Theosofische perspectieven

 

[In de laatste tien jaar heeft de redactrice van Sunrise theosofische basisideeën besproken met individuen en groepen in verschillende delen van de wereld. Omdat de meeste behandelde onderwerpen van algemeen belang zijn, publiceren we voor onze lezers gedeelten van de bewerkte verslagen. Uw vragen en/of opmerkingen over bepaalde aspecten van de theosofie en de betekenis daarvan voor het menselijk leven zijn welkom. – Red.]


Alles in het universum is een eenheid. Dat betekent dat de weerklank van onze gedachten en gevoelens, aspiraties en emoties niet alleen door de hele mensheid wordt gevoeld, maar door ieder natuurrijk. Een uitspraak van een van H.P. Blavatsky’s leraren is, denk ik, bijzonder toepasselijk in deze tijd:

Laat niet de vruchten van goed karma uw motief zijn; want, omdat uw karma, goed of slecht, één is en de hele mensheid gezamenlijk toebehoort, kan u niets goeds of slechts overkomen dat niet met vele anderen wordt gedeeld. . . . Er is geen geluk voor iemand die altijd aan het eigen zelf denkt en alle andere zelven vergeet.

Het heelal kreunt onder het gewicht van dat soort handelen (karma), en geen ander dan zelfopofferend karma kan dit verlichten.

*Aangehaald in H.P. Blavatsky aan de Amerikaanse conventies, blz. 32-3.

Dit is een buitengewoon krachtige gedachte. Als het heelal zucht onder de last van egoïstische motieven, zijn wij aansprakelijk voor zover we tot die last hebben bijgedragen. Natuurlijk hebben we allemaal tot op zekere hoogte gemengde motieven, maar altijd staat ons een groots ideaal voor ogen: er voortdurend naar streven ons leven altruïstisch te maken. Al wordt van ons niet verwacht dat we dit onmiddellijk zullen bereiken, we kunnen er wel naar streven altruïsme tot de leidende invloed in ons leven te maken.

Egoïsme is strijdig met de groei van de ziel: het betekent het zich richten op het eigen ik. Dat is schadelijk voor de groei van de mensheid. Onzelfzuchtigheid daarentegen bevrijdt het innerlijke licht en dat licht, dat in onze ziel stroomt, blijft niet binnen onze eigen grenzen; het breekt door de belemmeringen van onze persoonlijkheid heen en zendt zijn stralen in het leven van anderen. Iedere altruïstische gedachte en aspiratie beïnvloedt de hogere gebieden van ons wereldbewustzijn, en zij van wie de vibraties met die soort aspiratie overeenstemmen, reageren intuïtief.

J.B. – Ik begrijp dat universele broederschap het voornaamste doel van de Theosophical Society is. Wat is het verschil tussen uw doel en dat van de grote religies, die alle de nadruk leggen op broederschap, de Gulden Regel, enz.?

G.F.K. – Het ideaal van broederschap is niet nieuw; het duikt telkens en telkens weer op. Iedere grote leraar onderwees dezelfde nobele ethiek en toonde een levenswijze die ten slotte de kluisters zal verbreken die de menselijke ziel binden. Boeddha’s en christussen en alle spiritueel verlichten hebben de nadruk gelegd op de eenheid van de mensheid. Jezus en Gautama doorbraken beiden de huichelarij van het priesterdom en spraken openlijk met hun volk over deze waarheden. Voor hen bestond er geen hogere wet dan hun broeders lief te hebben en te begrijpen en de broeders waren voor hen de hele wereld.

In welk opzicht biedt de theosofie iets dat van groter invloed is? We moeten wel bedenken dat de theosofie vele miljoenen jaren teruggaat, naar die lang vervlogen periode waarin ons verstand en ons hart voor het eerst werden wakker geroepen – een gebeurtenis van buitengewone betekenis, die in Genesis en in mondelinge en schriftelijke overleveringen van vele volken is vastgelegd. Toen de ‘zonen van het denkvermogen’ of manasaputra’s – Lucifer, Prometheus, of onder welke andere naam deze lichtbrengers ook bekend zijn – het vuur van onze intelligentie ontstaken, was dit de karmische gelegenheid om bepaalde oorspronkelijke waarheden aan de vroege mensheid te schenken. Het zijn deze waarheden die iedere grote leraar op zijn eigen manier tot uitdrukking heeft gebracht.

In de 19de eeuw, toen H.P. Blavatsky verscheen, werden de wijsheidsleringen die periodiek aan verschillende rassen of volkeren waren gegeven, grotendeels verkeerd begrepen, of was op zijn minst de glans van hun zuiverheid verbleekt door het werk van priesters en door verwaarlozing. H.P. Blavatsky heeft de poorten van ons begrip wijd geopend voor deze heilige waarheden, die ze zo helder belichtte, dat een nieuwe interpretatie mogelijk was van alle religies, filosofieën en oude overleveringen en dat men besefte dat ze dezelfde wonderbare wijsheid tot uitdrukking brachten.

Nu, ongeveer honderd jaar later, vragen sommige mensen zich bezorgd af of de theosofische filosofie niet los is komen te staan van de noden van de wereld; dat ze mogelijk haar werk heeft gedaan. Ik kan niet geloven dat de levende kern van de theosofie ooit kan verouderen, evenmin als de theosofia of ‘goddelijke wijsheid’ van het oorspronkelijke christendom, van het soefisme, of van enige andere spirituele stroming in de wereld. Maar de aanhangers van de theosofie zouden inderdaad even bekrompen kunnen worden als de meest verstokte dogmaticus, tenzij we de visie en de moed hebben onze idealen voortdurend nieuw leven in te blazen. De waarheid is universeel, en het is deze universaliteit die we proberen te begrijpen en die we opnieuw tot uitdrukking willen brengen, geïnspireerd door het leven en de geschriften van H.P. Blavatsky.

Geen poging tot broederschap gaat ooit verloren. Er zijn in het verleden individuen en groepen geweest, die zich wijdden aan de verheffing van de ziel en aan het ideaal van broederlijke harmonie. Tijdens de Renaissance bijvoorbeeld waren er mensen die hard hun best deden om aan te tonen dat de microkosmos, de kleine wereld van de mens, een afspiegeling is in het klein van de grote wereld, de macrokosmos. Kabbalisten, rozenkruisers, hermetici, vrijmetselaars en alchemisten werkten ingewikkelde diagrammen uit om aan te tonen dat er in de hele kosmos een universele harmonische orde heerst. Hoewel deze filosofen betrekkelijk gering in aantal waren, vormden ze een netwerk over heel Europa, waarvan helaas de invloed niet doordrong tot het dagelijks leven van de mensen, omdat een krachtige tegenpoging, de contrareformatie werd ingezet, met het doel iedereen die van de orthodoxie was afgeweken, tot de kudde terug te brengen.

T.M. – Dat schijnt ook nu te gebeuren, nu er overal een soort van netwerkactiviteiten plaatsvinden door groepen die zich met bewustzijnsonderzoek bezighouden. Velen van hen spreken vrijuit over karma en reïncarnatie, maar er zijn andere aspecten, die niet met theosofie schijnen overeen te stemmen. Wat denkt u daarvan?

G.F.K. – Tegenwoordig wordt er heel veel gesproken en geschreven over karma en reïncarnatie en dat we allen broeders zijn, enz. Dat is heel goed en opnieuw een aanwijzing dat er in de gedachtewereld krachten aan het werk zijn die een spirituele invloed hebben. De motieven van sommige van deze groepen zijn ongetwijfeld altruïstisch, en voor zover zij trouw blijven aan hun oorspronkelijke opzet, versterken ze de constructieve en licht brengende krachten. Maar zoals in vroegere eeuwen in Europa en elders negatieve elementen binnenslopen, die verzwakkend en ontbindend werkten, zo kunnen we ook in onze tijd in het netwerk van licht invloeden waarnemen die persoonlijk en egoïstisch van aard zijn en hun verderfelijke schaduwen werpen. In deze veelheid van uitingen die tot de ‘nieuwe eeuw’ behoren, is een scherp onderscheidingsvermogen noodzakelijk.

Hoe nuttig het ook is door en door vertrouwd te raken met de leringen en hun praktische toepassing, we moeten tegelijk, en dat is even belangrijk, onze eigen dogmatische kluisters verbreken, zodat we kunnen zien welk licht deze nieuwe visies kunnen werpen op onze opvattingen van de theosofie, die misschien star zijn geworden in plaats van beweeglijk en voortdurend in ontwikkeling. Onze filosofie geeft ons zeker een waardevolle toetssteen, waarmee we alles wat tot ons komt kunnen toetsen. Ze stelt ons ook in staat in de warwinkel van heilige rituelen en geloofsopvattingen de gouden draden van de oude wijsheidstraditie te ontdekken. En meer nog, ze geeft ons de sleutel tot bescheidenheid, want de waarheid die we zoeken benaderen we als leerlingen, niet als leermeesters. Het is van groot belang dat we ons door onze intuïtie laten leiden en dat vereist in de eerste plaats dat we ons naar binnen richten, op onze innerlijke kern.

R.S. – Ik vraag me af of het zoeken naar het innerlijk centrum, of het innerlijk contactpunt niet een zeer individuele zaak is en ik vraag me ook af welke rol de uitwisseling met anderen speelt bij het zoeken naar dat innerlijke centrum.

G.F.K. – Het zich richten op het innerlijke centrum is inderdaad een eigen individuele ervaring. Het is niet iets dat plotseling gebeurt maar vergt misschien een heel leven of vele levens. Veel groepen die nu ontstaan, sporen de mensen aan hun atman, hun ‘zelf’ te zoeken door middel van yoga- of meditatietechnieken van allerlei aard, terwijl anderen adviseren zich op de chakra’s te concentreren om verlichting te verkrijgen. Ik ben geen voorstander van deze methoden – niet omdat ze alle op zichzelf verderfelijk zijn, maar omdat iedere uiterlijke concentratie van energie op onszelf niet die volkomen weldadige uitwerking kan hebben die een zuiver onzelfzuchtige benadering heeft.

Er is een oud gezegde, dat u ook in de Bhagavad Gita (hfst. 6) kunt vinden: atmanam atmana pasya – ‘zie het zelf door middel van het zelf.’ Dit kan op twee manieren worden uitgelegd: zie het beperkte zelf, onze persoonlijkheid, door middel van het stralende zelf, het atman in ons; of, zie het atman in ons, neem het licht van het ware zelf waar door middel van het geoefende gewone zelf. Het ideaal is een tweevoudige stroom tussen onze atmische bron en de persoonlijkheid mogelijk te maken. Zoek eerst het koninkrijk van de geest, het koninkrijk der hemelen, of van God, en alle andere dingen zullen u worden toegeworpen. Dit is een van de diepzinnigste uitspraken die ooit zijn gedaan. We moeten ons dit esoterische feit voor ogen houden: hij die zich overgeeft aan het edelste in hem, zal het vuur van zijn atmische centrum aanwakkeren en als dat is aangewakkerd, zullen onvermijdelijk de andere facetten van zijn natuur door de stralen van het licht van atman worden aangeraakt.

De meest deugdelijke manier om zich op zijn centrum te richten is, denk ik, zichzelf te vergeten. Als men het ritueel van meditatie nodig heeft, dan zou ik het eenvoudigste aanraden wat te bedenken is. En wel het volgen van de oude regel: ontdoe uw hart bij het ter ruste gaan van alle ongelukkige gedachten – en met ongelukkig bedoel ik arrogante, onvriendelijke, kleingeestige en lage gevoelens – over anderen en over uzelf. Als u in de loop van de dag een kleine misstap hebt gedaan, erken dat dan en vergeet het verder. Reinig uzelf van binnenuit en zorg dat u in slaap kunt vallen, bevrijd van alles wat onwaardig is, zodat het innerlijk licht door een schoon kanaal kan stromen. Als u dan ’s ochtends ontwaakt, begint u innerlijk verfrist met een nieuw en warmer gevoel voor anderen en mogelijk met antwoorden op vragen en problemen die u eerst verontrustten.

Als het uitwisselen van meningen met anderen een stimulans is, doe dat dan vooral. Volg de stem van binnenuit. Alles is goed wat de ziel bevrijdt, terwijl dat wat de neiging heeft ons meer aan het persoonlijke en het beperkte te binden, op de lange duur niet heilzaam is.

N.C.B. – In aansluiting op wat deze jongeman heeft gezegd, zou het misschien nuttig zijn als we probeerden meer contact te krijgen met mensen die voor deze ideeën belangstelling hebben. We kunnen geen zendelingen zijn, maar door kleine groepen te vormen kunnen we elkaar misschien sterker maken.

G.F.K. – Ik ben er helemaal voor dat mensen bij elkaar komen als dat op een natuurlijke manier gebeurt. Ook ben ik er een groot voorstander van dat telkens wanneer de gelegenheid zich voordoet men van het ogenblik gebruik maakt om theosofische gedachten of begrippen uit te wisselen. Dat heeft vaak veel meer zin, omdat het een spontane reactie is op een vraag, en we nooit weten wanneer de gedachtezaden zullen ontkiemen. Het maakt ons heel gelukkig als we jaren later de vruchten zien van enkele zaden die we lang geleden hebben gezaaid. Maar het is volstrekt onbelangrijk of wij de vruchten zien van wat we hebben gezaaid. Het is onze taak ‘zaden te zaaien en de rest aan karma over te laten’ – wijze woorden, want die herinneren ons eraan dat we niet onze naam en ons karma moeten willen verbinden aan een bepaald zaad dat van goede kwaliteit is; tussen twee haakjes, we zouden veel ongedaan maken van het goede dat anders zou zijn gevolgd.

Onze doelstellingen zijn inderdaad bijzonder heilig, omdat ze de kern van de noden van de mensheid raken. Zoals in vorige eeuwen theosofen, onder welke naam ook, uit de volheid van hun ziel hebben gegeven, zo willen ook wij in deze tijd op hun werk voortbouwen, en dankzij hun offer kunnen wij verder gaan. Wat in de komende eeuwen zal tellen is de kwaliteit van het denken en van de toewijding die we op het bewustzijn van de wereld afdrukken.

Als het heelal kreunt onder de last van onze onmenselijke en egoïstische daden, moet het zich ook verheugen over iedere helpende onpersoonlijke gedachte. We kunnen ons dankbaar voelen voor het voorrecht bewust tot dat doel bij te dragen, in het besef dat de theosofische doeleinden, die eeuwenoud zijn, in de toekomst even essentieel zullen zijn als vandaag. Er heeft inderdaad altijd een broederschap van verlichte zieners bestaan, die in de stilte werkten en de gevoelens van mededogen in ontvankelijke harten stimuleerden. Dat netwerk zet zijn eeuwenlange werk voort, maar wat we ervan zien is slechts het topje van een ontzagwekkende spirituele poging, die al ten minste 18 tot 20 miljoen jaar en nog langer, in vervlogen kalpa’s gaande is.

 
Theosofie, het Theosofisch Genootschap, theosofen
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency