Op zoek naar het erfdeel van de mensheid
Eloise Hart

 

De allerbelangrijkste opgave die de mens zich heeft gesteld en die tevens de grootste uitdaging vormt, is en was altijd het zoeken naar waarheid, het ontdekken van die waarheden die ons in staat stellen het hoofd te bieden aan de eisen die het leven stelt op praktisch, maatschappelijk, filosofisch en wetenschappelijk terrein. In symbolen en allegorieën, in mythen, religieuze en filosofische geschriften en in de wereld van de natuur liggen de sleutels tot zulke waarheden verborgen, die slechts op onderzoek wachten. Terwijl de meerderheid, voor wie de aardse genoegens voldoende zijn, deze sleutels negeert, worden ze gezocht door hen die bereid zijn al wat ze bezitten te riskeren bij het zoeken naar kennis. Aan hen is het gegeven de mysteriën van het Koninkrijk der Hemelen te kennen.

De Geheime Leer van H.P. Blavatsky onthult veel waarheden die vroeger diep begraven lagen, en legt uit hoe de mensheid kennis ontving over de ware aard van de dingen, die haar werd geschonken door de goden die ons, als hun jongere broeders, duizenden jaren geleden leidden, hielpen, en onderrichtten in de kunsten en wetenschappen van de beschaving, en ook in de spirituele waarden waardoor wij mensen goddelijk kunnen worden. Herodotus en andere geschiedschrijvers spraken over ‘goddelijke dynastieën’ die, toen de mens in staat was zichzelf te regeren, werden opgevolgd door halfgoden en helden en daarna door wijze en meedogende heersers. Bovendien onderwezen wijze raadgevers, zoals Asuramaya en Narada uit de Indiase traditie de mensheid over de wonderen van hemel en aarde, en gaven haar wiskundige cijfers over de grote cyclussen en natuurrampen waarmee veranderingen in de spirituele, morele en stoffelijke natuur van de mensenrassen gepaard gaan.

Er waren spirituele hiërofanten, profeten, en priesteressen zoals die van Delphi, die de raad van de goden overbrachten; ook reeksen van leraren die elkaar opvolgden en vaak de naam van hun voorganger overnamen. In Griekenland werd over hen gesproken als de Gouden Keten van Hermes, in Perzië als de vermaarde lijn van tien of veertien Zoroasters, in India als de tien of meer avatara’s van Vishnu en in Tibet als de goddelijke incarnaties van de altijd-levende boeddha.

In alle landen, in alle tijden, werden deze leringen verkondigd, in grotten en wouden, in piramiden, kiva’s, tempels en stedelijke gebouwen. Soms was het onderricht openbaar, maar vaker, en vooral nadat de diepere leringen voor zelfzuchtige doeleinden of zwarte magie waren gebruikt, werden ze in het geheim gegeven aan hen die naar het hogere streefden en ze verdienden.

In het begin van onze jaartelling bestonden er nog steeds mysteriescholen in Egypte, Griekenland, Perzië, Syrië, en ook in Europa, Noord- en Zuid-Amerika, Afrika en elders. In de Grieks-Romeinse wereld werden zeer velen aangetrokken tot Eleusis en Samothrace, om daar te worden gelouterd en geïnspireerd door deel te nemen aan de heilige vieringen die muziek, dans en gedramatiseerde opvoeringen omvatten. Deze kleine mysteriën waren bedoeld om de hogere vermogens van hart en hoofd te ontwikkelen en om een geestelijk perspectief te geven aan een grote verscheidenheid van onderwerpen, zoals astronomie, muziek, gezondheidsleer, aardrijkskunde en wiskunde.

Slechts weinigen kwamen in het allerheiligste voor dieper onderricht in de grote mysteriën. Daar leerden neofieten door rechtstreekse ervaring het ware te onderscheiden van de illusie, zowel in deze wereld als in de ‘duistere en gevaarlijke onderwerelden’. Ze gingen bewust deze angstaanjagende onderwerelden binnen tijdens de inwijdingen van de hogere graden. Terwijl ze hun lichaam in trance achterlieten, reisden ze door de onzichtbare gebieden van de maan en de planeten naar de zon – een reis die levendig is beschreven in de hermetische overleveringen als het visioen van Hermes. Op deze zonnerite werd gezinspeeld door de vroege kerkvader, Origenes: ‘de weg van de zielen van de aarde naar de hemel en van de hemel naar de aarde gaat door de zeven planeten.’1

Behalve de mysteriescholen waren er in die tijd platonische, neoplatonische, gnostische en stoïcijnse academies, waarin filosofische ideeën werden besproken en in praktijk gebracht. De stoïcijnen, die het goddelijke element in elk mens erkenden, trachtten te leven naar hun idealen. Plinius de Oudere schreef: ‘De sterveling die de sterveling bijstaat – dat is God, en dat is de weg naar eeuwige zaligheid.’2

De leden van een van deze scholen, die door Ammonius Saccas werd gesticht, noemden zich filaleten, ‘zij die de waarheid liefhebben’, en een andere school, de analogeten, werd zo genoemd ‘vanwege hun gewoonte om alle heilige legenden en verhalen, mythen en mysteriën te interpreteren. . . naar analogie en overeenkomst.’3 Ptolemaeus, een Alexandrijns astronoom en wiskundige uit de tweede eeuw, introduceerde in het Grieks-Romeinse denken Babylonische en Assyrische leringen over de hiërarchische structuur van op elkaar inwerkende werelden en wezens. Dan was er Hypatia, die met haar briljante uiteenzettingen van wat eens geheime leringen waren, het gehoor in haar ban hield – tot ze in 415 n.Chr. door christenen op wrede wijze werd vermoord.

Tijdens de lange Middeleeuwen moesten dergelijke filosofische ideeën noodzakelijkerwijs in het geheim worden bestudeerd. Alleen de dappersten durfden erover te spreken, al was dat in de gesluierde taal van beeldspraak. Maar de geestdrift van tenminste twee Italianen, Pico della Mirandola (1463-1494) en Giordano Bruno (1548-1600) kon niet worden gesmoord.

Pico, een vooraanstaand geleerde, was een beschermeling van Lorenzo de’ Medici en van Marsilio Ficino, die aan het hoofd stond van de platonische Academie in Florence. Door Pico en Ficino werden een aantal pas ontdekte platonische en neoplatonische manuscripten uitgezocht, vertaald en van commentaar voorzien. Pico’s bekendheid met de hermetische traditie en de christelijke kabbala, en ook met Latijn, Grieks, Hebreeuws en Arabisch, stelde hem in staat lezingen te houden op een breed terrein van wetenschappelijke en filosofische onderwerpen. Maar door zijn voordrachten joeg hij de kerk zo tegen zich in het harnas, dat paus Innocentius de VIII hem van ketterij beschuldigde. Hoewel de beschuldigingen tegen Pico later werden ingetrokken, blijft zijn vroege dood door vergiftiging op 31-jarige leeftijd verdacht.

De voordrachten en geschriften van de welsprekende Giordano Bruno kregen een warm onthaal op universiteiten en besloten bijeenkomsten gedurende zijn reizen door Europa. Zijn methode was de wijsheidsleringen van de neoplatonici en de hermetisch-kabbalistische filosofie voor de oningewijden door beeldspraak te versluieren en voor de wetenden te openbaren. Hoewel Bruno’s metaforen het gewone volk in verwarring brachten, begrepen de eerste Rozenkruizers of ‘vuurfilosofen’, zoals ze werden genoemd, zijn stelsel en hadden hoge achting voor zijn inzichten. In een tijd waarin vervolgingen het progressieve denken bedreigden, werd het woord ‘magie’ gebruikt als een veilige dekmantel voor studie en het opdoen van inspiratie, en als zodanig had de magie van de Renaissance niets te maken met goocheltrucs, bijgeloof, of ‘zwarte kunsten’. De mystieke geschriften van Iamblichus, Porphyrius, Plotinus en vooral de hymnen van Orpheus werden bestudeerd onder het hoofd magie, evenals de hermetische traditie, die altijd zeer hoog werd geacht juist omdat ze geen religie was. Ze kent geen dogma’s of rasvooroordeel, houdt zich bezig met universele waarheden en kan zowel op de fysieke, intellectuele als spiritueel-goddelijke gebieden van zijn slaan.

Volgens Herodotus zijn de orfische mysteriën, waaraan de hymnen zijn ontleend, uit India overgebracht. Van alle esoterische orden schreven zij de zuiverste moraliteit en het meest strikte ascetisme voor, die onontbeerlijk werden geacht om bevrijd te kunnen worden uit deze wereldse ‘cyclus van noodzakelijkheid’ en goddelijk bewustzijn te verwerven. Men geloofde dat de hymnen weldadige invloeden van de planeten, sterren en van de goden aantrekken naar de aarde.

Dame Frances A. Yates laat zien dat er verbanden bestonden tussen Bruno, de Nederlandse geleerde, Erasmus, en de Duitse kunstenaar Albrecht Dürer; ook met Henry Cornelius Agrippa, van wie De occulta philosophia, een handboek over occulte wetenschap uit de Renaissance, het Europese denken diepgaand beïnvloedde, en met Maarten Luther, die door zijn openbaar protest tegen de misbruiken van de kerk de zo noodzakelijke reformatie teweegbracht. Luther en zijn volgelingen woonden vaak lezingen van Bruno bij aan de universiteit van Wittenberg, en Yates vraagt zich af of het toevallig of opzettelijk was dat zijn embleem, een kruis binnen een roos, zozeer overeenkomt met dat van de orde van de Rozenkruizers, een roos geplaatst op een kruis.

In Engeland fascineerden de lezingen van Bruno over de mysteriën van de Egyptenaren zowel de vrijmetselaars als de leden van de ridderschappen, en elke organisatie nam zijn leringen op in hun ceremonieel. Later, in de 17de eeuw, hielden de platonici van Cambridge, toen onder leiding van Henry More en Ralph Cudworth, geïnspireerd door Bruno, zich intensief bezig met de studie van de hermetisch-kabbalistische mysteriën, de wiskunde van Pythagoras en de geschriften van Plato en de neoplatonici. Sprekend over reïncarnatie schreef Henry More:

In Egypte, die oude bakermat van alle geheime wetenschappen, waar deze opvatting (d.w.z. dat de ziel een voorbestaan heeft) gangbaar was onder de wijzen daar, waarvan die fragmenten van Trismegistus voldoende getuigen . . . een opvatting die niet alleen de gymnosofen en andere wijzen in Egypte aanhingen, maar ook de brahmanen uit India en de magiërs uit Babylonië en Perzië; . . . daaraan kan men toevoegen de diepzinnige filosofie van de joden, die ze hun kabbala noemen, waarvan het voorbestaan van de ziel een belangrijk deel uitmaakt, zoals alle geleerde joden erkennen. En hoe natuurlijk past deze theorie in de drie mysterieuze hoofdstukken van Genesis, . . .4

Het was zonder twijfel onder invloed van Mirandola en Bruno dat er in Europa veel geheime broederschappen ontstonden. Enkele namen zijn bekend: de Illuminaten, Tempelieren, Odd Fellows en Foresters. Van elk daarvan splitsten zich verscheidene splintergroepen af, die liever hun energie besteedden aan maatschappelijke en politieke hervormingen dan zich te concentreren op esoterische leringen, zoals het proces van de dood en het leven daarna, wederbelichaming, en de werkingen van de kosmische wet in de spirituele en materiële kosmos. Er zijn aanwijzingen dat deze toen illegale ideeën het wetenschappelijk genie inspireerden van mensen als Columbus, Copernicus en Galileo.

De waarheid is door de eeuwen heen op vele en verschillende manieren doorgegeven. Kunstenaars als Leonardo da Vinci, Raphael, Rembrandt, Botticelli, Michelangelo en anderen gaven in verf of marmer uitdrukking aan de inspiratie die ze ontleenden aan de heilige kennis. Schrijvers, dichters, toneelschrijvers en musici probeerden de schoonheid te openbaren van de dingen zoals ze werkelijk zijn. Om hun enthousiasme en hun inzichten te delen, behoeft men alleen maar de onsterfelijke regels te lezen van John Milton of Edmund Spensers The Faerie Queene; te luisteren naar de muziek van Beethoven, Wagner, of Mozart; zijn Toverfluit verheft de ziel door de weergave van de Egyptische mysteriën, de hogepriester, Zarastro, die door zijn naam het Zoroastrische beeld van de hermetische traditie tot leven brengt.

Het ware drama wekt een dieper begrip, en daarin blinkt Shakespeare uit. Zijn toneelstukken die de ziel van de Griekse mysteriespelen onsterfelijk maken, zijn schatkamers van verborgen wijsheid. Bovendien parodiëren zijn werken de altijd populaire cultus van tovenarij en trachten ze in het hart van zijn gehoor de spirituele leringen van de hermetische traditie opnieuw in ere te herstellen.

De strijd duurt voort. Zolang de vernederende elementen van een zelfzuchtig en pseudo-occultisme blijven bestaan, zullen en moeten er enkelingen en groepen zijn die hun leven wijden aan de verheffing van het denken van de wereld en het aan de kaak stellen van al wat bedrieglijk is. Er zijn in deze tijd wakkere geesten die de barrières van vals onderricht proberen te doorbreken. Natuurkundigen speculeren over de aanwezigheid van intelligentie in het heelal en sommigen vragen zich af hoe een elektron door een stenen muur kan gaan ‘zonder een gat achter te laten. Inderdaad verdwijnt het elektron aan de ene kant van de muur en verschijnt het weer aan de andere.’5 De kwantummechanica heeft ons naar de drempel van een nieuwe wereld gebracht, nieuw voor de wetenschap, maar niet voor de mystici die al eeuwenlang spraken over het verschijnen en verdwijnen van engelen, goden en demonen. Ook voor parapsychologen is het niet nieuw. De experimenten die ze tegenwoordig uitvoeren, wijzen erop dat leven en intelligentie zich voortzetten na de dood van het lichaam want, zoals de ouden en ook Gregorius zei: ‘De zichtbare dingen zijn slechts de schaduwen en de beeltenis van de dingen die we niet kunnen zien.’

Dat is een thema waarop de Hermetica licht werpt:

De stof wordt; voordien was ze, want de stof is het voertuig van het worden. Het worden is de werkwijze van de ongeschapen en voorziende God. Begiftigd met de kiem van het worden, komt de stof tot aanzijn, want de scheppingskracht vormt haar overeenkomstig de ideale beelden. De nog niet verwekte stof had geen vorm; ze wordt als ze in werking wordt gezet.6

Anna Kingsford verklaart: ‘De gedachte hier is dat de materie van de wereld in essentie eeuwig is, maar voor ze geschapen is of ‘wordt’, is ze in een passieve en bewegingloze toestand.’ Dat wil zeggen, onzichtbaar; na ‘geschapen’ te zijn, of in zichtbare werkende toestand te zijn gebracht, ‘wordt ze, d.w.z. ze is in beweging en progressief’ – en zichtbaar.

Deze ideeën zijn maar een staaltje van de kennis die door de eeuwen heen is doorgegeven en die hen die de waarheid zochten, hebben uitgedaagd en geïnspireerd. Maar het ‘vinden’ is nooit genoeg. Vroeg of laat beseffen we dat de waarheid niet iets buiten ons is. Ze is een deel van onszelf. We herkennen haar instinctief als we ideeën ontdekken die er uitdrukking aan geven. Daarom moeten we deze ideeën in onze ziel opnemen, ze tijd geven zich te ontplooien en ze in ons leven tot uitdrukking te laten komen, wat ze zullen doen – tot zegen van onszelf en alle anderen.

 

Verwijzingen

  1. Origenes: Contra Celsum, Boek 6, xxi.
  2. Historia naturalis (Natuurlijke Historie), ii, 7, 18.
  3. Alexander Wilder, ‘The Eclectic Philosophy’, New Platonism and Alchemy, 1869; Wizards Bookshelf, 1975.
  4. Geciteerd door Frances A. Yates in Giordano Bruno and the Hermetic Tradition, blz. 423-4.
  5. James Trefil, ‘Quantum Physics’ World: now you see it, now you don’t,’ Smithsonian 18(5), augustus 1987, blz. 67-75.
  6. Anna Kingsford en Edward Maitland, The Virgin of the World of Hermes Mercurius Trismegistus, blz. 133-4.
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1988

© 1989 Theosophical University Press Agency