘ik’ zeggen. Aan zichzelf overgelaten heeft het geen verstand en handelt in zo’n geval alleen automatisch en door reflex. Dit zien we bij de slaap, want dan neemt het lichaam houdingen aan en maakt het bewegingen, die de mens zich tijdens de waaktoestand niet veroorlooft. Het lijkt op moeder aarde, omdat het uit een oneindig aantal ‘levens’ bestaat. Ieder van deze levens is een punt dat ontvankelijk is voor indrukken. Niet alleen zijn er microben, bacillen en bacteriën, maar deze zijn samengesteld uit andere, en die andere uit nog kleinere levens. Deze levens zijn niet de cellen van het lichaam, maar vormen de cellen, en blijven altijd binnen de grenzen door de evolutie opgelegd aan de cel. Onophoudelijk warrelen ze en bewegen samen door het hele lichaam en bevinden zich zowel in bepaalde schijnbaar lege ruimten als daar waar wij vlees, vliezen, beenderen en bloed zien. Ze komen ook voor tot op een meetbare afstand buiten de werkelijke begrenzing van het lichaam. Een van de geheimen van het fysieke leven ligt in die ‘levens’ verborgen. Hun werking, voortgedreven door de levensenergie – prâna of jîva genoemd – verklaart het actieve bestaan en de lichamelijke dood. Ze worden in twee klassen verdeeld: de vernietigers en de in-stand-houders, en die twee strijden vanaf de geboorte met elkaar, totdat de vernietigers het winnen. In deze strijd maakt de levensenergie zelf een einde aan de strijd, want het leven doodt. Dit klinkt misschien onorthodox, maar in de theosofische filosofie wordt het als een feit beschouwd. Want, zo wordt gezegd, het kind leeft, omdat het samenstel van gezonde organen in staat is het leven dat overal rondom het kind in de ruimte aanwezig is, op te nemen, en het kind valt elke dag in slaap door de overweldigende kracht van de levensstroom, omdat de in-stand-houders in de cellen van het jeugdige lichaam door de andere klasse nog niet zijn bedwongen. De processen van in slaap vallen en weer wakker worden zijn enkel en alleen de werking als gevolg van een verstoring voortgebracht in de waaktoestand en het herstel van het evenwicht tijdens de slaap. Men kan het vergelijken met het elektrische booglicht, waarbij de schitterende lichtboog op het punt van weerstand de wakende actieve mens voorstelt. Zo absorberen we tijdens de slaap weer de levensenergie en bieden er geen weerstand aan; wanneer we wakker zijn, geven we haar af. Maar omdat ze om ons heen bestaat, als een oceaan waarin wij zwemmen, is onze kracht om haar af te geven noodzakelijk beperkt. Wanneer we wakker worden, zijn we wat onze organen en het leven betreft in evenwicht. Wanneer we in slaap vallen, is er meer leven in ons dan in de ochtend; het heeft ons uitgeput; het doodt tenslotte het lichaam. Zo’n strijd kan niet eeuwig worden gevoerd, omdat het vermogen dat in één kleine menselijke vorm is geconcentreerd weerstand moet bieden aan de levenskracht van het hele zonnestelsel. Het lichaam wordt door de meesters van wijsheid beschouwd als het meest vergankelijke, onbestendige en bedrieglijke deel van de hele menselijke constitutie. Geen ogenblik blijft het hetzelfde. Het verandert altijd, is in al zijn delen in beweging, en hoewel tastbaar, is het in feite nooit volledig of voltooid. De Ouden hebben dit duidelijk ingezien, want ze hebben een lering uitgewerkt die nityapralaya wordt genoemd, of de voortdurende verandering, de voortdurende vernietiging, in stoffelijke dingen. De wetenschap kent dit nu als de leer dat het lichaam elke zeven jaar een algehele verandering en vernieuwing ondergaat. Aan het einde van de eerste zeven jaar is het niet hetzelfde lichaam als aan het begin ervan. Aan het einde van onze dagen heeft het zeven keer een verandering ondergaan, en misschien vaker. Maar toch toont het dezelfde algemene verschijning vanaf de volwassenheid tot de dood, en is het een menselijke vorm vanaf de geboorte tot de volwassenheid. Dit is een mysterie dat de wetenschap niet verklaart; het is een vraagstuk dat betrekking heeft op de cel en op de manier waarop de vorm van de mens in stand wordt gehouden. De ‘cel’ is een illusie. Het is niet meer dan een woord. Ze bestaat niet als een stoffelijk ding, want elke cel is samengesteld uit andere cellen. Wat is dan een cel? Ze is de denkbeeldige vorm waarbinnen de werkelijke stoffelijke atomen – samengesteld uit de ‘levens’ – zich rangschikken. Omdat algemeen wordt aangenomen dat de stoffelijke moleculen voortdurend uit het lichaam wegstromen, moeten ze elk ogenblik de cellen verlaten. Daarom is er geen stoffelijke cel, maar alleen de buitensluitende grenzen van een cel, de denkbeeldige wanden en de algemene vorm. De moleculen nemen volgens de natuurwetten hun plaats in binnen de denkbeeldige vorm, en verlaten die bijna onmiddellijk weer om plaats te maken voor andere atomen. En zoals het met het lichaam gaat, zo gaat het ook met de aarde en met het zonnestelsel. En zo gaat het, maar in langzamer tempo, met alle materiële dingen. Ze bewegen en veranderen voortdurend. Dit is moderne en ook oude wijsheid. Dit is de stoffelijke verklaring van helderziendheid, helderhorendheid, telepatie en gedachtenlezen. Het helpt ons in te zien wat een bedrieglijk en onbevredigend iets ons lichaam is. Hoewel het astrale lichaam – in het Sanskriet lingaSarîra – strikt genomen het tweede bestanddeel van de mens is, zullen wij de levensenergie – prâna en jîva in het Sanskriet – en dit lichaam samen behandelen, omdat naar onze ervaring het verschijnsel leven beter in verband met het lichaam kan worden toegelicht. Leven is niet het gevolg van de werking van de organen, en het verdwijnt ook niet als het lichaam uiteenvalt. Het is een alles doordringend beginsel. Het is de oceaan waarop de aarde drijft; het doordringt de bol en ieder wezen en voorwerp erop. Het werkt onophoudelijk rondom ons, heeft invloed op ons en klopt voortdurend in ons. Wanneer wij in een lichaam zijn, gebruiken we slechts een heel gespecialiseerd instrument om met zowel prâna als jîva te kunnen werken. Strikt genomen is prâna adem, en omdat adem voor het behoud van het leven in de menselijke machine nodig is, is dat de meest geschikte term. Jîva betekent ‘leven’ en wordt ook gebruikt voor de levende ziel, want het leven in het algemeen komt voort uit het hoogste leven zelf. De term jîva kan daarom algemeen worden toegepast, terwijl prâna meer specifiek is. Men kan niet zeggen dat iemand een bepaalde hoeveelheid levensenergie bezit, die naar haar bron terugvloeit als het lichaam zou worden verbrand, maar eerder dat zij met de hoeveelheid materie werkt, die zich nu eenmaal in dat lichaam bevindt. Wij maken haar als het ware vrij of gebruiken haar terwijl we leven. Want, of we nu leven of dood zijn, de levensenergie blijft bestaan; tijdens ons leven is ze in onze organen en houdt deze in stand; bij de dood is ze in de talloze wezens die voortkomen uit onze vernietiging. Wij kunnen ons evenmin van dit leven ontdoen, als de lucht wegnemen waarin de vogel vliegt; en evenals de lucht vult het alle ruimten op de planeet, zodat we nergens de weldadige invloed ervan kunnen verliezen noch aan zijn uiteindelijk vernietigende kracht kunnen ontsnappen. Maar om op het fysieke lichaam te kunnen inwerken heeft dit leven – prâna – een voertuig, een middel of een gids nodig en dit voertuig is het astrale lichaam. Er zijn vele namen voor het astrale lichaam. Om er enkele te noemen: lingaSarîra in het Sanskriet, letterlijk modellichaam, en dit is de beste van alle namen; etherisch dubbel; fantoom; schim; verschijning; dubbelganger; persoonlijke mens; perisprit; irrationele ziel; dierlijke ziel; bhûta; elementair; spook; duivel; demon. Sommige van deze termen zijn alleen van toepassing op het astrale lichaam als het na de dood geen stoffelijk lichaam meer heeft. Bhûta, duivel en elementair zijn bijna synoniem, het eerste is Sanskriet, de andere zijn Nederlands. Bij de hindoes is bhûta het astrale lichaam, wanneer het door de dood vrijkomt van het fysieke lichaam en van het denkvermogen; en omdat het is gescheiden van het geweten, beschouwen zij het als een duivel. Ze zitten er niet ver naast, als we het oude begrip loslaten dat een duivel een engel is die uit de hemel is gevallen; want deze lichamelijke duivel is iets dat van de aarde opstijgt. Men kan als bezwaar aanvoeren dat de term astraal lichaam voor dit doel niet de juiste is. Dit bezwaar komt voort uit de aard en de ontstaansgeschiedenis van onze taal, want omdat deze is gegroeid tijdens de strijd met de natuur en onder een handelsvolk, heeft zij nog geen woorden gevormd om de veelheid van vermogens en organen van de onzichtbare mens mee aan te duiden. En omdat zijn filosofen het bestaan van deze innerlijke organen niet hebben erkend, bestaan er in onze taal geen goede termen voor. En als we naar woorden zoeken om het innerlijke lichaam te beschrijven zijn de enige die wij vinden ‘astraal lichaam’. Deze term komt dicht bij de werkelijkheid, omdat de substantie van deze vorm, globaal gesproken, afkomstig is van kosmische stof of sterrenstof. Maar het oude Sanskrietwoord beschrijft het nauwkeurig – lingaSarîra, het modellichaam – want het is de blauwdruk of het model voor het fysieke lichaam. Dit is beter dan ‘etherisch lichaam’, want daarvan zou men kunnen zeggen dat het volgt op het fysieke lichaam, terwijl in feite het astrale lichaam aan het stoffelijke voorafgaat. Het astrale lichaam is van een stof gemaakt met een heel fijne structuur vergeleken met het zichtbare lichaam, en heeft een grote treksterkte, zodat het tijdens het leven maar weinig verandert, terwijl het fysieke lichaam zich elk ogenblik wijzigt. Het is niet alleen enorm sterk, maar is tegelijk zo rekbaar dat het zich tot op een aanzienlijke afstand kan uitbreiden. Het is buigzaam, plastisch, uitrekbaar en sterk. De stof waaruit het bestaat, is in essentie elektrisch en magnetisch, en is precies dat waaruit de hele wereld bestond, toen in een grijs verleden de evolutieprocessen nog niet het punt hadden bereikt waar het stoffelijke lichaam voor de mens wordt voortgebracht. Maar zij is geen ruwe of grove stof. Doordat zij door een onmetelijk lang tijdperk van evolutie is gegaan en een ontelbaar aantal zuiveringsprocessen heeft ondergaan, is haar aard verfijnd geworden tot een graad ver boven de grofstoffelijke elementen die we met het fysieke oog zien en met de fysieke hand voelen. Het astrale lichaam dient als model voor het fysieke lichaam en alle andere rijken hebben eveneens een astraal model. Planten, mineralen en dieren hebben een etherisch dubbel, en deze theorie is de enige die de vraag beantwoordt, hoe het komt dat het zaad zijn eigen soort voortbrengt en alle bewuste wezens hun soortgenoten voortbrengen. Biologen kunnen slechts zeggen, dat de feiten zijn zoals wij die kennen, maar kunnen geen reden geven, waarom uit een eikel nooit iets anders dan een eik voortkomt, behalve dat niemand het ooit anders heeft zien gebeuren. Maar in de oude scholen van het verleden was de ware leer bekend, en zij is opnieuw aan het westen gebracht door de inspanningen van H.P. Blavatsky en van mensen die door haar geschriften zijn geïnspireerd. Volgens deze leer worden in de begintijd van de evolutie van deze bol de verschillende natuurrijken eerst als plan of ideële vorm geschetst, waarna de astrale stof dit plan begint uit te werken met behulp van het levensbeginsel, totdat na vele eeuwen de astrale menselijke vorm is ontwikkeld en vervolmaakt. Dit is dan de eerste vorm die het mensenras had, en komt tot op zekere hoogte overeen met de allegorie van de toestand van de mens in de Hof van Eden. Na nog een lange periode waarin de cyclus van verdere afdaling in de stof voortrolt, hult de astrale vorm zich tenslotte in ‘rokken van vellen’ en verschijnt de huidige fysieke vorm op het toneel. Dit is de verklaring van het vers in Genesis waarin wordt beschreven dat aan Adam en Eva rokken van vellen worden gegeven. Het is de uiteindelijke val in de stof, want vanaf dat moment streeft de innerlijke mens ernaar de fysieke substantie in haar geheel op een hoger niveau te brengen en met een meer geestelijke invloed te doordringen, zodat ze gereed is om in de volgende grote evolutieperiode nadat de huidige is geëindigd, nòg verder te gaan. Zo is het astrale lichaam tegenwoordig het model voor het in de baarmoeder groeiende kind en heeft al vóór de geboorte van het kind een volmaakte vorm. De moleculen rangschikken zich volgens dit model, totdat het kind is voltooid, en de aanwezigheid van het etherische modellichaam verklaart hoe de vorm gestalte krijgt, hoe de ogen zich van binnenuit naar de oppervlakte van het gelaat werken en veel andere mysterieuze zaken uit de embryologie, waar de medische wetenschap een beschrijving van geeft maar geen verklaring. Dit biedt ook een verklaring – en er is geen andere – voor die gevallen waarbij een kind in de baarmoeder wordt ‘gebrandmerkt’, iets dat door artsen soms wordt ontkend, maar voor wie zich de moeite geven om goed waar te nemen, iets dat vaak gebeurt. De groeiende fysieke vorm is afhankelijk van het astrale model; deze is door fysieke en psychische organen verbonden met de verbeelding van de moeder; de moeder vormt zich uit afschuw, angst of iets anders een scherp beeld en het astrale model wordt overeenkomstig dat beeld beïnvloed. Maar in het geval van het ‘brandmerken’ waarbij het kind zonder benen wordt geboren, hebben de gedachten en de sterke verbeelding van de moeder een zodanige invloed gehad, dat ze het astrale been hebben afgesneden of doen verschrompelen, en het gevolg is dat de moleculen, die omdat er geen voorbeeld van een been is om zich naar te richten, in het geheel geen fysiek been vormen; en zo gaat het in al dat soort gevallen. Maar als we iemand ontmoeten die een been nog voelt dat door een arts is afgezet of vingers die zijn geamputeerd, dan is er met het astrale lid niets gebeurd en daarom heeft hij het gevoel of het nog aan zijn lichaam zit. Want mes noch zuur kunnen het astrale model kwetsen, maar in de eerste stadia van zijn groei hebben gedachten en verbeelding de kracht van zuur en gehard staal. Bij gewone mensen die niet in praktisch occultisme zijn getraind, of die niet met een dergelijke gave zijn geboren, kan het astrale lichaam zich niet meer dan een paar voet van het stoffelijke lichaam verwijderen. Het is een deel van dat stoffelijke, het steunt het en is erin belichaamd, zoals de vezels van een mango overal in die vrucht zijn. Maar er zijn mensen die, als gevolg van training in vorige levens op aarde, bij de geboorte het vermogen meebrengen om onbewust het astrale lichaam uit te zenden. Dat zijn de mediums, sommige zieners en talloze hysterische, cataleptische en scrofuleuze mensen. Door lang volgehouden bijzonder strenge discipline hebben ze zich geoefend – een discipline die zich ook tot de morele en mentale natuur uitstrekt en de krachten van de gewone mens van nu geheel te boven gaat – en kunnen ze de astrale vorm naar wens gebruiken, want ze doorzien de illusie volkomen dat het stoffelijke lichaam een blijvend deel van hen uitmaakt, en bovendien kennen ze de wetten van de chemie en de elektriciteit die hierbij een rol spelen. In hun geval handelen ze bewust en met kennis, in andere gevallen gebeurt het zonder dat men het kan voorkomen, het naar wens kan teweegbrengen of de gevaren kan vermijden, die zijn verbonden aan het gebruik van natuurkrachten van een verheven karakter. In het astrale lichaam bevinden zich de werkelijke organen van de uiterlijke zintuigen. Het bevat het gezicht, het gehoor, de reuk en het gevoel. Het heeft een volledig eigen stelsel zenuwen en aderen voor het transporteren van de astrale vloeistof, die voor dat lichaam is wat het bloed is voor ons fysieke lichaam. Het is de werkelijke persoonlijke mens. Hier vindt men de onderbewuste gewaarwording en het latente geheugen, waarmee de hypnotiseurs tegenwoordig werken en waardoor ze worden verbijsterd. En als het lichaam sterft, komt de astrale mens vrij; en omdat bij de dood de onsterfelijke mens – de triade – in een andere toestand overgaat, wordt het astrale lichaam tot een schil van de eens levende mens en heeft tijd nodig om uiteen te vallen. Het behoudt alle herinneringen aan het leven dat de mens heeft geleefd, en kan daarom automatisch en in een reflex herhalen wat de gestorven mens wist, zei, dacht en zag. Het blijft bijna de hele tijd dicht bij het achtergelaten fysieke lichaam, totdat dit laatste geheel is ontbonden, want het moet zijn eigen stervensproces doormaken. Onder bepaalde omstandigheden kan het zichtbaar worden. Het is het spook van de spiritistische seances; en men laat het daar doorgaan voor de werkelijke geest van dit of dat individu. Aangetrokken door de gedachten van het medium en de aanwezigen zweeft het onbestemd in hun buurt rond en wordt dan tot een soort kunstmatig leven opgewekt door een menigte elementale krachten en door het actieve astrale lichaam van het medium dat de seance houdt of van een ander medium onder de aanwezigen. Vanuit het spook worden dan (zoals vanaf een foto) in de hersenen van het medium alle bewijzen weerspiegeld waar de spiritisten zich op beroepen voor het vaststellen van de identiteit van de overleden vriend of het familielid. Dit bewijsmateriaal wordt gezien als bevestiging van de aanwezigheid van de geest van de overledene, omdat noch het medium noch de deelnemers op de hoogte zijn van de wetten die hun eigen natuur beheersen, en ook niet van de samenstelling, krachten en werkingen van de astrale stof en van de astrale mens. De theosofische filosofie ontkent de op spiritistische seances vastgestelde feiten niet, maar ze geeft er een verklaring van die lijnrecht staat tegenover die van de spiritisten. En dat die zogenaamde geesten geen enkele logische wetenschappelijke verklaring geven van de verschijnselen die ze teweeg zouden brengen, steunt ongetwijfeld de stelling dat ze geen kennis bezitten om mee te delen. Ze kunnen slechts bepaalde verschijnselen teweegbrengen; het onderzoek daarvan en de daaruit te trekken conclusies kunnen alleen door een geoefend brein, geleid door een levende drieëenheid van geest, ziel en denkvermogen, op de juiste manier worden verricht. Het is nu nodig aan een bepaald soort spiritistische verschijnselen kort aandacht te schenken. Dat is het verschijnen van een zogenaamde ‘gematerialiseerde geest’. Drie verklaringen worden hiervoor gegeven: Ten eerste, dat het astrale lichaam van het levende medium zich van zijn stoffelijke lichaam scheidt en de uiterlijke vorm van de zogenaamde geest aanneemt; want een van de eigenschappen van de astrale stof is het vermogen om een beeld, dat onzichtbaar in de ether aanwezig is, te weerspiegelen. Ten tweede, de werkelijke astrale schil van de overledene – geheel zonder zijn of haar geest en geweten – wordt zichtbaar en tastbaar, wanneer door de toestand van de lucht en van de ether de trillingen van de moleculen van de astrale schil zo veranderen dat deze zichtbaar kan worden. De verschijnselen van dichtheid en schijnbaar gewicht worden door andere wetten verklaard. Ten derde, een onzichtbare hoeveelheid elektrische en magnetische stof wordt verzameld, en daarop wordt vanuit het astrale licht een beeld afgedrukt van elk gewenst persoon, dood of levend. Dit wordt dan voor de ‘geest’ van die personen aangezien maar is dat niet, en door H.P. Blavatsky is het terecht een ‘psychologisch bedrog’ genoemd, want het beweert iets te zijn wat het niet is. En vreemd genoeg is juist deze verklaring van materialisaties door een ‘geest’ op een gewone seance gegeven, maar is door de spiritisten nooit aanvaard, omdat ze hun denkbeeld over de terugkeer van de geesten van overleden personen omverwerpt. Tenslotte biedt het astrale lichaam een verklaring voor bijna alle vreemde paranormale verschijnselen, die zich in het dagelijks leven en in de omgang met werkelijke mediums voordoen; het laat zien wat een verschijning kan zijn, en dat het mogelijk is die te zien, en voorkomt zo dat de wetenschappelijk ingestelde twijfelaar het gezonde verstand geweld aandoet door van iets waarvan u weet dat u het heeft gezien, te beweren dat u het niet heeft gezien; het neemt het bijgeloof weg door de ware aard van deze verschijnselen aan te tonen, en vernietigt de onredelijke angst voor het onbekende, waardoor iemand bang wordt om een ‘geest’ te zien. Door het astrale lichaam kunnen we ook het verplaatsen van voorwerpen verklaren zonder dat die lichamelijk worden aangeraakt; want de astrale hand kan worden uitgestoken en een voorwerp vastgrijpen en het naar het lichaam toetrekken. Wanneer is aangetoond dat dit mogelijk is, zullen reizigers niet worden uitgelachen als ze ons vertellen te hebben gezien dat hindoe-yogî’s koffiekopjes door de lucht laten vliegen en ver verwijderde voorwerpen schijnbaar uit eigen beweging laten naderen, zonder door hem of door iemand anders te zijn aangeraakt. Alle gevallen van helderziendheid en helderhorendheid kunnen eveneens door het astrale lichaam en het astrale licht worden verklaard. Door de astrale organen – die de werkelijke zijn – zien en horen we, en omdat de atomen van alle stoffelijke voorwerpen voortdurend in beweging zijn, worden het astrale gezicht en gehoor niet belemmerd, maar werken ze zover als het astrale licht of de astrale stof rondom de aarde reikt. Op die manier kon de grote ziener Swedenborg huizen in Stockholm zien branden, terwijl hij in een andere stad was, mijlen ver ervan verwijderd, en op dezelfde manier ziet en hoort elke helderziende van nu op een afstand. De Oceaan van Theosofie, W.Q. Judge, blz. 40-51 © 1996 Theosophical University Press Agency |