Over vrije wil en oorzakelijkheid
I.M. Oderberg

 

Karma is niet een ‘wet’ die ons van buitenaf wordt opgelegd door een soort wetgeving en die door het gezag wordt gehandhaafd. Het is het in harmonie of evenwicht brengen van oorzaken en gevolgen. Het werkt door het hele universum en dus ook in onszelf. Ieder mens is daarom de drager van zijn of haar karma, want verleden en toekomst komen in het heden samen. Hoewel het woord karma zijn oorsprong heeft in de Sanskriettaal van India, gaat het hier niet alleen om een Oosterse gedachte. Voor de christen-gnosticus Bardesanes, 154-223 n.Chr., zijn wat hij de vrije wil, het noodlot en de natuur noemt, de drie factoren van wat wij kunnen aanduiden als de karmische wet. Terwijl hij eraan toevoegt dat deze drie uiteindelijk in Gods hand liggen, wijst hij erop dat elk op de andere reageert en dat geen van deze de absolute autoriteit bezit, die alleen bij God berust.* Hij brengt de vrije wil in verband met het goddelijk-spirituele aspect van de mens, het noodlot met de ziel en de natuur met het stoffelijke element van onze constitutie.

*De gnostische beschouwingswijze over God week belangrijk af van de Westerse opvatting, die een projectie in de ruimte geeft van een Wezen met onze eigen kenmerken, zowel goede als slechte, uitgebreid tot gigantische afmetingen, welwillend, maar toch grillig en in staat tot boosheid. De gnostische Godheid was niet een persoon, maar doordrong het universum als de intelligentie en levenskracht die het instandhield.

Voor de oude Grieken bestond er aanvankelijk maar één schikgodin, Moira, bestemming, wat een ‘toebedeeld lot’ betekende en de godheid personifieerde die aan ieder individu de passende omstandigheden en plaats in het leven toewijst. Al spoedig werd de ene Moira drievoudig. Terwijl sommigen stellen dat deze drie de dochters van de nacht of van de maan zijn, wijzen anderen, sinds Homerus en Hesiodus, op een andere afkomst en beschouwden de meeste latere auteurs hen als de dochters van Ananke, noodzakelijkheid.

Plato verdeelt het werk van de drie schikgodinnen enigszins anders: hij stelt zich de hemellichamen voor in concentrische cirkels; elk draait als een spoel in de ene of de andere richting. De binnenste zeven cirkels omvatten de banen van de planeten. Zijn verhaal luidt:

De spoel draaide op de knieën van de noodzakelijkheid. Een Sirene was op elk van de cirkels gezeten en werd erdoor meegevoerd en liet één enkele klank op één toon horen; uit alle acht samen ontstond één harmonie. Rondom op gelijke afstand zaten drie anderen, elk op een troon, de schikgodinnen (Moirae), dochters van de noodzakelijkheid, in witte gewaden met kransen op het hoofd, Lachesis, Clotho en Atropos, en zongen op de muziek van de Sirenen: Lachesis over het verleden, Clotho over het heden en Atropos over de toekomsr. Clotho raakt met haar rechterhand de buitenste cirkel van de spoel en helpt deze te draaien; met haar linkerhand beweegt Atropos op dezelfde manier de binnenste cirkels en Lachesis beroert en beweegt beide, afwisselend met elke hand.*

*Zie De Staat, boek 10, voor de volledige tekst.

De drie schikgodinnen weefden het weefsel van het leven voor alle wezens, zelfs de goden stonden niet boven hen. Bij Homerus, die slechts van één moira spreekt, wordt het beeld gegeven van een verre kracht, ouder dan de goden en zedelijk van aard, die zij niet konden weerstaan omdat ze haar niet hadden gemaakt. Homerus zag het noodlot niet als een blinde kracht maar als een ‘zedelijk decreet – de grens van goed en kwaad’.* Hesiodus zei dat de sferen die moira aan de goden toewees de elementen waren waaruit de kosmos was opgebouwd.

*F.M. Cornford, From Religion to Philosophy, blz. 13.

De drie moiren vermeld door Plato waren Lachesis, de ‘lotbedeelster’; Clotho, de ‘Spinster’, die voortdurend de draad spint waarmee we het web van onze bestemming weven; en Atropos, de ‘onafwendbare’, het onverbiddelijke, onbuigbare toekomstige gevolg van vroeger’ oorzaken die nog moeten uitwerken.

Het verleden kan niet worden veranderd, het is al voorbij. Het heden wordt treffend gesymboliseerd door de spinster, want daaruit wordt voortdurend de toekomst geweven, beïnvloed als ze is door alle dingen die worden gedaan, gezegd of gedacht. We spinnen de draad van onze bestemming vanuit onszelf, net als de spin zijn web weeft uit zijn eigen substantie. Lachesis is prachtig verklaard door Plato (De Staat) in het gedeelte dat bekend staat als het ‘Visioen van Er’. Hier is de soldaat Er er getuige van hoe de zielen die op wedergeboorte wachten het lot kiezen dat hun het meest aanspreekt, dat het meest toepasselijk is, omdat ze er magnetisch toe worden aangetrokken, het resultaat van vroegere oorzaken die zij in beweging hadden gebracht.

Karma begon voor de mensheid toen de proto-mensen voor het eerst zelfbewustzijn verwierven, wezens die zich bewust werden van zichzelf en van overeenkomsten en verschillen tussen elkaar en alle aardbewoners. Dit wordt uitgebeeld in de passage van het Oude Testament, waar Adam de schepselen van onze planeet namen geeft: de verschillende dieren, vogels, vissen en planten. Zoals het verhaal uit het Oude Testament duidelijk maakt, brengt zelfbewustzijn het vermogen, ja de verantwoordelijkheid met zich het goede van het kwade te onderscheiden, dat wil zeggen ethische keuzen te maken.

Volgens een mythe die in veel overleveringen voorkomt, werd dit zelfbewuste ontluiken van de geest, dat in een ver verleden plaatsvond, gestimuleerd door zonne-entiteiten. In de Griekse vorm van dit symbolische verhaal bracht Prometheus het ‘hemelse’ vuur naar de wordende mensheid, terwijl de versie van de hindoes spreekt van het doen ontwaken van onze slapende menselijke eigenschappen door manasaputra’s, zonen van het denkvermogen. Dat er in de mens spontaniteit ontstaat, duidt op het aangeboren vermogen tot handelen; een relatie of uitwisseling tussen mensen zou nauwelijks mogelijk zijn zonder de vrijheid het één te verkiezen boven het andere, en dat betekent het vermogen om in iedere situatie een nieuw begin te maken.

We hebben nog geenszins het hele scala van ons menszijn tot uitdrukking gebracht. Er is echter een grens aan het uitoefenen van onze vrije wil, opgelegd door onze huidige geaardheid: al zet zich het proces van omvorming van de lagere neigingen in onszelf voort, we worden belemmerd door de beperkingen van ons karakter, ons gebrek aan wijsheid en begrip en ons gevoel van afgescheidenheid van de natuur, de biosfeer. Omdat we bovendien deel uitmaken van het universum, moeten we ook worden beïnvloed door de processen en natuurwetten die het beheersen.

We zien in de kosmos een bewonderenswaardige nauwkeurigheid, het harmonische geheel van de planeetbanen, de omloop van de sterren rond het magnetisch centrum in hun melkweg en de ritmische wisseling van de seizoenen op onze planeet. Als het heelal als geheel zo is georganiseerd, moet dat ook gelden voor de menselijke levenscyclus – het lijkt onmogelijk dat de gebeurtenissen bij toeval plaatsvinden. Als wij ons eigen lot belichamen, dat wil zeggen als we ons eigen karma zijn, kunnen we duidelijk de volmaakte rechtvaardigheid inzien van alles wat we meemaken. Per slot aanvaarden we zonder problemen de zogenaamde ‘goede’ dingen die het leven ons biedt, maar we klagen over de onplezierige voorvallen die ons overkomen, en zien niet dat die in feite het patroon volgen dat we op bepaalde momenten om onszelf hebben geweven. Elke daad moet in zich het bijpassende gevolg bevatten, dat erin ligt opgesloten als een potentiële kracht die wacht op de juiste omstandigheden om in het heden tevoorschijn te komen. Als dit niet het geval was, is het moeilijk in te zien waaruit een willekeurige daad of een opeenvolging van daden in ons dagelijks leven kan ontstaan.

De opeenvolging van oorzaken en gevolgen heeft de aandacht getrokken van allerlei geleerden. David Hume, de Engelse filosoof, zei dat het oorzakelijk verband niet empirisch, d.w.z. stoffelijk, kan worden aangetoond en dat het daarom niet bestaat. Wat optreedt is volgens zijn opvatting niet een samenhangende of ‘oorzaak-en-gevolg’ stroom van gebeurtenissen, maar een gelijktijdig parallel lopend gebeuren; het feit dat ze samen plaatsvinden is slechts een samenloop in de tijd. Carl G. Jung, de bekende Zwitserse psycholoog, en Wolfgang Pauli, de Weense natuurkundige en Nobelprijswinnaar, verwierpen ook een dergelijk causaal verband. Samen kwamen zij tot een benadering zoals die van Hume, hoewel ze van andere premissen uitgingen, en zij formuleerden het begrip van tijdsparallellen dat ze ‘synchroniciteit’ noemden, in de zin van het tegelijk optreden of bestaan van gebeurtenissen die elkaar als het ware tandemsgewijs volgen. Het begrip oorzaak als de ouder en gevolg als het kind van een voorval werd verworpen. Deze theorie lijkt niet veel anders dan een verandering van terminologie.

Op het moment dat een relatie wordt aangegaan, betekent dat een of andere gemeenschappelijke schakel, hetzij in de tijd of anderszins. Het woord oorzaak of oorzakelijk te verwerpen, alleen omdat de band tussen een daad en het daarin opgesloten of eruit voortvloeiende gevolg onzichtbaar is – in die zin dat hij niet in het laboratorium als iets stoffelijks kan worden voortgebracht – lijkt nogal kortzichtig. Berust niet alle laboratoriumwerk op de stilzwijgend ‘aangenomen’ opeenvolging van gebeurtenissen die we oorzaak en gevolg noemen? Hoe zou men in het laboratorium resultaten kunnen verwachten als dat niet het geval was?

Het onderwerp tijd is fascinerend en misschien is er een manier om synchroniciteit op te vatten op een manier die afwijkt van de zienswijze die deze term gebruikte ter vervanging van het woord ‘oorzaak’ . We kunnen synchroniciteit schematisch voorstellen als een werking die spiraal- of cirkelvormig verloopt, en dit opent interessante perspectieven in verband met onze relatie tot het verleden, het heden en de toekomst. Als we beseffen dat ons huidige leven het gevolg moet zijn van onze vroegere levenswijze, dat karma niet een andere naam is voor ‘noodlot’ in de beperkte zin van iets dat als onvermijdelijk werd vastgesteld door een wezen of een proces buiten ons, dan komen we tot de conclusie dat al onze daden hun oorsprong hebben in ons denken en dat ons gebruikelijke denkpatroon voortkomt uit voorkeuren die zich vastzetten in groeven of gewoonten.

Er is wel eens de wijze opmerking gemaakt dat wanneer we een gedachte verwelkomen, we al gauw andere aantrekken van soortgelijke aard en voor we het beseffen hebben we een gewoonte gemaakt. Een aantal van die gewoonten geeft het karakter zijn kleur. Of anders gezegd, sommige gedachten vibreren, omdat ze energieën zijn, met een golflengte die andere soortgelijke aantrekt en dan smelten ze samen met entiteiten die aan het begin staan van hun evolutionaire groei in de elementen die onze leefomgeving vormen. Dit wijst op nog een karmische verantwoordelijkheid die wij als zelfbewuste, vastbesloten mensen hebben, voor de invloed die wij op onze omgeving uitoefenen. Als we een verandering in benadering willen teweegbrengen, dan is de enige manier om een vroegere gehechtheid aan een gedragslijn, die onder het peil ligt van de beste prestaties waartoe we in staat zijn, te doorbreken, en te veranderen door een andere soort gedachten aan te moedigen.

Karma is de noodzakelijke band tussen ons verleden, ons heden en onze toekomst. Als een wiel draait het onvermijdelijk rond, omdat wijzelf dag in dag uit, jaar in jaar uit doorgaan te bestaan, te handelen, handelingen te ondergaan en te reageren. Dit blijkt de manier te zijn waarop de Grieken de noodzakelijkheid zagen; het moet in deze zin zijn geweest dat de filosoof Alfred North Whitehead schreef: ‘De noodzakelijkheid in de Griekse tragedie wordt de natuurwet van het moderne denken.’ Overal om ons heen zien we de tekenen van een gecoördineerd systeem van levens, van de meest nietige tot de zeer grote, en coördinatie vraagt beslist om een coördinator.

Misschien is het op zijn plaats dit in verband te brengen met de energie en de intelligentie die de aarde zelf bezielt, die de stuwkracht levert tot verbetering, d.w.z. tot de groei van binnen naar buiten, de hele menigte van planeetbewoners, die voortdurend eigenschappen tot ontplooiing brengen die subjectief aanwezig zijn in het krachtcentrum van elk. De stroom van oorzaak en gevolg is het middel om de groei te regelen, maar de bron van deze groei is de dynamo in het hart van elke entiteit, groot of klein.

 
Andere artikelen over karma
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1983

© 1983 Theosophical University Press Agency