Voorbij het materialisme
David Pratt

 

Het reductionisme is het geloof dat alles kan worden begrepen door het tot op de eenvoudigste en ‘fundamentele’ samenstellende delen te ontleden. Het beweert dat psychologie tot biologie, biologie tot scheikunde en scheikunde tot natuurkunde kunnen worden herleid. Veel wetenschappers proberen zelfs het hele universum te reduceren tot een enkele formule, of Lagrangeaan die wordt geacht alles te verklaren. Paul Davies schrijft:

Dit geloof dat alle dingen uiteindelijk voortvloeien uit de fundamentele Lagrangeaan is in natuurkundige kringen bijna niet aan twijfel onderhevig. Het is door Leon Lederman, directeur van de Fermi National Accelerator Laboratory, bij Chicago, aldus bondig verwoord: ‘We hopen het hele universum te verklaren door een enkele eenvoudige formule die men op zijn T-shirt kan dragen.’1

Deze wetenschappers geloven oprecht dat ze nog maar een kleine stap verwijderd zijn van zo'n ‘Theorie van Alles’.

Honderd jaar geleden leden de klassieke natuurkundigen aan eenzelfde soort overmoed, maar hun kijk op de wereld werd omvergeworpen door de vernieuwingen van de relativiteitstheorie en de kwantummechanica. In de vorige eeuw geloofden de meeste wetenschappers dat de fundamentele bestanddelen van de stoffelijke wereld levenloze, ondeelbare atomen waren, te vergelijken met kleine biljartballetjes. Men geloofde dat de willekeurige beweging van deze atomen de verbazingwekkende orde en ingewikkelde aard van het heelal en uiteindelijk levende, bewuste wezens deden ontstaan. Dit alles zou tot stand zijn gekomen zonder enige vorm van intelligente leiding. Geest en intelligentie werden zonder meer beschouwd als bijprodukten van de moleculaire beweging in onze hersenen.

Latere ontwikkelingen op het gebied van de kwantumfysica hebben bijgedragen tot het ondermijnen van dit wereldbeeld. Vrijwel alle grondleggers van de moderne natuurkunde werden mystici, Einstein, Schrödinger, Heisenberg, De Broglie, Planck en Pauli inbegrepen. Zij ontdekten dat door achter de schaduwen te zien die we ten onrechte voor de werkelijke wereld houden, betekent dat we de grenzen van de natuurkunde overschrijden en de metafysica betreden. Velen kwamen tot de conclusie dat bewustzijn fundamenteel is en beslist geen produkt van de stof.

Sinds het begin van de 20ste eeuw zijn de natuurkundigen diep doorgedrongen in de structuur van het atoom. Het is nu bekend dat atomen niet ondeelbaar zijn: ze bestaan voor een groot deel uit lege ruimte en uit een kleine kern van protonen en neutronen met wolken minuscule elektronen die eromheen draaien. Subatomaire deeltjes zijn ook niet hard en vast; ze worden gezien als geconcentreerde energiepunten, die zich soms als deeltjes en soms als golven gedragen. In de jaren dertig schreef de natuurgeleerde Sir James Jeans:

de tendens van de moderne natuurkunde is om het gehele fysieke universum te herleiden tot golven en niets dan golven. Deze golven zijn van tweeërlei aard: opgesloten golven die we materie noemen en niet-opgesloten golven die we straling of licht noemen. Wanneer er vernietiging van materie optreedt, bestaat dit proces slechts uit het vrijmaken van de opgesloten golfenergie die dan vrij door de ruimte kan bewegen. Deze denkbeelden herleiden het hele universum tot een wereld van licht, potentieel of feitelijk bestaand . . . 2

De gedachte dat stof gekristalliseerd licht is bevestigt wat H.P. Blavatsky een halve eeuw eerder schreef in De Geheime Leer, waarin ze spreekt over ‘die oneindige oceaan van licht. De ene pool van deze oceaan is de zuivere geest, die verloren gaat in de absoluutheid van het Niet-zijn, en de andere pool is de stof waarin deze oceaan, naarmate deze afdaalt in manifestatie, zich verdicht en kristalliseert tot een telkens grovere vorm.’3 Stoffelijke deeltjes, zei ze, waren oneindig deelbare krachtcentra, en daarom kon stof bestaan in oneindig variërende graden van dichtheid. Onze stoffelijke zintuigen zijn ontwikkeld voor het waarnemen van slechts één bepaald gebied van stof, dat geheel is doordrongen door ontelbare andere werelden of gebieden die voor ons onzichtbaar zijn omdat ze bestaan uit graden van energie-substantie die fijner of grover zijn dan de onze.

De moderne wetenschap heeft de stof ontleed tot op het punt waarop ze verdwijnt in wolkjes energie. Men zegt dat energie een vorm van beweging of activiteit is. Maar beweging van wat? Het is een vanzelfsprekende waarheid dat er geen beweging kan zijn zonder iets dat beweegt. Wetenschappers in de 19de eeuw geloofden dat golfbeweging plaatsvond in een universeel medium dat de ether werd genoemd. In het begin van dez 20ste eeuw werd deze hypothese echter verlaten omdat de ether chemisch en stoffelijk onnaspeurbaar bleek en daardoor bleef de wetenschap zitten met de onwaarschijnlijke gedachte dat golven zich voortplanten door ‘lege ruimte’.

De moderne natuurkundigen geloven dat aan de stoffelijke wereld een kwantumveld ten grondslag ligt, ook kwantumleegte of -vacuüm genoemd. Men zegt dat het kwantumveld ‘een ononderbroken medium is dat overal in de ruimte aanwezig is’,4 en van de stof wordt gezegd dat ze bestaat uit gebieden van ruimte waarin het veld bijzonder intens is. De wetenschappers zeggen dat het kwantumveld onstoffelijk is, maar ontkennen dat het slechts ‘niets’ zou zijn. Paul Davies verklaart dat de kwantumleegte niet inert en karakterloos is, maar dat deze klopt van energie en vitaliteit, een bruisend ferment van ‘echte’ deeltjes en ‘schijn’ deeltjes.5 Het lijkt dus toch een vorm van ether te zijn, die alleen onstoffelijk is in de zin dat ze niet bestaat uit fysieke stof. In plaats dus dat stoffelijke deeltjes ‘centra van niets’ zijn, zoals Davies ze noemt, kunnen ze worden gezien als trillingen in een etherische tussenstof die bestaat uit een subtielere, super-fysieke graad van substantie. Dezelfde redenering kan worden toegepast op alle andere ‘onstoffelijke’ velden en krachten die de wetenschap poneert.

Alles is betrekkelijk. De fysieke stof is verdichte energie, maar wat voor ons energie is, zou stof zijn voor wezens op een hoger gebied dan het onze, zoals wordt gesuggereerd door het feit dat energie niet bestaat uit een voortdurende stroom, maar is samengesteld uit afzonderlijke eenheden of quanta. Zo zou energie op het volgende gebied stof zijn op een nog hoger gebied. De meest verheven vorm van energie in een bepaalde hiërarchie van werelden is wat we geest of bewustzijn noemen. H.P. Blavatsky zegt het als volgt: ‘Geest is stof op het zevende gebied; stof is geest – op het laagste punt van zijn cyclische werkzaamheid; en beide – zijn maya.’6 Als men zegt dat geest en stof ‘maya’ of illusie zijn, betekent dat niet dat ze niet bestaan, maar dat wij ze niet begrijpen zoals ze werkelijk zijn. Elk gebied van energiesubstantie kan alleen worden begrepen met betrekking tot hogere, oorzakelijke gebieden. Alles – van atoom tot mens, van ster tot heelal – is de uitdrukking van iets hogers.

Door de eeuwen heen hebben wijzen en zieners te kennen gegeven dat er innerlijke, werkelijke werelden bestaan – astrale, mentale en geestelijke – verborgen in de wereld van verschijnselen waarin we leven, en dat de stoffelijke wereld slechts een bleke afschaduwing is van de geestelijke wereld. Deze innerlijke werelden kunnen niet met stoffelijke instrumenten worden onderzocht, maar alleen door te graven in de diepten van ons eigen denken en bewustzijn, en dat vereist vele levens van zelfloutering en zelfoverwinning. Wetenschappers die alleen stoffelijke methoden gebruiken kunnen niet botweg de mogelijkheid van zulke hogere gebieden ontkennen.

Omdat de wetenschappers niet in staat zijn de evolutie van leven en bewustzijn en de ‘wetten van de natuur’ langs materialistische lijnen op bevredigende wijze te verklaren, is de gedachte dat ze op het punt staan de meest innerlijke geheimen van de natuur te ontdekken of het mysterie van het bestaan tot een enkele vergelijking terug te brengen, op zijn minst voorbarig!

In de theosofische filosofie wordt het stoffelijk heelal gezien als niet meer dan een dwarsdoorsnede van de oneindigheid. De universele natuur bestaat uit werelden binnen werelden binnen werelden, vol bewustzijn, vol levende wezens in oneindig gevarieerde stadia van hun evolutionair ontwaken. Ons eindige denken kan het oneindige niet omvatten. Zoals G. de Purucker zegt, kunnen we niet meer doen dan proberen een eenvoudig beeld van het grenzeloze Al te vormen: nooit eindigend leven en bewustzijn in een onophoudelijke beweging.7 De ouden, zegt hij, waren nooit zo dwaas te proberen het oneindige te doorgronden. Ze erkenden de werkelijkheid van het zijn en lieten het daarbij, in het besef dat een zich steeds uitbreidend bewustzijn en een steeds groeiend begrip van het bestaan alles is wat we ooit kunnen bereiken tijdens onze eeuwige evolutionaire reis door de gebieden van de oneindigheid.

 

Verwijzingen

  1. The Cosmic Blueprint, Unwin Paperbacks, 1989, blz.13.
  2. The Mysterious Universe, The Macmillan Company, 1931, blz.83.
  3. De Geheime Leer, TUPA, 1988, 1:528.
  4. De Tao der Fysica, Bantam Books, 1984, blz.196.
  5. Superforce, Unwin Paperbacks, 1985, blz.104-6.
  6. De Geheime Leer, 1:702.
  7. Beginselen van de Esoterische Filosofie, TUPA, 1998, blz. 211.
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency


=