De mens in een rechtvaardig en geordend heelal

 

Er is nergens sprake van toeval in de oneindigheid. Denk eens logisch na over die uitspraak en zie dan hoever u daarmee komt. De eerste conclusie is deze: omdat er nergens toeval bestaat, zijn er geen toevallige gebeurtenissen en is alles wat plaatsvindt een schakel in een keten van oorzaken en gevolgen – waarin het gevolg onmiddellijk een nieuwe oorzaak wordt, die haar gevolg oproept dat op zijn beurt een nieuwe oorzaak wordt die haar gevolg voortbrengt. Dat noemen we karma.
    Alles wat plaatsheeft wordt dus door wetten veroorzaakt en dat is alleen maar een ander woord voor kosmische vitaliteit plus intelligentie, plus wat we ethisch instinct, orde, noemen; dat zijn precies de dingen die het heelal aan onze onderzoekende blik toont als we het bestuderen. Overal zien we orde, wetten, processen die zich overeenkomstig oorzaak-gevolg relaties voltrekken. Als er ook maar in één atoom in de oneindigheid sprake zou zijn van toeval, zou er overal toeval zijn, want dan zou de oneindigheid geen oneindigheid zijn, maar een oneindigheid op één atoom na, wat absurd is.
    Ga nu met alles wat u van de moderne wetenschappelijke leringen weet en alles wat u van de goddelijke wijsheid weet met uw gedachten logisch een stapje verder: omdat alles wat gebeurt een oorzaak en een gevolg heeft, is het gegrond in de oneindigheid.
    We onderscheiden bij ons onderzoek van de natuur twee dingen: een alomvattende, alles insluitende orde, of wat we de natuurwetten noemen; en daarbinnen, onderworpen aan die universele wet, een oneindig aantal individuen of individualiteiten; elk daarvan is een wezen dat als het ware onder het gezag van de kosmische wet werkt – geen enkel wezen kan anders handelen. We zien dus dat de eenheid, de goddelijke eenheid werkt door middel van een praktisch oneindige veelheid. Tot die veelheid behoren wij mensen. Daartoe behoren ook de goden, engelen of dhyani-chohans, de planten, de dieren, de atomen, enz., enz. Het zijn allemaal individuen die werken naar of volgens de regels van dit fundamentele patroon van kosmische ordelijkheid waaraan ze zijn onderworpen. U ziet hoe strikt logisch deze gedachten zijn, hoe ze ons stap voor stap van het ene punt naar het andere voeren, totdat we niet alleen tot nieuwe conclusies komen, maar tot conclusies die altijd stroken met alles wat we van de universele natuur weten. Waar het om gaat is ze op ons leven toe te passen en dat betekent ook op onze gedachten en gevoelens.
    Als een mens beseft dat er in het heelal geen toeval bestaat, dat hij slechts één eenheid is in een hiërarchie en dat deze hiërarchieën praktisch oneindig in aantal zijn, en dat ze, voorzover wij mensen weten, eindeloos zijn, zoals de hemellichamen, evenals wij kinderen van het oneindige leven – als een mens dat alles beseft, gebeuren er verschillende dingen met hem. Als hij deze gedachten denkt en door diep erover na te denken overtuigd raakt van hun onvermijdelijke kracht, verliest hij allereerst elke angst voor de dood. Ten tweede wordt hij zich ervan bewust dat hij verantwoordelijk is voor wat hij doet, dat wil zeggen, voor wat hij denkt en voelt, en dat hij niet kan ontkomen aan de gevolgen van zijn denken, voelen en handelen; en juist in het feit dat het onmogelijk is om te ontkomen aan de vergelding of beloning van de kosmische wet, ligt voor de mensheid de grootste en edelste hoop.
    Om de gedachte op populaire wijze uit te drukken, in de ouderwetse taal van de christen: hij kan noch hemel noch hel ontlopen. Voor het goede dat hij in de wereld heeft gedaan kan hij de beloning die hem eens, ergens te beurt zal vallen niet ontlopen. Die zal hem vinden, waar hij ook mag zijn en zal zijn leven opfleuren en opvrolijken, hem nieuwe hoop en nieuwe moed geven. Voor het kwaad dat hij heeft gesticht, de onrechtvaardigheden, misdaden, oneerlijkheden die hij heeft begaan, zullen de gevolgen in de keten van oorzaken hem ook opsporen; en al verbergt hij zich in een rotsspleet of in de diepte van een bodemloze afgrond, hij kan een rechtvaardige vergelding niet ontlopen; want de eeuwige en universele natuur komt hem op het spoor.
    Er is geen toeval in de oneindigheid. Wat een geweldige betekenis hebben deze gedachten als morele drijfveer voor ons. We zien wat de reden is van alle ethische en morele leringen van de grootste wijzen die het menselijk ras ooit heeft voortgebracht en we zien ook waarom hun leer voor de mensheid de meest hoop-volle is.
    Een derde overweging is deze: wij, op onze kleine aarde, die ons zo groot toeschijnt maar zo klein is vergeleken met de reuzen van zelfs ons eigen zonnestelsel, moeten bedenken dat ieder van ons, als onafscheidelijk deel van het kosmische patroon, bij wijze van spreken van even grote betekenis is voor de kosmische wet als de machtigste reus onder de sterren. Hierop doelt het Nieuwe Testament in de voor velen zo vreemde leer: Weet u niet dat de haren op uw hoofd zijn geteld? En dat er geen mus valt zonder dat dit in overeenstemming is met de goddelijke wet? Het is dezelfde gedachte: wij zijn niet alleen de kinderen van de goden, maar zijn zelf goden in wording, want we zijn het kroost van het goddelijke leven, het goddelijke materiaal van het heelal. Wat zouden we anders zijn? Kunt u het ontkennen en zeggen: ‘Dat zijn we niet; we behoren niet tot het heelal, we bevinden ons niet erin; we komen niet eruit voort?’ Dat is toch onzin.
    Door onze goddelijke oorsprong zijn we verwant aan alle dingen en wezens die er bestaan; want niet alleen zijn alle mensen aan elkaar verwant, maar alle wezens en dingen die bestaan zijn onze andere zelven. Alle ontspringen aan dezelfde universele oceaan die ons eeuwig omvat – de Eeuwige Moeder, de Vader-Moeder. Het is een prachtige gedachte.
    Als u weer eens een bloem plukt, bedenk dan dat u een jongere broeder aanraakt en dat de manier waarop wij die prachtige knoppen van schoonheid bekijken, jonge embryozielen als het ware, of monaden in een vroeg stadium op dit gebied, die voor ons uitdrukking geven aan hun leven en schoonheid en geur, misschien dezelfde is als die waarop de hogere goden ons bekijken. Ik heb me dikwijls afgevraagd hoe vaak de goden ons plukken omdat wij misschien in hun sfeer schoonheid en geur verspreiden en zij van ons houden: Zij die door de goden worden bemind, sterven jong. Achter die gedachte gaat een groot mysterie schuil. De dood is geen toevallig gebeuren. Geboorte evenmin. Maar denk geen moment dat deze keten van oorzaak en gevolg het oude wetenschappelijke, dode en zielloze determinisme is uit de tijd van onze grootvaders, toen men dacht dat alles bewoog als een zielloze machine die nooit tot stilstand kwam. Vergaten ze niet dat als er een machine is, er ook iemand moet zijn die haar bouwt en laat lopen? Men gebruikte slechts woorden en voelde zich daar wel bij. Ik heb het niet over dat zielloze determinisme, maar over de structuur van het heelal, die zich toont in hiërarchieën van belichaamde bewustzijnen en die de kosmische verscheidenheid verschaft en de ontelbare families van entiteiten, die alle worden omvat door de beschuttende, beschermende, leidende en behoedende, onmetelijk grote hiërarch waarvan wij, samen met alle andere dingen, de kinderen zijn – een hiërarch die niet verschilt van ons innerlijke zelf, maar waarvan wij als het ware vonken zijn, van dat centrale vuur van ons heelal.


Wind van de geest, blz. 258-61

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag