Voor mij ligt de Desatir, die door de volgelingen van Zarathoestra
het Boek van God wordt genoemd, dat een boodschap brengt, en niet alleen
voor de wijsten en besten geestelijk voedsel bevat, maar voor ieder
die een begrijpend hart heeft. Het is een klein boekje, zo oud en zo
ongewoon in zijn mystieke allegorieën van de natuur, van de mens,
van God, en van de betrekkingen tussen de planeten en de aardbewoners,
dat het duizenden jaren lang door volkeren van verschillende religieuze
richtingen is gekoesterd. Vijfhonderd jaar v.Chr. werd het beschouwd
als ‘een literaire relikwie’ en het enige overgebleven voorbeeld
van de archaïsche, nu verloren gegane Mahabhadische taal –
een taal die, zoals de oriëntalist Baron von Hammer dacht, de moderne
Germaanse talen verbindt met het waarschijnlijk oudste Aziatische dialect,
dat langgeleden in het noordoostelijke deel van het toen uitgestrekte
Perzische rijk, in Sogd en in Bamian, werd gesproken.
Op bepaalde tijden, wanneer ‘de mensheid zondigde’ en men
de esoterische leringen van de Desatir misschien verkeerd had
begrepen en had misbruikt, ging deze ‘verloren’ –
en werd generaties lang verborgen, misschien in een of andere afgelegen
bibliotheek, en door allen vergeten behalve door hen die het boek beschermden
en behoedden. De huidige uitgave (The Desatir, Wizards Bookshelf,
Savage, Minn., 1975) is een fotokopie van de heruitgave in 1888 van
een oorspronkelijke Engelse vertaling van 1818 uit het Perzisch door
de parsi-geleerde Mulla Firuz Bin Kaus. Zijn vertaling, die grote belangstelling
wekte voor de leer van Zarathoestra onder de studenten in de oosterse
oudheid in Amerika, Europa en India, werd op haar beurt gemaakt aan
de hand van een oud en zeer zeldzaam manuscript dat de vader van Mulla
Kaus omstreeks 1778 in Isfahan had ontdekt.
Terwijl de Bhagavad-Gita door miljoenen wordt gewaardeerd,
is de Desatir tot nu toe betrekkelijk onbekend. Dat is jammer,
want dit kleine boekje, samen met de Zend-Avesta – de
bewaard gebleven fragmenten van een heilige wet die naar men zegt oorspronkelijk
aan de profeet zou zijn gegeven op de berg Ushidarinna en later in goud
op de huid van 12.000 ossen werd geschreven – en de Dabistan,
zijn onschatbare bronnen van inspiratie van en informatie over Zarathoestra.
Moshan Fani, de islamitische reiziger, die de Dabistan (circa
1653) samenstelde als een kort overzicht van twaalf grote religieuze
beschouwingen, citeert leringen uit de Desatir, die de leerstellingen
van Zarathoestra verklaren, leringen die velen ervan overtuigen dat
dit de oudste en edelste van alle religies is. Verschillende wetenschappers
wijzen erop dat haar symboliek, als ze wordt begrepen, een zuiverder
beeld van de oorspronkelijke Indo-europese traditie geeft dan de veda’s
omdat er minder in is veranderd. Daardoor is haar waarde aan geen tijd
gebonden.
Het is bijvoorbeeld opmerkelijk, dat men in die lang vervlogen tijden
alle levende wezens als één geheel beschouwde, een fysiek-intellectueel-geestelijke
familie van planeten en sterren, van mensen, dieren, planten, mineralen,
en elementalen van vuur, water en aarde – allen samenstellende
bestanddelen die voortdurend met elkaar in wisselwerking staan en onderling
afhankelijk zijn. Het alomvattende karakter van dit denkbeeld en de
toepassing ervan maakt hun filosofie uiterst altruïstisch en tegelijk
verfrissend praktisch. De volgelingen van Zarathoestra, die alle anderen
niet alleen zagen als verwanten, maar werkelijk als een deel van zichzelf,
die ten goede of ten kwade door hun daden en gedachten werden beïnvloed,
waren ongelooflijk zorgzaam en zouden een ander nooit opzettelijk schaden,
of het een mens, een insect of een stromende rivier was. Zij beschouwden
matigheid als essentieel, ascetisme als even schadelijk en vernederend
als het te veel toegeven aan begeerten, en een gezond, getraind lichaam
als het juiste instrument om door een krachtig, helder verstand te worden
gebruikt voor het werk van het geestelijke zelf. Bovendien wezen ze
erop dat, zoals een overmatige mentale ontwikkeling tot sluwheid kan
leiden, en een gebrek eraan tot dwaasheid, en zoals buitensporige moed
gemakkelijk tot strijd voert en gebrek eraan tot lafhartigheid, zo brengt
de gulden middenweg tussen deze dingen een mens tot rechtvaardigheid,
wijsheid en vreugde. Vandaar dat hun gedragsregels die deugden aanbevelen
die ook wij in deze tijd hoogachten: eerlijkheid, hard werken, initiatieven,
volharding en zelfbeheersing in het streven naar algemeen welzijn; in
feite dezelfde beginselen die de Iraniërs in staat hadden gesteld
één van de vroegste en grootste wereldrijken op aarde
te stichten en in stand te houden, die individuele waarden en rechten
erkende, ongeacht ras, kleur of religieuze gezindheid.
Evenals nu waren er toen ongetwijfeld protesten, zowel van de conservatieven
als van hen die een nog verdere toename van persoonlijke vrijheden voorstonden.
Hoezeer een dergelijke ontevredenheid de verdeeldheid ook in de hand
werkt, ze schijnt van essentieel belang te zijn voor het doen ontwaken
van onze verantwoordelijkheid voor alle leven, zoals de Desatir in de
volgende fabel over de opstand van de dieren uitlegt.1
Langgeleden toen de wereld nog nieuw was, en Mazda,
de Heer over Alles, aan ieder wezen, van hemelse tot dierlijke, plantaardige
en minerale aard, zijn eigen bijzondere constitutie, functie, gids
en beschermer had toegewezen, ontstond er een onverwachte tweedracht.
De dieren kwamen in opstand tegen de heerschappij van de mens! Alle
zeven klassen – de onschadelijke die grazen, vliegen, kruipen
en zwemmen, de roofzuchtige dieren, de roofvogels en insecten –
alle zonden hun vertegenwoordigers om tegen de heerschappij van de
mens te protesteren.
Eerst sprak de kameel: ‘O Profeet van Mazda,
vertel ons alstublieft, waarin is de mens superieur, dat wij onderworpen
moeten zijn aan zijn heerschappij?’
Een wijze van de Heer legde hem uit: ‘De mens
is op vele manieren superieur: door zijn spraak . . .’ Maar
de kameel protesteerde: ‘Als het de bedoeling van de spraak
is dat ze kan worden verstaan, overtreft de onze die van de mens,
die zo varieert dat ze tussen het ene en het andere land niet verstaanbaar
is.’
De wijze aarzelde, maar antwoordde: ‘Je bent
geroepen om ons te dienen.’ ‘En u’, sprak de kameel
langzaam, ‘bent geroepen om ons water, graan en gras te geven.’
Toen kroop er een mier naar voren en vroeg waarin
de mens nog meer uitmunt. ‘De mens munt uit door zijn vorm en
zijn verticale houding.’ ‘Maar,’ vroeg de mier,
‘kan iemand die intelligent is werkelijk prat gaan op zijn vorm?
Zijn we niet allemaal gelijk in de combinatie van onze delen? Overtreffen
wij dieren eigenlijk niet ook in dit opzicht de mens: want een mens
zegt van iemand die hij liefheeft, dat ze de ogen van een hinde, de
gratie van een patrijs, de pracht van een pauw heeft, en is het niet
zo dat men wat men liefheeft met iets vergelijkt dat superieur is?’
Zo ging het door en de dieren scoorden punt na punt
met een hele lijst voorbeelden van wat de mens van hen gebruikt: hun
veren en bont voor zijn kleren en genoegen, hun honing en eieren,
melk en vlees voor voedsel. Toen zij hun vaardigheden opsomden in
kunsten en wetenschappen, vroegen zij of er enig mens was die, zoals
de vogels, kon weven zonder weefgetouw, of, zoals de bijen, geometrische
bouwsels kon construeren zonder hout of stenen.
De ene wijze na de andere voelde zich deemoedig.
‘Ja, dat is allemaal waar, maar terwijl jullie slechts de ene
of de andere eigenschap bezitten, heeft de mens ze allemaal, en wordt
als een engel, als een god in zijn wijsheid en gedrag!’
‘Mooie engel!’ riepen de dieren in koor.
‘Zijn hebzucht en wreedheid zijn erger dan die van een beest!’
Niet uit het veld geslagen ging de wijze van de Heer
door: ‘Verder is het noodzakelijk, omdat de hele wereld één
geheel vormt, schadelijke en ontaarde dieren te doden, anders zouden
ze het reusachtige wezen waar we allemaal deel van uitmaken, als een
ziekte vernietigen. Ik stel echter voor dat we allemaal afspreken
dat vanaf vandaag geen enkel onschadelijk dier meer zal worden mishandeld
of gedood.’
Dat vonden de dieren verstandige taal. Ze kwamen
overeen elkaar wederzijds te respecteren en ‘elkaar lief te
hebben’, een verbintenis waarbij de wolf zich aansloot bij de
ram, en de leeuw bij het hert. De harmonie was gevestigd, de tirannie
beëindigd – totdat Desh-bireh, de Arabier het verdrag schond,
door niet alleen voor zijn plezier te jagen, maar door zijn eigen
vader te vermoorden. Toen braken ook anderen hun gelofte; maar niet
de zachtaardige schepselen, die tot op deze dag dat oude vredesverdrag
respecteren.
Deze fabel is intrigerend. In hoeverre zijn wij inderdaad de meerderen,
zodat ons de heerschappij over de hele schepping moet worden gegeven
– zoals ook in de joods-christelijke en andere geschriften? Waarom
slaan wij zo’n slecht figuur, en zouden we misschien nog slechter
voor de dag komen, als het verhaal zich nu afspeelde? Waarom geven de
dieren zich plotseling over, ondanks alle argumenten in hun voordeel?
En wat is het ‘grote geheim’ dat, zoals Zarathoestra zelf
zei, in het verhaal wordt verklaard?
Blijkbaar is het een bevestiging voor het feit dat telkens wanneer
de dieren – niet onze viervoetige metgezellen, maar de dierlijke
eigenschappen in onszelf – hun luidruchtige eisen laten varen
en luisteren, de stem van de ziel kan worden gehoord. Haar advies is
altijd hetzelfde: om vooruit te gaan moeten de verschillende
delen van het samengestelde wezen – de mens – worden ‘getemd’,
zodat de ‘meerdere’, de verlichte menselijke intelligentie
ze kan leiden en gebruiken. Dit is voor een atleet maar al te duidelijk,
want hij is voor zijn trofee afhankelijk van het ogenblikkelijke gehoorzamen
van zijn grondig getrainde spieren en zenuwen aan zijn wil.
Zelfoverwinning is echter niet gemakkelijk. De innerlijke conflicten
zijn vaak verschrikkelijk: dit wordt dramatisch gekarakteriseerd door
de aanhangers van het Mazdeïsme in de intense strijd tussen de
krachten van Ahura Mazda, Heer van het Licht, Goedheid en Waarheid,
en Ahriman, Heer van het Duister, Ontaarding en Leugen. Zulke gevechten
zijn voor de moedigen, de ‘opstandigen’, voor wie elke vooruitgang
een ontwaken is, een beproeving en een versterking, en een verwerpen
van dat wat beperkt is en omlaaghaalt. Onveranderlijk overwonnen de
ontwikkelden die erin slaagden hun ‘vredesverdrag’ te verkrijgen,
vrijwillig de persoonlijke neigingen en werkten ze samen met alle zachtaardige
schepselen – de krachten van het goede – die ze beschermden
en ‘liefhadden’.
Hoe knap brengt dit verhaal ethische basisgedachten naar voren, en
herinnert het ons eraan dat de verbazingwekkende instinctmatige vermogens
van de lagere rijken door onze menselijke intelligentie en ons geestelijke
onderscheidingsvermogen kunnen worden omgevormd tot goddelijke uitdrukkingsmiddelen
van wijsheid en liefde – of op verschrikkelijke wijze kunnen worden
misvormd en destructief gemaakt. Er is inderdaad een uitwisseling tussen
onszelf en de dieren, zoals die er ook is tussen individuen en rijken,
waarbij ieder geeft en neemt en door de ander wordt verrijkt.
Waarom vergelijkt de mens zijn geliefde met het hert en de pauw? Misschien
komt dat omdat er in de ‘familie’ van Zarathoestra geen
hoog of laag, bestaat, alleen gelijken, omdat elk lid een onafhankelijke,
intelligente, onsterfelijke ziel heeft – al weten sommigen dat
niet. ‘Al wat op aarde is, is de gelijkenis en schaduw van iets
dat in de Sfeer is. . . . dat licht is de schaduw van iets dat nog luisterrijker
is dan dat licht zelf; en zo verder tot aan Mij, die het Licht der Lichten
is’ (The Desatir, blz. 90).
De volgelingen van Zarathoestra geloven dat elk individu een microkosmos
van de Grote Mens, van de Onmetelijke Wereld, is, die is voortgebracht
met en bestaat uit dezelfde ‘combinatie van delen’. Uit
de ‘eerste Intelligentie en de eerste Rede [Logos]’ ontstaan:
een tweede Intelligentie of Geest; een Ziel of Verstand; en een lichaam.2
Deze veelvoudige verdeling herhaalt zich, weerspiegelt zich omlaag,
van de goddelijke naar de geestelijke en naar de stoffelijke gebieden
of werelden. Elk van deze – die niet is geschapen, maar ‘gerangschikt
en gevormd’ door zijn meerdere – vormt zijn eigen lagere
wereld. In de mens is het zijn bewuste ziel die, geplaatst tussen zijn
hemelse intelligentie en zijn stoffelijke vorm, door het hogere wordt
gevoed terwijl ze in en door het lagere functioneert.
De eenvoudige voorstelling van het hogere als het goede en het lagere
als het kwaad in het Mazdeïsche stelsel houdt niet in dat dit eigenschappen
op zich zijn, maar alleen dat ze worden beoordeeld naargelang hun invloed
op de ziel verheffend of verlagend is. Goede gedachten, woorden en daden
stellen een mens in staat zijn lagere aspecten te zuiveren, zodat ze
de hogere weerspiegelen, waarvan ze de schaduw zijn. Op deze manier
is hij vruchtbaar, verwerkelijkt hij zijn goddelijk potentieel, en vermenigvuldigt
hij de zegeningen van het Goede.
Is dit dan het ‘grote geheim’ van de fabel? De Perzen hebben
altijd gestreefd naar harmonie van geestelijke en wereldlijke prioriteiten,
omdat ze geloofden dat de schoonheid, goedheid, liefde en verantwoordelijkheid
van een natuurlijk leven de verwerkelijking zijn van de goddelijke wet.
De hemel en de hemelse menigten schijnen nooit ver weg voor de Iraanse
nomade of dorpeling. Zon, planeet, ruimte en godheid zijn er altijd,
zijn de essentie van het leven en het schijnbare begin en einde van
alles. ‘Die mens is blind geboren, die zegt dat Hij niet kan worden
gezien. Hij die het Zelf-bestaande niet kan waarnemen in deze heerlijkheid
die de Zijne is, is blind vanaf het moment dat hij uit de moederschot
kwam’ (The Desatir, blz. 73).
Maar om God te kennen, zeggen ze, moet men zichzelf kennen. Door het
kleine te kennen zal men het grote kennen.
Als u het oog van uw hart opent zult u zien dat de
hemel de huid is van dit grote Wezen; Kywan (Saturnus) de milt, Barjish
(Jupiter) de lever, Behram (Mars) de gal, de Zon het hart, Nahid (Venus)
de maag, Tir (Mercurius) de hersenen, de Maan de longen, de vaste
Sterren en de Huizen van de Planeten de aderen en zenuwen . . .
– The Desatir,
blz. 72
Zinspelingen als deze dragen het stempel van de oude gnosis, die niet
alleen het innerlijke hart van de heilige leringen van de volgelingen
van Zarathoestra was, maar van alle volkeren van het Nabije Oosten.
De zeven klassen van dieren in de Desatir kunnen ook de zeven
voornaamste delen of eigenschappen van de menselijke natuur voorstellen,
waarvan de Avesta een korte opsomming geeft in dit vers uit
Yasna, hfst. 54:
Wij verklaren en maken uitdrukkelijk bekend dat wij
(ons) hele bezit – het lichaam (het zelf, bestaande
uit) beenderen, levenswarmte, etherische vorm, kennis, bewustzijn,
ziel en geest – offeren aan de weldadige, samenhangende waarheid
bevattende (en) zuivere Gatha’s.
Technisch worden deze beschreven als: (1) Tanwas, ons fysieke
lichaam, dat volgens de volgelingen van Zarathoestra even noodzakelijk
is voor de ziel als kleding voor het lichaam; (2) Ushtanas,
de levensgeest of kracht die leven geeft en beschermt; (3) Keherpas,
ons astrale beeld of etherische vorm; (4) Tevishis, de wil
of het waarnemende bewustzijn; (5) Baodhas, ons ik-besef, dat
in en door fysieke en mentale gevoelens en waarnemingen functioneert,
door instincten, het geheugen, de verbeelding, enz.; (6) Urvanem,
onze geestelijke ziel – de Heer, die heerst over zichzelf, over
zijn lichaam, zijn vitaliteit, bewustzijn en geest; (7) Fravashem,
de eerste schaduw van God, onze goddelijke vonk, die woont in de tegenwoordigheid
van Ahura en ons naar het Goede leidt. Als om een of andere reden het
Fravashem van het lichaam wordt gescheiden, ‘wordt het lichaam
verzwakt en blijft het inactief, net als een huis tot een ruïne
wordt als men het niet onderhoudt’.3
Van een wat luchtiger karakter, maar even cryptisch, is de vergelijking
in de Avesta van de beginselen van de mens met zeven honden
die naar hun kleur worden beschreven, blauw, geel, gevlekt, enz.; als
de hond met rugstekels (de egel), de herdershond, de waakhond; of als
karakters die lijken op een priester, een krijger, en een landman, enz.
De egel Vanghapara, ‘het goede schepsel onder de schepselen van
de Goede Geest, dat van middernacht tot zonsopgang duizenden schepselen
van de Kwade Geest doodt’ (Vendidad, Farg. XIII:I), vertegenwoordigt
blijkbaar ons geestelijke geweten dat ons bewaakt en beschermt als we
ons vanuit onze kinderstaat van onwetendheid ontwikkelen tot geestelijke
verlichting. Wie ooit deze rugstekel-hond ‘doodt’, zo zeggen
ze, zal na de dood niet in staat zijn zijn weg te vinden over de Chinvat-Brug
naar het Paradijs. De waakhond en de herdershond corresponderen metaforisch
met onze geestelijke en intellectuele beginselen; de een bewaakt ons
‘huis’ tegen al het kwade, en de ander ons uitgebreide gedachtegoed.
Verder zijn er ook nog de zwerfhond zonder baas, de afgerichte of jachthond,
de waterhond, enz., die alle hoogstwaarschijnlijk betrekking hebben
op kenmerken van onze psychische, vitale, astrale en fysieke beginselen.
Als opperbevelhebber van de stoffelijke schepping is het daarom onze
opdracht in het leven de krachten van alle zeven beginselen aan te voeren
en ‘de leugen te overwinnen’. Want de vijanden van onze
geest, die schadelijke dieren van Ahriman – bedrog, hebzucht,
ketterij, woede, jaloezie – die zo meedogenloos azen op lichaam
en geest, zijn vastbesloten al wat goed is te vernietigen. Alleen wij
kunnen ze afschrikken, en door dat te doen andere opwekken, want wij
zijn hun vertegenwoordigers en beschermers. Het overwinnen van zwakheden
in onszelf geeft kracht aan allen die worstelen om het hoogste, Ahura
Mazda, te bereiken.
Zij die gewend zijn de mens te beschouwen als een wezen samengesteld
uit alleen lichaam en geest, vinden de verdeling van onze natuur in
zoveel delen of ‘lagere engelen’, zoals die in de Desatir
voorkomt, misschien bijzonder gecompliceerd. Maar als men eenmaal de
speciale functie en het karakter van deze verschillende facetten van
ons wezen heeft begrepen, worden veel geheimen van het bewustzijn opgehelderd.
We kunnen dan bijvoorbeeld begrijpen hoe ons bewustzijn in enkele seconden
vanuit de nabijheid van deze wereld zich kan richten op verre melkwegstelsels,
kan opstijgen tot in de zevende hemel, kan afdalen in helse nachtmerries,
en de verre regionen van de slaap kan binnendringen. Het verklaart ook
hoe onze ‘delen’, als ze worden geschokt, verstoord raken,
ontwricht, en een psychotisch gedrag vertonen.
Maar de mens is niet het enige veelvoudige wezen; alle levensvormen,
en ook de aarde zijn dat. De Avesta voegt een dimensie toe
aan dit onderwerp en versterkt zowel de vedische als de moderne theosofische
leringen dat onze aarde niet louter dit fysieke lichaam is, maar een
zevenvoudig wezen dat bestaat uit zeven karshvars, aardbollen
of werelden, die van elkaar zijn gescheiden door een Oceaan van Ruimte.
Deze gescheiden, en voor ons niet waarneembare karshvars, zeggen de
Perzen, passen concentrisch ineen, zoals een vogel haar ei omsluit.
We kunnen ons deze werelden voorstellen in een kring om onze stoffelijke
aardbol, als zes opeenvolgende, concentrische bergketens die uit ‘bergkristal’
zijn samengesteld en zich in de drie kosmische gebieden bevinden: het
aardse dat zich uitstrekt tot aan het gebied van de maan; het atmosferische
dat zich uitstrekt tot de sterren, en het hemelse rijk of gebied dat
zich tot voorbij alles uitstrekt.4
Een dergelijke metaforische beschrijving van de drie- en zevenvoudige
natuur van onze aarde heeft de oriëntalisten eeuwenlang voor een
raadsel gesteld. Maar dat was niet nodig geweest, als ze zich de aarde
hadden voorgesteld als een samengesteld wezen net zoals de mens. Deze
zes andere karshvars kunnen metafysisch worden beschouwd als de hogere
monaden van onze aarde, een begrip dat zo duidelijk aansluit bij Ezechiëls
‘raderen binnen raderen’ en bij de kristallijnen sferen
van de Grieken dat velen overtuigd zijn dat de schrijvers van de bijbel
rechtstreeks leringen hebben ontleend aan de Perzische mystiek, en enkele
auteurs uit de oudheid speculeren dat Pythagoras een leerling was van
Zarathoestra.
Voor de Mazdeïsten is er weinig verschil tussen de mens en een
planeet. Want zijn wij, wonend in een lichaam van beenderen –
of bergkristal – niet ook zo’n in afdelingen verdeeld conglomeraat,
niet alleen van elementalen-, mineralen-, planten-, dieren-, mensen-
en godenrijken, maar ook van gedachten, begeerten en van ontelbare op
elkaar inwerkende krachten, waarin wij leven als de centrale toezichthoudende
Meerdere? Zijn we niet nu en dan in staat om contact te hebben met de
innerlijke essentie, die overal de gezonde en harmonische werkingen
verbindt, bezielt en inspireert? Zo zijn volgens hen ook de zeven karshvars
mystiek verbonden door een grote wereld-weldoende Berg Hara, waarvan
de top wordt omringd door een prachtige ‘zon’, die verwarmt
en verlicht, en de Dag brengt aan alle levens binnen de rijken van de
zeven karshvars.
Het is juist hier op de meest stoffelijke van de gemanifesteerde werelden
dat de mens, al worstelend naar goedheid en waarheid, eens zal verrijzen
als gelijke in rang en kennis aan de hemelingen. Edele mensen, zeggen
de volgelingen van Zarathoestra, en in het bijzonder de profeten, hebben
hun verschillende delen al zo gezuiverd, geschikt en aangepast dat zij
als ze dat wensen, in staat zijn de superieure intelligenties te bereiken
en te begrijpen. Hoewel ‘de spraak van God geen adem is, geen
geluid bevat’,5 zullen zij merken
dat ze in hun hart neerdaalt als heilige inspiratie.
Op deze manier werd, naar men zegt, de Desatir geopenbaard,
en werd zijn profeten geleerd om de waarheden daarvan om te zetten in
een taal die de ziel van de mens zou voeden.
Noten
- Mulla Firuz Bin Kaus, The Desatir, Wizards
Bookshelf, 1975, blz. 99-108.
- Op.cit., blz. 3.
- ‘Theosophy and the Avesta’, The Theosophist,
IV, 20-22, okt. 1882.
R.C. Zaehner, The Dawn and Twilight of Zoroastrianism, Weidenfeld
and Nicolson, 1961, blz. 269-74.
- H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, TUPA, 1988,
2:691-5, 861-3.
Mary Boyce, A History of Zoroastrianism, E.J. Brill, 1975,
blz. 78, 132-5; The Zend-Avesta, Part II, Sacred Books of
the East, vol. XXIII, vert. James Darmesteter, Clarendon Press, 1883,
blz. 123.
Zand-akasih, Iranian or Greater Bundahisn, vert. Behramgore
Tehmuras Anklesaria, Bombay, 1956, hfst. XXI, A, blz. 171.
- The Desatir, blz. 24, 35.
De wijsheid van Zarathoestra – 2
Hoe het begon
Eloise Hart
Het Perzische verhaal over het begin van de dingen vertelt hoe dat wat
altijd heeft bestaan en keer op keer in het gemanifesteerde zijn vorm
aanneemt, opnieuw verschijnt en zich vernieuwt. Deze openbaringen voltrekken
zich in grote perioden met een symbolische duur van 12.000 jaar. In
het eerste kwart zijn de ‘oorspronkelijke’ scheppingen van
zowel de Geest van het Licht, Ahura Mazda, als van de Geest van de Duisternis,
Ahriman, zuiver subjectief en op zo’n hoog geestelijk vlak, dat
ze ons begrip volstrekt te boven gaan. De tweede fase, die geheel naar
de wil van Ahura verloopt, laat ons de opkomst zien van de gemanifesteerde
werelden met het begin van een evolutionaire ontwikkeling uit eigen
kracht. De derde periode van 3.000 jaar is een ‘gemengde toestand’
van strijd tussen de krachten of ‘instrumenten’ van het
Goede en van de Duisternis. En in de laatste periode worden alle eindige
‘destructieve en boze’ geesten overwonnen en opgenomen in
het Oneindige Wezen, in Ahura Mazda.
Volgens de Perzische overlevering ontwikkelde deze oorspronkelijke
schepping zich uit de oneindige cirkel van de onkenbare Tijd en Ruimte
(Zervan Akarana). Bij het eerste vage gloren van de eindige tijd kwam
uit de leegte, waar Duisternis zich vermengde met eeuwigdurend Licht,
het luisterrijke zaad van alle zaden, Ahura Mazda, tevoorschijn. Als
Heer van het Licht en van de Geest, omsloot hij in zijn wezen de geestelijke
zielen, de fravashi’s, van al wat gemanifesteerd zou
worden. Zelf zonder begin of einde, zonder verleden, plaats of positie,
vormde Ahura door zijn denken de eerste onzichtbare, ontastbare, enkelvoudige,
oorspronkelijke materie tot de ideële vorm van de werelden die
geboren zouden worden – en die vorm van hemzelf en zijn schepselen
bleef 3.000 jaar lang in een geestelijke toestand, zonder te denken,
zonder te bewegen en ontastbaar.
Hoewel hij wordt vereerd als één en oppermachtig, wordt
Ahura Mazda geacht van tweeërlei aard te zijn, namelijk licht-goedheid-waarheid
en duisternis, het onwerkelijke en niet-levende schaduwbeeld van het
ware Zijn. Het was in deze eerste cyclus van 3.000 jaar dat deze Geest
van de Duisternis, Ahriman, in beweging kwam en ontwaakte, en toen hij
het Licht van Ahura zag, werd hij zo van verwondering vervuld dat hij
uit het duister van de afgrond oprees om het te bereiken. Maar omdat
het hem aan wijsheid ontbrak, faalde hij en vluchtte terug in het Duister,
verward, maar vastbesloten om, als hij het niet kon krijgen, demonen
te verwekken om alle voortbrengselen van de schepper aan te vallen,
te schaden en te vernietigen. Daarop verzocht de alwetende Ahura hem
dringend ervan af te zien en, met het oog op de onvermijdelijke overwinning
van de positieve krachten van de geest, zichzelf en zijn aanstaande
schepselen groot leed te besparen door zich vanaf het begin bij de krachten
van het goede aan te sluiten. Maar Ahriman, verblind door zijn eigen
beperkte denken, weigerde absoluut zich bij de rechtvaardigen aan te
sluiten of ze ooit bij te staan. Deze weigering betekende het begin
van eeuwen van strijd, die niet alleen de stabiliteit van de zichtbare
en de onzichtbare werelden ondermijnde, maar ook indirect de scheppingen
van Ahura zo in kracht deed toenemen, dat ze in het laatste kwart in
staat zouden zijn de demonen geheel te bedwingen.
Terwijl Ahriman in verwarring achterbleef, bracht de verheven meester,
Ahura, uit zichzelf, als aspecten van zijn stralende pracht, zes glorierijke
Onsterfelijken voort – Amesha-Spenta’s –
die samen met hem de geestelijke, stellaire en aardse werelden ordenden,
steunden, zegenden en beschermden, met al hun ontelbare bewoners –
die elk een goddelijke intelligentie bezaten, een intelligente geest-ziel
en een lichaam, en die elk werden gesterkt door een vlam van het Vuur
van Ahura Mazda.
In zeven scheppingen brachten deze Amesha-Spenta’s, samen met
de nodige geestelijke fravashi’s, die daarbij betrokken waren,
het volgende tot stand: (1) de grote kristallijnen hemel – waarvan
de geest een intelligentie is die denkt en spreekt, handelt en zonen
voortbrengt en menigten – de zon, maan, sterren en de twaalf tekens
van de dierenriem die, onder toezicht van hun leiders in het noorden,
oosten, zuiden en westen en van de verhevene in het centrum van de hemel,
een groot en verenigd leger vormen, dat de Vernietiger overwint en hun
gebieden tegen het kwaad beschermt. (Met deze ‘leiders’
bedoelt men gewoonlijk Ursa Major, Sirius, Fomalhaut en Antares, met
Regulus in het midden). De gezegende Amesha-Spenta’s stelden ook
de banen vast van deze sterren, van de eeuwigdurende lichten en van
de wind en de wolken, die vroeger alle onbeweeglijk op dezelfde plaats
stonden, maar zich nu voorthaasten.
Zij vormden vervolgens (2) de heldere wateren, waarvan alle wezens
voor hun leven en welzijn afhangen, en die voordien hoewel ze waren
geschapen, zich niet bewogen, maar nu vrij voortstroomden. Uit het midden
van deze wateren vormden ze (3) de aarde met haar rivieren en oceanen,
haar continenten en overvloed aan mineralen en (4) geurige vegetatie
die (5) de goedaardige dieren voedt – het volgende rijk dat werd
geschapen en dat zoveel soorten bevatte dat, mocht er één
soort verdwijnen, andere zouden overblijven. Toen vormden ze (6) de
mensheid, de ‘kleine wereld’ die de Grotere weerspiegelt.
Voor al deze myriaden van individuen, families, soorten en rijken verschaften
ze hoofden en leiders en beschermers. En tenslotte brachten ze (7) het
vuur voort – een straal van het eeuwigdurende licht van Ahura.1
De Mazdeïsche leringen over de aarde zijn zeer suggestief voor
diegenen die bekend zijn met de mystieke overleveringen van de onzichtbare
werelden en van de krachten en levens die door de geestelijke, hemelse
en aardse rijken circuleren, maar ze hebben eeuwenlang al diegenen voor
een raadsel gesteld die wilden proberen geografische plaatsen vast te
stellen voor de gebieden, rivieren en bergen die ze symbolisch vermelden.
De Aarde, zo vertellen ze ons, is samengesteld uit zeven op zichzelf
staande karshvars (gebieden, aarden of werelden), elk van de
ander gescheiden door oceanen, zodat ‘het niet mogelijk is van
het ene gebied naar het andere te gaan zonder de leiding en het licht
van de Yazats [hemelse geesten]’ (Zand-akasih, blz. 91).
Verder situeren ze de karshvar Arezahi in het westen, Savahi in het
oosten, Fradadhafshu in het zuidwesten, Vidadhafshu in het zuidoosten,
Vourubaresti in het noordwesten, Vourugaresti in het noordoosten en
Hvaniratha, de enige karshvar die (op het ogenblik) door mensen wordt
bewoond, in het centrum. H.P. Blavatsky zegt van deze laatste karshvar
dat ze zich niet in het midden bevindt alsof ze is omringd door concentrische
cirkels of door een keten van bollen, maar dat ze de onderste is in
een keten met zes andere aardbollen, die rondom, boven, onze
bol zijn gegroepeerd. Zij staaft deze mening met een citaat uit de Vendidad,
die onze aarde beschrijft als imat ‘dit’ en de
zes andere karshvars als avat ‘dat’ of die hogere
aardbollen, en schetst deze ‘heel aanschouwelijke en nauwkeurige
beschrijving van de ‘keten’ van onze planeet, de Aarde,
. . .’2 op de volgende wijze:

Hoewel deze zes hogere aardbollen kennelijk tot verschillende bewustzijnstoestanden
behoren en niet waarneembaar zijn voor onze fysieke zintuigen, zijn
ze voor hun bewoners vaste bollen en volgens de Mazdeïsten heeft
elk ervan continenten, zeeën, bergen en rassen met evoluerende
wezens. Het is echter alleen op en uit onze mensdragende aarde dat de
grote, voor de wereld weldadige Berg Hara oprijst, die groeide als een
boom en zijn ‘wortels’ diep in de grond boorde om zo ongezien
alles wat tot zijn keten behoort, te verbinden en te voeden. Aan de
top van deze berg is de Chinvat Brug des Oordeels vastgehecht, waar
de zielen overheen gaan die, van hun aardse lichaam bevrijd, hun eindeloze
reis voortzetten door gebieden van gelukzaligheid, of naar loutering
en hel, ‘de plaats van het slechtste doel’ overeenkomstig
hun ‘goede werken’.
De sterren, de maan en de zon cirkelen rond de top van de hoge Hara,
vanwaar zowel licht als het levenbrengende water op de aarde neerstromen.
De zon verschijnt om eerst de drie werelden en de helft van de vierde
in het westen te verwarmen, te verlichten en daglicht te brengen, om
ze daarna in duister achter te laten en de drie en een halve aan de
oostkant van de top te verlichten. Al die tijd stromen de ‘wateren’
voortdurend in een wonderlijke spiraalvormige beweging door en om de
zeven karshvars. De Vendidad beschrijft hoe deze kosmische
wateren en lichten periodiek opnieuw verschijnen vanuit de top van de
Berg Hara, zich in de zee, Vourukasha, storten en vandaar als twee machtige
rivieren verder stromen, één naar het oosten en één
naar het westen. Deze cirkelen om de aarde en worden gezuiverd, om daarna
eerst terug te keren naar de Vourukasha-zee en dan naar de top van de
berg, om opnieuw af te dalen en weer op te stijgen in een eeuwige beweging:
. . . opstijgend en neerdalend, langs de luchtwegen
omhoog en neer naar de aarde, neer naar de aarde en langs de luchtwegen
omhoog:
Stijg dan op en wentel voort! u in wiens opgang en
groei Ahura Mazda alles maakte wat groeit.
Op! stijg op, jullie machtige sterren, die het zaad
van de wateren in je dragen;
Rijs op boven Hara Berezaiti, en breng licht voort
voor de wereld (en moge u [O mens!] daar oprijzen . . .), langs het
pad door Mazda gemaakt, langs de weg door de goden gemaakt, de water-weg
die zij openden.
– Vendidad, Farg.
XXI, iiic
In dit grootse beeld van universeel leven staat in het Perzische stelsel
de mens centraal, want mensen werden niet louter gezien als aardbewoners,
gebonden aan deze bol, maar in hun hogere aspecten als goddelijke wezens
die vanaf het begin zich bewogen en mengden in, en deel hadden aan,
de werkingen van het macrokosmische leven. Ze beschouwden daarom Ahura
Mazda niet als een buitenstaande en op zichzelf staande schepper, maar
als één wiens voortbrengselen tot stand komen en vervolmaakt
worden door de geestelijke kracht van de zielen van mensen die volgens
de rechtvaardige Wet leven, hebben geleefd en zullen leven. Het is door
de zielen van deze mannen en vrouwen, zo zeggen ze in een hymne, dat
de hemelen en aarden zich uitspreiden en in stand worden gehouden, door
hen dat ‘de wateren stromen, de planten groeien, de winden waaien’,
dat zon, maan en sterren hun schitterende wegen volgen, en door hen
wordt het evenwicht bewaard tussen de aantrekkende krachten van de schepper-instandhouder
en de afstotende krachten van de ontbinder-vernietiger. En in deze wereld
zal tenslotte door het menselijk gedrag de harmonie tot stand worden
gebracht en het kwaad worden omgezet in het goede, want hier op deze
karshvar Hvaniratha wordt de grootste strijd gevoerd en ook het grootste
goed voortgebracht.
Het was vóór de stoffelijke werelden verschenen en tijdens
de eerste schepping, dat Ahura Mazda voor het eerst sprak tot de fravashi’s,
de voor-bestaande geesten van de toekomstige mensen, die hem in die
tijd in zijn machtige bolwerken omringden als ‘krijgers te paard’,
om het binnendringen van het kwaad te voorkomen. Hij had hun toen gevraagd
hem bij te staan als zijn voornaamste helpers om de gemanifesteerde
werelden tegen het kwaad te behoeden. En hij had hun gezegd dat ze de
vrije keus hadden om, als ze op aarde in een lichaam incarneerden en
geconfronteerd werden met de Agressor, zijn hulp en bescherming te krijgen,
of het kwaad op eigen houtje het hoofd te bieden en de kans te lopen
door illusies in verwarring te worden gebracht. De fravashi’s,
die voorzagen dat, hoewel de strijd kolossaal zou zijn en het lijden
uiterst hevig, hun uiteindelijke overwinning onbeschrijfelijk zoet zou
zijn, verkozen eenstemmig om alleen af te dalen. Zij twijfelden geen
moment eraan dat ze de schepselen van het kwaad zouden kunnen overwinnen
en dat zijzelf onsterfelijk, onvergankelijk en ongestoord zouden terugkeren.3
De eerste mensheid van de tien geschapen soorten wordt in hun geschriften
beschreven als de schitterende en wit-ogige Gayomart (lett. ‘sterfelijk
leven’), die blijkbaar ei-vormig was – ‘stralend als
de zon en vier roeden [een roede is 5,029 m] hoog en hij was even breed
als hoog’.4 Hoewel gezegend
en rechtschapen, was hij niet voorbereid om het kwaad van Ahriman te
weerstaan, die zelfs toen al demonische wezens had voortgebracht, die
duisternis en zwarte rook vermengden met het heldere vuur, die de wateren
bezoedelden met zout, de bewegingen van planeten en sterrenbeelden verstoorden,
de aarde met zo’n kracht schudden dat er bergen verrezen; die
de weelderige groei van de planten tenietdeden en maakten dat de tere
stengels werden bedekt met doornen en ruwe bast en het sap van sommige
met gemeen gif vermengden. Zachtaardige dieren maakten ze wild en ze
kwelden allen met 99.999 soorten ziekte en dood.
Hoewel Ahriman ziekte veroorzaakte om Gayomart te overwinnen, zodat
deze op de grond ineenzakte en ‘van links de dood haar intrede
deed in het lichaam van Gayomart; en daarna de dood over alle schepselen
kwam tot aan de vernieuwing van het heelal’, was zijn overwinning
kortstondig. Het zaad van de eerste mens, dat in de grond was begraven
en ‘door het licht van de Zon werd gezuiverd’, groeide na
veertig jaar op uit de aarde als twee stervelingen, Masya en Masyani.5
Zij groeiden op als één plant, zó met elkaar verbonden,
dat men de man niet van de vrouw kon onderscheiden, noch kon vaststellen
of één of allebei de zielenglorie bezaten. Hierover zei
Ahura Mazda:
‘De glorie werd tevoren door mij geschapen;
daarna wordt voor hem die geschapen is aan de glorie een lichaam gegeven,
zodat ze activiteit zal kunnen ontplooien en haar lichaam wordt alleen
geschapen voor activiteit.’ En daarna veranderden zij van de
vorm van een plant in de vorm van een mens, en de glorie daalde geestelijk
in hen neer.
– Zadh-sparam,
X, 5-6
En Ahura legde Masya en Masyani uit dat hij hen had voortgebracht,
man en vrouw, de ouders van de toekomstige rassen. Hij zei hen zich
aan de Wet te houden, goede gedachten te denken, goede woorden te spreken,
goede daden te doen en geen demonen te aanbidden.
Eerst waren zij vervuld van het wonder van het leven en gehoorzaamden,
maar toen Ahriman hen aanviel met verdachtmakingen en listige verleidingen,
vergaten ze de woorden van de Heer en gaven ze zich over aan bevrediging.
Toen, nadat vijftig winters waren verstreken, schonken ze het leven
aan een zoon en een dochter, maar ‘omdat de kinderen zo lieflijk
waren, verslond de moeder er één en de vader één;
toen verwijderde Ohrmazd de lieflijkheid van de kinderen uit de gedachten
van de verwekkers en gaf hen zoveel als nodig was om de kinderen groot
te brengen’ (Zand-akasih, blz. 133.) En ze brachten nog
meer nakomelingen voort, die de opeenvolgende generaties en rassen van
mensen werden. En Ahura zelf waakte over hen, onderwees hen en beschermde
hen tegen de invloed van het kwaad.
Maar toch waren enkele van deze eerste nakomelingen verdorven en brachten
na verloop van tijd monsters voort, vreemde mensachtige wezens van de
aarde: de watermensen, de borst-ogigen, de borst-origen, de één-benigen,
degenen met vleugels als van een vleermuis, en degenen van het woud
met staarten en haar op het lichaam. En later, toen de rede en de glorie
van de geest hen tijdelijk had verlaten, namen sommigen ‘demonen’
tot vrouw, die het leven schonken aan apen met staarten – waarvan
men zegt dat ze de laagste van de mensheid zijn – en andere ontaarde
soorten.
De eerste sterveling waarmee Ahura sprak over de wijsheid van Mazda
was Yima, een afstammeling van Masya en Masyani. De Wijze Heer vroeg
hem de Wet in ontvangst te nemen en haar over te brengen naar de mensheid,
maar Yima weigerde, want hij was daarvoor niet gereed. In plaats daarvan
werd hij een Goede Herder en, met de gouden ring en de dolk, hem door
Ahura gegeven, regeerde, voedde en beschermde hij de wereld zo goed
tegen hitte en kou, ziekte en dood, dat allen in voorspoed leefden.
Mensen en dieren vermenigvuldigden zich in feite zo snel, dat er geen
ruimte voor méér was.
Toen beval Yima, gehoorzamend aan de wil van Mazda, de Geest van de
Aarde ‘zich te openen en zich uit te strekken’ om plaats
te maken voor nieuwe kudden en mensen en planten. Drie keer raakte de
aardbol overbevolkt; drie keer strekte de Aarde zich uit, en elke keer
bracht Yima nieuw land voort, waar nieuwe mensenrassen met hun vee,
hun kudden, honden, vogels en roodgloeiende vuren konden wonen.
Omdat elk van deze uitbreidingen vergezeld ging van ‘kwade winters’
en overstromingen, die alle leven in de stoffelijke werelden dreigden
te vernietigen, had Ahura Yima gelast een vara, een ‘omheining’
of ark te bouwen – om de grond te verpulveren door met de hiel
te stampen en de aarde met de hand te kneden zoals pottenbakkers dat
doen. En Yima bouwde zo’n vara in een vierkant, twee mijl lang
en breed, met straten en huizen met balkons en binnenplaatsen. In de
ark zette hij ‘water dat stroomt’ en ‘voedsel dat
niet opraakt’ en het zaad van de grootste, de beste en de mooiste
van alle schepselen op aarde en ook de roodgloeiende vuren en de hemelse
vogel, Karshipta die, naar men zegt, omdat hij één van
de geestelijk ontwaakte Saoshyants of verlossers is, de religie
van Ahura in de ark bracht en de mensen daar leerde de Avesta
in de taal van de vogels op te zeggen. Tenslotte verzegelde Yima de
omheining met zijn gouden zegel en maakte een deur en een ‘raam
dat uit zichzelf naar binnen licht werpt.’ . . . ‘En de
mensen in de vara . . . leven het gelukkigste leven dat er
is. Ze leven er 150 jaar; sommigen zeggen dat ze nooit sterven.’6
De volgelingen van Zarathoestra geloven dat er tegen het einde van
de vierde en laatste periode van kosmische duur, tegen het eerste begin
van de Nieuwe Dageraad, heilige Saoshyants zullen worden geboren. Zij
zullen de aarde bijstaan en haar schepselen voorbereiden op de vervulling,
als de mens, die onsterfelijk wordt, eerst zal ophouden vlees te eten,
dan melk te drinken, groente en brood te eten en tenslotte zelfs zonder
water zal leven. Zij zullen ook de slechten helpen die dan, gelouterd
uit hun hellen van gesmolten metaal, verlost zullen verrijzen en de
glorie bereiken die ze in het begin van de tijd hadden willen bezitten.
Dan zal alle beweging en alle activiteit ophouden. De oneindige Tijd
en Ruimte zullen zich opnieuw uitstrekken als een ijsloos, vormloos
vlak, waar zelfs de Berg Hara met de grond gelijk is gemaakt en verdwenen.7
Ahura Mazda zelf, zijn scheppingen en schaduw, zullen verdwijnen en
er zal niets zijn dan een grenzeloze leegte en alles zal ‘in Licht
volmaakt zijn geworden’.
Noten
- Deze scheppingen worden besproken in:
Mary Boyce, A History of Zoroastrianism, deel I, E.J. Brill,
1975, blz. 132-46.
R.C. Zaehner, The Dawn and Twilight of Zoroastrianism, Weidenfeld
and Nicolson, 1961, blz. 250-60.
Zand-akasih, Iranian or Greater Bundahisn, vert. Behramgore
Tehmuras Anklesaria, Framroze A. Bode, Bombay, 1956, blz. 23ev.
- H.P. Blavatsky, De Geheime Leer, 1988, TUPA,
2:861-3.
- Zand-akasih, blz. 45.
Dawn and Twilight of Zoroastrianism, blz. 146, 261.
- History of Zoroastrianism, blz. 139 (Greater
Bundahisn, I, a.13).
- Zand-akasih, blz. 127ev.
- The Sacred Books of the East, deel IV, The
Vendidad, vert. James Darmesteter, Clarendon Press, 1895, blz.
10-20.
The Tree of Life, uitg. Ruth Smith, Viking Press, 1942, blz.
318-21.
- Zand-akasih, blz. 285, 293; Sacred Books
of the East, deel V, Pahlavi Texts, vert. E.W. West,
Clarendon Press, 1880, blz. 126-30.
De wijsheid van Zarathoestra – 3
De profeet van het licht
Eloise Hart
Help mij door licht, beziel mij door licht, en bescherm
mij door licht, en verenig mij met het licht! Dat vraag ik u, O Aanbiddenswaardige!
– Desatir
Het licht en het mystieke joie de vivre, dat zo kenmerkend
is voor de religie van Zarathoestra, werden door deze profeet verkondigd
op het moment van zijn geboorte – hij lachte; hij lachte zo blij,
dat de vroedvrouwen zich verwonderden en zijn vader uitriep: ‘Deze
baby is ongetwijfeld van God. Allen, met uitzondering van hem, komen
huilend ter wereld.’1
Deze gedachte wordt door legenden steeds weer bevestigd wanneer tegenspoed
wordt omgezet in voorspoed. Toen slechte mensen, die plannen beraamden
voor zijn ondergang, Zarathoestra als klein kind ontvoerden en hem in
een vuurzee wierpen, veranderden de vlammen in water, en zijn moeder,
die geheel buiten zichzelf was, ‘redde’ haar kind uit de
koele as, waarin hij vredig lag te slapen. Later, toen schurken hem
achterlieten in een wolvenhol, waarin ze de welpen op wrede wijze hadden
afgemaakt, gingen de wolven in plaats van hem te verslinden, als zorgzame
verplegers om hem heen staan en kwamen er tegelijk twee ooien uit de
bergen om hem te zogen.
Deze en andere verhalen over zijn jonge jaren, zijn voor hen die vertrouwd
zijn met de symbolische verhalen over de verzoekingen en louteringen
van wereldverlossers, een aanwijzing dat Zarathoestra een ingewijde
van hoge graad was. Volgens de oosterse mysterietraditie combineerde
hij bij zijn geboorte de drie elementen van een avatarische neerdaling:
(1) de khwarr, zijn hemelse glorie die, zoals men zegt, voor
deze incarnatie neerdaalde vanuit de wereld van Licht naar de zon, naar
de maan, de sterren, het haardvuur en in zijn toekomstige moeder; (2)
de fravashi, zijn beschermende en inspirerende ziel, die naar
de aarde werd geleid, nadat zij als gelijke onder de heilige Amesha-Spenta’s
had verkeerd; (3) de tan-gohr, zijn zuivere fysieke substantie,
die tevoren was toevertrouwd aan de zorg en koestering van de heren
van het water en van de planten. Deze drie kwamen tezamen, en hij werd
uit menselijke ouders geboren, normaal, en toch wonderbaarlijk.2
Zarathoestra zelf was zich tot zijn dertigste levensjaar niet bewust
van deze grote potentiële mogelijkheden. Het was tijdens de lentenachtevening
dat hij, om water te halen voor de haoma-ceremonie, de ‘Rivier
van de Vier Stromen’ inliep en plotseling een figuur van licht
voor zich zag staan op de oever van de rivier. De figuur wenkte hem
en bracht hem eerst in tegenwoordigheid van de gezegende onsterfelijken,
en toen van Ahura Mazda. Daar, met het licht van de Heer op hem, werden
de geheimen van het Zijn aan Zarathoestra onthuld: van de schepping,
van de hemelse sferen, en van verleden, heden en toekomst. Hij zag en
begreep zijn opdracht – deze heilbrengende wijsheid aan alle wezens
op aarde te verkondigen.
Na deze ervaring reisde hij tien jaar lang door een groot gebied maar
maakte slechts enkele bekeerlingen. Maar op een dag kwam hij aan het
hof van koning Vishtaspa van Bactrië, en toen hij de monarch naderde,
plaatste hij in zijn handen een stralende vlam, die hem wonderlijk genoeg
geen letsel bracht. Vishtaspa was onder de indruk, maar nog meer door
de woorden van de profeet. De hofpriesters, de astrologen, geleerden
en barden waren echter argwanend en vijandig. Ze grepen alle mogelijke
middelen aan om hem in de war te brengen, zijn uitspraken te weerleggen
en hem te kleineren, en lieten hem zelfs in de gevangenis werpen. Maar
Zarathoestra’s geduld en inzicht wankelden nooit; en toen hij
werd bevrijd, na het hopeloos zieke paard van de koning op heel ongewone
wijze te hebben genezen, won hij de oprechte steun, niet alleen van
de koninklijke familie, maar ook van haar wijzen. En daarna verspreidden
zijn leringen zich in het hele Iraanse rijk en ver daarbuiten.
Historisch is er weinig over het leven van Zarathoestra bekend. Sommigen
plaatsen hem als tijdgenoot van Pythagoras omstreeks 600 v.Chr. Anderen,
zoals de beroemde Egyptoloog Baron Bunsen, die hem beschreef als ‘een
van de machtigste intellecten en een van de grootste figuren van alle
tijden’, plaatst hem op ongeveer 3.000 jaar v.Chr. Aristoteles
geloofde dat de ‘oude wijze’ 6.000 jaar voor Plato leefde,
en Plutarchus zegt dat hij 5.000 jaar voor de Trojaanse oorlogen werd
geboren. Ongetwijfeld is deze tegenstrijdigheid te wijten aan het feit
dat een hele reeks oude wijzen-astronomen en profeten-hervormers Zarathoestra
werden genoemd, een naam die afwisselend wordt vertaald als ‘levende
ster’, ‘leraar van sterrenwijsheid’, en zelfs ‘de
Gouden Hand . . . die hemels vuur ontving en verspreidde’. Deze
opeenvolging van leraren, die zich uitstrekte van de goddelijke Zarathoestra
van de Vendidad tot aan de Iraanse profeet, komt overeen met
de brahmaanse Manu’s, de boeddhistische levende boeddha’s
en de tirthankara’s van het jainisme, die allen verschenen om
de mensheid op cyclische en/of kritieke momenten te onderrichten.
Een Mazdeïsche parabel verhaalt dat Moeder Aarde, kort voordat
Zarathoestra werd geboren, de machtige Ahura aldus aanriep: ‘Ik
ben onderdrukt en overweldigd door tirannen . . . stuur een held om
mij te redden.’ En de Heer voelde haar lijden en beloofde haar
een verlosser te sturen. Zarathoestra, een prins van het koninklijk
huis van Iran, werd al snel geboren in de stad Ragha. In de Desatir
is deze Zarathoestra de dertiende van hun vijftien grote profeten. Als
wetgever en hervormer was hij de leraar die de vermaarde vuurtempel
van Azareksh bouwde, wiens boodschap de steun kreeg van het koninklijk
huis van Vishtaspa, en later van de Achaemeniden; en wiens religie zich
verspreidde van de Iraniërs naar de Meden als de leer van de magi,
en naar de Chaldeeën die er hun eigen karakteristieke kenmerken
aan toevoegden en grote invloed uitoefenden op de Mozaïsche en
christelijke leringen.
Cyrus, de veroveraar van Babylon, Darius, Xerxes en Artaxerxes, beleden
allen hun trouw aan de leer van Zarathoestra door middel van prachtige
rotssculpturen. Die in Behistun bijvoorbeeld, die de gestalten van Darius
en zijn zegevierende stoet heroïsch uitbeelden, vertellen in het
Elamitisch, Perzisch en Akkadisch spijkerschrift dat ‘Ik’,
dankzij de genade van de verheven Ahura Mazda – die is afgebeeld
als de gevleugelde zonnegod die er beschermend boven zweeft –
‘koning ben’ en ‘tot stand heb gebracht dat geen mens
de ander mag doden, . . . noch de sterke de zwakke mag bedreigen.’3
Deze en andere schitterende verworvenheden van de Achaemeniden kunnen
heel goed het gevolg zijn geweest van hun religieuze overtuiging dat
al wat productief is en heilzaam voor het algemeen welzijn, de goddelijke
creativiteit imiteert en verbreidt. Maar omdat religies, net als wereldrijken,
cyclische perioden van opkomst en verval kennen, werd het voortbestaan
van de leer van Zarathoestra meer dan eens bedreigd: toen de legers
van Alexander de geschriften confisqueerden en verbrandden die de schriftgeleerden
nog maar kort geleden uit mondelinge overlevering op perkament hadden
vastgelegd; en opnieuw in de 7de eeuw n.Chr. toen islamitische Arabieren
de Perzische schatten genadeloos plunderden en later alle volgelingen
van Zarathoestra, op enkele na, dwongen hun geboorteland te ontvluchten
en hun toevlucht in India te zoeken. Daar, waar volgens Max Müller
hun religie in voor-vedische tijd ontstond, heeft een betrekkelijk kleine
gemeenschap van hun afstammelingen haar visie op de waarheid behouden.
De volgelingen van Zarathoestra geloven in één hoogste
God, Ahura Mazda, ‘Heer Wijsheid’, ‘de Zelf-bestaande,
zonder wat of hoe’, van wie alles uitgaat en tot wie alles terugkeert.
In hun oudere geschriften is hij Licht, en in gemanifesteerde ‘verschijnselen’
zichtbaar-gemaakt-Licht, dat wil zeggen, in de dualiteit, of als bipolaire
aspecten van het eeuwige Ene. ‘Door een enkel gebaar van de Schepper
werden beide werelden zichtbaar’ (The Desatir, blz. 72).
Later wordt deze dualiteit in hun exoterische leringen voorgesteld als
een eeuwige strijd tussen Ahura Mazda, de personificatie van de krachten
van het goede en de waarheid die leven, gezondheid-harmonie, schoonheid
en intelligentie voortbrengen; en Ahriman, verpersoonlijkt als een ware
satan van de duisternis, die ‘niet-leven’, voortbrengt,
misleiding, vernietiging, beproeving en pijn. In die hoedanigheid wordt
Ahriman in hun geschriften en in hun kunst vaak afgebeeld als de machtige
stier waarmee het goede in iedereen, als Ohrmazd (Ahura Mazda), worstelt
en die daardoor wordt vernietigd. Commentatoren verklaren dat toen de
Zelf-bestaande, ongedifferentieerde Ene zich in twee geesten van tegengestelde
polariteit ‘splitste’, er ogenblikkelijk stabiliteit tot
stand werd gebracht die de universele harmonie voortdurend bewaarde,
de hemellichamen in hun baan hield en de cellen in ons lichaam op gezonde
wijze deed functioneren.

In het begin van de tijd, zo verhaalt de Avesta, zond Ahura
Mazda uit zichzelf zes glorierijke stralen, aangeduid als de goddelijke
Amesha-Spenta’s of Onsterfelijke Weldoeners die, met Ahura mee,
de zeven vormen – ‘één van geest, één
van stem, één van daad’. Samen vormden en ordenden
zij de hemelen en de sterren, de aarde en de mensheid. Overal in hun
geschriften wordt gezinspeeld op bijzonderheden betreffende de aard,
eigenschappen, kenmerken en functies van deze zeven onderscheiden, individuele
bewustzijnskrachten, en op hun relatie met en hun werking door de kosmische
elementen en gebieden, in de planetaire verblijven, de natuurrijken
en de beginselen van de mens; en ze verschillen maar weinig van de beschrijvingen
van de Griekse kosmokratores, de Hebreeuwse sephiroth en de dhyan-chohans
en manasaputra’s van de hindoes. Want gezien als sterren-yazata’s
– ‘de stralenden met krachtige ogen’ (Khordah-Avesta,
xxxv, iii) – heersen ze, net als zij, over de planeten en worden
ze, als de mensheid gereed is, degenen die het verstand doen ontwaken
en beschaving brengen.
Om de aard van hun deugdzame natuur te kunnen begrijpen en ernaar te
streven iets daarvan te verwezenlijken, worden deze Gezegende Onsterfelijken
als volgt aangeduid: Asha-Vahishta, goddelijke wil, gemanifesteerd
door middel van rechtvaardigheid en bereidheid de goddelijke wet te
gehoorzamen. Dit is de eerste van de kosmische stralen en wel die straal
die alle andere doordringt zoals het levensvuur doet, waarvan hij de
behoeder is. Vohu-Mano, goddelijke wijsheid en mededogen, die
zich op aarde weerspiegelt als liefde voor alles, en als intuïtie,
het ogenblikkelijke en meedogende begrip van het hart. Khshathra-Vairya,
verheven macht, goddelijke creativiteit, verwezenlijkt door de juiste
en heilige activiteit van karmayoga of dienstbaarheid. Spenta-armaiti,
‘Moeder Aarde’, onwrikbaar vertrouwen in en toewijding aan
het geestelijke zelf in de mens. Haurvatat, het volkomene,
de volmaaktheid van de Verhevene en van al zijn kind-zielen die wordt
bereikt door zuiverheid, harmonie en gezondheid. Ameretat,
verbonden met de mystieke levensboom, de onsterfelijkheid die de mens
bevrijdt van de vrees voor de dood.4
Hoewel zelden genoemd, hebben deze Amesha-Spenta’s hun lagere,
voertuiglijke of negatieve aspecten, de valse goden, de daeva’s,
die ‘niet juist kozen, omdat blindheid hen overviel toen ze beraadslaagden,
zodat ze het verkeerde doel kozen’ (Yasna 30,6) en ajyati,
niet-leven, schiepen, dat destructief is en aast op de rechtvaardigen.
Zoals de aarde volledig ronddraait om de levengevende dageraad te ontvangen,
naderen wij individueel – zo denken de volgelingen van Zarathoestra
– Ahura Mazda, als we ons wenden naar de glans van deze glorierijke
Onsterfelijken. Dat ‘zich wenden’ betekent eenvoudig zuivering
– verfijning en vergeestelijking van het hele weefsel van ons
wezen, tot we aan hun substantie gelijk zijn. Alleen edele gedachten,
vriendelijke woorden, goede daden – wijsheid, liefde, dienstbaarheid
– kunnen dit doen, en ons bevrijden van de smet en het gewicht
van fysieke, psychische en mentale bezoedelingen. ‘Hoor met uw
oren de beste dingen,’ adviseert de Yasna, ‘beschouw ze
met een zuiver, helderziend denken.’ En de Desatir vervolgt:
Want in alles en in elke daad heeft u mij bij u;
en vindt u mijn licht in elk ding, op elke plaats; en bespeurt u de
grootsheid van de eenheid van mijn wezen door al zijn schaduwen; en
begrijpt u alle pracht van mijn bestaan, en hoort mijn woord van alles
in alles, omdat allen naar mij zoeken; en ruikt u mij in alles en
heeft u de smaak van mijn kennis geproefd en bent u mij zeer nabij.
– The Desatir, blz. 68
Dit bereikt men echter niet door het nemen van een besluit, maar door
levens van inspanning. Voor hen die tijdelijk zijn verbijsterd, gekweld
en belemmerd door wat onoverkomelijk onheil lijkt, is er deze verklaring:
‘Zij die in tijden van welvaart, pijn en smart ondervinden, ondergaan
deze op grond van hun woorden en daden in een vorig lichaam . . . elke
vreugde, of genoegen, of leed dat ons treft van de geboorte tot de dood,
is geheel de oogst van vroegere daden die nu wordt binnengehaald’
(The Desatir, blz. 9). Er is ook de verzekering: de nevels
zullen optrekken, de winters van duisternis wanneer enkelingen en hele
rassen bezwijken voor het verdorvene, en zullen overgaan in de lente.
De aarde wordt opnieuw van alles voorzien. Nieuwe profeten staan op,
en zegenrijke heersers; gerechtigheid, waarheid en deugd zegevieren
en de goeden betreden het pad van de goden.
Intussen echter, als de omstandigheden de mens verhinderen zo te leven
als hij zou willen, vormen de volgelingen van Zarathoestra zich beelden,
op scheppende wijze bereiken ze de adeldom waarnaar ze verlangen, en
bouwen en zaaien innerlijk voor hun toekomstige leven of toekomstige
levens. Tussenkomst van een priester of een godheid buiten hen heeft
geen plaats in hun filosofie. De nadruk ligt op de individuele vrije
wil, op de ingeboren goddelijke waardigheid van de mens en zijn plicht
om de weg van rechtschapenheid te kiezen en moedig te volgen. ‘Let
op uw daden en woorden, want zij brengen hun onfeilbaar gevolg voort;
zoals het zaad is dat de mensen zaaien, zo zal de oogst zijn die zij
binnenhalen’ (Dabistán, blz. 138). Ieder mens
is dus zijn eigen krijger en ziener, ieder vordert als hij de verlagende
neigingen in zichzelf overwint, waarvan de laagste de leugen is, en
de volgende het hebben van schulden, want iemand die schulden heeft
bezwijkt gemakkelijk voor de leugen.
Er zijn mensen, zo zegt The Desatir (blz. 97), die als een
vleermuis het licht van de zon indirect ontvangen, weerkaatst door de
maan; niet omdat de zon het vermogen mist te verlichten, maar omdat
de vleermuis het vermogen mist zijn straling te verdragen. Toch is zelfs
de vleermuis in essentie goddelijk en kan net als wij, het gezichtsvermogen
van het ‘andere oog’ ontwikkelen – het ‘oog’
van het hart en het geestelijke bewustzijn – en zo na verloop
van tijd door directe ervaring de ‘Ene-die-geen-eigenschappen-heeft’
leren kennen.
De bekoring en de logica van deze eenvoudige beeldspraak zijn aantrekkelijk
en overtuigend: zuiverheid van denken, woord en daad verheft alle zielen,
hoe laag hun positie of omstandigheden ook zijn ‘tot de Hemelingen’.
Elke ziel, zo verklaren zij, leert en ontwikkelt zich; ten eerste door
de vergankelijke en uitwendige fysieke gewaarwordingen – want
de vermogens van zien, horen, ruiken, proeven en voelen zijn aardse
engelen en dienaren van de ziel die hen leidt; vervolgens door die intellectuele
vermogens die begrip wekken van de wetten die in de aardse en in de
hemelse natuur werken. Het is deze kennis, aan hogere vermogens ontleend,
die in stand blijft en, door de ontbinding van het lichaam te overleven,
bijdraagt aan de vooruitgang van de ziel in toekomstige incarnaties.5
Zo’n ontwikkeling eist volgens het Mazdeïsme niet dat men
zich uit de wereld terugtrekt. Integendeel. Zoals Ahura Mazda zich ontplooit
en in zijn manifestatie alles overtreft, zo kunnen ook wij door dagelijkse
oefening onze vermogens versterken, creativiteit ontwikkelen en in toenemende
mate bijdragen aan de stoffelijke en geestelijke vooruitgang, voorspoed
en geluk van alle leven. Dit is onze khwarr, onze hogere bestemming
– die ‘in het lichaam werd gelegd van hem waarvoor ze werd
geschapen’, zelfs voor het fysieke lichaam werd gevormd.6
Khwarr is een woord dat door autoriteiten verschillend wordt geïnterpreteerd.
Sommigen leiden het af van hvar, de zon, en zien het als het
‘zonnefluïdum’ dat alles doet groeien en bloeien. Anderen
menen dat het het innerlijke geestelijke karakter is van een individu
en van een volk, hun latente geluk, of ‘talenten’ zoals
in de bijbel. Als zodanig maakt het deel uit van de patvandishn
i o Frashkart, de ‘voortdurende evolutie naar het voortreffelijk
maken’ van vele dingen door middel van ieder individu –
wat ook hier het ideaal van de volgelingen van Zarathoestra tot uitdrukking
brengt, dat elk goed geleefd leven de universele gemeenschap materieel
en geestelijk helpt met overvloed en vreugde.
Noten
- Moshan Fání, The Dabistán,
vert. David Shea en Anthony Troyer, Tudor Publishing Co., 1937, blz.
121-3.
- Mary Boyce, A History of Zoroastrianism,
E.J. Brill, 1975, I, 184, 277-8.
- R.C. Zaehner, The Dawn and Twilight of Zoroastrianism,
Weidenfeld and Nicolson, 1961, blz. 155-60.
- The Cultural Heritage of India, uitg. Haridas
Bhattacharyya, Ramakrishna Mission Institute of Culture, 1956, IV,
538-41.
- The Desatir, vert. Mulla Firuz Bin Kaus,
Wizards Bookshelf, 1975, blz. 86, 135-6.
- A History of Zoroastrianism, I, 167vn.; Dawn
and Twilight of Zoroastrianism, blz. 151-3, 268.