De heuvel van inzicht

 

Alle waarheden zijn als diamanten. Als ze geslepen en gepolijst zijn, hebben ze facetten en elk facet weerspiegelt wat zich ervoor bevindt. Want de waarheid is alomvattend, sluit niets uit; ze is iets geestelijks en de geest omvat alles. Alleen de kleinere dingen van ons mensen, en van wezens die lager staan dan de verheven kosmische geesten, worden door grenzen beperkt als gevolg van de onvolmaakte ontwikkeling van de voertuigen waarmee deze verheven wezens werken. We moeten dit feit in gedachte houden, want als we beseffen dat anderen dan wij een verheven visie van de werkelijkheid kunnen hebben, maakt dat ons eerbiedig en nederig in de betere betekenis van het woord.
    Het is iets groots, goeds en edels als mensen broederlijk samenleven. Elk mens is voor al zijn medemensen een openbaring, want elk is een wonderlijk mysterie, een kind van de eeuwigheid en de oneindigheid; en als wij, ondanks de onvolmaaktheden van de menselijke evolutie, vanaf de ‘heuvel van inzicht’ die visie hebben, dan dringen we achter de sluiers van de uiterlijke schijn door in de onuitsprekelijke wonderen die in een menselijk hart besloten liggen.
    In mijn eigen leven was het een openbaring toen deze grootse waarheid in mijn menselijk bewustzijn van deze belichaming terugkwam, en vanaf dat moment zag ik mijn medemensen niet meer gewoon als mensen, maar als wonderbaarlijke wezens, van wie ik kon leren, van de grootste zowel als van de minste. Wat ik ontdekte door over die prachtige gedachte na te denken, leerde mij overal naar de waarheid uit te zien: zowel in planten, stenen of de rondcirkelende hemellichamen, indien we de ogen bezaten om het te zien, als wanneer we diep in de ogen van een medemens kijken en daar wonderen waarnemen.
    Wat is deze heuvel van inzicht? Het is een van de oudste denkbeelden die de menselijke geest ooit in het leven riep. In alle grote filosofieën en religies uit het verleden zult u altijd dit prachtige beeld, deze zegswijze of beeldspraak terugvinden van het beklimmen van de heuvel van visie: of die, zoals bij de joden, de berg Sion wordt genoemd of op andere wijze wordt aangeduid, de gedachte is steeds dezelfde. De mooiste weergave die me te binnen schiet, de meest treffende en diepzinnige, is de passage in De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, gepubliceerd door A. Trevor Barker, waarin de mahatma schrijft over de ‘toren van oneindig denken’ van waaruit de waarheid wordt gezien.
    Wat is nu die heuvel van inzicht? Het is natuurlijk een symbool; maar wat zou het anders kunnen zijn, voorzover het ons mensen betreft, dan dat wonderlijke orgaan in onze eigen menselijke constitutie dat theosofen het buddhi-beginsel noemen, het orgaan om te begrijpen, te onderscheiden, te oordelen of de werkelijkheid te kennen zonder argumentatie? Voor de mens is dit orgaan van inzicht de mens zelf in zijn hoogste deel, zijn schakel met het goddelijke. Dat is de heuvel van inzicht in ieder van ons.
    Het hoofdthema van alle leringen van de archaïsche wijsheid is eenvoudig dit: zie uzelf als een instrument van de werkelijkheid, als een van haar voertuigen; stijg uit boven de dampen en nevels en wolken van deze lagere gebieden, omhoog en binnenwaarts, om u bewust te herenigen met het goddelijke in u, de atma-buddhi; en dan zullen alle kennis van de werkelijkheid en elk inzicht daarin u ten deel vallen. Want dat orgaan is niet gehuld in een voertuig dat zijn kracht vermindert. Het ziet de werkelijkheid als het ware van aangezicht tot aangezicht, omdat het zelf de werkelijkheid is. Het is, zoals gezegd, onze schakel met het goddelijke dat werkelijkheid is, dat waarheid is, dat alle wijsheid is, en alle liefde en alle kennis.
    Die heuvel van inzicht ligt dus in de mens zelf; en hoewel hij voor ons allen dezelfde is, is hij in zekere zin voor ieder toch anders. Het is net als het pad naar waarheid: één voor allen en toch gedifferentieerd in de reizigers op dat pad, die zowel de reiziger als het pad zijn. De mens heeft geen ander middel om de werkelijkheid te bereiken dan zijn eigen kracht, zijn eigen orgaan, zijn eigen wezen. Hij kan en zal hulp vanbuiten ontvangen, en die hulp is prachtig; en het is onze plicht hulp te geven en te ontvangen. Maar ontvangen betekent slechts de uiterlijke prikkel om het innerlijke orgaan van de ontvanger te wekken. Dit innerlijke orgaan is niet het bedrieglijke orgaan van de fysieke waarneming. Denk aan het verhaal uit de hindoefilosofie: Een man die ’s avonds naar huis terugkeert ziet een opgerolde slang op zijn weg en springt opzij; ’s morgens ontdekt hij dat het maar een gekronkeld stuk touw was. Zo bedrieglijk zijn al onze fysieke zintuigen! Een blinde kan de wonderen van de opkomende zon niet zien. Maar zelfs de blinde heeft een orgaan in zich dat, als hij het kan bereiken, de bedrieglijke organen van het fysieke waarnemen niet nodig heeft om de werkelijkheid te zien.
    Het buddhi-beginsel dat in ons is en dat we kunnen gebruiken, als we willen, kent geen misleiding. Het kan niet verblind raken; het kan niet worden bedrogen. Zijn waarneming is ogenblikkelijk en rechtstreeks; want het bevindt zich op hetzelfde gebied als de werkelijkheid en door de kanalen tussen ons hoogste denkvermogen en ons gewone verstand vrij te maken, zullen we inspiratie inademen, opdoen, ontvangen, en worden dan als de goden.
    Dat is de heuvel van inzicht, de heuvel van visie en dus van wijsheid, kennis en liefde, misschien de hoogste drie eigenschappen van het menselijk bewustzijn: verzonken zijn in kosmische liefde; verzonken zijn in de hoogste visie die wijsheid is, verzonken zijn in de hogere vertolking van de visie die kennis is – religie, filosofie, wetenschap, drie in één en één in drie; en dit is geen theologische drieëenheid, maar een eenheid vormende waarheid.


Wind van de geest, blz. 265-7

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag