Boekbespreking: The Dark Side of the Universe:
A Scientist Explores the Mystery of the Cosmos, dr. James Trefil,
Clarence J. Robinson, Charles Scribner’s Sons, New York, 1988;
197 blz.
Twee denkbeelden zouden in de volgende eeuw wel eens de voornaamste
kernpunten van het wetenschappelijk onderzoek kunnen worden: 1) de rol
van symbiose bij het ontstaan van het levende heelal vanuit zijn allereerste
begin; en 2) het aandeel dat het bewustzijn speelde in de ontwikkeling
van onze kosmos.
In zijn laatste boek bespreekt dr. James Trefil, Clarence J. Robinson,
professor in de natuurkunde aan de George Mason universiteit, nieuwe
theorieën over de kosmische oorsprong en ontwikkeling. Na zijn
bewering dat ‘we het punt hebben bereikt waarop de schepping,
evolutie en huidige structuur van het heelal zich aan ons voordoet als
een enkel, naadloos probleem’ (blz. 184), stelt hij de eeuwenoude
vraag: ‘Hoe is het heelal geworden zoals het nu is?’ Hij
noemt een aantal processen, te beginnen bij de Babyloniërs, de
Egyptenaren, Claudius Ptolemeus (De astronoom, niet verwant aan de Ptolemeus
familie van de Griekse farao’s), en vervolgt het door de eeuwen
heen tot op vandaag. Hij geeft een samenvatting van de laatste theorieën
met inbegrip van de supersnaren en supersymmetrie, bijproducten van
het onderzoek naar een ‘Grand Unified Theory (GUT)’, die
de vier bekende krachten, t.w. de zwaartekracht, het elektromagnetisme,
de zwakke kracht en de sterke kracht, zal beschrijven als uitdrukkingen
van één fundamentele energie.
Tot aan zijn dood probeerde Einstein deze vier krachten met elkaar
te verbinden. In haar meesterwerk, De Geheime Leer, zegt H.P.
Blavatsky dat alle krachten de werking zijn van een kosmos-omvattende
energie die ze fohat noemt, een Tibetaans woord dat intelligentie-energie
betekent. Deze vier, en ook andere, zouden de ‘zonen’ van
fohat kunnen worden genoemd, wat hierop neerkomt dat de ene kracht zich
op verschillende manieren openbaart in overeenstemming met plaatselijke
omstandigheden en voorwaarden.
Prof. Trefil richt zijn aandacht op de hypothetische ‘donkere
materie’ die als zwaartekracht nodig is om de uitdijing van ons
heelal, die volgde op de ‘Big Bang’, te vertragen en tenslotte
om te keren. Als er voldoende ‘donkere materie’ bestaat,
zal de uitdijing haar energie-grens bereiken en zal het heelal beginnen
zich samen te trekken, wat culmineert in een ‘Big Crunch’.
Dit alles omvat een onmetelijke tijdsperiode.
Plaatsruimte belet ons in te gaan op de ingewikkelde facetten van de
nieuwe theorieën, maar ze komen hierop neer dat men onafgebroken
onderzoekt hoe samengestelde stoffelijke organismen zich uit eenvoudiger
vormen ontwikkelen door middel van natuurwetten, waarvan de oorsprong
eigenlijk niet is bepaald. Ze schieten ook te kort als het gaat om een
verklaring van een van de wonderen van de evolutie: de eigenschappen
van het menselijk denkvermogen! Trefil besluit zijn verkenning van het
kosmisch mysterie met een tot nadenken stemmende vraag: ‘Als er
in de toekomst, over miljarden jaren, geen leven meer zal zijn, geen
intelligentie, geen herinnering aan de menselijke strijd, welke waarde
heeft dan het bestaan?’
Als wetenschapper en als mens heb ik met deze vraag
moeten worstelen. . . . Na een lange periode van besluiteloosheid
besefte ik tenslotte dat de hele kwestie tot een eenvoudig probleem
kan worden teruggebracht – hoe zal ik morgen handelen? In aanmerking
genomen wat ik weet over de toekomst van het heelal, hoe zal ik de
alledaagse beslissingen die mijn leven uitmaken, aanpakken? Wat ik
uiteindelijk leerde inzien is dit: Het is misschien waar dat in een
quadriljoen jaar het heelal een koude, zich uitbreidende zee van straling
zal zijn. Er is misschien niemand die weet hoe ik me morgen zal gedragen,
niemand om zich te herinneren wat een van ons deed. Maar dat doet
niet ter zake. Het punt is dat ik morgen weet wat ik heb
gedaan, dat ik weet of ik als persoon de beste was die ik
kon zijn.
En dat is tenslotte waar het allemaal op aankomt,
mijn vrienden. – blz. 192
Als het leven meer is dan het stoffelijk bestaan, dan is een menselijk
wezen veel meer dan alleen zijn stoffelijk lichaam, hoe prachtig de
‘machine’ met haar geordende processen ook mag zijn –
en is ook het stoffelijk heelal oneindig veel meer dan we waarnemen.
Een van de drie grondstellingen van HPB’s De Geheime Leer
(1:43-47) bijvoorbeeld zegt dat de kosmos in alle mogelijke opzichten
oneindig is en een ontelbaar aantal kosmoï of heelallen omvat,
die alle een spiraalvormig groei patroon van geboorte, volwassenheid,
dood en wedergeboorte volgen.
Als we de aarde zien als één groot organisme, een biosfeer
of levensbol en dus een ecosysteem van levende wezens, waarvan de ene
klasse is verbonden met de andere, dan zullen de stromen van menselijk
leven zeker tot uitdrukking komen als harmonische relaties, een erkenning
dat we allen tot een grote familie behoren.