Jezus en zijn Judas
Ida Postma

 

Een bepaalde deugd of ondeugd kan bij sommige personen zo’n overheersende rol spelen, dat hun naam daarna in de taal wordt opgenomen als de personificatie van die karaktertrek. De naam Judas doet ons onveranderlijk denken aan de schandelijkste soort verrader die ooit op aarde heeft rondgelopen. Door de eeuwen heen heeft het christendom hem beschouwd als de man die voor een geringe beloning de verlosser van de mensheid heeft verkocht aan hen die hem probeerden te doden. Zijn daad was misschien ontstellend, het lot dat erop volgde was dat niet minder. Overweldigd door wroeging, en wetend dat hij tot in alle eeuwigheid was verdoemd omdat hij juist diegene had vernietigd die hem had kunnen vergeven, vond hij geen andere uitweg dan zichzelf eveneens om het leven te brengen.

De Evangeliën geven ons geen uitsluitsel over het karakter van Judas. Hoewel hij aan ons wordt voorgesteld met de opmerking dat ‘ook hij hem heeft verraden’, zijn er verder geen aanwijzingen dat hij op enigerlei wijze minder betrouwbaar was dan de andere discipelen. Johannes vermeldt kortweg dat hij een dief was, maar als hij dat was, is het moeilijk aan te nemen dat Christus hem niet als zodanig zou hebben herkend. Een gewone dief zou nauwelijks tot de innerlijke kring hebben kunnen behoren aan wie Jezus de sleutel tot zijn leringen gaf, die voor de menigten in parabelen verborgen werden gehouden. Bovendien had Judas een gelijk aandeel in het werk toen de twaalf onder de mensen werden uitgezonden om te prediken, de zieken te genezen en de onreine geesten uit te drijven.

Men komt vaak met de theorie dat hij misschien door persoonlijke teleurstelling werd gedreven. In die tijd waarin Israël zuchtte onder het juk van het Romeinse Rijk, leefden er onder de joden hooggespannen verwachtingen dat de vervulling van oude profetieën nabij was. Niets zou hun meer welkom zijn geweest dan de komst van de Messias om hen van hun vijand te bevrijden. Ook al heeft Judas misschien de hoop gekoesterd dat de Meester – door gebruik te maken van zijn bovennatuurlijke vermogens en van zijn populariteit bij het volk – zich tot koning van de joden zou uitroepen, in de heilige schrift vinden we geen bewijzen om deze veronderstelling te onderbouwen. Mocht hij enige illusies in die richting hebben gehad, dan zouden deze ongetwijfeld een kort leven beschoren zijn geweest, omdat Jezus’ eigen woorden overduidelijk hebben aangetoond dat zijn koninkrijk dat van de geest was. Evenmin lijkt het waarschijnlijk dat Judas alleen door hebzucht werd gedreven. De dertig zilverlingen betekenden voor hem geen rijkdom; toen hij zijn bloedgeld aan de priesters had teruggegeven, leverde het een stuk land op waarvan de afmetingen niet groter waren dan die van een kerkhof, niet bepaald een motief om zijn Meester te verraden.

De herhaalde aankondigingen van zijn lijden, die overal in het verhaal van de verbazingwekkende handelingen van Christus voorkomen, doen denken aan bliksemflitsen die zo nu en dan in de verte aan de hemel verschijnen en aan onweer voorafgaan. Als hij besluit naar Jeruzalem te gaan, beginnen zijn profetieën de vorm van een op handen zijnde realiteit aan te nemen. Jezus trok de stad binnen in een hooggestemde sfeer van triomf en onder toejuiching van het publiek. De menigte bedekte de weg met kledingstukken en boomtakken, terwijl ze hem zegende en hem als een profeet en de zoon van David begroette. Maar zijn overweldigende charisma verontrustte de priesters en schriftgeleerden in hoge mate, en in het geheim overlegden ze hoe ze hem uit de weg konden ruimen met zo weinig mogelijk risico het gewone volk te verontrusten. Er werden verschillende pogingen gedaan om hem gevangen te nemen, maar Jezus ontkwam ongedeerd alsof hij op wonderbaarlijke wijze werd beschermd. Hoewel hij zich van de voortdurende bedreiging volledig bewust was, zette hij zijn onderwijs in de tempel voort, en wist ‘dat zijn tijd nog niet was gekomen’. Toch waren de komende gebeurtenissen nooit geheel uit zijn gedachten, en men kan zijn intense waakzaamheid aanvoelen met betrekking tot het moment waarop bepaalde uiterlijke gebeurtenissen, waarvan alleen hij het belang kon peilen, zich zouden voltrekken, tegelijk met een proces dat zich in zijn eigen bewustzijn voltrok.

Vóór het joodse Paasfeest wist Christus dat de tijd nabij was, en hij trof maatregelen om het feest in gezelschap van zijn naaste volgelingen te vieren. Toen de zon achter de heuvels van Judea verdween, en zijn laatste stralen, die aan de oude stad een gouden glans gaven, het veld hadden geruimd voor de toenemende duisternis, vond de climax in al zijn onherroepelijkheid plaats. Toen kon de verrader zijn werk doen. Hoewel hij zijn zaak met de priesters en schriftgeleerden reeds tevoren had beklonken, is het alsof ook hij op een teken wachtte. Toen Jezus, door het brood met hem te breken, hem aanwees als degene die hem zou verraden, nam Satan bezit van Judas en deze trok zich terug terwijl het gebod van zijn Meester hem in de oren klonk: Datgene te doen wat hij wilde doen en wel vlug. Na zijn vertrek sprak Jezus: ‘Nu is de Zoon van de mensen verheerlijkt en God is in hem verheerlijkt’ – een heel vreemde uitspraak als het slechts de bespoediging van een gewone executie betrof.

Wanneer we de hele episode aandachtig bestuderen, verliezen deze twee karakters hun zwart-wit contrast en worden we ons bewust van de subtiele ondertonen die in hun gecompliceerde onderlinge band een rol spelen. Als Jezus zo goed op de hoogte was van de mate van verdorvenheid waartoe zijn discipel Judas in staat was en van de kwade voornemens die hij koesterde, waarom had hij hem dan niet eerder als een onwaardige volgeling weggestuurd? Het feit dat hij dit niet deed, maar daarentegen de tijd dat Judas zijn boze daad zou verrichten zelf lijkt te hebben vastgesteld, brengt ons ertoe te geloven dat Judas een troefkaart had die hij, opzettelijk, precies in handen van de Meester speelde. ‘Wee de mens door wie de Mensenzoon wordt verraden’ – maar toch was wat hij deed noodzakelijk opdat de Mensenzoon kon worden verheerlijkt. Ongewild was hij een onmisbaar instrument in een drama van kosmische omvang en betekenis.

In het verhaal zoals we dit in de christelijke geschriften aantreffen, is het paasverhaal een symbolische weergave van de neofiet die zich opmaakt om de mystieke dood van de inwijding te ondergaan. Veel mythen en allegorieën behandelen ditzelfde onderwerp van de neerdaling in de onderwereld. Indien de initiant de beproevingen daar met succes doorstaat, zal hij naar hogere gebieden opstijgen, waar hij van aangezicht tot aangezicht met zijn ware Zelf komt te staan en, omgeven door stralend licht, keert hij naar de wereld van de mensen terug. In de tijd dat de Evangeliën werden geschreven werd kennis over deze inwijdingsriten ook in de mysteriescholen van het Nabije Oosten onderwezen; en de schrijvers van de Evangeliën, die ongetwijfeld van deze leringen op de hoogte waren, verweefden deze in hun geschriften. Een Syrische wijze, die omstreeks 100 jaar v.Chr. heeft geleefd, diende tot model voor hun beschrijving van het leven en de werken van Jezus.

Het verslag van het lijden en de dood van Christus kan tevens worden beschouwd als een analogie voor die periodieke neerdaling van de geest in de wereld van de mensen, die de oosterse filosofie de geboorte van een avatāra noemt. Waar Jezus in het letterlijke verhaal de stad Jeruzalem binnenging en werd gekruisigd, trad het goddelijke allegorisch gezien de aardse gebieden binnen en werd aan het kruis van de stof geslagen om daar zijn taak te volbrengen en weer op te stijgen naar zijn bron. In heilige geschriften, evenals in mythen en legenden, wordt op deze wijze de herinnering bewaard aan die verheven wezens die bij cyclische tussenpozen onder de mensen wonen, wanneer het gedrag van de mensheid de goden tot een gruwel is geworden. Op zulke kritieke tijdstippen vindt er een goddelijke belichaming plaats in een poging het evenwicht te herstellen, want een tekort aan spiritualiteit op één gebied van bewustzijn vraagt om aanvulling vanuit die gebieden waar overvloed heerst, zoals lucht naar een lagedrukgebied stroomt. Hoewel de mensheid in zo’n geval slechts de passieve ontvanger lijkt te zijn, is het voordeel in werkelijkheid wederzijds, want onze aarde is voor dit goddelijke personage werkelijk een Hades en proefterrein waar hij of zij zich kan waarmaken en kan zegevieren. Omdat de wetten van de natuur op harmonie zijn gebaseerd, hebben al haar processen de symmetrie van een uitwisseling.

Door diezelfde universele drang naar evenwicht wekt de spirituele impuls die uit deze avatārische neerdaling voortvloeit een evenredig sterke reactie op onder die krachten die weerstand willen bieden aan iedere poging tot evolutie, en die de oorzaak ervan zijn dat gelijktijdig een tegenhanger wordt geschapen. Deze twee polen, de één gericht op het bevorderen van het spirituele en de andere op het dwarsbomen van die pogingen, zijn gedurende hun levensperiode onafscheidelijk. Men zegt dat iedere Jezus zijn Judas heeft, omdat wijzen en zieners en allen die sinds onheuglijke tijden hebben geprobeerd de mensheid tot een hoger stadium van begrip te brengen, deze soort tweelingfiguur hebben aangetrokken. Terwijl dit individu hen op de voet volgt, belemmert hij hen schijnbaar bij al hun activiteiten, maar in werkelijkheid zouden ze hun taak zonder hem niet kunnen volbrengen – er kan geen vooruitgang worden geboekt als er geen obstakel is dat moet worden overwonnen. Hoewel Judas ogenschijnlijk de krachten van de duisternis dient, dient hij - gezien vanuit een ruimer standpunt – Jezus; beiden hebben dezelfde essentie, hoewel ze in polariteit verschillen. Omdat hij het middel is tot het succes van Jezus en in zekere zin ook het product van zijn werken, is Jezus verantwoordelijk voor zijn schaduw en is het uiteindelijk zijn dure plicht Judas’ negatieve energie in een positieve om te zetten, zodat hij zelfs zijn trouwste aanhanger wordt.

Al is de tegenstander van de grote weldoeners van de mensheid een mens van vlees en bloed, toch hebben wij allen deze twee elementen in ons. De mens is in zijn diepste wezen een christos, een vlam van het goddelijke vuur die ervaring opdoet op dit stoffelijke gebied dat een van de halteplaatsen op zijn evolutionaire omzwervingen vormt. In de loop van onze involutie in de stof is de herinnering aan onze verheven oorsprong geleidelijk in vergetelheid geraakt en is ons bewustzijn door de valleien van stoffelijkheid gegaan, waar het verstikkende onkruid van zelfzuchtige verlangens zo dicht is geworden dat het het licht van onze innerlijke zon bijna verduisterde. Het zijn de resten van deze overdadige groei, of de latente zaden ervan, die de Judaskant van de mens vormen in dit latere stadium van onze pelgrimstocht, nu er een nieuw besef van onze werkelijke waarden begint door te breken.

Alle daden worden, zoals we weten, door gedachten ingegeven; en toen we door de grofste fasen van ons bestaan gingen, waren de gedachten die ons dreven eveneens van grove, lage en vaak slechte aard. Hoewel gedachten niet hun oorsprong in ons denkvermogen hebben, maar afzonderlijke entiteiten zijn die het pad van hun eigen evolutie volgen, hebben ze toch een duidelijke affiniteit met ons. Net als oude vrienden en vijanden komen we ze telkens opnieuw tegen wanneer ze periodiek door ons heengaan. Ze kunnen een enorme invloed op ons hebben, ten goede of ten kwade. Negatieve gedachten waaraan gedurende lange tijd voedsel is gegeven, oefenen een krachtige invloed uit, vooral wanneer we eenmaal hebben besloten ons in tegenovergestelde richting te begeven, waarvan iedereen die met een slechte gewoonte probeert te breken kan getuigen.

Zo is er met ieder individu een groot aantal van die entiteiten verbonden, die zowel zijn edeler aspiraties als zijn lagere begeerten vertegenwoordigen. Maar aan hem is de keus of, en op welke wijze, ze door zijn bewustzijn zullen heengaan. Het staat hem vrij zowel dat te volgen wat hem tot daden van mededogen inspireert, als dat wat hem tot het kwade wil verleiden, waardoor deze energieën hetzij worden versterkt of worden verzwakt. Hoe krachtiger de innerlijke Christus in een mens werkzaam is, hem aansporend zich met zijn spirituele erfdeel te herenigen, des te meer wordt ook de tegenovergestelde pool geactiveerd en worden die gedachten aangetrokken die zijn pogingen willen dwarsbomen. We kennen allemaal voorbeelden van werkelijk edele mensen die niettemin een opvliegend karakter bezitten of voortdurend door innerlijke conflicten worden verscheurd. Al lijkt dit tegenstrijdig, het toont slechts aan hoe schitterend de vlam binnenin hen brandt om zo’n fel verzet op te roepen.

Zoals de oude overleveringen ons vertellen, moet de neofiet tijdens de grote inwijdingen zijn lagere zelf onder ogen zien en overwinnen of sterven. Ieder individu dat ernaar streeft een beter mens te worden, moet in de loop van het dagelijks leven afdalen naar de door hemzelf geschapen onderwereld om daar de schaduwen van zijn vroegere zelven te ontmoeten en te vernietigen. Evenzeer als Judas voor Jezus onmisbaar was, is de duistere kant van onze natuur dit voor onze vooruitgang, omdat we alleen door deze te boven te komen onze kracht kunnen bewijzen. Intussen zullen we hebben bijgedragen aan de evolutie van de gedachte-elementen die bij ons horen en waarvoor we even verantwoordelijk zijn als de zieners en wijzen dit voor hun schaduwen zijn. Elk van die overwinningen, hoe onbetekenend deze ons misschien ook toeschijnen, zal ons iets nader brengen tot de dag waarop onze innerlijke christos, die al zovele eonen lang aan het kruis van de stof is genageld, zal herrijzen.

 
Andere artikelen over het christendom
 

Uit het tijdschrift Sunrise april 1972

© 2006 Theosophical University Press Agency