De wijsheid van Zarathoestra – 1
Het Boek van God

Eloise Hart

 

Voor mij ligt de Desatir, die door de volgelingen van Zarathoestra het Boek van God wordt genoemd, dat een boodschap brengt, en niet alleen voor de wijsten en besten geestelijk voedsel bevat, maar voor ieder die een begrijpend hart heeft. Het is een klein boekje, zo oud en zo ongewoon in zijn mystieke allegorieën van de natuur, van de mens, van God, en van de betrekkingen tussen de planeten en de aardbewoners, dat het duizenden jaren lang door volkeren van verschillende religieuze richtingen is gekoesterd. Vijfhonderd jaar v.Chr. werd het beschouwd als ‘een literaire relikwie’ en het enige overgebleven voorbeeld van de archaïsche, nu verloren gegane Mahabhadische taal – een taal die, zoals de oriëntalist Baron von Hammer dacht, de moderne Germaanse talen verbindt met het waarschijnlijk oudste Aziatische dialect, dat langgeleden in het noordoostelijke deel van het toen uitgestrekte Perzische rijk, in Sogd en in Bamian, werd gesproken.

Op bepaalde tijden, wanneer ‘de mensheid zondigde’ en men de esoterische leringen van de Desatir misschien verkeerd had begrepen en had misbruikt, ging deze ‘verloren’ – en werd generaties lang verborgen, misschien in een of andere afgelegen bibliotheek, en door allen vergeten behalve door hen die het boek beschermden en behoedden. De huidige uitgave (The Desatir, Wizards Bookshelf, Savage, Minn., 1975) is een fotokopie van de heruitgave in 1888 van een oorspronkelijke Engelse vertaling van 1818 uit het Perzisch door de parsi-geleerde Mulla Firuz Bin Kaus. Zijn vertaling, die grote belangstelling wekte voor de leer van Zarathoestra onder de studenten in de oosterse oudheid in Amerika, Europa en India, werd op haar beurt gemaakt aan de hand van een oud en zeer zeldzaam manuscript dat de vader van Mulla Kaus omstreeks 1778 in Isfahan had ontdekt.

Terwijl de Bhagavad-Gita door miljoenen wordt gewaardeerd, is de Desatir tot nu toe betrekkelijk onbekend. Dat is jammer, want dit kleine boekje, samen met de Zend-Avesta – de bewaard gebleven fragmenten van een heilige wet die naar men zegt oorspronkelijk aan de profeet zou zijn gegeven op de berg Ushidarinna en later in goud op de huid van 12.000 ossen werd geschreven – en de Dabistan, zijn onschatbare bronnen van inspiratie van en informatie over Zarathoestra.

Moshan Fani, de islamitische reiziger, die de Dabistan (circa 1653) samenstelde als een kort overzicht van twaalf grote religieuze beschouwingen, citeert leringen uit de Desatir, die de leerstellingen van Zarathoestra verklaren, leringen die velen ervan overtuigen dat dit de oudste en edelste van alle religies is. Verschillende wetenschappers wijzen erop dat haar symboliek, als ze wordt begrepen, een zuiverder beeld van de oorspronkelijke Indo-europese traditie geeft dan de veda’s omdat er minder in is veranderd. Daardoor is haar waarde aan geen tijd gebonden.

Het is bijvoorbeeld opmerkelijk, dat men in die lang vervlogen tijden alle levende wezens als één geheel beschouwde, een fysiek-intellectueel-geestelijke familie van planeten en sterren, van mensen, dieren, planten, mineralen, en elementalen van vuur, water en aarde – allen samenstellende bestanddelen die voortdurend met elkaar in wisselwerking staan en onderling afhankelijk zijn. Het alomvattende karakter van dit denkbeeld en de toepassing ervan maakt hun filosofie uiterst altruïstisch en tegelijk verfrissend praktisch. De volgelingen van Zarathoestra, die alle anderen niet alleen zagen als verwanten, maar werkelijk als een deel van zichzelf, die ten goede of ten kwade door hun daden en gedachten werden beïnvloed, waren ongelooflijk zorgzaam en zouden een ander nooit opzettelijk schaden, of het een mens, een insect of een stromende rivier was. Zij beschouwden matigheid als essentieel, ascetisme als even schadelijk en vernederend als het te veel toegeven aan begeerten, en een gezond, getraind lichaam als het juiste instrument om door een krachtig, helder verstand te worden gebruikt voor het werk van het geestelijke zelf. Bovendien wezen ze erop dat, zoals een overmatige mentale ontwikkeling tot sluwheid kan leiden, en een gebrek eraan tot dwaasheid, en zoals buitensporige moed gemakkelijk tot strijd voert en gebrek eraan tot lafhartigheid, zo brengt de gulden middenweg tussen deze dingen een mens tot rechtvaardigheid, wijsheid en vreugde. Vandaar dat hun gedragsregels die deugden aanbevelen die ook wij in deze tijd hoogachten: eerlijkheid, hard werken, initiatieven, volharding en zelfbeheersing in het streven naar algemeen welzijn; in feite dezelfde beginselen die de Iraniërs in staat hadden gesteld één van de vroegste en grootste wereldrijken op aarde te stichten en in stand te houden, die individuele waarden en rechten erkende, ongeacht ras, kleur of religieuze gezindheid.

Evenals nu waren er toen ongetwijfeld protesten, zowel van de conservatieven als van hen die een nog verdere toename van persoonlijke vrijheden voorstonden. Hoezeer een dergelijke ontevredenheid de verdeeldheid ook in de hand werkt, ze schijnt van essentieel belang te zijn voor het doen ontwaken van onze verantwoordelijkheid voor alle leven, zoals de Desatir in de volgende fabel over de opstand van de dieren uitlegt.1

Langgeleden toen de wereld nog nieuw was, en Mazda, de Heer over Alles, aan ieder wezen, van hemelse tot dierlijke, plantaardige en minerale aard, zijn eigen bijzondere constitutie, functie, gids en beschermer had toegewezen, ontstond er een onverwachte tweedracht. De dieren kwamen in opstand tegen de heerschappij van de mens! Alle zeven klassen – de onschadelijke die grazen, vliegen, kruipen en zwemmen, de roofzuchtige dieren, de roofvogels en insecten – alle zonden hun vertegenwoordigers om tegen de heerschappij van de mens te protesteren.

Eerst sprak de kameel: ‘O Profeet van Mazda, vertel ons alstublieft, waarin is de mens superieur, dat wij onderworpen moeten zijn aan zijn heerschappij?’

Een wijze van de Heer legde hem uit: ‘De mens is op vele manieren superieur: door zijn spraak . . .’ Maar de kameel protesteerde: ‘Als het de bedoeling van de spraak is dat ze kan worden verstaan, overtreft de onze die van de mens, die zo varieert dat ze tussen het ene en het andere land niet verstaanbaar is.’

De wijze aarzelde, maar antwoordde: ‘Je bent geroepen om ons te dienen.’ ‘En u’, sprak de kameel langzaam, ‘bent geroepen om ons water, graan en gras te geven.’

Toen kroop er een mier naar voren en vroeg waarin de mens nog meer uitmunt. ‘De mens munt uit door zijn vorm en zijn verticale houding.’ ‘Maar,’ vroeg de mier, ‘kan iemand die intelligent is werkelijk prat gaan op zijn vorm? Zijn we niet allemaal gelijk in de combinatie van onze delen? Overtreffen wij dieren eigenlijk niet ook in dit opzicht de mens: want een mens zegt van iemand die hij liefheeft, dat ze de ogen van een hinde, de gratie van een patrijs, de pracht van een pauw heeft, en is het niet zo dat men wat men liefheeft met iets vergelijkt dat superieur is?’

Zo ging het door en de dieren scoorden punt na punt met een hele lijst voorbeelden van wat de mens van hen gebruikt: hun veren en bont voor zijn kleren en genoegen, hun honing en eieren, melk en vlees voor voedsel. Toen zij hun vaardigheden opsomden in kunsten en wetenschappen, vroegen zij of er enig mens was die, zoals de vogels, kon weven zonder weefgetouw, of, zoals de bijen, geometrische bouwsels kon construeren zonder hout of stenen.

De ene wijze na de andere voelde zich deemoedig. ‘Ja, dat is allemaal waar, maar terwijl jullie slechts de ene of de andere eigenschap bezitten, heeft de mens ze allemaal, en wordt als een engel, als een god in zijn wijsheid en gedrag!’

‘Mooie engel!’ riepen de dieren in koor. ‘Zijn hebzucht en wreedheid zijn erger dan die van een beest!’

Niet uit het veld geslagen ging de wijze van de Heer door: ‘Verder is het noodzakelijk, omdat de hele wereld één geheel vormt, schadelijke en ontaarde dieren te doden, anders zouden ze het reusachtige wezen waar we allemaal deel van uitmaken, als een ziekte vernietigen. Ik stel echter voor dat we allemaal afspreken dat vanaf vandaag geen enkel onschadelijk dier meer zal worden mishandeld of gedood.’

Dat vonden de dieren verstandige taal. Ze kwamen overeen elkaar wederzijds te respecteren en ‘elkaar lief te hebben’, een verbintenis waarbij de wolf zich aansloot bij de ram, en de leeuw bij het hert. De harmonie was gevestigd, de tirannie beëindigd – totdat Desh-bireh, de Arabier het verdrag schond, door niet alleen voor zijn plezier te jagen, maar door zijn eigen vader te vermoorden. Toen braken ook anderen hun gelofte; maar niet de zachtaardige schepselen, die tot op deze dag dat oude vredesverdrag respecteren.

Deze fabel is intrigerend. In hoeverre zijn wij inderdaad de meerderen, zodat ons de heerschappij over de hele schepping moet worden gegeven – zoals ook in de joods-christelijke en andere geschriften? Waarom slaan wij zo’n slecht figuur, en zouden we misschien nog slechter voor de dag komen, als het verhaal zich nu afspeelde? Waarom geven de dieren zich plotseling over, ondanks alle argumenten in hun voordeel? En wat is het ‘grote geheim’ dat, zoals Zarathoestra zelf zei, in het verhaal wordt verklaard?

Blijkbaar is het een bevestiging voor het feit dat telkens wanneer de dieren – niet onze viervoetige metgezellen, maar de dierlijke eigenschappen in onszelf – hun luidruchtige eisen laten varen en luisteren, de stem van de ziel kan worden gehoord. Haar advies is altijd hetzelfde: om vooruit te gaan moeten de verschillende delen van het samengestelde wezen – de mens – worden ‘getemd’, zodat de ‘meerdere’, de verlichte menselijke intelligentie ze kan leiden en gebruiken. Dit is voor een atleet maar al te duidelijk, want hij is voor zijn trofee afhankelijk van het ogenblikkelijke gehoorzamen van zijn grondig getrainde spieren en zenuwen aan zijn wil.

Zelfoverwinning is echter niet gemakkelijk. De innerlijke conflicten zijn vaak verschrikkelijk: dit wordt dramatisch gekarakteriseerd door de aanhangers van het Mazdeïsme in de intense strijd tussen de krachten van Ahura Mazda, Heer van het Licht, Goedheid en Waarheid, en Ahriman, Heer van het Duister, Ontaarding en Leugen. Zulke gevechten zijn voor de moedigen, de ‘opstandigen’, voor wie elke vooruitgang een ontwaken is, een beproeving en een versterking, en een verwerpen van dat wat beperkt is en omlaaghaalt. Onveranderlijk overwonnen de ontwikkelden die erin slaagden hun ‘vredesverdrag’ te verkrijgen, vrijwillig de persoonlijke neigingen en werkten ze samen met alle zachtaardige schepselen – de krachten van het goede – die ze beschermden en ‘liefhadden’.

Hoe knap brengt dit verhaal ethische basisgedachten naar voren, en herinnert het ons eraan dat de verbazingwekkende instinctmatige vermogens van de lagere rijken door onze menselijke intelligentie en ons geestelijke onderscheidingsvermogen kunnen worden omgevormd tot goddelijke uitdrukkingsmiddelen van wijsheid en liefde – of op verschrikkelijke wijze kunnen worden misvormd en destructief gemaakt. Er is inderdaad een uitwisseling tussen onszelf en de dieren, zoals die er ook is tussen individuen en rijken, waarbij ieder geeft en neemt en door de ander wordt verrijkt.

Waarom vergelijkt de mens zijn geliefde met het hert en de pauw? Misschien komt dat omdat er in de ‘familie’ van Zarathoestra geen hoog of laag, bestaat, alleen gelijken, omdat elk lid een onafhankelijke, intelligente, onsterfelijke ziel heeft – al weten sommigen dat niet. ‘Al wat op aarde is, is de gelijkenis en schaduw van iets dat in de Sfeer is. . . . dat licht is de schaduw van iets dat nog luisterrijker is dan dat licht zelf; en zo verder tot aan Mij, die het Licht der Lichten is’ (The Desatir, blz. 90).

De volgelingen van Zarathoestra geloven dat elk individu een microkosmos van de Grote Mens, van de Onmetelijke Wereld, is, die is voortgebracht met en bestaat uit dezelfde ‘combinatie van delen’. Uit de ‘eerste Intelligentie en de eerste Rede [Logos]’ ontstaan: een tweede Intelligentie of Geest; een Ziel of Verstand; en een lichaam.2 Deze veelvoudige verdeling herhaalt zich, weerspiegelt zich omlaag, van de goddelijke naar de geestelijke en naar de stoffelijke gebieden of werelden. Elk van deze – die niet is geschapen, maar ‘gerangschikt en gevormd’ door zijn meerdere – vormt zijn eigen lagere wereld. In de mens is het zijn bewuste ziel die, geplaatst tussen zijn hemelse intelligentie en zijn stoffelijke vorm, door het hogere wordt gevoed terwijl ze in en door het lagere functioneert.

De eenvoudige voorstelling van het hogere als het goede en het lagere als het kwaad in het Mazdeïsche stelsel houdt niet in dat dit eigenschappen op zich zijn, maar alleen dat ze worden beoordeeld naargelang hun invloed op de ziel verheffend of verlagend is. Goede gedachten, woorden en daden stellen een mens in staat zijn lagere aspecten te zuiveren, zodat ze de hogere weerspiegelen, waarvan ze de schaduw zijn. Op deze manier is hij vruchtbaar, verwerkelijkt hij zijn goddelijk potentieel, en vermenigvuldigt hij de zegeningen van het Goede.

Is dit dan het ‘grote geheim’ van de fabel? De Perzen hebben altijd gestreefd naar harmonie van geestelijke en wereldlijke prioriteiten, omdat ze geloofden dat de schoonheid, goedheid, liefde en verantwoordelijkheid van een natuurlijk leven de verwerkelijking zijn van de goddelijke wet. De hemel en de hemelse menigten schijnen nooit ver weg voor de Iraanse nomade of dorpeling. Zon, planeet, ruimte en godheid zijn er altijd, zijn de essentie van het leven en het schijnbare begin en einde van alles. ‘Die mens is blind geboren, die zegt dat Hij niet kan worden gezien. Hij die het Zelf-bestaande niet kan waarnemen in deze heerlijkheid die de Zijne is, is blind vanaf het moment dat hij uit de moederschot kwam’ (The Desatir, blz. 73).

Maar om God te kennen, zeggen ze, moet men zichzelf kennen. Door het kleine te kennen zal men het grote kennen.

Als u het oog van uw hart opent zult u zien dat de hemel de huid is van dit grote Wezen; Kywan (Saturnus) de milt, Barjish (Jupiter) de lever, Behram (Mars) de gal, de Zon het hart, Nahid (Venus) de maag, Tir (Mercurius) de hersenen, de Maan de longen, de vaste Sterren en de Huizen van de Planeten de aderen en zenuwen . . .
         – The Desatir, blz. 72

Zinspelingen als deze dragen het stempel van de oude gnosis, die niet alleen het innerlijke hart van de heilige leringen van de volgelingen van Zarathoestra was, maar van alle volkeren van het Nabije Oosten.

De zeven klassen van dieren in de Desatir kunnen ook de zeven voornaamste delen of eigenschappen van de menselijke natuur voorstellen, waarvan de Avesta een korte opsomming geeft in dit vers uit Yasna, hfst. 54:

Wij verklaren en maken uitdrukkelijk bekend dat wij (ons) hele bezit – het lichaam (het zelf, bestaande uit) beenderen, levenswarmte, etherische vorm, kennis, bewustzijn, ziel en geest – offeren aan de weldadige, samenhangende waarheid bevattende (en) zuivere Gatha’s.

Technisch worden deze beschreven als: (1) Tanwas, ons fysieke lichaam, dat volgens de volgelingen van Zarathoestra even noodzakelijk is voor de ziel als kleding voor het lichaam; (2) Ushtanas, de levensgeest of kracht die leven geeft en beschermt; (3) Keherpas, ons astrale beeld of etherische vorm; (4) Tevishis, de wil of het waarnemende bewustzijn; (5) Baodhas, ons ik-besef, dat in en door fysieke en mentale gevoelens en waarnemingen functioneert, door instincten, het geheugen, de verbeelding, enz.; (6) Urvanem, onze geestelijke ziel – de Heer, die heerst over zichzelf, over zijn lichaam, zijn vitaliteit, bewustzijn en geest; (7) Fravashem, de eerste schaduw van God, onze goddelijke vonk, die woont in de tegenwoordigheid van Ahura en ons naar het Goede leidt. Als om een of andere reden het Fravashem van het lichaam wordt gescheiden, ‘wordt het lichaam verzwakt en blijft het inactief, net als een huis tot een ruïne wordt als men het niet onderhoudt’.3

Van een wat luchtiger karakter, maar even cryptisch, is de vergelijking in de Avesta van de beginselen van de mens met zeven honden die naar hun kleur worden beschreven, blauw, geel, gevlekt, enz.; als de hond met rugstekels (de egel), de herdershond, de waakhond; of als karakters die lijken op een priester, een krijger, en een landman, enz. De egel Vanghapara, ‘het goede schepsel onder de schepselen van de Goede Geest, dat van middernacht tot zonsopgang duizenden schepselen van de Kwade Geest doodt’ (Vendidad, Farg. XIII:I), vertegenwoordigt blijkbaar ons geestelijke geweten dat ons bewaakt en beschermt als we ons vanuit onze kinderstaat van onwetendheid ontwikkelen tot geestelijke verlichting. Wie ooit deze rugstekel-hond ‘doodt’, zo zeggen ze, zal na de dood niet in staat zijn zijn weg te vinden over de Chinvat-Brug naar het Paradijs. De waakhond en de herdershond corresponderen metaforisch met onze geestelijke en intellectuele beginselen; de een bewaakt ons ‘huis’ tegen al het kwade, en de ander ons uitgebreide gedachtegoed. Verder zijn er ook nog de zwerfhond zonder baas, de afgerichte of jachthond, de waterhond, enz., die alle hoogstwaarschijnlijk betrekking hebben op kenmerken van onze psychische, vitale, astrale en fysieke beginselen.

Als opperbevelhebber van de stoffelijke schepping is het daarom onze opdracht in het leven de krachten van alle zeven beginselen aan te voeren en ‘de leugen te overwinnen’. Want de vijanden van onze geest, die schadelijke dieren van Ahriman – bedrog, hebzucht, ketterij, woede, jaloezie – die zo meedogenloos azen op lichaam en geest, zijn vastbesloten al wat goed is te vernietigen. Alleen wij kunnen ze afschrikken, en door dat te doen andere opwekken, want wij zijn hun vertegenwoordigers en beschermers. Het overwinnen van zwakheden in onszelf geeft kracht aan allen die worstelen om het hoogste, Ahura Mazda, te bereiken.

Zij die gewend zijn de mens te beschouwen als een wezen samengesteld uit alleen lichaam en geest, vinden de verdeling van onze natuur in zoveel delen of ‘lagere engelen’, zoals die in de Desatir voorkomt, misschien bijzonder gecompliceerd. Maar als men eenmaal de speciale functie en het karakter van deze verschillende facetten van ons wezen heeft begrepen, worden veel geheimen van het bewustzijn opgehelderd. We kunnen dan bijvoorbeeld begrijpen hoe ons bewustzijn in enkele seconden vanuit de nabijheid van deze wereld zich kan richten op verre melkwegstelsels, kan opstijgen tot in de zevende hemel, kan afdalen in helse nachtmerries, en de verre regionen van de slaap kan binnendringen. Het verklaart ook hoe onze ‘delen’, als ze worden geschokt, verstoord raken, ontwricht, en een psychotisch gedrag vertonen.

Maar de mens is niet het enige veelvoudige wezen; alle levensvormen, en ook de aarde zijn dat. De Avesta voegt een dimensie toe aan dit onderwerp en versterkt zowel de vedische als de moderne theosofische leringen dat onze aarde niet louter dit fysieke lichaam is, maar een zevenvoudig wezen dat bestaat uit zeven karshvars, aardbollen of werelden, die van elkaar zijn gescheiden door een Oceaan van Ruimte. Deze gescheiden, en voor ons niet waarneembare karshvars, zeggen de Perzen, passen concentrisch ineen, zoals een vogel haar ei omsluit. We kunnen ons deze werelden voorstellen in een kring om onze stoffelijke aardbol, als zes opeenvolgende, concentrische bergketens die uit ‘bergkristal’ zijn samengesteld en zich in de drie kosmische gebieden bevinden: het aardse dat zich uitstrekt tot aan het gebied van de maan; het atmosferische dat zich uitstrekt tot de sterren, en het hemelse rijk of gebied dat zich tot voorbij alles uitstrekt.4

Een dergelijke metaforische beschrijving van de drie- en zevenvoudige natuur van onze aarde heeft de oriëntalisten eeuwenlang voor een raadsel gesteld. Maar dat was niet nodig geweest, als ze zich de aarde hadden voorgesteld als een samengesteld wezen net zoals de mens. Deze zes andere karshvars kunnen metafysisch worden beschouwd als de hogere monaden van onze aarde, een begrip dat zo duidelijk aansluit bij Ezechiëls ‘raderen binnen raderen’ en bij de kristallijnen sferen van de Grieken dat velen overtuigd zijn dat de schrijvers van de bijbel rechtstreeks leringen hebben ontleend aan de Perzische mystiek, en enkele auteurs uit de oudheid speculeren dat Pythagoras een leerling was van Zarathoestra.

Voor de Mazdeïsten is er weinig verschil tussen de mens en een planeet. Want zijn wij, wonend in een lichaam van beenderen – of bergkristal – niet ook zo’n in afdelingen verdeeld conglomeraat, niet alleen van elementalen-, mineralen-, planten-, dieren-, mensen- en godenrijken, maar ook van gedachten, begeerten en van ontelbare op elkaar inwerkende krachten, waarin wij leven als de centrale toezichthoudende Meerdere? Zijn we niet nu en dan in staat om contact te hebben met de innerlijke essentie, die overal de gezonde en harmonische werkingen verbindt, bezielt en inspireert? Zo zijn volgens hen ook de zeven karshvars mystiek verbonden door een grote wereld-weldoende Berg Hara, waarvan de top wordt omringd door een prachtige ‘zon’, die verwarmt en verlicht, en de Dag brengt aan alle levens binnen de rijken van de zeven karshvars.

Het is juist hier op de meest stoffelijke van de gemanifesteerde werelden dat de mens, al worstelend naar goedheid en waarheid, eens zal verrijzen als gelijke in rang en kennis aan de hemelingen. Edele mensen, zeggen de volgelingen van Zarathoestra, en in het bijzonder de profeten, hebben hun verschillende delen al zo gezuiverd, geschikt en aangepast dat zij als ze dat wensen, in staat zijn de superieure intelligenties te bereiken en te begrijpen. Hoewel ‘de spraak van God geen adem is, geen geluid bevat’,5 zullen zij merken dat ze in hun hart neerdaalt als heilige inspiratie.
Op deze manier werd, naar men zegt, de Desatir geopenbaard, en werd zijn profeten geleerd om de waarheden daarvan om te zetten in een taal die de ziel van de mens zou voeden.

 

Noten

  1. Mulla Firuz Bin Kaus, The Desatir, Wizards Bookshelf, 1975, blz. 99-108.
  2. Op.cit., blz. 3.
  3. ‘Theosophy and the Avesta’, The Theosophist, IV, 20-22, okt. 1882.
    R.C. Zaehner, The Dawn and Twilight of Zoroastrianism, Weidenfeld and Nicolson, 1961, blz. 269-74.
  4. H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, TUPA, 1988, 2:691-5, 861-3.
    Mary Boyce, A History of Zoroastrianism, E.J. Brill, 1975, blz. 78, 132-5; The Zend-Avesta, Part II, Sacred Books of the East, vol. XXIII, vert. James Darmesteter, Clarendon Press, 1883, blz. 123.
    Zand-akasih, Iranian or Greater Bundahisn, vert. Behramgore Tehmuras Anklesaria, Bombay, 1956, hfst. XXI, A, blz. 171.
  5. The Desatir, blz. 24, 35.

 



De wijsheid van Zarathoestra – 2
Hoe het begon

Eloise Hart


Het Perzische verhaal over het begin van de dingen vertelt hoe dat wat altijd heeft bestaan en keer op keer in het gemanifesteerde zijn vorm aanneemt, opnieuw verschijnt en zich vernieuwt. Deze openbaringen voltrekken zich in grote perioden met een symbolische duur van 12.000 jaar. In het eerste kwart zijn de ‘oorspronkelijke’ scheppingen van zowel de Geest van het Licht, Ahura Mazda, als van de Geest van de Duisternis, Ahriman, zuiver subjectief en op zo’n hoog geestelijk vlak, dat ze ons begrip volstrekt te boven gaan. De tweede fase, die geheel naar de wil van Ahura verloopt, laat ons de opkomst zien van de gemanifesteerde werelden met het begin van een evolutionaire ontwikkeling uit eigen kracht. De derde periode van 3.000 jaar is een ‘gemengde toestand’ van strijd tussen de krachten of ‘instrumenten’ van het Goede en van de Duisternis. En in de laatste periode worden alle eindige ‘destructieve en boze’ geesten overwonnen en opgenomen in het Oneindige Wezen, in Ahura Mazda.

Volgens de Perzische overlevering ontwikkelde deze oorspronkelijke schepping zich uit de oneindige cirkel van de onkenbare Tijd en Ruimte (Zervan Akarana). Bij het eerste vage gloren van de eindige tijd kwam uit de leegte, waar Duisternis zich vermengde met eeuwigdurend Licht, het luisterrijke zaad van alle zaden, Ahura Mazda, tevoorschijn. Als Heer van het Licht en van de Geest, omsloot hij in zijn wezen de geestelijke zielen, de fravashi’s, van al wat gemanifesteerd zou worden. Zelf zonder begin of einde, zonder verleden, plaats of positie, vormde Ahura door zijn denken de eerste onzichtbare, ontastbare, enkelvoudige, oorspronkelijke materie tot de ideële vorm van de werelden die geboren zouden worden – en die vorm van hemzelf en zijn schepselen bleef 3.000 jaar lang in een geestelijke toestand, zonder te denken, zonder te bewegen en ontastbaar.

Hoewel hij wordt vereerd als één en oppermachtig, wordt Ahura Mazda geacht van tweeërlei aard te zijn, namelijk licht-goedheid-waarheid en duisternis, het onwerkelijke en niet-levende schaduwbeeld van het ware Zijn. Het was in deze eerste cyclus van 3.000 jaar dat deze Geest van de Duisternis, Ahriman, in beweging kwam en ontwaakte, en toen hij het Licht van Ahura zag, werd hij zo van verwondering vervuld dat hij uit het duister van de afgrond oprees om het te bereiken. Maar omdat het hem aan wijsheid ontbrak, faalde hij en vluchtte terug in het Duister, verward, maar vastbesloten om, als hij het niet kon krijgen, demonen te verwekken om alle voortbrengselen van de schepper aan te vallen, te schaden en te vernietigen. Daarop verzocht de alwetende Ahura hem dringend ervan af te zien en, met het oog op de onvermijdelijke overwinning van de positieve krachten van de geest, zichzelf en zijn aanstaande schepselen groot leed te besparen door zich vanaf het begin bij de krachten van het goede aan te sluiten. Maar Ahriman, verblind door zijn eigen beperkte denken, weigerde absoluut zich bij de rechtvaardigen aan te sluiten of ze ooit bij te staan. Deze weigering betekende het begin van eeuwen van strijd, die niet alleen de stabiliteit van de zichtbare en de onzichtbare werelden ondermijnde, maar ook indirect de scheppingen van Ahura zo in kracht deed toenemen, dat ze in het laatste kwart in staat zouden zijn de demonen geheel te bedwingen.

Terwijl Ahriman in verwarring achterbleef, bracht de verheven meester, Ahura, uit zichzelf, als aspecten van zijn stralende pracht, zes glorierijke Onsterfelijken voort – Amesha-Spenta’s – die samen met hem de geestelijke, stellaire en aardse werelden ordenden, steunden, zegenden en beschermden, met al hun ontelbare bewoners – die elk een goddelijke intelligentie bezaten, een intelligente geest-ziel en een lichaam, en die elk werden gesterkt door een vlam van het Vuur van Ahura Mazda.

In zeven scheppingen brachten deze Amesha-Spenta’s, samen met de nodige geestelijke fravashi’s, die daarbij betrokken waren, het volgende tot stand: (1) de grote kristallijnen hemel – waarvan de geest een intelligentie is die denkt en spreekt, handelt en zonen voortbrengt en menigten – de zon, maan, sterren en de twaalf tekens van de dierenriem die, onder toezicht van hun leiders in het noorden, oosten, zuiden en westen en van de verhevene in het centrum van de hemel, een groot en verenigd leger vormen, dat de Vernietiger overwint en hun gebieden tegen het kwaad beschermt. (Met deze ‘leiders’ bedoelt men gewoonlijk Ursa Major, Sirius, Fomalhaut en Antares, met Regulus in het midden). De gezegende Amesha-Spenta’s stelden ook de banen vast van deze sterren, van de eeuwigdurende lichten en van de wind en de wolken, die vroeger alle onbeweeglijk op dezelfde plaats stonden, maar zich nu voorthaasten.

Zij vormden vervolgens (2) de heldere wateren, waarvan alle wezens voor hun leven en welzijn afhangen, en die voordien hoewel ze waren geschapen, zich niet bewogen, maar nu vrij voortstroomden. Uit het midden van deze wateren vormden ze (3) de aarde met haar rivieren en oceanen, haar continenten en overvloed aan mineralen en (4) geurige vegetatie die (5) de goedaardige dieren voedt – het volgende rijk dat werd geschapen en dat zoveel soorten bevatte dat, mocht er één soort verdwijnen, andere zouden overblijven. Toen vormden ze (6) de mensheid, de ‘kleine wereld’ die de Grotere weerspiegelt. Voor al deze myriaden van individuen, families, soorten en rijken verschaften ze hoofden en leiders en beschermers. En tenslotte brachten ze (7) het vuur voort – een straal van het eeuwigdurende licht van Ahura.1

De Mazdeïsche leringen over de aarde zijn zeer suggestief voor diegenen die bekend zijn met de mystieke overleveringen van de onzichtbare werelden en van de krachten en levens die door de geestelijke, hemelse en aardse rijken circuleren, maar ze hebben eeuwenlang al diegenen voor een raadsel gesteld die wilden proberen geografische plaatsen vast te stellen voor de gebieden, rivieren en bergen die ze symbolisch vermelden.

De Aarde, zo vertellen ze ons, is samengesteld uit zeven op zichzelf staande karshvars (gebieden, aarden of werelden), elk van de ander gescheiden door oceanen, zodat ‘het niet mogelijk is van het ene gebied naar het andere te gaan zonder de leiding en het licht van de Yazats [hemelse geesten]’ (Zand-akasih, blz. 91). Verder situeren ze de karshvar Arezahi in het westen, Savahi in het oosten, Fradadhafshu in het zuidwesten, Vidadhafshu in het zuidoosten, Vourubaresti in het noordwesten, Vourugaresti in het noordoosten en Hvaniratha, de enige karshvar die (op het ogenblik) door mensen wordt bewoond, in het centrum. H.P. Blavatsky zegt van deze laatste karshvar dat ze zich niet in het midden bevindt alsof ze is omringd door concentrische cirkels of door een keten van bollen, maar dat ze de onderste is in een keten met zes andere aardbollen, die rondom, boven, onze bol zijn gegroepeerd. Zij staaft deze mening met een citaat uit de Vendidad, die onze aarde beschrijft als imat ‘dit’ en de zes andere karshvars als avat ‘dat’ of die hogere aardbollen, en schetst deze ‘heel aanschouwelijke en nauwkeurige beschrijving van de ‘keten’ van onze planeet, de Aarde, . . .’2 op de volgende wijze:

Hoewel deze zes hogere aardbollen kennelijk tot verschillende bewustzijnstoestanden behoren en niet waarneembaar zijn voor onze fysieke zintuigen, zijn ze voor hun bewoners vaste bollen en volgens de Mazdeïsten heeft elk ervan continenten, zeeën, bergen en rassen met evoluerende wezens. Het is echter alleen op en uit onze mensdragende aarde dat de grote, voor de wereld weldadige Berg Hara oprijst, die groeide als een boom en zijn ‘wortels’ diep in de grond boorde om zo ongezien alles wat tot zijn keten behoort, te verbinden en te voeden. Aan de top van deze berg is de Chinvat Brug des Oordeels vastgehecht, waar de zielen overheen gaan die, van hun aardse lichaam bevrijd, hun eindeloze reis voortzetten door gebieden van gelukzaligheid, of naar loutering en hel, ‘de plaats van het slechtste doel’ overeenkomstig hun ‘goede werken’.

De sterren, de maan en de zon cirkelen rond de top van de hoge Hara, vanwaar zowel licht als het levenbrengende water op de aarde neerstromen. De zon verschijnt om eerst de drie werelden en de helft van de vierde in het westen te verwarmen, te verlichten en daglicht te brengen, om ze daarna in duister achter te laten en de drie en een halve aan de oostkant van de top te verlichten. Al die tijd stromen de ‘wateren’ voortdurend in een wonderlijke spiraalvormige beweging door en om de zeven karshvars. De Vendidad beschrijft hoe deze kosmische wateren en lichten periodiek opnieuw verschijnen vanuit de top van de Berg Hara, zich in de zee, Vourukasha, storten en vandaar als twee machtige rivieren verder stromen, één naar het oosten en één naar het westen. Deze cirkelen om de aarde en worden gezuiverd, om daarna eerst terug te keren naar de Vourukasha-zee en dan naar de top van de berg, om opnieuw af te dalen en weer op te stijgen in een eeuwige beweging:

. . . opstijgend en neerdalend, langs de luchtwegen omhoog en neer naar de aarde, neer naar de aarde en langs de luchtwegen omhoog:

Stijg dan op en wentel voort! u in wiens opgang en groei Ahura Mazda alles maakte wat groeit.

Op! stijg op, jullie machtige sterren, die het zaad van de wateren in je dragen;

Rijs op boven Hara Berezaiti, en breng licht voort voor de wereld (en moge u [O mens!] daar oprijzen . . .), langs het pad door Mazda gemaakt, langs de weg door de goden gemaakt, de water-weg die zij openden.

    – Vendidad, Farg. XXI, iiic

In dit grootse beeld van universeel leven staat in het Perzische stelsel de mens centraal, want mensen werden niet louter gezien als aardbewoners, gebonden aan deze bol, maar in hun hogere aspecten als goddelijke wezens die vanaf het begin zich bewogen en mengden in, en deel hadden aan, de werkingen van het macrokosmische leven. Ze beschouwden daarom Ahura Mazda niet als een buitenstaande en op zichzelf staande schepper, maar als één wiens voortbrengselen tot stand komen en vervolmaakt worden door de geestelijke kracht van de zielen van mensen die volgens de rechtvaardige Wet leven, hebben geleefd en zullen leven. Het is door de zielen van deze mannen en vrouwen, zo zeggen ze in een hymne, dat de hemelen en aarden zich uitspreiden en in stand worden gehouden, door hen dat ‘de wateren stromen, de planten groeien, de winden waaien’, dat zon, maan en sterren hun schitterende wegen volgen, en door hen wordt het evenwicht bewaard tussen de aantrekkende krachten van de schepper-instandhouder en de afstotende krachten van de ontbinder-vernietiger. En in deze wereld zal tenslotte door het menselijk gedrag de harmonie tot stand worden gebracht en het kwaad worden omgezet in het goede, want hier op deze karshvar Hvaniratha wordt de grootste strijd gevoerd en ook het grootste goed voortgebracht.

Het was vóór de stoffelijke werelden verschenen en tijdens de eerste schepping, dat Ahura Mazda voor het eerst sprak tot de fravashi’s, de voor-bestaande geesten van de toekomstige mensen, die hem in die tijd in zijn machtige bolwerken omringden als ‘krijgers te paard’, om het binnendringen van het kwaad te voorkomen. Hij had hun toen gevraagd hem bij te staan als zijn voornaamste helpers om de gemanifesteerde werelden tegen het kwaad te behoeden. En hij had hun gezegd dat ze de vrije keus hadden om, als ze op aarde in een lichaam incarneerden en geconfronteerd werden met de Agressor, zijn hulp en bescherming te krijgen, of het kwaad op eigen houtje het hoofd te bieden en de kans te lopen door illusies in verwarring te worden gebracht. De fravashi’s, die voorzagen dat, hoewel de strijd kolossaal zou zijn en het lijden uiterst hevig, hun uiteindelijke overwinning onbeschrijfelijk zoet zou zijn, verkozen eenstemmig om alleen af te dalen. Zij twijfelden geen moment eraan dat ze de schepselen van het kwaad zouden kunnen overwinnen en dat zijzelf onsterfelijk, onvergankelijk en ongestoord zouden terugkeren.3

De eerste mensheid van de tien geschapen soorten wordt in hun geschriften beschreven als de schitterende en wit-ogige Gayomart (lett. ‘sterfelijk leven’), die blijkbaar ei-vormig was – ‘stralend als de zon en vier roeden [een roede is 5,029 m] hoog en hij was even breed als hoog’.4 Hoewel gezegend en rechtschapen, was hij niet voorbereid om het kwaad van Ahriman te weerstaan, die zelfs toen al demonische wezens had voortgebracht, die duisternis en zwarte rook vermengden met het heldere vuur, die de wateren bezoedelden met zout, de bewegingen van planeten en sterrenbeelden verstoorden, de aarde met zo’n kracht schudden dat er bergen verrezen; die de weelderige groei van de planten tenietdeden en maakten dat de tere stengels werden bedekt met doornen en ruwe bast en het sap van sommige met gemeen gif vermengden. Zachtaardige dieren maakten ze wild en ze kwelden allen met 99.999 soorten ziekte en dood.

Hoewel Ahriman ziekte veroorzaakte om Gayomart te overwinnen, zodat deze op de grond ineenzakte en ‘van links de dood haar intrede deed in het lichaam van Gayomart; en daarna de dood over alle schepselen kwam tot aan de vernieuwing van het heelal’, was zijn overwinning kortstondig. Het zaad van de eerste mens, dat in de grond was begraven en ‘door het licht van de Zon werd gezuiverd’, groeide na veertig jaar op uit de aarde als twee stervelingen, Masya en Masyani.5 Zij groeiden op als één plant, zó met elkaar verbonden, dat men de man niet van de vrouw kon onderscheiden, noch kon vaststellen of één of allebei de zielenglorie bezaten. Hierover zei Ahura Mazda:

‘De glorie werd tevoren door mij geschapen; daarna wordt voor hem die geschapen is aan de glorie een lichaam gegeven, zodat ze activiteit zal kunnen ontplooien en haar lichaam wordt alleen geschapen voor activiteit.’ En daarna veranderden zij van de vorm van een plant in de vorm van een mens, en de glorie daalde geestelijk in hen neer.
         – Zadh-sparam, X, 5-6

En Ahura legde Masya en Masyani uit dat hij hen had voortgebracht, man en vrouw, de ouders van de toekomstige rassen. Hij zei hen zich aan de Wet te houden, goede gedachten te denken, goede woorden te spreken, goede daden te doen en geen demonen te aanbidden.

Eerst waren zij vervuld van het wonder van het leven en gehoorzaamden, maar toen Ahriman hen aanviel met verdachtmakingen en listige verleidingen, vergaten ze de woorden van de Heer en gaven ze zich over aan bevrediging. Toen, nadat vijftig winters waren verstreken, schonken ze het leven aan een zoon en een dochter, maar ‘omdat de kinderen zo lieflijk waren, verslond de moeder er één en de vader één; toen verwijderde Ohrmazd de lieflijkheid van de kinderen uit de gedachten van de verwekkers en gaf hen zoveel als nodig was om de kinderen groot te brengen’ (Zand-akasih, blz. 133.) En ze brachten nog meer nakomelingen voort, die de opeenvolgende generaties en rassen van mensen werden. En Ahura zelf waakte over hen, onderwees hen en beschermde hen tegen de invloed van het kwaad.

Maar toch waren enkele van deze eerste nakomelingen verdorven en brachten na verloop van tijd monsters voort, vreemde mensachtige wezens van de aarde: de watermensen, de borst-ogigen, de borst-origen, de één-benigen, degenen met vleugels als van een vleermuis, en degenen van het woud met staarten en haar op het lichaam. En later, toen de rede en de glorie van de geest hen tijdelijk had verlaten, namen sommigen ‘demonen’ tot vrouw, die het leven schonken aan apen met staarten – waarvan men zegt dat ze de laagste van de mensheid zijn – en andere ontaarde soorten.

De eerste sterveling waarmee Ahura sprak over de wijsheid van Mazda was Yima, een afstammeling van Masya en Masyani. De Wijze Heer vroeg hem de Wet in ontvangst te nemen en haar over te brengen naar de mensheid, maar Yima weigerde, want hij was daarvoor niet gereed. In plaats daarvan werd hij een Goede Herder en, met de gouden ring en de dolk, hem door Ahura gegeven, regeerde, voedde en beschermde hij de wereld zo goed tegen hitte en kou, ziekte en dood, dat allen in voorspoed leefden. Mensen en dieren vermenigvuldigden zich in feite zo snel, dat er geen ruimte voor méér was.

Toen beval Yima, gehoorzamend aan de wil van Mazda, de Geest van de Aarde ‘zich te openen en zich uit te strekken’ om plaats te maken voor nieuwe kudden en mensen en planten. Drie keer raakte de aardbol overbevolkt; drie keer strekte de Aarde zich uit, en elke keer bracht Yima nieuw land voort, waar nieuwe mensenrassen met hun vee, hun kudden, honden, vogels en roodgloeiende vuren konden wonen.

Omdat elk van deze uitbreidingen vergezeld ging van ‘kwade winters’ en overstromingen, die alle leven in de stoffelijke werelden dreigden te vernietigen, had Ahura Yima gelast een vara, een ‘omheining’ of ark te bouwen – om de grond te verpulveren door met de hiel te stampen en de aarde met de hand te kneden zoals pottenbakkers dat doen. En Yima bouwde zo’n vara in een vierkant, twee mijl lang en breed, met straten en huizen met balkons en binnenplaatsen. In de ark zette hij ‘water dat stroomt’ en ‘voedsel dat niet opraakt’ en het zaad van de grootste, de beste en de mooiste van alle schepselen op aarde en ook de roodgloeiende vuren en de hemelse vogel, Karshipta die, naar men zegt, omdat hij één van de geestelijk ontwaakte Saoshyants of verlossers is, de religie van Ahura in de ark bracht en de mensen daar leerde de Avesta in de taal van de vogels op te zeggen. Tenslotte verzegelde Yima de omheining met zijn gouden zegel en maakte een deur en een ‘raam dat uit zichzelf naar binnen licht werpt.’ . . . ‘En de mensen in de vara . . . leven het gelukkigste leven dat er is. Ze leven er 150 jaar; sommigen zeggen dat ze nooit sterven.’6

De volgelingen van Zarathoestra geloven dat er tegen het einde van de vierde en laatste periode van kosmische duur, tegen het eerste begin van de Nieuwe Dageraad, heilige Saoshyants zullen worden geboren. Zij zullen de aarde bijstaan en haar schepselen voorbereiden op de vervulling, als de mens, die onsterfelijk wordt, eerst zal ophouden vlees te eten, dan melk te drinken, groente en brood te eten en tenslotte zelfs zonder water zal leven. Zij zullen ook de slechten helpen die dan, gelouterd uit hun hellen van gesmolten metaal, verlost zullen verrijzen en de glorie bereiken die ze in het begin van de tijd hadden willen bezitten. Dan zal alle beweging en alle activiteit ophouden. De oneindige Tijd en Ruimte zullen zich opnieuw uitstrekken als een ijsloos, vormloos vlak, waar zelfs de Berg Hara met de grond gelijk is gemaakt en verdwenen.7 Ahura Mazda zelf, zijn scheppingen en schaduw, zullen verdwijnen en er zal niets zijn dan een grenzeloze leegte en alles zal ‘in Licht volmaakt zijn geworden’.

 

Noten

  1. Deze scheppingen worden besproken in:
    Mary Boyce, A History of Zoroastrianism, deel I, E.J. Brill, 1975, blz. 132-46.
    R.C. Zaehner, The Dawn and Twilight of Zoroastrianism, Weidenfeld and Nicolson, 1961, blz. 250-60.
    Zand-akasih, Iranian or Greater Bundahisn, vert. Behramgore Tehmuras Anklesaria, Framroze A. Bode, Bombay, 1956, blz. 23ev.
  2. H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, 1988, TUPA, 2:861-3.
  3. Zand-akasih, blz. 45.
    Dawn and Twilight of Zoroastrianism, blz. 146, 261.
  4. History of Zoroastrianism, blz. 139 (Greater Bundahisn, I, a.13).
  5. Zand-akasih, blz. 127ev.
  6. The Sacred Books of the East, deel IV, The Vendidad, vert. James Darmesteter, Clarendon Press, 1895, blz. 10-20.
    The Tree of Life, uitg. Ruth Smith, Viking Press, 1942, blz. 318-21.
  7. Zand-akasih, blz. 285, 293; Sacred Books of the East, deel V, Pahlavi Texts, vert. E.W. West, Clarendon Press, 1880, blz. 126-30.

 



De wijsheid van Zarathoestra – 3
De profeet van het licht

Eloise Hart

 

Help mij door licht, beziel mij door licht, en bescherm mij door licht, en verenig mij met het licht! Dat vraag ik u, O Aanbiddenswaardige!     – Desatir

Het licht en het mystieke joie de vivre, dat zo kenmerkend is voor de religie van Zarathoestra, werden door deze profeet verkondigd op het moment van zijn geboorte – hij lachte; hij lachte zo blij, dat de vroedvrouwen zich verwonderden en zijn vader uitriep: ‘Deze baby is ongetwijfeld van God. Allen, met uitzondering van hem, komen huilend ter wereld.’1

Deze gedachte wordt door legenden steeds weer bevestigd wanneer tegenspoed wordt omgezet in voorspoed. Toen slechte mensen, die plannen beraamden voor zijn ondergang, Zarathoestra als klein kind ontvoerden en hem in een vuurzee wierpen, veranderden de vlammen in water, en zijn moeder, die geheel buiten zichzelf was, ‘redde’ haar kind uit de koele as, waarin hij vredig lag te slapen. Later, toen schurken hem achterlieten in een wolvenhol, waarin ze de welpen op wrede wijze hadden afgemaakt, gingen de wolven in plaats van hem te verslinden, als zorgzame verplegers om hem heen staan en kwamen er tegelijk twee ooien uit de bergen om hem te zogen.

Deze en andere verhalen over zijn jonge jaren, zijn voor hen die vertrouwd zijn met de symbolische verhalen over de verzoekingen en louteringen van wereldverlossers, een aanwijzing dat Zarathoestra een ingewijde van hoge graad was. Volgens de oosterse mysterietraditie combineerde hij bij zijn geboorte de drie elementen van een avatarische neerdaling: (1) de khwarr, zijn hemelse glorie die, zoals men zegt, voor deze incarnatie neerdaalde vanuit de wereld van Licht naar de zon, naar de maan, de sterren, het haardvuur en in zijn toekomstige moeder; (2) de fravashi, zijn beschermende en inspirerende ziel, die naar de aarde werd geleid, nadat zij als gelijke onder de heilige Amesha-Spenta’s had verkeerd; (3) de tan-gohr, zijn zuivere fysieke substantie, die tevoren was toevertrouwd aan de zorg en koestering van de heren van het water en van de planten. Deze drie kwamen tezamen, en hij werd uit menselijke ouders geboren, normaal, en toch wonderbaarlijk.2

Zarathoestra zelf was zich tot zijn dertigste levensjaar niet bewust van deze grote potentiële mogelijkheden. Het was tijdens de lentenachtevening dat hij, om water te halen voor de haoma-ceremonie, de ‘Rivier van de Vier Stromen’ inliep en plotseling een figuur van licht voor zich zag staan op de oever van de rivier. De figuur wenkte hem en bracht hem eerst in tegenwoordigheid van de gezegende onsterfelijken, en toen van Ahura Mazda. Daar, met het licht van de Heer op hem, werden de geheimen van het Zijn aan Zarathoestra onthuld: van de schepping, van de hemelse sferen, en van verleden, heden en toekomst. Hij zag en begreep zijn opdracht – deze heilbrengende wijsheid aan alle wezens op aarde te verkondigen.

Na deze ervaring reisde hij tien jaar lang door een groot gebied maar maakte slechts enkele bekeerlingen. Maar op een dag kwam hij aan het hof van koning Vishtaspa van Bactrië, en toen hij de monarch naderde, plaatste hij in zijn handen een stralende vlam, die hem wonderlijk genoeg geen letsel bracht. Vishtaspa was onder de indruk, maar nog meer door de woorden van de profeet. De hofpriesters, de astrologen, geleerden en barden waren echter argwanend en vijandig. Ze grepen alle mogelijke middelen aan om hem in de war te brengen, zijn uitspraken te weerleggen en hem te kleineren, en lieten hem zelfs in de gevangenis werpen. Maar Zarathoestra’s geduld en inzicht wankelden nooit; en toen hij werd bevrijd, na het hopeloos zieke paard van de koning op heel ongewone wijze te hebben genezen, won hij de oprechte steun, niet alleen van de koninklijke familie, maar ook van haar wijzen. En daarna verspreidden zijn leringen zich in het hele Iraanse rijk en ver daarbuiten.

Historisch is er weinig over het leven van Zarathoestra bekend. Sommigen plaatsen hem als tijdgenoot van Pythagoras omstreeks 600 v.Chr. Anderen, zoals de beroemde Egyptoloog Baron Bunsen, die hem beschreef als ‘een van de machtigste intellecten en een van de grootste figuren van alle tijden’, plaatst hem op ongeveer 3.000 jaar v.Chr. Aristoteles geloofde dat de ‘oude wijze’ 6.000 jaar voor Plato leefde, en Plutarchus zegt dat hij 5.000 jaar voor de Trojaanse oorlogen werd geboren. Ongetwijfeld is deze tegenstrijdigheid te wijten aan het feit dat een hele reeks oude wijzen-astronomen en profeten-hervormers Zarathoestra werden genoemd, een naam die afwisselend wordt vertaald als ‘levende ster’, ‘leraar van sterrenwijsheid’, en zelfs ‘de Gouden Hand . . . die hemels vuur ontving en verspreidde’. Deze opeenvolging van leraren, die zich uitstrekte van de goddelijke Zarathoestra van de Vendidad tot aan de Iraanse profeet, komt overeen met de brahmaanse Manu’s, de boeddhistische levende boeddha’s en de tirthankara’s van het jainisme, die allen verschenen om de mensheid op cyclische en/of kritieke momenten te onderrichten.

Een Mazdeïsche parabel verhaalt dat Moeder Aarde, kort voordat Zarathoestra werd geboren, de machtige Ahura aldus aanriep: ‘Ik ben onderdrukt en overweldigd door tirannen . . . stuur een held om mij te redden.’ En de Heer voelde haar lijden en beloofde haar een verlosser te sturen. Zarathoestra, een prins van het koninklijk huis van Iran, werd al snel geboren in de stad Ragha. In de Desatir is deze Zarathoestra de dertiende van hun vijftien grote profeten. Als wetgever en hervormer was hij de leraar die de vermaarde vuurtempel van Azareksh bouwde, wiens boodschap de steun kreeg van het koninklijk huis van Vishtaspa, en later van de Achaemeniden; en wiens religie zich verspreidde van de Iraniërs naar de Meden als de leer van de magi, en naar de Chaldeeën die er hun eigen karakteristieke kenmerken aan toevoegden en grote invloed uitoefenden op de Mozaïsche en christelijke leringen.

Cyrus, de veroveraar van Babylon, Darius, Xerxes en Artaxerxes, beleden allen hun trouw aan de leer van Zarathoestra door middel van prachtige rotssculpturen. Die in Behistun bijvoorbeeld, die de gestalten van Darius en zijn zegevierende stoet heroïsch uitbeelden, vertellen in het Elamitisch, Perzisch en Akkadisch spijkerschrift dat ‘Ik’, dankzij de genade van de verheven Ahura Mazda – die is afgebeeld als de gevleugelde zonnegod die er beschermend boven zweeft – ‘koning ben’ en ‘tot stand heb gebracht dat geen mens de ander mag doden, . . . noch de sterke de zwakke mag bedreigen.’3

Deze en andere schitterende verworvenheden van de Achaemeniden kunnen heel goed het gevolg zijn geweest van hun religieuze overtuiging dat al wat productief is en heilzaam voor het algemeen welzijn, de goddelijke creativiteit imiteert en verbreidt. Maar omdat religies, net als wereldrijken, cyclische perioden van opkomst en verval kennen, werd het voortbestaan van de leer van Zarathoestra meer dan eens bedreigd: toen de legers van Alexander de geschriften confisqueerden en verbrandden die de schriftgeleerden nog maar kort geleden uit mondelinge overlevering op perkament hadden vastgelegd; en opnieuw in de 7de eeuw n.Chr. toen islamitische Arabieren de Perzische schatten genadeloos plunderden en later alle volgelingen van Zarathoestra, op enkele na, dwongen hun geboorteland te ontvluchten en hun toevlucht in India te zoeken. Daar, waar volgens Max Müller hun religie in voor-vedische tijd ontstond, heeft een betrekkelijk kleine gemeenschap van hun afstammelingen haar visie op de waarheid behouden.

De volgelingen van Zarathoestra geloven in één hoogste God, Ahura Mazda, ‘Heer Wijsheid’, ‘de Zelf-bestaande, zonder wat of hoe’, van wie alles uitgaat en tot wie alles terugkeert. In hun oudere geschriften is hij Licht, en in gemanifesteerde ‘verschijnselen’ zichtbaar-gemaakt-Licht, dat wil zeggen, in de dualiteit, of als bipolaire aspecten van het eeuwige Ene. ‘Door een enkel gebaar van de Schepper werden beide werelden zichtbaar’ (The Desatir, blz. 72). Later wordt deze dualiteit in hun exoterische leringen voorgesteld als een eeuwige strijd tussen Ahura Mazda, de personificatie van de krachten van het goede en de waarheid die leven, gezondheid-harmonie, schoonheid en intelligentie voortbrengen; en Ahriman, verpersoonlijkt als een ware satan van de duisternis, die ‘niet-leven’, voortbrengt, misleiding, vernietiging, beproeving en pijn. In die hoedanigheid wordt Ahriman in hun geschriften en in hun kunst vaak afgebeeld als de machtige stier waarmee het goede in iedereen, als Ohrmazd (Ahura Mazda), worstelt en die daardoor wordt vernietigd. Commentatoren verklaren dat toen de Zelf-bestaande, ongedifferentieerde Ene zich in twee geesten van tegengestelde polariteit ‘splitste’, er ogenblikkelijk stabiliteit tot stand werd gebracht die de universele harmonie voortdurend bewaarde, de hemellichamen in hun baan hield en de cellen in ons lichaam op gezonde wijze deed functioneren.

In het begin van de tijd, zo verhaalt de Avesta, zond Ahura Mazda uit zichzelf zes glorierijke stralen, aangeduid als de goddelijke Amesha-Spenta’s of Onsterfelijke Weldoeners die, met Ahura mee, de zeven vormen – ‘één van geest, één van stem, één van daad’. Samen vormden en ordenden zij de hemelen en de sterren, de aarde en de mensheid. Overal in hun geschriften wordt gezinspeeld op bijzonderheden betreffende de aard, eigenschappen, kenmerken en functies van deze zeven onderscheiden, individuele bewustzijnskrachten, en op hun relatie met en hun werking door de kosmische elementen en gebieden, in de planetaire verblijven, de natuurrijken en de beginselen van de mens; en ze verschillen maar weinig van de beschrijvingen van de Griekse kosmokratores, de Hebreeuwse sephiroth en de dhyan-chohans en manasaputra’s van de hindoes. Want gezien als sterren-yazata’s – ‘de stralenden met krachtige ogen’ (Khordah-Avesta, xxxv, iii) – heersen ze, net als zij, over de planeten en worden ze, als de mensheid gereed is, degenen die het verstand doen ontwaken en beschaving brengen.

Om de aard van hun deugdzame natuur te kunnen begrijpen en ernaar te streven iets daarvan te verwezenlijken, worden deze Gezegende Onsterfelijken als volgt aangeduid: Asha-Vahishta, goddelijke wil, gemanifesteerd door middel van rechtvaardigheid en bereidheid de goddelijke wet te gehoorzamen. Dit is de eerste van de kosmische stralen en wel die straal die alle andere doordringt zoals het levensvuur doet, waarvan hij de behoeder is. Vohu-Mano, goddelijke wijsheid en mededogen, die zich op aarde weerspiegelt als liefde voor alles, en als intuïtie, het ogenblikkelijke en meedogende begrip van het hart. Khshathra-Vairya, verheven macht, goddelijke creativiteit, verwezenlijkt door de juiste en heilige activiteit van karmayoga of dienstbaarheid. Spenta-armaiti, ‘Moeder Aarde’, onwrikbaar vertrouwen in en toewijding aan het geestelijke zelf in de mens. Haurvatat, het volkomene, de volmaaktheid van de Verhevene en van al zijn kind-zielen die wordt bereikt door zuiverheid, harmonie en gezondheid. Ameretat, verbonden met de mystieke levensboom, de onsterfelijkheid die de mens bevrijdt van de vrees voor de dood.4 Hoewel zelden genoemd, hebben deze Amesha-Spenta’s hun lagere, voertuiglijke of negatieve aspecten, de valse goden, de daeva’s, die ‘niet juist kozen, omdat blindheid hen overviel toen ze beraadslaagden, zodat ze het verkeerde doel kozen’ (Yasna 30,6) en ajyati, niet-leven, schiepen, dat destructief is en aast op de rechtvaardigen.

Zoals de aarde volledig ronddraait om de levengevende dageraad te ontvangen, naderen wij individueel – zo denken de volgelingen van Zarathoestra – Ahura Mazda, als we ons wenden naar de glans van deze glorierijke Onsterfelijken. Dat ‘zich wenden’ betekent eenvoudig zuivering – verfijning en vergeestelijking van het hele weefsel van ons wezen, tot we aan hun substantie gelijk zijn. Alleen edele gedachten, vriendelijke woorden, goede daden – wijsheid, liefde, dienstbaarheid – kunnen dit doen, en ons bevrijden van de smet en het gewicht van fysieke, psychische en mentale bezoedelingen. ‘Hoor met uw oren de beste dingen,’ adviseert de Yasna, ‘beschouw ze met een zuiver, helderziend denken.’ En de Desatir vervolgt:

Want in alles en in elke daad heeft u mij bij u; en vindt u mijn licht in elk ding, op elke plaats; en bespeurt u de grootsheid van de eenheid van mijn wezen door al zijn schaduwen; en begrijpt u alle pracht van mijn bestaan, en hoort mijn woord van alles in alles, omdat allen naar mij zoeken; en ruikt u mij in alles en heeft u de smaak van mijn kennis geproefd en bent u mij zeer nabij.     – The Desatir, blz. 68

Dit bereikt men echter niet door het nemen van een besluit, maar door levens van inspanning. Voor hen die tijdelijk zijn verbijsterd, gekweld en belemmerd door wat onoverkomelijk onheil lijkt, is er deze verklaring: ‘Zij die in tijden van welvaart, pijn en smart ondervinden, ondergaan deze op grond van hun woorden en daden in een vorig lichaam . . . elke vreugde, of genoegen, of leed dat ons treft van de geboorte tot de dood, is geheel de oogst van vroegere daden die nu wordt binnengehaald’ (The Desatir, blz. 9). Er is ook de verzekering: de nevels zullen optrekken, de winters van duisternis wanneer enkelingen en hele rassen bezwijken voor het verdorvene, en zullen overgaan in de lente. De aarde wordt opnieuw van alles voorzien. Nieuwe profeten staan op, en zegenrijke heersers; gerechtigheid, waarheid en deugd zegevieren en de goeden betreden het pad van de goden.

Intussen echter, als de omstandigheden de mens verhinderen zo te leven als hij zou willen, vormen de volgelingen van Zarathoestra zich beelden, op scheppende wijze bereiken ze de adeldom waarnaar ze verlangen, en bouwen en zaaien innerlijk voor hun toekomstige leven of toekomstige levens. Tussenkomst van een priester of een godheid buiten hen heeft geen plaats in hun filosofie. De nadruk ligt op de individuele vrije wil, op de ingeboren goddelijke waardigheid van de mens en zijn plicht om de weg van rechtschapenheid te kiezen en moedig te volgen. ‘Let op uw daden en woorden, want zij brengen hun onfeilbaar gevolg voort; zoals het zaad is dat de mensen zaaien, zo zal de oogst zijn die zij binnenhalen’ (Dabistán, blz. 138). Ieder mens is dus zijn eigen krijger en ziener, ieder vordert als hij de verlagende neigingen in zichzelf overwint, waarvan de laagste de leugen is, en de volgende het hebben van schulden, want iemand die schulden heeft bezwijkt gemakkelijk voor de leugen.

Er zijn mensen, zo zegt The Desatir (blz. 97), die als een vleermuis het licht van de zon indirect ontvangen, weerkaatst door de maan; niet omdat de zon het vermogen mist te verlichten, maar omdat de vleermuis het vermogen mist zijn straling te verdragen. Toch is zelfs de vleermuis in essentie goddelijk en kan net als wij, het gezichtsvermogen van het ‘andere oog’ ontwikkelen – het ‘oog’ van het hart en het geestelijke bewustzijn – en zo na verloop van tijd door directe ervaring de ‘Ene-die-geen-eigenschappen-heeft’ leren kennen.

De bekoring en de logica van deze eenvoudige beeldspraak zijn aantrekkelijk en overtuigend: zuiverheid van denken, woord en daad verheft alle zielen, hoe laag hun positie of omstandigheden ook zijn ‘tot de Hemelingen’. Elke ziel, zo verklaren zij, leert en ontwikkelt zich; ten eerste door de vergankelijke en uitwendige fysieke gewaarwordingen – want de vermogens van zien, horen, ruiken, proeven en voelen zijn aardse engelen en dienaren van de ziel die hen leidt; vervolgens door die intellectuele vermogens die begrip wekken van de wetten die in de aardse en in de hemelse natuur werken. Het is deze kennis, aan hogere vermogens ontleend, die in stand blijft en, door de ontbinding van het lichaam te overleven, bijdraagt aan de vooruitgang van de ziel in toekomstige incarnaties.5

Zo’n ontwikkeling eist volgens het Mazdeïsme niet dat men zich uit de wereld terugtrekt. Integendeel. Zoals Ahura Mazda zich ontplooit en in zijn manifestatie alles overtreft, zo kunnen ook wij door dagelijkse oefening onze vermogens versterken, creativiteit ontwikkelen en in toenemende mate bijdragen aan de stoffelijke en geestelijke vooruitgang, voorspoed en geluk van alle leven. Dit is onze khwarr, onze hogere bestemming – die ‘in het lichaam werd gelegd van hem waarvoor ze werd geschapen’, zelfs voor het fysieke lichaam werd gevormd.6

Khwarr is een woord dat door autoriteiten verschillend wordt geïnterpreteerd. Sommigen leiden het af van hvar, de zon, en zien het als het ‘zonnefluïdum’ dat alles doet groeien en bloeien. Anderen menen dat het het innerlijke geestelijke karakter is van een individu en van een volk, hun latente geluk, of ‘talenten’ zoals in de bijbel. Als zodanig maakt het deel uit van de patvandishn i o Frashkart, de ‘voortdurende evolutie naar het voortreffelijk maken’ van vele dingen door middel van ieder individu – wat ook hier het ideaal van de volgelingen van Zarathoestra tot uitdrukking brengt, dat elk goed geleefd leven de universele gemeenschap materieel en geestelijk helpt met overvloed en vreugde.

 

Noten

  1. Moshan Fání, The Dabistán, vert. David Shea en Anthony Troyer, Tudor Publishing Co., 1937, blz. 121-3.
  2. Mary Boyce, A History of Zoroastrianism, E.J. Brill, 1975, I, 184, 277-8.
  3. R.C. Zaehner, The Dawn and Twilight of Zoroastrianism, Weidenfeld and Nicolson, 1961, blz. 155-60.
  4. The Cultural Heritage of India, uitg. Haridas Bhattacharyya, Ramakrishna Mission Institute of Culture, 1956, IV, 538-41.
  5. The Desatir, vert. Mulla Firuz Bin Kaus, Wizards Bookshelf, 1975, blz. 86, 135-6.
  6. A History of Zoroastrianism, I, 167vn.; Dawn and Twilight of Zoroastrianism, blz. 151-3, 268.
 

 

 

De wijsheid van Zarathoestra – 4
Het ‘Grootse Wezen’

Eloise Hart

 
 

De Mazdeïsche leringen verklaren dat, omdat alle schepselen even belangrijke delen zijn van één ‘Groots Wezen’, al wat één mens vreugde of leed bezorgt, alle anderen ten goede of ten kwade beïnvloedt. Daarom dienen we alle wezens, zichtbare of onzichtbare, lage of hoge, als onze verwanten te erkennen. Telkens herinneren hun geschriften ons eraan dat men zijn vrouw of echtgenoot, zijn gezin, buren en ‘kinderen’ – de dieren, planten, mineralen en elementen – goed moet behandelen. Dieren moeten met vriendelijkheid worden behandeld, planten moet men verzorgen tot hun volle wasdom, en metalen moeten glanzend en onaangetast worden gehouden. De aarde, de rivieren, en de meren mogen op geen enkele wijze worden verontreinigd of vervuild, door het begraven van de doden of door het storten van afval. De lucht mag niet door kwalijke dampen worden bezoedeld, het vuur op geen enkele wijze worden verontreinigd. Deze regels werden nauwgezet in acht genomen door de priesters, die zichzelf en hun persoonlijke bezittingen keurig schoon hielden, zuiver en gewijd, en die zelfs maskers droegen opdat hun adem de elementen niet zou bezoedelen. De leken volgden deze gewoonten ook, thuis en op hun werk.

Uit dit alles spreekt de eerbied en de betrokkenheid, die de volgelingen van Zarathoestra voelden en toonden voor de schepselen van de natuur en voor de onzichtbare zielen en intelligenties waarvan deze vormen de ‘schaduwen’ zijn. De aandacht en de zorg waarmee zij de grond bewerkten, hun tuinen bevloeiden en hun vee verzorgden, duiden op hun overtuiging dat ze door zo te handelen niet alleen deze lagere levensvormen hielpen en sterkten, maar ook hun innerlijke tegenpool, de kosmische krachten die in alle wezens aanwezig zijn.

Het water en de planten die erdoor worden gevoed vertegenwoordigden voor hen het grote geheel en de onsterfelijkheid, want water was voor hen niet alleen de vloeistof van onze rivieren en zeeën maar ook de levenswateren, die de hele levende wereld doordringen en onderhouden. In de wind zagen zij verschillende levenskrachten, waaronder de psychospirituele vitaliteit die de fysieke dood overleeft. Ze gebruikten het vuur als een symbool voor de eeuwig mysterieuze Essentie die alles doordringt en verlicht en die, als ze met de ‘levengevende zon’ wordt vereenzelvigd, tenslotte de ziel omhoog trekt bij de dood. Dit geestelijke ‘hemelvuur’ werd door hen als Ahura Mazda en ook als een leeuw voorgesteld, en beide werden veelvuldig met vleugels afgebeeld om de transcendente aard van dit eerste, welhaast goddelijke element aan te duiden.

Hoewel de volgelingen van Zarathoestra ‘vuuraanbidders’ zijn genoemd, hebben ze nooit de zichtbare vlam aanbeden, maar ze vereerden veeleer het Licht der lichten, de roemrijke ‘Kring’ of hiërarchie van zonnegoden, die ‘tot de geheimen van Zijn Essentie zijn toegelaten’1 en alle werelden beschermen en verlichten. In het dagelijks leven is het vuur een verkwikkende vriend – liefde-wijsheid-licht dat alles tezamen – als het vonken doet schieten van een steen, danst in de haard, gloeit onder onze pannen en op ons neerdaalt als lichtstralen van de sterren.

Langgeleden, zo zegt men, brachten hun destur mobeds, hun ‘volmaakte meesters’, door magie het vuur uit de hemel naar hun altaren, en hun priesters onderhielden het honderden jaren zonder dat het uitdoofde. Later brachten priesters voor hun tempels de gezuiverde vuren samen uit duizend en één verschillende bronnen: Eén uit vele, Eén in vele. Zij vergaarden aardvuren uit kolen, hout, gas, uit de kalkovens, mijnen en kachels, en ‘transformeerden’ ze door elk vuur te doen ontbranden met een beetje zwavel, katoen en sandelhoutspaanders, steeds weer de vlammen aanwakkerend totdat de slakken waren gezuiverd, en de etherische geestelijke essentie gereed was om op de altaren van hun tempels op de bergtoppen te worden geplaatst. Het was dit ‘vuur’ van hun leringen dat Zarathoestra in de handen van Vishtaspa plaatste – deze ‘straling’ die Mazdeïsche magiërs uit het oosten naar de pasgeboren Christus brachten – dat de middeleeuwse alchemisten verlichtte, en dat zelfs nu nog door hun stimulerende geschriften aan ons wordt doorgegeven.

Volgens Herodotus hadden de volgelingen van Zarathoestra tot de 5de eeuw v.Chr. ‘geen altaren, geen tempels, geen beelden; ze hielden hun erediensten op de bergtoppen. Ze vereerden de hemelen en offerden aan de zon, de maan, het vuur en het water.’ Later echter legden ze hun mystieke overleveringen vast in architectuur en tempelbeeldhouwwerk. Hun eerste tempels waren open, van hoge daken voorziene ‘wouden van pilaren’, waar zon- en sterrenlicht naar binnen stroomde, een verkwikkend contrast met de donkere interieuren van andere religieuze bouwwerken. Later werden de constructies ingewikkelder. Alexandre Dumas Sr. maakt in zijn boek Reizen in de Kaukasus melding van een kasteel-kathedraalachtig gebouw: het heilige Attesh-Gag, dat aan de kust van de Kaspische Zee lag. Dit was uitgehouwen uit een rotsmassief, en in het midden daarvan rustte een hoge toren op vier geweldige zuilen, waardoorheen een eeuwig vuur ‘vanuit het hart van de moederrots’ omhoog rees tot in de atmosfeer, een vuur dat drieduizend jaar lang niet was gedoofd – tot laat in de 19de eeuw, toen er een Russische olieraffinaderij voor in de plaats kwam!2

Even indrukwekkend waren hun observatoria. De ‘Grot van Zaratushta’, bijvoorbeeld is:

een uitgestrekte grot in de woestijnen van Midden-Azië, waar het licht naar binnen schijnt door vier schijnbaar natuurlijke openingen of spleten, die kruisgewijs in de wanden zijn aangebracht naar de vier hoofdwindstreken. Van het middaguur tot een uur voor zonsondergang stroomt dat licht naar binnen in vier verschillende kleuren, zoals men zegt – rood, blauw, oranje-goud en wit – tengevolge van bepaalde natuurlijke of kunstmatig veroorzaakte omstandigheden van de plantengroei en de bodem. Dit licht komt in het midden samen rond een zuil van wit marmer waarop een bol staat die onze aarde voorstelt.     – De Geheime Leer, 1:508-9

Een ander ‘observatorium’ in de stad Bazaeum dat door de Byzantijnse keizer Heraclius zeer werd bewonderd, was een reusachtige machine die de planeten voorstelde die, elk met de hen leidende engel, in hun banen rondwentelden.
Een zeer aanschouwelijke voorstelling van de onderlinge relatie tussen de mens en de planetaire wezens bevond zich echter niet in hun observatoria, maar in hun ‘hemelse’ steden. The Dabistan (blz. 22ev.) beschrijft er één van, bestaande uit afzonderlijke tempelcomplexen en gewijd aan de verschillende planeten. Elke tempel toonde in structuur, werking en toepassing de aard en de eigenschappen van een bepaalde planeet. De tempel van Saturnus bijvoorbeeld was van zwarte steen gebouwd, zijn priesters waren mensen met een donkere gelaatskleur, die blauwe kleren droegen en ijzeren ringen aan de vingers, die onderwerpen onderwezen als wiskunde, medicijnen en farmacie. Het tempelcomplex van Jupiter was van zandkleurige steen. Zijn functionarissen en de staatslieden, rechters, schrijvers en priesters die in de omtrek woonden, droegen gele en witte kleren, en zilveren zegelringen met een kornalijnsteen. Zo waren er ook tempels gewijd aan Mars, Venus, Mercurius en de maan.

De meest luisterrijke van alle was de zonnetempel. De juwelen op zijn gouden koepel schitterden in alle kleuren van de regenboog, zijn priesters en dienaren waren gekleed in gewaden van gouddraad, afgezet met diamanten en robijnen. En in zijn omgeving woonden leden van de koninklijke familie met edelen en eminente wetenschappers.

Aan elke tempel waren slaap- en eetgelegenheden verbonden en ziekenhuizen, waar zieke, oude of vermoeide reizigers verkwikking vonden en verzorgd werden in een omgeving die aansloot bij één van de zeven planetaire groepen waartoe ze behoorden. Want in die dagen wisten de Iraniërs niet alleen veel van de bewegingen van de sterren en de planeten, maar ook van de verschillende graden van de weldoende en de kwalijke invloeden die uit de hemelse naar de aardse gebieden stromen. Nooit zouden ze erediensten houden, zaken doen, kleren dragen, of geneesmiddelen innemen zonder rekening te houden met die speciale sterren-engel, die over een bepaalde gebeurtenis, of een uur, dag of maand heerste.

Hun priesters, artsen en astrologen wisten aanzienlijk meer. Ze begrepen hoe de krachten van de Amesha Spenta’s – gekenmerkt als de Sterren-Yazata’s, waarvan wij de lichamen zien als de planeten en sterren – op mystieke wijze fungeren als de ‘bouwers’ en ‘bewakers’ van het zevenvoudige wezen van de mens en van de aarde; ze begrepen ook hoe de specifieke essentie en bewegingen van elke planeet individuen, rassen, cyclussen en gebeurtenissen beïnvloeden. Als zij dat wilden, konden ze bepaalde kosmische uitstralingen voor een of ander doel opvangen, richten of kristalliseren – misschien ter bevordering van de vruchtbaarheid, of van succes in een zakelijke of geestelijke onderneming, of ter vergroting van de opbrengst van de landbouw. Wilden ze iets scheppen van de kwaliteit van Venus, dan brachten ze dingen bijeen die met deze planeet verband houden: parels en diamanten, geurende witte bloemen, graankorrels en ook musici, kunstenaars en onschuldige meisjes. Op het moment dat Venus het sterkst straalde, vingen ze met deze aardse ‘ontvangers’ haar hemelse glans op en richtten ze deze naar en op het daarvoor uitgekozen aardse voorwerp of de onderneming.

Ten aanzien van het ontstaan van het heelal waren ze van mening dat deze verschillende invloeden een rol hadden gespeeld bij de vorming van de aarde en bij de ontwikkeling van de minerale, plantaardige en dierlijke voortbrengselen, evenals bij de menselijke fysieke, psychische, mentale en geestelijke evolutionaire vooruitgang. Elke fase in die ontwikkeling had volgens de Mazdeeërs haar eigen geschikte en gunstige tijdsperiode. Zij verdeelden bijvoorbeeld de tijd in een reeks van duizendjarige cyclussen waarin een bepaalde planetaire regent heerste, eerst alleen en dan in combinatie met andere regenten. Zo spraken ze over Saturnus als de Koning of Heer die duizend jaar alleen regeerde, waarna hij een planetaire partner koos, waarmee hij samen heerste. Eenzelfde gedragslijn werd door elk van de planeten gevolgd, totdat de cyclische periode van de maan was voltooid, en de opeenvolging eindigde. Daarna volgde een rustperiode vóór een tweede Grote Cyclus met een tweede Heer en zijn reeks van hemelse metgezellen begon. Aan het einde van elke Grote Periode worden alle levende wezens op aarde teruggebracht in hun vroegere staat, ‘ieder met zijn eigen kenmerken’, en gereed om aan een nieuwe cyclus te beginnen.3

Alle vormen en beelden, die nu schijnen te zijn uitgewist,
Zijn veilig opgeborgen in de schatkamer van de tijd
Als dezelfde stand van de hemelen terugkeert,
Brengt de Almachtige elk weer vanachter de mysterieuze sluier tevoorschijn.4

Moshan Fání citeert deze passage om te beschrijven hoe aan het begin van elke Grote Periode ‘de snelschetsende schilder van het lot’ de bloemen en vruchten, mineralen en edelgesteenten tevoorschijn bracht; de steden, kunsten, wetenschappen en religie ontwierp tot welzijn van de mensheid. En hoe, met het voortwentelen van de werelden, de verstrooide leden – de lagere tegenhangers van de nu transcendente wezens zich weer verzamelen en een gedaante, eigenschappen en vorm aannemen gelijk aan die welke zij in de vroegere grote cyclus hadden.

Zarathoestra wilde kennelijk meer weten over de herschepping van de mens, want hij vroeg Ahura Mazda: ‘Waaruit zullen zij opnieuw het lichaam vormen dat de wind heeft weggeblazen en het water omlaag heeft gesleurd, en hoe zal de wederopstanding plaatsvinden?’ De Zand-akasih5 geeft als antwoord daarop een mooi verslag van de geleidelijke schepping van de wereld en van de mens en voegt dan eraan toe ‘wat geweest is kan opnieuw zijn; . . . als het moment daarvoor aanbreekt, zal ik de geest van de aarde vragen om het benig geraamte, het water om het bloed, de planten om het haar, en de wind om het leven, zoals zij deze bij het begin van de schepping hadden gekregen.’

Detail van het reliëf,
Hatra, 2de eeuw n.Chr.,
Museum van Bagdad

 

Andere Mazdeïsche geschriften zetten deze oergeschiedenis voort met een beschrijving in beeldspraak en getalsymbolen die door ingewijden uit alle eeuwen werden gebruikt, van het verrijzen en verzinken van continentale landmassieven, de opeenvolging van vroege rassen, en het geleidelijk ontwaken van de ‘hemelse’ intelligentie van de mens. Verder vertellen ze in de geschiedenis van Yima (Vendidad, Farg. II) hoe de overbevolkte aarde driemaal werd ‘uitgerekt’ om plaats te maken voor nieuwe landen, mensenrassen, vee en de ‘roodgloeiende vuren’; hoe deze ‘uitrekkingen’ gepaard gingen met aardbevingen, branden en vloedgolven door het smelten van de sneeuw. En hoe Yima, de eerste ‘Goede Herder’, in een ark het zaad bewaarde van het beste en het mooiste van alle leven op aarde zodat, toen de Nieuwe Tijd aanbrak, de aarde weer zoals vroeger werd gevuld.6

In het Museum van Bagdad bevindt zich een interessant Perzisch reliëf uit een tempel in Hatra, dat op zijn manier heel effectief de oude Mazdeïsche leringen bewaart. Vooral opmerkelijk is dat deel van het reliëf dat lijkt op een uitgerekte Mercuriusstaf, bestaande uit hun heilige dolk, de staf van de magiërs, omgeven door zeven verschillende ringen, quasi-ringen of cirkelvormige voorwerpen. Voor hen die vertrouwd zijn met oude tradities, kan dit de cyclische ‘aard-uitrekkingen’ aanduiden, die het rijzen en dalen van vroegere continentale landmassieven veroorzaakten. Of het kan slaan op de zeven planeten, of zelfs de zeven voornaamste facetten van onze menselijke natuur, met de dolk als de geestelijke draad van bewustzijn die het geheel doordringt en verbindt, net als de mystieke Berg Hara de zeven karshvars van de aarde zou verbinden (onze bol met zijn zes onzichtbare woningen).

Ook kan deze Mercuriusstafachtige figuur de verschillende ‘families’ of klassen van wezens voorstellen die samen de ‘Grote Mens’ vormen, van wie het lichaam, Tehim, het heelal, wordt gevormd door sterren en planeten, mensen, dieren, planten, metalen, aarde, water en vuur; van wie de ziel is samengesteld uit alle zielen en van wie de intelligentie bestaat uit alle intelligenties. De Desatir7 werkt deze basisgedachte uit de leer van Zarathoestra uit door te verklaren dat elk individu binnen de ‘Grote Wereld’ na verloop van tijd zal ontdekken dat, hoewel ook hij is samengesteld uit lichamen, zielen, en intelligenties, hoewel ook hij werkt door een oneindige veelheid van vormen en toestanden en werelden, zichtbare en onzichtbare, er in werkelijkheid maar één leven, één geest bestaat – één Groots Wezen.

 

Noten

  1. The Desatir, vert. Mulla Firuz Bin Kaus, Wizards Bookshelf, 1975, blz. 62.
  2. H.P. Blavatsky: Collected Writings, samengesteld door Boris de Zirkoff, Theosophical Publishing House, deel II (1879-1880), blz. 122-30.
  3. The Desatir, blz. 14-15;
    Moshan Fání, The Dabistán, vert. David Shee en Anthony Troyer, Tudor Publishing Co., 1937, blz. 17-18.
  4. The Dabistán, blz. 19.
  5. Zand-akasih, Iranian or Greater Bundahisn, vert. Behramgore Tehmuras Anklesaria, Framroze A. Bode, Bombay, 1956, blz. 285.
  6. The Vendidad, Fargard II, The Sacred Books of the East, deel IV, vert. James Darmesteter, Clarendon Press, 1895.
  7. The Desatir, blz. 71-4, 90.
 

 

 

De wijsheid van Zarathoestra – 5
Het visioen van Ardai Viraf

Eloise Hart

 
 

Geluk komt tot hem, van wie geluk uitgaat naar anderen. – Ushtavaiti Gatha

Alexanders verovering van Perzië in de 4de eeuw v.Chr. bracht een invasie van ideeën mee die een schok veroorzaakte in het geestesleven en zelfs binnendrong in de meest godvruchtige gemeenschappen van de volgelingen van Zarathoestra. Men ging hun leringen onjuist interpreteren en er werden riten en offerdiensten ingesteld die de stroom van goddelijke openbaring niet alleen bezoedelden, maar die ook dreigden daaraan een einde te maken. Verscheidene eeuwen later riep Koning Ardeshir Babagan, die zich erg bezorgd maakte, veertigduizend wetenschappers en priesters bijeen om te zien wat er kon worden gedaan om weer ‘boodschappen van de geesten te ontvangen’. Na te hebben overlegd koos de vergadering zeven van de meest wijze en reine mannen uit, en vroeg hun uit hun midden diegene te kiezen die het meest geschikt was om de bovennatuurlijke werelden binnen te gaan en de inspiratie te ontvangen die hun religie weer zuiver en sterk zou maken.

Deze zeven kozen unaniem Ardai Viraf, een rechtschapen en gerespecteerde priester uit Persepolis, voor de gevaarlijke reis. Zijn zeven zusters echter, ‘die voor hem als echtgenoten waren’, vreesden voor zijn leven en smeekten de vergadering te overwegen een ander te kiezen. Maar de desturs spraken hen kalmerend toe en beloofden dat Viraf gezond en wel na zeven dagen zou terugkeren. De betekenis van de ‘zusters die voor hem als echtgenoten waren’, kan misschien worden ontleend aan een oud Mesrobisch manuscript, dat degene die naar inwijding streeft als volgt adviseert: ‘Hij die de geheimen van het (heilige) Vuur wil doorgronden en zich ermee wil verenigen, moet zichzelf eerst met ziel en lichaam verenigen met de aarde, zijn moeder, met de mensheid, zijn zuster en met de wetenschap, zijn dochter.’ In dit geval zouden Virafs zusters de eigen verworvenheden van de kandidaat kunnen symboliseren, die zijn lichaam en ziel behoeden en beschermen als hij de beproevingen van de geestelijke inwijding ondergaat.

Het ‘Visioen van Ardai Viraf’ wordt verhaald in de Pahlavi-teksten, die India werden binnengesmokkeld toen de moslims Perzië veroverden, en die een samenvatting zijn van de mystieke leringen van de oude profeten en priesters in de traditie van Zarathoestra.1 Het vertelt ons hoe Ardai Viraf bij het betreden van de heilige vuur-tempel van Azar Khurdad drie bekers ‘gewijde wijn’ dronk en ging liggen op een gouden rustbank. Terwijl zijn lichaam in trance ‘sliep’, steeg zijn ziel volledig bewust op en reisde naar de etherische rijken van de hemelen en hellen. Al die tijd bewaakten zijn zusters en de desturs en mobads zijn lichaam, verzorgden de eeuwig-brandende vlammen op het altaar en reciteerden verzen uit de Avesta. Op de achtste dag ontwaakte hij en vertelde aan een schriftgeleerde en andere aanwezigen de buitengewone ervaringen die hij zojuist had opgedaan.

Eerst, zo vertelde hij hen, werd hij verwelkomd door engelen: door de verheven Ataro en de vrome Srosh, die de wereld bewaakt en haar ’s nachts beschermt tegen de demonen. Hoewel hij was ‘gekomen toen het (zijn) tijd niet was’, namen ze hem bij de hand en leidden hem drie treden omhoog naar de Chinvat Brug des Oordeels en hielden daar stil om hem de voortgang van de zielen van de doden te laten zien. Goede mannen en vrouwen, die door hun goedheid anderen hadden geholpen, ontdekten dat de Brug breed en sterk was, en drie dagen en nachten lang smaakten zij ‘evenveel vreugde als de hele levende wereld kan smaken’.2 Daarna werd elk van deze zielen benaderd door een schone maagd, die de verpersoonlijking voorstelt van het totaal van zijn gedachten, woorden en daden sinds zijn volwassenheid, die het goede beoordeelde dat hij had volbracht, het lot dat hij had ondergaan en dat hij zich schiep, en die dan rechtsprak over zijn leven. Indien hij waardig werd bevonden, begeleidde zij hem naar het Paradijs, ‘het schitterende Huis van het Lied’, waar rozen bloeien en kolibries schitteren als robijnen. Maar voor de zielen van de verdorvenen, van de hebzuchtigen en wreedaards, bleek de Brug steil en smal als een scheermes, de maagd een afzichtelijke heks, en de drie dagen en nachten waren als negenduizend jaren van kwelling.

 
Chinvat Brug des Oordeels. Vanaf deze brug vallen de verdorvenen in de hel.

Viraf beschreef de folteringen van deze zielen met zoveel gevoel dat zelfs nu nog mannen en vrouwen huilen zonder zich te schamen als zijn woorden aan de gemeente worden voorgelezen. Hij vertelde bijvoorbeeld over een vrek, die zijn ziel zo had bezoedeld, dat ze in de dood enorm leed, en treurde over het verlies van de rijkdom die ze op aarde begeerde. ‘Ik zag haar angstig en bevend voorbij kruipen en plotseling stak er een wind op, bezwangerd met de meest verpestende dampen, die uit de grensgebieden van de hel leken te komen. In het midden van deze wind verscheen een gedaante die er zeer demonisch uitzag.’ De ziel van de vrek probeerde te ontsnappen, maar tevergeefs, en in doodsangst schreeuwde ze uit: ‘Wie bent u, lelijker, smeriger, of stinkender dan iemand die ik ooit heb gezien?’ Ze antwoordde: ‘Ik ben uw boze daden, O kind van slechte gedachten, van slechte woorden, van slecht geloof. Het is door uw wil en daden dat ik zo afzichtelijk en verachtelijk ben, . . .’

Ardai vertelde ook over het leed van een man en zijn vrouw die bij de dood gescheiden moesten worden: de ziel van de echtgenoot was bestemd voor de hemel, die van de vrouw voor de hel. Maar de vrouw klemde zich smekend om hulp aan haar echtgenoot vast: ‘Waardoor worden we uiteengerukt?’ Toen haar echtgenoot haar eraan herinnerde dat zij haar religieuze plichten had verwaarloosd, verweet zij hem dat hij ze haar niet had geleerd. Haar ziel was vervuld van berouw, en hoewel zij in de hel niet meer te lijden had dan van ‘duisternis en stank’, leed haar echtgenoot ondraaglijk te midden van de rechtvaardigen in de hemel door de schaamte dat hij had nagelaten zijn vrouw te onderrichten en dus met haar de zegeningen te delen die hij gemakkelijk had kunnen verschaffen als hij niet zo vervuld was geweest van het verlangen voor zichzelf geestelijke verworvenheden te verkrijgen.3

Elke geest, vervolgde Ardai, werd na het passeren van de Chinvat Brug naar die rijken getrokken die bij zijn natuur horen. Zij van wie de goede en kwade gedachten en daden tegen elkaar opwogen en zij die zich door één of andere lichamelijke of mentale zwakheid hadden afgezonderd of passief waren geweest, verbleven in het vreugdeloze en smarteloze schaduwland van Hammestagan, het ‘Eeuwig-Stilstaande’, tot de tijd van hun toekomstige bestaan. Maar, ‘als zij ook maar één deeltje deugdzaamheid bezaten, in gewicht gelijk aan één ooghaartje, zouden ze van deze ellende worden verlost’.4

Andere zielen rezen op naar de rijken van de ‘sterrenbanen’, van de ‘maanbanen’ of ‘zonnebanen’. Toen beschreef hij de verschillende hemelen en hellen: de vreugden die door de goeden worden ervaren, de gelukzaligheid waarin de besten zich verheugden in Garodman, de glorierijke ‘hemel der hemelen’; en hij vertelde over de afdaling van de verdorvenen, die lager zonken dan de sfeer van de maan en door zichzelf naar werelden van zuivering werden gedreven.

Op één punt van zijn reis prees de gids-engel Viraf om de zuiverheid van zijn ziel, die hem in staat stelde ongedeerd door zowel de vergankelijke, verdorven gebieden als de stralende sferen van Ahura en van de beschermengelen van de profeten te gaan. In deze gebieden en op de ‘pleisterplaatsen’ van de planeten openbaarden hun regenten hem de wetten en de levensomstandigheden in hun stelsel, zodat hij, toen hij op aarde terugkeerde, de mensheid kon onderrichten. Tenslotte brachten Srosh, de vrome, en Ataro, de engel, nadat ze hem de aard van de verschillende gebieden en sferen daarop hadden getoond en verklaard, Ardai’s ziel terug naar zijn lichaam en zeiden hem vaarwel.

Dit verhaal van de Perzen is natuurlijk niet uniek. Het Egyptische ‘Visioen van Hermes’, Dante’s Divina Commedia, de geschriften van Plato, Bruno, Swedenborg en anderen volgen ook de reis van de ziel door de onzichtbare werelden tijdens de door ‘bedwelming’ veroorzaakte trance van de inwijding in de grote mysteriën.

De term ‘bedwelming’ werd door de volgelingen van Zarathoestra symbolisch gebruikt, evenals de woorden ‘begraven’ en ‘gekruisigd’ door de christenen. Het verwees naar de op de dood lijkende, inerte staat van het lichaam van de kandidaat, wanneer zijn ziel volledig bewust opsteeg. Als het ware in evenwicht in het brandpunt tussen geest en stof, werd de ziel verlicht en was ze in staat om in beide werelden te ‘zien’. Voortaan kon ze met open ogen de weg gaan die tot dan onbewust was betreden gedurende de duisternis van de nacht en van de dood. De ‘gewijde wijn’ of het sap van de haoma-plant was geen drug – omdat de Mazdeeën ten strengste het gebruik van verdovende middelen verboden en veroordeelden – maar een transformatie van bewustzijn die iemand in staat stelde om hogere en lagere en innerlijke bewustzijnsgebieden waar te nemen.

Dit ‘visioen’ populariseerde en verhelderde de archaïsche Mazdeïsche overleveringen betreffende de drie fasen van de dood. Het eerste stadium is het fysieke overlijden als de ziel, in de ogen van mensen het ‘beeld van het hoogste’, zich bevrijdt van haar ‘lichaam van beenderen’ dat uiteenvalt in de elementen van de aarde, en van haar ushtanas, of vitaliteit, die naar de winden terugkeert. Om dit uiteenvallen te verhaasten, legden de volgelingen van Zarathoestra het lichaam van de dode in een vat met sterk water, dat het lichaam op zo doeltreffende wijze ontbond, dat het op een daartoe aangewezen plaats, ver van de bewoonde wereld, kon worden begraven of uitgestort. Later werden de doden in Torens van Stilte aan de stralen van de zon blootgesteld, die de zielen omhoog voerde langs het pad van zijn licht, een proces dat khorshed nigaresh, het ‘aanschouwen door de zon’, werd genoemd. Zelfs nu nog mogen de lucht, het vuur, het water of de aarde niet worden verontreinigd door stank of besmetting als hun doden in deze torens worden gelegd. Gieren eten de beenderen snel kaal en de tropische Indiase zon doet ze tot poeder uiteenvallen, dat daarna in een berggrot, een nis, wordt geplaatst, of in speciale putten wordt gedeponeerd en bedekt met houtskool en zand.

De tweede fase bestaat uit de daaropvolgende ‘drie dagen en nachten’, waarin de ziel, die nu de etherische werelden is binnengegaan, met het uit haar hogere bewustzijnstoestand voortvloeiende begrip het panoramische overzicht ziet van het zojuist voltooide leven. Zij ziet de rechtvaardigheid en de waarde van elke ervaring, begrijpt de werkelijke overwinningen en mislukkingen, die tijdens het leven verkeerd kunnen zijn beoordeeld omdat ze werden waargenomen met de zintuigen en vermogens van het lagere verstand en de lagere gevoelens. Nu worden de gedachten en de daden uit het verleden beoordeeld zowel met betrekking tot haar geestelijke en haar aardse evolutie als de mate waarin zij bijdragen tot toekomstige inspanningen.

Het derde stadium van de dood vindt plaats als de geestelijke ziel, die zich ontdoet van het psychische lichaam dat zij tijdens het leven had opgebouwd – de angsten, de verlangens en herinneringen van haar dierlijk-menselijke bestanddelen – die hemel, hel of het tussenliggende rijk binnengaat dat zij tijdens het leven ‘door affiniteit had verdiend’. Van deze verschillende hemelen en hellen wordt gezegd dat ze alle hun bepaalde plaats, kenmerken, bewoners, soort van genoegen of pijn hebben, en dat ze zijn onderworpen aan een bepaalde planetaire invloed. Geen ervan is echter eeuwig. Zarathoestra zelf verklaarde dat boosdoeners niet ‘voor altijd in de hel zullen blijven; als voor hun zonden is geboet, worden ze eruit verlost’5 – zelfs uit de ‘hel der hellen’, de ‘verblijfplaats van het Slechtste Doel’ (Yasna 32:13), die bestaat uit het ingaan van de menselijke ziel in de lichamen van dieren of planten en in zeldzame gevallen in minerale vormen. Want tegen het einde van deze grote periode van manifestatie zullen de zielen van alle schepselen op aarde weer naar hogere sferen zijn opgestegen en hun oorspronkelijke goedheid en luister hebben herwonnen.

De Desatir en de Avesta gaan vooral uitvoerig in op deze eeuwenlange zwerftochten van de ziel ‘die trekt van lichaam naar lichaam in een toestand van voortdurende vooruitgang’. De ziel van de goeden, zeggen zij, verlaat het ene lagere lichaam na het andere om uiteindelijk, bevrijd van de aantrekkingen van de stof, op te stijgen naar de hemelse woningen van de Amesha Spenta’s, die heersen over de planeten, en dan door naar de vaste sterren en naar vereniging met God. En omdat elk van deze lichamen bestaat en is opgebouwd uit gedachten, daden en religieuze opvattingen, die door de ziel op dat stellaire station zijn gezaaid bij een vorig bezoek, ondergaat ze daar vreugde of leed als het gevolg van wat ze in het verleden zelf heeft veroorzaakt.

Deze leringen tonen een opmerkelijke kennis van de geestelijke natuur en bestemming van de mens. Ze hebben ook verstrekkende morele consequenties. Als het leven steeds doorgaat – als, zoals de heldhaftige Rustam verklaarde: ‘de dood van het lichaam leven schenkt aan de geest; . . . wanneer het lichaam als een wolk is verdreven, schijnt de zon van de geest met meer luister’,6 – dan wordt de weg van onze toekomst hier op dit moment uitgestippeld. Of wij als zielen naar de ene of de andere hemel of hel zullen reizen en waarheen we dan verder zullen gaan, hangt af van ons huidige gedrag. En omdat het gedrag wordt geleid door kennis, legden de volgelingen van Zarathoestra sterk de nadruk op het verkrijgen van wijsheid. Ardai Virafs ‘boodschap van de geesten’ die de leringen van hun oude profeten en zieners tot nieuw leven wekte, maakt ook nu de ziel van de mens bewust van de waarheden die in alle tijden bestaan en die kunnen worden ontdekt door hen die zuiver van hart zijn. Humata, hukhta, huvarshta, verkondigen de Mazdeïsche priesters: ‘zuiverheid van denken, zuiverheid van woord, zuiverheid van daad’. Dat is de brandstof die het innerlijke ‘vuur’ voedt – dat vuur dat onverminderd brandt in de geschriften en symbolen van deze oudste en zeer mystieke religie.

 

Noten

  1. Het verhaal van Ardai Viraf vindt men in: The Sacred Books and Early Literature of the East, deel VII, Parke, Austin and Lipscomb, 1917, blz. 185-207.
    Moshan Fání, The Dabistán, vert. David Shea en Anthony Troyer, Tudor Publishing Co., 1937, blz. 144-154.
    Het wordt ook besproken in Henry S. Olcotts Theosophy, Religion and Occult Science, George Redway, Londen, 1885, blz. 301-48.
  2. Yasht XXII, 1, 2, The Sacred Books of the East, deel XXIII, vert. James Darmesteter, Clarendon Press, 1883.
  3. Bundahish, Hfst. XXX, 11, The Sacred Books of the East, deel V, vert. E.W. West, Clarendon Press, 1880, blz. 124vn.
  4. Dabistán, blz. 146.
  5. Ibid., 139.
  6. Ibid., 104.
 
Andere artikelen over Mazdeïsme
 

Uit het tijdschrift Sunrise maart, april, mei, aug/sep, nov 1977

© online editie 2004 Theosophical University Press Agency