Het reductionisme is het geloof dat alles kan worden begrepen door
het tot op de eenvoudigste en ‘fundamentele’ samenstellende
delen te ontleden. Het beweert dat psychologie tot biologie,
biologie tot scheikunde en scheikunde tot natuurkunde kunnen worden
herleid. Veel wetenschappers proberen zelfs het hele universum te reduceren
tot een enkele formule, of Lagrangeaan die wordt geacht alles te verklaren.
Paul Davies schrijft:
Dit geloof dat alle dingen uiteindelijk voortvloeien
uit de fundamentele Lagrangeaan is in natuurkundige kringen bijna
niet aan twijfel onderhevig. Het is door Leon Lederman, directeur
van de Fermi National Accelerator Laboratory, bij Chicago, aldus bondig
verwoord: ‘We hopen het hele universum te verklaren door een
enkele eenvoudige formule die men op zijn T-shirt kan dragen.’1
Deze wetenschappers geloven oprecht dat ze nog maar een kleine stap verwijderd
zijn van zo'n ‘Theorie van Alles’.
Honderd jaar geleden leden de klassieke natuurkundigen aan eenzelfde
soort overmoed, maar hun kijk op de wereld werd omvergeworpen door de
vernieuwingen van de relativiteitstheorie en de kwantummechanica. In
de vorige eeuw geloofden de meeste wetenschappers dat de fundamentele
bestanddelen van de stoffelijke wereld levenloze, ondeelbare atomen
waren, te vergelijken met kleine biljartballetjes. Men geloofde dat
de willekeurige beweging van deze atomen de verbazingwekkende orde en
ingewikkelde aard van het heelal en uiteindelijk levende, bewuste
wezens deden ontstaan. Dit alles zou tot stand zijn gekomen zonder enige
vorm van intelligente leiding. Geest en intelligentie werden zonder meer beschouwd als bijprodukten van de moleculaire beweging in
onze hersenen.
Latere ontwikkelingen op het gebied van de kwantumfysica hebben bijgedragen
tot het ondermijnen van dit wereldbeeld. Vrijwel alle grondleggers van
de moderne natuurkunde werden mystici, Einstein, Schrödinger, Heisenberg,
De Broglie, Planck en Pauli inbegrepen. Zij ontdekten dat door achter
de schaduwen te zien die we ten onrechte voor de werkelijke wereld
houden, betekent dat we de grenzen van de natuurkunde overschrijden
en de metafysica betreden. Velen kwamen tot de conclusie dat bewustzijn
fundamenteel is en beslist geen produkt van de stof.
Sinds het begin van de 20ste eeuw zijn de natuurkundigen diep doorgedrongen in
de structuur van het atoom. Het is nu bekend dat atomen niet ondeelbaar
zijn: ze bestaan voor een groot deel uit lege ruimte en uit een kleine
kern van protonen en neutronen met wolken minuscule elektronen die eromheen
draaien. Subatomaire deeltjes zijn ook niet hard en vast; ze worden
gezien als geconcentreerde energiepunten, die zich soms als deeltjes
en soms als golven gedragen. In de jaren dertig schreef de natuurgeleerde
Sir James Jeans:
de tendens van de moderne natuurkunde is om
het gehele fysieke universum te herleiden tot golven en niets dan
golven. Deze golven zijn van tweeërlei aard: opgesloten golven
die we materie noemen en niet-opgesloten golven die we straling of
licht noemen. Wanneer er vernietiging van materie optreedt, bestaat
dit proces slechts uit het vrijmaken van de opgesloten golfenergie
die dan vrij door de ruimte kan bewegen. Deze denkbeelden herleiden
het hele universum tot een wereld van licht, potentieel of feitelijk
bestaand . . . 2
De gedachte dat stof gekristalliseerd licht is bevestigt wat H.P. Blavatsky
een halve eeuw eerder schreef in De Geheime Leer, waarin ze
spreekt over ‘die oneindige oceaan van licht. De ene pool van
deze oceaan is de zuivere geest, die verloren gaat in de absoluutheid
van het Niet-zijn, en de andere pool is de stof waarin deze
oceaan, naarmate deze afdaalt in manifestatie, zich verdicht en kristalliseert
tot een telkens grovere vorm.’3 Stoffelijke
deeltjes, zei ze, waren oneindig deelbare krachtcentra, en
daarom kon stof bestaan in oneindig variërende graden van dichtheid.
Onze stoffelijke zintuigen zijn ontwikkeld voor het waarnemen van slechts
één bepaald gebied van stof, dat geheel is doordrongen
door ontelbare andere werelden of gebieden die voor ons onzichtbaar
zijn omdat ze bestaan uit graden van energie-substantie die fijner of grover zijn dan de onze.
De moderne wetenschap heeft de stof ontleed tot op het punt waarop
ze verdwijnt in wolkjes energie. Men zegt dat energie een vorm van beweging
of activiteit is. Maar beweging van wat? Het is een vanzelfsprekende
waarheid dat er geen beweging kan zijn zonder iets dat beweegt. Wetenschappers in de 19de eeuw geloofden dat golfbeweging plaatsvond in een universeel
medium dat de ether werd genoemd. In het begin van dez 20ste eeuw werd deze
hypothese echter verlaten omdat de ether chemisch en stoffelijk onnaspeurbaar
bleek en daardoor bleef de wetenschap zitten met de onwaarschijnlijke
gedachte dat golven zich voortplanten door ‘lege ruimte’.
De moderne natuurkundigen geloven dat aan de stoffelijke wereld een
kwantumveld ten grondslag ligt, ook kwantumleegte of -vacuüm genoemd.
Men zegt dat het kwantumveld ‘een ononderbroken medium is dat
overal in de ruimte aanwezig is’,4
en van de stof wordt gezegd dat ze bestaat uit gebieden van ruimte waarin
het veld bijzonder intens is. De wetenschappers zeggen dat het kwantumveld
onstoffelijk is, maar ontkennen dat het slechts ‘niets’
zou zijn. Paul Davies verklaart dat de kwantumleegte niet inert en karakterloos
is, maar dat deze klopt van energie en vitaliteit, een bruisend ferment
van ‘echte’ deeltjes en ‘schijn’ deeltjes.5
Het lijkt dus toch een vorm van ether te zijn, die alleen onstoffelijk
is in de zin dat ze niet bestaat uit fysieke stof. In plaats
dus dat stoffelijke deeltjes ‘centra van niets’ zijn, zoals
Davies ze noemt, kunnen ze worden gezien als trillingen in een etherische
tussenstof die bestaat uit een subtielere, super-fysieke graad
van substantie. Dezelfde redenering kan worden toegepast op alle andere
‘onstoffelijke’ velden en krachten die de wetenschap poneert.
Alles is betrekkelijk. De fysieke stof is verdichte energie, maar wat
voor ons energie is, zou stof zijn voor wezens op een hoger gebied dan
het onze, zoals wordt gesuggereerd door het feit dat energie niet bestaat
uit een voortdurende stroom, maar is samengesteld uit afzonderlijke
eenheden of quanta. Zo zou energie op het volgende gebied stof zijn
op een nog hoger gebied. De meest verheven vorm van energie in een bepaalde
hiërarchie van werelden is wat we geest of bewustzijn noemen. H.P.
Blavatsky zegt het als volgt: ‘Geest is stof op het zevende
gebied; stof is geest – op het laagste punt van zijn cyclische
werkzaamheid; en beide – zijn maya.’6
Als men zegt dat geest en stof ‘maya’ of illusie zijn, betekent
dat niet dat ze niet bestaan, maar dat wij ze niet begrijpen zoals ze
werkelijk zijn. Elk gebied van energiesubstantie kan alleen worden begrepen
met betrekking tot hogere, oorzakelijke gebieden. Alles – van
atoom tot mens, van ster tot heelal – is de uitdrukking van iets
hogers.
Door de eeuwen heen hebben wijzen en zieners te kennen gegeven dat
er innerlijke, werkelijke werelden bestaan – astrale, mentale
en geestelijke – verborgen in de wereld van verschijnselen waarin
we leven, en dat de stoffelijke wereld slechts een bleke afschaduwing
is van de geestelijke wereld. Deze innerlijke werelden kunnen niet met
stoffelijke instrumenten worden onderzocht, maar alleen door te graven
in de diepten van ons eigen denken en bewustzijn, en dat vereist vele
levens van zelfloutering en zelfoverwinning. Wetenschappers die alleen
stoffelijke methoden gebruiken kunnen niet botweg de mogelijkheid van
zulke hogere gebieden ontkennen.
Omdat de wetenschappers niet in staat zijn de evolutie van leven
en bewustzijn en de ‘wetten van de natuur’ langs materialistische
lijnen op bevredigende wijze te verklaren, is de gedachte dat ze op
het punt staan de meest innerlijke geheimen van de natuur te ontdekken
of het mysterie van het bestaan tot een enkele vergelijking terug te
brengen, op zijn minst voorbarig!
In de theosofische filosofie wordt het stoffelijk heelal gezien als
niet meer dan een dwarsdoorsnede van de oneindigheid. De universele
natuur bestaat uit werelden binnen werelden binnen werelden, vol bewustzijn,
vol levende wezens in oneindig gevarieerde stadia van hun evolutionair
ontwaken. Ons eindige denken kan het oneindige niet omvatten. Zoals
G. de Purucker zegt, kunnen we niet meer doen dan proberen een eenvoudig
beeld van het grenzeloze Al te vormen: nooit eindigend leven en bewustzijn
in een onophoudelijke beweging.7 De ouden,
zegt hij, waren nooit zo dwaas te proberen het oneindige te doorgronden.
Ze erkenden de werkelijkheid van het zijn en lieten het daarbij, in
het besef dat een zich steeds uitbreidend bewustzijn en een steeds groeiend
begrip van het bestaan alles is wat we ooit kunnen bereiken tijdens
onze eeuwige evolutionaire reis door de gebieden van de oneindigheid.
Verwijzingen
- The Cosmic Blueprint, Unwin Paperbacks, 1989,
blz.13.
- The Mysterious Universe, The Macmillan Company,
1931, blz.83.
- De Geheime Leer, TUPA, 1988, 1:528.
- De Tao der Fysica, Bantam Books, 1984, blz.196.
- Superforce, Unwin Paperbacks, 1985, blz.104-6.
- De Geheime Leer, 1:702.
- Beginselen van de Esoterische Filosofie,
TUPA, 1998, blz. 211.