Na de dood bent u uzelf

 

Ik hoop dat de tijd zal aanbreken dat we meer aandacht kunnen besteden aan de leringen over wat er na de dood gebeurt. Het schijnt dat de meeste mensen in deze tijd niet zozeer immoreel als wel amoreel zijn, d.w.z. dat ze het gevoel van morele verantwoordelijkheid voor een groot deel schijnen te hebben verloren. Als mannen en vrouwen konden beseffen wat er na de dood met hen gebeurt, zou dat hen enigszins doen begrijpen welke houding nodig is of welke werkwijze ze zouden moeten volgen.
    Laten we proberen de mensheid de leer van de oude wijsheid terug te geven: zoals een mens leeft, zo zal hij na de dood zijn. Ze is een eenvoudige leer en zo logisch; ze spreekt ons aan. Sommigen zijn er aanvankelijk afkerig van; ze vinden haar misschien niet prettig; maar er zit een gedachte achter die door haar logica en rechtvaardigheid de mens tenslotte aan het denken zal zetten.
    Als u kamaloka en devachan wilt begrijpen, zou u nu uzelf moeten bestuderen en dan weet u wat er komt. Zo simpel is het. U krijgt precies een voortzetting van wat u nu bent. Als iemand zich aan ondeugden overgeeft – wat gebeurt er dan met hem? Hij oogst de gevolgen van zijn fouten. Daardoor leert hij de lessen die uit het leed voortkomen. Als iemand zijn denken vult met grove gedachten en boze dromen, leert hij op den duur daarvan door pijn, want zijn denken en zijn karakter zullen de uitwerking en de gevolgen daarvan ondergaan. Hij lijdt, hij wordt gekweld, hij betaalt ervoor; hij heeft zijn innerlijke structuur vergiftigd en zal geen vrede vinden voor het gif is uitgewerkt, voor hij zich, zoals men zegt, heeft gebeterd, heeft herschapen. Dan heeft hij weer vrede; zal hij weer vredig kunnen slapen.
    Bestudeer uzelf in uw dagelijkse bewustzijn; en bestudeer ook wat voor dromen u heeft. Waarom die twee samen? Omdat uw dromen uit uw eigen denken voortkomen en daarom een deel vormen van uw eigen bewustzijn. Iemand heeft overdag boze dromen, slechte gedachten; als hij slaapt heeft hij nachtmerries. Hij leert ervan als hij slaapt; hij zal zeker geen hemelse dromen hebben, want hij heeft zijn brein gevuld met angstaanjagende, weerzinwekkende, verachtelijke en lage gedachten. Hij heeft geen dingen opgebouwd die hemels zijn.
    Dat is het antwoord; en kamaloka is niets anders dan een bewustzijnstoestand waarin het bewustzijn van de mens na de dood komt, omdat hij tijdens zijn leven zelf voor dat soort bewustzijn heeft gezorgd. Het werkt uit en dan stijgt hij op naar of daalt af in wat zijn bestemming is: een zwak devachan of helemaal geen devachan, dat hangt af van de persoon. Met andere woorden, als hij een karakter heeft opgebouwd dat X is, dan bezit hij dat karakter X na de dood, van welke aard het ook is. Hij heeft niet karakter Y of Z of A of B. Iemand daarentegen die zich tijdens zijn leven onder controle heeft gehouden, zich heeft beheerst en als een dapper mens heeft geleefd, heeft met precies dezelfde wet te maken: de toestand na de dood zal in kamaloka onbewust zijn of bijna onbewust, omdat hij geen kamalokische neigingen in zich heeft; en waarschijnlijk zal er een zegenrijk devachan zijn.
    Stel dat iemand helemaal geen uitgesproken karakter heeft, noch bijzonder goed, noch bijzonder slecht. In wat voor toestanden zal hij na de dood komen? Hij zal een kleurloos kamaloka krijgen, niet bijzonder slecht; en hij zal een kleurloos devachan krijgen, niet bijzonder mooi of gelukkig. Het zal helemaal zijn als een soort vage, ondefinieerbare droom. Het heeft niet veel te betekenen en daarom zal hij na het sterven niet veel betekenen.
    Of neem het geval van een jongeman die op het slechte pad is maar die, laten we zeggen, omstreeks middelbare leeftijd tot inkeer komt en de rest van zijn leven aan verdienstelijke daden en zelfverbetering wijdt. Wat zal zijn lot in toekomstige werelden zijn? Zoals gezegd zijn kamaloka en devachan eenvoudig een voortzetting van wat de mens is als hij sterft. Daarom zal een slechte jongeman die een goede oude man wordt zo goed als geen onaangenaam soort kamaloka hebben. Voor elk kwaad dat hij als jongeman deed zal hij wèl de rekening tot de laatste cent moeten betalen – maar in zijn toekomstige leven; zijn slechte daden vormen daar een gedachtedepot. Maar omdat hij ongeveer op middelbare leeftijd tot inkeer kwam en daarna een net en fatsoenlijk leven leidde, zal zijn kamaloka heel weinig voorstellen, omdat het eenvoudig een voortzetting is van wat hij was toen hij stierf, en ook devachan zal daarmee in overeenstemming zijn.
    Men kan zelfs voor de dood intreedt in kamaloka of in devachan zijn; het is trouwens ook mogelijk in de avichi-toestand te verkeren zelfs als men nog in het lichaam is. En uit dit feit moeten we een heel belangrijke conclusie trekken: als we de toestand van kamaloka ervaren terwijl we belichaamde mannen en vrouwen zijn, doen we dat ook na de dood; en volgens precies dezelfde wet zullen we na de dood in devachan zijn, omdat we geestelijke verlangens, dromen van geestelijke aard hebben terwijl we in het lichaam verkeren. Ik herhaal dus: kamaloka is een verlenging of voortzetting, tot het is uitgewerkt, van wat men tijdens het leven heeft doorgemaakt. Als iemand zijn zinnen en gedachten en gevoelens zet op dingen die hem pijn veroorzaken, en doen lijden omdat hij zelfzuchtig is en volhardt in trots en egoïsme, zal hij zeer zeker dezelfde neiging van het bewustzijn voortzetten na de dood. Het kan niet anders. Hij is nu eenmaal zo. Daarom zijn devachan en kamaloka een verlenging en een voortzetting van dezelfde bewustzijnstoestanden die men op aarde heeft ervaren, met dit verschil: omdat men uit het lichaam is, dat tegelijk een masker en een beschermend schild is, is men als het ware – gedachte, naakte gedachte. En als het denken tijdens het leven op afschuwelijke dingen was gericht of als men het denken in die richting heeft laten gaan terwijl men belichaamd was, zal men niet van smetten worden gezuiverd alleen omdat men het lichaam heeft afgelegd. Uw denken – dat bent uzelf – zal doorgaan en u zult door kamaloka moeten gaan om dat aspect van het denken te laten uitwerken. Het zal moeten afsterven zoals een vuur dat vanzelf dooft.
    Als u tijdens het leven mooie, grootse, verheven gedachten heeft gehad, zal u die op precies dezelfde manier ook in devachan hebben, maar duizendmaal zo sterk, omdat ze niet meer door het lichaam worden verstikt als dit is afgelegd. Als u dus wilt weten wat uw bestemming na de dood is, moet u nu uzelf bestuderen en daarmee rekening houden. In dat feit en in dat feit alleen ligt een heel belangrijke en relevante les. U kunt uw toestand na de dood maken zoals u die wilt hebben, nu, en voor het te laat is. Niets in het heelal kan verhinderen dat het geluk van devachan uw deel wordt, of, anders gezegd, dat u het voor uzelf schept. Conclusie: pak uzelf aan.
    Zo luidt de leer over kamaloka. En zo luidt de leer over devachan. Ze is heel eenvoudig. Alle ingewikkelde, abstracte vragen komen volgens mij grotendeels hieruit voort dat men de elementaire beginselen van de leringen niet begrijpt. Als u naar bed gaat droomt u of u bent niet bewust. Als u sterft, droomt u of u bent niet bewust. Als u ’s nachts gaat slapen heeft u nare of goede dromen of bent u niet bewust. Als u sterft heeft u nare of mooie dromen of bent u niet bewust – alles hangt af van de persoon zelf en het leven dat hij heeft geleid. Kamaloka en devachan en ook avichi zijn geen dingen die u plotseling overkomen als u sterft; maar omdat uw bewustzijn zo was terwijl u nog belichaamd was, zal de ene of de andere toestand zich na de dood voortzetten.
    U ziet nu wat de betekenis is van de ethiek en waarom alle grote wijzen en zieners door de eeuwen heen hebben geprobeerd de mens te leren zijn gedachten te vergeestelijken en te zuiveren, het hartenleven te leiden en zich te ontdoen van de dingen die verkeerd of slecht zijn. Het is niet zo dat devachan of kamaloka op u wacht – ik bedoel als absolute toestanden die nu los van u staan. Als u in het leven erin verkeerde, zult u na de dood erin verkeren. Iemand die geen gedachten van haat of afschuw of verachting of boosaardigheid had tegenover een ander, met andere woorden, iemand met een hart en hoofd die nooit broeinesten van het kwaad zijn geweest, zal in het leven en na de dood nooit avichi ervaren en ook geen ongelukkig kamaloka hebben. Hij zal een bijzonder goed devachan krijgen en komt verfrist en sterk en vernieuwd terug om een nieuw leven te beginnen, onder gunstige omstandigheden.
    Na de dood bent u nog steeds precies wat u bent als u sterft. Dat is alles. Dat is het geheim van kamaloka en devachan en van alle tussenliggende stadia van het bardo, zoals de Tibetanen het noemen. Al het overige is een kwestie van ondergeschikt belang. Daarom blijf ik in mijn openbare lezingen en mijn geschriften de nadruk erop leggen dat de dood niets anders is dan een slaap. De dood is een volkomen slaap en de slaap is een onvolkomen dood. Zo is het, letterlijk. Als men slaapt is men gedeeltelijk dood. Als men sterft is men volledig in slaap. Als u deze eenvoudige gedachten begrijpt, heeft u de hele leer in een notendop, een beknopt beeld ervan.
    Nu een ander punt. Ik heb mensen horen zeggen dat zij niet in devachan willen blijven omdat het tijdverspilling is. Dat is een misvatting. Men zou evengoed kunnen zeggen: ik wil vannacht niet slapen, dat is tijdverspilling. Het is nu eenmaal zo dat men de rust, het herstel en de verwerking van ervaringen van het afgelopen leven nodig heeft. Men wordt er sterker door, men groeit erdoor. Hoewel devachan dus niet een tijd voor ontwikkeling is, is het wel een tijd voor opbouw, herstel, assimilatie, innerlijke verwerking en versterking, en is even hard nodig als nachtrust voor het lichaam.
    Er komt een tijd in de evolutie van de mens dat zelfs devachan niet meer nodig is, omdat de mens dan heeft geleerd in het hogere deel van zijn wezen te leven. Hoe mooi devachan ook is, het is een illusie. Er komt een tijd dat mensen ’s nachts niet meer hoeven te slapen; dat hebben ze dan niet meer nodig. Ze hebben dan een ander soort lichaam en leren het daardoor zonder devachan te stellen, en zullen vrijwel onmiddellijk reïncarneren om de mensheid en alle andere wezens te helpen – iets wat ze het liefst van alles doen. Deze mensen noemen we meesters, in allerlei gradaties. Maar voor ons gewone mensen is devachan een noodzakelijke episode.
    Al is devachan wel een mooie bewustzijnservaring, het is een ervaring van het hogere persoonlijke bewustzijn, het hogere deel van ons als menselijke ego’s, het hogere deel van de persoonlijke mens, het aroma ervan als het ware. Op dit feit berust de training voor het bekorten van devachan. Als men leert buiten de persoonlijkheid en in het eeuwige te leven, terwijl men nog in het lichaam is en dat een gewoonte wordt, zal devachan dienovereenkomstig korter worden omdat men het niet nodig heeft. Men heeft er geen behoefte aan. Het denken is dan niet gericht op een zelfzuchtig, gelukzalig tevredenstellen van de ziel. Dat is devachan, een wereld van schone schijn. Vergeleken met de werkelijkheid is het een illusie. Maar omdat mannen en vrouwen zich voor die dingen inspannen en alles ervoor over hebben om ze te verwerven, wordt devachan, dankzij het oneindige mededogen van de natuur, de tijd waarin men die dingen krijgt, een rusttijd, een tijd voor ontspanning, een tijd voor herstel, verwerking en assimilatie. Naarmate we in de loop van de eeuwen groeien, zullen we in toekomstige tijden niet meer zo wanhopig verlangen naar deze gelukkige bevredigingen van de ziel. We zullen ons geluk vinden door ons onpersoonlijk te hechten aan schone zaken, aan dingen die bij de hogere geestelijke mens horen en niet bij de hongerige menselijke ziel.
    Dat is de training die aan alle chela’s wordt geleerd, diezelfde waarheid, dat en niets meer. Stijg op uit de persoonlijkheid zodat u leert haar te gebruiken als een gewillig, inschikkelijk werktuig en leef in het geestelijke deel van u, dat wil zeggen onpersoonlijk; leef universeel zodat u niet wordt beheerst door uw eigen honger naar dingen die u aangenaam zijn of u helpen en rust geven; maar leef in het geestelijke, in het universele; dan zullen al die andere dingen u worden toegeworpen.


Wind van de geest, blz. 33-8

© 2001 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag