De woorden gnosis en gnosticisme kregen onlangs weer de aandacht,
grotendeels als gevolg van de ontdekking van een gnostische bibliotheek
in Nag Hammadi, Egypte, in 1945 en van de Dode Zee-rollen in 1947 –
waarvan de tekst een scherp licht werpt op gnostische elementen in het
vroege christendom en het jodendom van dat tijdperk. Maar al houdt het
gnosticisme wel verband met ons onderwerp, onze belangstelling richt
zich nu op de gnosis als een Griekse term voor ‘kennis’
en de Weg van de Waarheid, zoals Plato die in zijn dialogen en brieven
heeft geschetst.
Plato heeft zijn filosofie niet uitgevonden en evenmin schreef hij
alleen als leerling van Socrates; zijn werken zijn eerder doortrokken
van de ideeën en kenmerken van een universeel verspreide wijsheidstraditie,
een oorspronkelijke gnosis, waaraan alle grote godsdiensten uitdrukking
hebben gegeven. Doordrongen van de tijdloze geest van de eeuwige filosofie*,
komt de boodschap van Plato heden ten dage voor ons even modern over
als voor vroegere generaties die toegang hadden tot zijn geschriften.
Maar, kunnen we ons afvragen, wat is de gnosis nu eigenlijk en waarom
staat zij centraal in de filosofie van Plato?
*Zie ‘De
eeuwige filosofie’, Sunrise sep/okt 1984.
In ieder gnostisch stelsel is gnosis in feite identiek met spirituele
verlichting. Gnosis is echter geen gewone kennis, maar betekent het
direct ervaren van de goddelijke werkelijkheid. Als zodanig is zij esoterisch
of verborgen voor de wereldse mens omdat hij niet ‘de ogen heeft
om te zien of de oren om te horen’; zijn intuïtieve vermogens
zijn nog niet ontwaakt. Toch is deze kennis toegankelijk voor allen
die het verdienen zijn heiligdom te betreden. De gnosis is ook soterisch,
d.w.z. ‘reddend’ of helend, in die zin dat ze ‘heel’
maakt: ze bezit de kracht het leven van een mens te transformeren en
te vernieuwen. Geloof alleen kan geen redding brengen; men moet de alchemie
van verlossing ook kennen en in praktijk brengen.
Kennis van het goddelijke, van de oorsprong, de huidige toestand en
de bestemming van de mens en van de training die een mens voorbereidt
op het ontvangen van de gnosis zijn belangrijke thema’s in Plato’s
filosofie. Evenals in andere gnostische stelsels is ook het opstijgen
naar het goddelijke gebied een belangrijk doel: we moeten streven naar
‘gelijkenis met het goddelijke’ (Theaetetus, §176b),
want op deze manier ontdekken we de werkelijkheid achter de uiterlijke
schijn. Hoewel veel gnostici prediken dat het bovenzinnelijke het hoogst
bereikbare is, legt Plato er duidelijk de nadruk op dat de gnosis niet
een doel op zichzelf is. Ze moet veeleer in dienst worden gesteld van
het algemeen welzijn, het scheppen van een rechtvaardige en heilzame
staat op aarde. Goddelijke wijsheid is bedoeld om de hele kosmos te
verheffen, niet slechts een deel ervan (Timaeus, §29e-31a).
Plato liet een rijke erfenis na van ongeveer dertig dialogen en ruim
een dozijn brieven, die ons wijzen op het filosofische leven, maar toch
schreef hij niets over de innerlijke diepte van de gnosis en hij verklaart
waarom:
Deze kennis is niet iets dat, zoals andere wetenschappen,
onder woorden kan worden gebracht; maar na een langdurige omgang van
leraar met leerling, in een gezamenlijk benaderen van het onderwerp,
wordt ze plotseling, als een vlam die omhoogschiet wanneer een vuur
wordt ontstoken, in de ziel geboren en begint onmiddellijk zichzelf
te voeden. – Zevende Brief, §341c
Hij voegt hieraan toe dat ‘geen zinnig mens het zal wagen zijn
diepste gedachten in woorden uit te drukken, zeker niet in een vorm
die onveranderlijk is, zoals geschriften’ (§343a) –
een zinspeling op het gevaar verkeerd begrepen en verkeerd toegepast
te worden als een dergelijke machtige kennis in verkeerde handen zou
vallen. Gelijkluidende gedachten zijn ook elders in zijn werken te vinden,
en samen met wat bekend is van Plato’s ‘ongeschreven leringen’,
weerspiegelen ze de esoterie van iemand die in de mysteriën is
ingewijd. Als zodanig zou hij verplicht zijn de leringen van het heiligdom
nooit openbaar te maken. In zijn tijd waren de mysteriën een door
de staat gesanctioneerd instituut geworden en verraad betekende de dood
of verbanning. Daarom moest veel van wat werd geschreven worden versluierd.
Dat verklaart misschien ten dele waarom Plato, net als hij op het punt
staat kracht bij te zetten aan een argument of iets definitiefs te zeggen
over meer diepgaande onderwerpen, vaak zijn toevlucht neemt tot allegorieën
of mythen – wat universeel de taal is van de mysteriën.
Toch zijn er nog andere, even belangrijke redenen voor Plato’s
terughoudendheid. Een ervan is het gevaar van dogmatisme. Orthodoxie,
in de moderne zin van het woord, is hem vreemd. Daarom definieert hij
zelden of nooit een gedachte tot in details. Hij vertelt ons nooit precies
wat rechtvaardigheid is, of deugd of het goede, enzovoort. De definities
blijven altijd onvolledig, onaf en wel met opzet, om ons denken ruimte
tot groei te geven. Plato wil dat we zelf denken, dat we zowel onze
intuïtie als ons verstand gebruiken. De dialogen zijn niet bedoeld
als een openbaring, maar als een middel tot begrip van het grootse doel
van de mens en de kosmos. De openbaring moet van binnenuit komen.
Bovendien kunnen de dialogen zowel allegorisch als letterlijk worden
geïnterpreteerd en hebben de verhalen op verschillende niveaus
verschillende betekenissen. Dit is in het bijzonder het geval bij Plato’s
vele verwijzingen naar de Staat, die men ook kan zien als het symbool
van de mens – de mens die in zichzelf een republiek is en uit
vele burgers bestaat. Hij spreekt herhaaldelijk over de overeenkomst
tussen het individu, de staat en de kosmos, wat neerkomt op het Hermetisch
beginsel van analogie: ‘Zo boven, zo beneden.’
Laten we ons nu eens wagen in de wereld van Plato, in het Athene van
omstreeks 400 v.Chr., waar we Socrates ontmoeten, Plato’s vriend
en vroegere mentor, die tot onze gids wordt gemaakt in de meeste dialogen.
In de Apologie zien we hoe Socrates terechtstaat, beschuldigd
van ongeloof, het invoeren van nieuwe goden en het bederven van de Atheense
jeugd. Deze beschuldigingen waren volgens hem verzonnen door enkele
ongelukkigen die zich beledigd voelden door zijn manier van onderzoek
van zichzelf en anderen – de taak van de filosoof, zoals hij dat
noemt. Het spijt Socrates dat zijn vijanden zo slecht over hem denken;
hij is niet van kwade wil en zou ook niet anders hebben kunnen handelen.
Ja, hij was inderdaad soms een hardnekkige horzel, geroepen
om het trage en logge beest van de Staat in beweging te krijgen; maar
zolang ik leven en kracht bezit zal ik nooit ophouden
de filosofie te beoefenen en te onderrichten . . . en u allen, zowel
oud als jong, ertoe te brengen geen gedachten te wijden aan uw persoon
of bezittingen, maar eerst en vooral aandacht te geven aan de grootste
verbetering van de ziel. – §29d, 30a
En als ik opnieuw zeg dat dagelijks spreken
over deugd en over die andere dingen waarover u mijzelf en anderen
hoort ondervragen, het grootste goed van de mens is en dat een leven
dat niet wordt onderzocht niet waard is geleefd te worden, bent u
nog minder geneigd om mij te geloven. – §38
Het leven dat niet wordt onderzocht is niet waard geleefd te worden:
Socrates wilde ons zijn onsterfelijke uitspraak doen begrijpen in het
licht van het gebod van Delphi: Gnothi Seauton. Het woord gnothi
komt van dezelfde wortel als gnosis en de zin betekent eenvoudig: ‘Ken
uzelf’. Voor Socrates en voor Plato is dit de voorwaarde voor
leven en geluk – en het beginpunt van de filosofie.
Plato’s werken laten zich wat hun samenstelling betreft verdelen
in eerste, middelste en latere perioden. In navolging van het inwijdingspatroon
van de mysteriën, waren ze waarschijnlijk bestemd om ongeveer in
deze volgorde te worden gelezen. De oudste dialogen zijn een voorbereiding
tot de filosofie en concentreren zich op de ethiek, deugden en onderwerpen
die het leven en de onsterfelijkheid betreffen. De eerste grote stap
naar wijsheid is reiniging: het verwijderen uit ons denken van het afval
van verkeerde ideeën, door het kweken van een duidelijke, morele
levensopvatting. De middelste dialogen, in het bijzonder de Republiek,
schetsen de discipline van de filosoof en onthullen de weg – althans
een weg – naar de innerlijke gebieden van de waarheid. Ze verschaffen
tevens de sleutel die nodig is om de latere, meer technische dialogen
te begrijpen, die geheime leringen van de mysteriën verhullen.
Plato duidt erop dat de weg naar de waarheid niet alleen een weg van
kennis is; het is evenzeer een weg van liefde en een weg van de dood.
Het is waarschijnlijk dat de mens in het algemeen
niet beseft dat allen die zich op de juiste wijze tot de filosofie
wenden, slechts met één ding bezig zijn, nl. met zich
te oefenen voor het sterven en het dood zijn. –
Phaedo, §64a
Het filosofische leven leidt tot de dood van onwetendheid en egoïsme,
en in deze cryptische zin kunnen we een toespeling zien op spirituele
wedergeboorte. Hoewel Plato nu en dan aanwijzingen geeft over goddelijke
gemeenschap, vertelt hij ons nergens wat de nauwkeurige aard van deze
ervaring is. Dat zou in tegenspraak zijn met zijn opzet. Hij is eerder
de socratische vroedvrouw, die ons helpt bij de geboorte van ons eigen
begrip, net zoals Socrates de slaaf in de Meno hielp de kennis
terug te roepen of te ‘herinneren’ die in het onsterfelijke
deel van zijn ziel huisde.
De weg van liefde is ook een steeds terugkerend thema en wordt met
bovenzinnelijke beeldspraak samengevat in het Symposium. Hier
onderricht de profetes Diotima Socrates in de mysteriën van Eros
(liefde).
‘Wat is liefde?’ vraagt Socrates, ‘Is zij sterfelijk?’
‘Nee’, is het antwoord van Diotima,
ze is sterfelijk noch onsterfelijk; . . . Ze is een
grote geest, en als alle geesten is ze de schakel tussen het goddelijke
en het sterfelijke, . . . ze is de middelaar die de afgrond overbrugt
die hen scheidt, . . . Want God [theos] bemoeit zich niet
met de mens; maar door de liefde wordt alle omgang tussen god en mens,
wakker of slapend, onderhouden. De wijsheid die dit begrijpt is spiritueel;
alle andere wijsheid . . . is laag en vulgair. –
§202d
‘Wijsheid’, vervolgt Diotima, ‘is een ding van grote
schoonheid en liefde is een deel van de schoonheid’ (§204a).
Daarom moet een mens die aan goddelijke wijsheid het leven wil schenken,
zich in zijn jeugd bezighouden met mooie ideeën, en als hij op
de juiste manier door zijn mentor wordt begeleid, zal hij gaan merken
dat de schoonheid van één idee verwant is aan de schoonheid
van alle andere mooie ideeën en dat schoonheid van ziel waardiger
is dan lichamelijke schoonheid. In opeenvolgende stadia van ontwaken
gaat de filosoof over van schoonheid van individuele dingen naar die
van wetten en instellingen, en vandaar naar die van de wetenschappen,
waarbij met iedere stap zijn horizon van begrip zich verruimt. Dan zal
hij,
aangetrokken tot en denkende aan de wijde zee van
schoonheid, vele mooie en edele gedachten en ideeën scheppen
in grenzeloze liefde voor wijsheid; tot hij op die kust groeit en
sterk wordt. En ten slotte wordt hem een visioen onthuld van de ene
wetenschap, die de wetenschap is van de alom aanwezige schoonheid.
– §210d
En wat is nu precies de aard van deze ‘ene wetenschap’
die, als ze wordt onthuld, de waarheidzoeker in staat stelt ‘geen
voorstellingen van schoonheid naar voren te brengen, maar de werkelijkheid
. . . en om ware deugdzaamheid voort te brengen en te voeden om zo de
vriend van God en onsterfelijk te worden?’ (§ 212a)
Hiertoe moeten we ons wenden tot de weg van kennis zoals die wordt
beschreven in de Republiek. De dialoog begint met een luchthartig
gesprek tussen Socrates en de bejaarde Cephalus, die spreekt over de
zegeningen van welstand. Rijkdom, zo legt hij uit, heeft hem gemoedsrust
gebracht en hoop, omdat die hem in staat heeft gesteld zijn schulden
te betalen en te leven zonder bedrog:
Als een mens meent dicht bij de dood te zijn, sluipen
angsten en zorgen die hij nooit eerder heeft gekend, zijn hart binnen;
verhalen over een onderwereld en de straffen die daar worden opgelegd
voor daden die hier werden verricht, waren dingen waarom hij eens
lachte, maar nu wordt hij gekweld door de gedachte dat ze wel eens
waar konden zijn: hetzij door ouderdomszwakte ofwel omdat hij, nu
hij die andere wereld meer nadert, de dingen helderder ziet; . . .
Maar voor hem die zich van geen zonde bewust is, is zoete hoop, zoals
Pindar zo bekoorlijk zegt, de vriendelijke verzorgster van zijn oude
dag. ‘Hoop koestert de ziel van hem die leeft in rechtvaardigheid
en heiligheid, . . . hoop, de machtigste kracht om de rusteloze ziel
van de mens te leiden’. Hoe bewonderenswaardig zijn zijn woorden!
– §330e
‘Goed gezegd, Cephalus’, antwoordt Socrates, ‘maar
wat rechtvaardigheid betreft, wat is dat? – de waarheid spreken
en je schulden betalen – niet meer dan dat?’
Hoewel Cephalus het met Socrates eens is dat de omschrijving ontoereikend
is, trekt hij zich van het toneel terug, mogelijk omdat hij zijn eenvoudige
geloof niet verstoord wil zien. De jongere mannen willen de ondervraging
echter voortzetten. Socrates geeft hier graag aan toe en stelt uiteindelijk
voor dat zij nagaan of de rechtvaardigen dan wel de onrechtvaardigen
‘een beter en gelukkiger leven hebben . . . want het gaat niet
om een geringe zaak, niets minder dan de levensregel voor de mens’
(§352e).
Het blijkt dat de aard van rechtvaardigheid in een mens moeilijk te
definiëren is en Socrates geeft dan aan dat ze dit misschien gemakkelijker
kunnen waarnemen in een groter lichaam, d.w.z. in een politieke staat.
Naarmate het gesprek vordert, worden ze het met elkaar eens dat een
ideale rechtvaardige staat zowel afhankelijk is van verlicht leiderschap
als van een harmonieuze samenwerking tussen zijn burgers. Maar om rechtvaardig
te regeren, moeten zij die gekozen zijn om te regeren weten wat rechtvaardigheid
werkelijk is. Socrates deelt ons mee dat zulke kennis wordt verkregen
door een bijzondere opvoeding. De koning moet liefde voor wijsheid bezitten,
dat wil zeggen dat hij een filosoof moet zijn, en zijn training zal
mede hieruit bestaan dat hij zijn natuur verwant maakt aan rechtvaardigheid.
Pas dan is een ware gnosis mogelijk. Socrates verklaart het aldus:
Rechtvaardigheid en andere deugden kan men alleen leren kennen in het
licht van ‘iets groters dan wijzelf’. Zoals het het licht
van de zon is waardoor men stoffelijke voorwerpen kan zien, is het de
Idee van het Goede die het meest verheven studieobject is –
want daaraan ontleent alles wat goed en rechtvaardig is zijn waarde.
Als Socrates beschrijft hoe de filosoof het goede leert kennen, en dus
weet wat rechtvaardigheid is, gebruikt hij de figuur van een verdeelde
verticale lijn om de stadia te illustreren van de weg omhoog van de
ziel, van onwetendheid naar kennis. De onderste helft van de lijn stelt
onze stoffelijke kosmos voor, de wereld van het worden; omdat haar objecten
aan voortdurende verandering onderhevig zijn, zijn onze waarnemingen
ervan in zekere zin illusoir. Naarmate de geest van de filosoof zich
ontwikkelt, gevoed door wijsheid en andere deugden, wordt hij zich bewust
van een hogere orde van kennis en begint hij een heelal van eeuwig Zijn
te onderscheiden, voorgesteld door de bovenste helft van de lijn. Als
hij opklimt tot dit niveau van gnosis, ziet de filosoof eerst ‘beelden
van waarheden’ die ontstaan in het intellect, d.w.z. door te redeneren
vanuit hypothesen, zoals in de wiskunde. Ten slotte en boven alles uit
is daar de noesis, de intuïtie, het directe waarnemen
van waarheid door de nous, het goddelijk vermogen van weten.
In het besef dat zijn opvatting van kennis moeilijk te begrijpen is,
licht Socrates dit thema toe met de beroemde gelijkenis van de grot.
Hier verblijven, in een ondergrondse grot, met ketenen gebonden mensen,
die niets anders waarnemen dan de schaduwen die door een vuur dat achter
hen brandt worden geworpen. Omdat ze van kind af aan zijn belemmerd
iets anders te zien, zelfs niet elkaar, geloven de bewoners dat de schaduwen
de enige werkelijkheid van het leven zijn. Een van hen wordt echter
bevrijd en gedwongen op te staan, zich om te draaien en in de richting
te lopen van het licht dat uit de ingang van de grot komt. Hoewel in
het begin verontrust door de gloed, ontdekt hij algauw dat de schaduwen
helemaal geen werkelijkheden zijn, maar slechts de afwezigheid van licht.
Na een steile en zware klim komt hij in de wereld buiten de grot. Het
intense zonlicht verblindt hem tijdelijk en dwingt hem omlaag te kijken.
Eerst kan hij alleen de schaduwen en weerspiegelingen zien van de voorwerpen
van deze bovenwereld. Geleidelijk aan is hij echter in staat zijn ogen
op te slaan en naar de voorwerpen zelf te kijken, daarna ’s nachts
naar de maan en de sterren en ten slotte kan hij rechtstreeks naar de
zon kijken – ‘en hem zien zoals hij is’.
(§516b)
Met verwijzing naar voorafgaande toelichtingen, legt Socrates uit dat
de gevangenis het leven in onze wereld voorstelt, het licht van het
vuur is de stoffelijke zon en de reis omhoog kan worden vertolkt als
het opstijgen van de ziel naar het verstandelijke gebied. Hier in deze
‘wereld van kennis’
verschijnt ten slotte de idee van het Goede, die
slechts met moeite kan worden gezien; en als ze wordt gezien, wordt
het tevens duidelijk dat zij de universele schepper is van alle mooie
en rechtvaardige dingen, de ouder van het licht en van de heer van
het licht in deze zichtbare wereld en de directe bron van rede en
waarheid in de [verstandelijke wereld]; en dat dit de kracht is waarop
hij die rationeel wil handelen, hetzij in het openbaar of in zijn
privé-leven, het oog gericht moet houden. –
§517b
Socrates stelt vervolgens het dilemma – en de beproeving –
waar iedere zoeker van de gnosis mee wordt geconfronteerd: Zou de verlichte
ziel niet verkiezen in deze bovenzinnelijke wereld te blijven, bevrijd
van de kluisters van de stof en van onwetendheid? Waarschijnlijk niet,
want zo iemand zou zeker mededogen voelen met de gevangenen daarbeneden
en ze willen helpen. Maar hij zou ook kunnen redeneren dat, als hij
terugkeert om zijn vrienden te vertellen wat hij had gezien, ze zouden
denken dat hij zijn verstand had verloren en dat het beslist gevaarlijk
is zo’n tocht omhoog te maken. Wee dan degene die een medegevangene
zou bevrijden. Als ze de overtreder zouden grijpen, zouden ze hem zeker
ter dood brengen!
Op de drempel van eeuwig geluk, maar bewogen door mededogen, komt de
kandidaat voor goddelijke wijsheid voor zijn grootste beproeving te
staan. En hier, op dit cruciale punt in de dialoog, herinnert Socrates
ons aan de keerzijde van het mededogen, de plicht (rechtvaardigheid).
De stichters van de Staat, die de grootste geesten hebben verplicht
deze kennis te verwerven, moeten hen ook laten terugkeren naar de grot,
om daar deel te nemen aan het werk en de verplichtingen. Want de wetgever
had niet tot doel ‘een bepaalde klasse in de Staat gelukkiger
te maken dan de rest; het geluk moest in de gehele Staat heersen, en
hij hield de burgers bijeen door overtuiging en uit noodzaak, door hen
weldoeners van de Staat te maken en zodoende weldoeners van elkaar’
(§519e).
Er schuilt daarom geen onrechtvaardigheid in om van de zo opgevoede
filosoof te eisen ‘zorg en aandacht voor anderen te hebben’.
Noblesse oblige – adeldom van de ziel legt verplichtingen
op:
Daarom moet ieder van u, als zijn beurt komt, afdalen
naar de algemene ondergrondse verblijfplaats en eraan wennen in het
donker te zien. Als u deze gewoonte hebt aangekweekt, zult u tienduizend
keer beter zien dan de bewoners van de grot en zult u weten wat de
verschillende beelden zijn en wat ze voorstellen, want u hebt het
schone en goede in hun ware gedaante gezien. –
§520ab
In deze gedachten over plicht en mededogen – die zo sterk doen
denken aan de bodhisattva die zijn eeuwige zaligheid opoffert om eeuwig
voor de verlichting van alle wezens te werken – vinden we de kern
van de boodschap van Plato: dat de filosofie niet alleen ‘liefde
voor wijsheid’ betekent, maar ook de vereniging van liefde en
wijsheid, een actieve en verlichte vorm van zorg voor allen.
Bibliografie
- Dillon, John, The Middle Platonists, 80 v.Chr.
tot 220 n.Chr., Cornell University Press, 1977.
- Friedlander, Paul, Plato, vert. Hans Meyerhoff,
deel 1, Harper and Row, 1958; deel 2, Pantheon Books, 1964; deel 3,
Princeton University Press, 1969.
- Hackforth, R., vert. en toelichter, Plato’s
Phaedo, Cambridge University Press, 1955.
- Jowett, Benjamin, vert., The Dialogues of Plato,
2 delen, Random House, 1937.
- Morrow, Glenn R., vert. en toelichter, Plato's
Epistles, Bobbs-Merrill, 1962.
- Mylonas, George, Eleusis and the Eleusinian Mysteries,
Princeton University Press, 1961.
- Robinson, James M., red., The Nag Hammadi Library
in English, Harper & Row, 1978.
- Sesonske, A., red., Plato’s Republic, Interpretation
and Criticism, Wadsworth Publishing Co., 1966.
- Urwick, E.J., The Message of Plato: a Re-Interpretation
of the "Republic", Methuen, 1920.