Als ik een schilderij moest maken van wanhoop, zou ik uit mijn palet
de donkerste blauwe, zwarte, purperachtige en donkergroene tinten kiezen.
Ik zou vanuit mijn gekwelde gevoelens elk plekje van mijn doek bedekken
met dikke krullen. Het zou geen lichtplekken tonen. Als ik moedeloosheid
zou moeten schilderen, zou het niet veel anders zijn, maar de krullen
zouden getinte bijschaduwen krijgen en op een of ander punt van het
doek zou ik één lichtstreek aanbrengen van goudblanke
hoop. Maar zelfs die zou ik bedekken met een dun doorschijnend waas,
zodat alleen een aandachtig toeschouwer het zou opmerken. Zou ik moedeloosheid
willen laten overheersen, dan zou dat gemakkelijk in wanhoop kunnen
veranderen door met enkele streken van het penseel de hoop weg te werken.
Maar als ik de goudblanke straal van hoop zou willen aanmoedigen zich
uit te breiden tot het gebied van onrust en strijd, dan zou ik over
meer vaardigheid moeten beschikken om het waas weg te halen of de hulp
moeten inroepen van een kunstenaar die de materie beter beheerst.
In het werkelijke leven hebben we vergelijkbare middelen nodig om wanhoop
om te zetten in moedeloosheid, en moedeloosheid in hoop. Perioden van
moedeloosheid kunnen horen bij het menszijn. W.Q. Judge zag het als
een cyclisch gebeuren in het leven van een van zijn vrienden en hij
spoorde hem aan bewust aandacht te schenken aan de herhaling en dan
onmiddellijk maatregelen te nemen om het af te wenden.1
Katherine Tingley heeft bemoedigende woorden voor vertwijfelden en raadt
hen aan zulke perioden stap voor stap te doorlopen en te verlaten.2
Hedendaagse schrijvers raden vele ‘stap voor stap’ methoden
aan om uit het gevoel van hopeloosheid en depressie te geraken. Welke
stappen moeten we doen en tot welke hoogte moeten we stijgen om uit
de greep ervan te blijven?
De heilige geschriften, de geschiedenis en het leven zoals we dat kunnen
waarnemen, tonen ons voorbeelden van diepe moedeloosheid die grenst
aan wanhoop. We kennen misschien het diepe gevoel van droefheid van
Arjuna uit het eerste hoofdstuk van de Bhagavad-Gita. Bij het
overzien van de twee legers die op het punt staan tot de strijd over
te gaan, herkende hij familie, verwanten en goede vrienden aan beide
zijden. Bewogen door medelijden, verwarring en neerslachtigheid omdat
het onmogelijk scheen aan een van beide kanten te strijden, zette hij
zich neer, gooide pijlen en boog weg en zei dat hij niet kon vechten.3
John Stuart Mill, een Brits analytisch filosoof (1806-73) besteedde
vele jaren aan een diepgaand onderzoek van mentale processen –
denken, voelen en willen. Op een bepaald punt besefte hij dat hij de
mens tot nul had ontleed en dat door zijn werk het gevoel was weggesleten.
Hij verklaarde: ‘zelfzuchtige, noch onzelfzuchtige genoegens waren
genoegens voor mij.’4 Een onbekend
man uit Quebec vertelt van het ‘dieptepunt’ dat hij bereikte
toen hij op 54-jarige leeftijd zijn baan verloor en drie maanden lang
weer drugs ging gebruiken na er zes maanden van vrij te zijn geweest.
Hij kreeg de genadeslag door het antwoord van zijn werkgever, ‘sterf
en loop naar de hel’, toen hij vroeg hem te mogen bezoeken.5
Depressie en moedeloosheid hebben dus vele oorzaken en worden op geestelijk,
emotioneel en fysiek niveau ervaren.
In strijd met sommige moderne ‘zelfhulp’ methoden, biedt
het zoeken naar dat ene diepliggende ‘waarom’ van een toestand,
niet per se de magische snelle oplossing om de pijn van moedeloosheid
te doorstaan en te boven te komen. De vragen ‘Waarom drink ik?’
of ‘Waarom onderdruk ik pijn met voedsel of drugs?’ zijn
misschien nauwelijks vragen die een antwoord behoeven. In verscheidene
Upanishads roept de wijze de discipel op ‘soberheid te betrachten,
zelfbeheersing en trouw gedurende een jaar, stel daarna de vragen die
u wilt'.
Het is interessant dat in de twintiger en dertiger jaren een groep
mensen die met een gemeenschappelijk symptoom – alcoholisme –
in de put raakten, erachter kwamen dat de theorie van ‘één
oorzaak’ een misvatting is. Zelfs al zouden ze de ene oorzaak
ontdekken, dan gaf dat niet de zekerheid dat dat genezing of verandering
in hun leven teweeg zou brengen. Deze groep ongelukkige, bijna verslagen
mensen, vormden een vriendenkring waarin ze, door het uitwisselen van
ervaringen, kracht en hoop, in staat waren elkaar wederzijds te inspireren
tot de bereidheid ‘soberheid, zelfbeheersing en trouw’ te
beoefenen, zoals door de wijze uit de Upanishads werd aanbevolen.6
Langzaam drong het tot hen door dat de geestelijke natuur, de emotionele
natuur en de stoffelijke natuur van een mens een ingewikkelde rol spelen
in hun toestand. En op die basis ontwikkelden ze voor zichzelf en ieder
ander die zich bij hen wilde aansluiten, de Twaalf Stappen voor Anonieme
Alcoholisten.
De verdienste van die stappen ligt hierin dat ze op een ruim terrein
van toepassing zijn. Ze kunnen vanuit ieders individuele houding tegenover
spiritualiteit en religieuze binding worden benaderd. Ze zijn ook bruikbaar
voor mensen met dwangneurosen, verslavingen of de neiging die leidt
tot een toestand van moedeloosheid. En ze zijn bruikbaar voor iedereen
die bereid en volhardend is.
In wezen worden de eerste drie stappen gedaan als de lijdende mens
ten eerste inziet dat hij bijna een geestelijke, emotionele of fysieke
ramp heeft meegemaakt – en toegeeft dat het een nederlaag betekent
als de huidige wijze van denken en handelen wordt herhaald. Ten tweede
kan hij of zij niet langer leven vanuit de kracht van een vroegere toereikende
bron, maar komt hij tot het besef dat er in hemzelf een Hogere Macht
is die hem of haar kan en wil bijstaan. Ten derde wordt er een beroep
gedaan op die Hogere Macht, door openhartig uiting te geven aan de bereidheid
de ingevingen en aanwijzingen trouw op te volgen die erdoor worden gegeven.
Het is alsof de ziel innerlijk de prachtige woorden van Katherine Tingley
hoort: ‘We moeten groeien zoals de bloemen groeien – niet
proberen in één leven de toppen van de bergen te bereiken.
Stap voor stap klimmen wij. Dat is een occulte wet. De leraren uit de
oudheid onderwezen haar en de mensen uit vroeger dagen geloofden erin
en pasten haar toe. De betekenis ervan is groot: stap voor stap klimmen
wij – naar een grootsere levensvisie en naar een edeler wijze
van dienen.’7
Op dit punt kan de bereidwillige ziel in een halfeuforische toestand
terechtkomen, maar geestdrift alleen is niet voldoende. De innerlijke
god zou weer kunnen zwijgen als men het daarbij laat. In plaats daarvan
doet de moedeloze mens in stap vier een reusachtige stap wat oprechtheid
betreft – een eerlijk onderzoek van de last waaronder hij gebukt
gaat. Men noemt dit ‘het grondig en onbevreesd opmaken van een
morele inventaris’. Dit wordt vervolgens erkend tegenover zichzelf,
tegenover zijn eigen Hogere Macht en iemand anders die even serieus
is wat geestelijke groei betreft (stap vijf). Met de woorden van de
zesde en zevende stap van het AA programma – ‘wees volkomen
bereid om God deze karakterfouten te laten uitwissen’ en ‘vraag
Hem nederig onze tekortkomingen weg te nemen’ – krijgt het
‘gouw klaar’ plan een andere betekenis dan een verslaafd
mens zich zou wensen. Het zich bevrijden uit de toestand van moedeloosheid
wordt gezien als een langzaam, geleidelijk opheffen van de gedachten
en verlangens naar hogere gebieden.
Een voorval in het Nieuwe Testament maakt duidelijk hoe diep men moet
gaan om te kunnen opstijgen tot het geestelijk niveau. Er wordt verteld
dat een zeker iemand Jezus tegemoetliep, vóór hem op de
knieën viel en vroeg, ‘Goede Meester, wat moet ik doen om
het eeuwige leven te beërven?’ En Jezus zeide tot hem, ‘Gij
kent de geboden’ en hij citeerde de geboden die betrekking hebben
op het instand houden van het leven, eerlijkheid, reinheid, en eerbied.
De jongeman antwoordde, ‘Meester, dat alles heb ik in acht genomen
van mijn jeugd af.’ En Jezus, hem aanziende, kreeg hem lief en
zei, ‘Eén ding ontbreekt u: ga heen, verkoop al wat gij
hebt en geef het aan de armen en gij zult een schat in de hemel hebben:
en kom, . . . en volg mij.’8
Vrij weergegeven kan het antwoord van de Meester betekenen: ‘Ga
heen en verkoop alle diepgewortelde neigingen en wrokgevoelens die u
afleiden van de zorg voor anderen. Want het is door anderen te dienen
dat ge zult ontdekken dat uw gebreken en tekortkomingen verdwijnen.’
En voortgaande kan hij zeggen, ‘Kleed met de winst uit deze verkoop
(hetgeen mededogen, barmhartigheid en begrip zal zijn) de armen die
ge kwaad hebt gedaan, heel de wonden die ge in uzelf en anderen hebt
gemaakt’. Hoe? Door na te gaan welke mensen kwaad werd berokkend
en door het met hen weer goed te maken zodra dat mogelijk is (stappen
8 en 9).
Door deze negen stappen te doen heeft menig verslaafde, ontmoedigde
ziel de goudblanke straal van hoop op het doek van zijn leven krachtig
uitgebreid en op zijn minst enkele onheilspellende wolken gedeeltelijk
verwijderd die aan wanhoop grensden. Maar daarnaast krijgt hij te horen
dat hij er voortdurend voor moet oppassen dat de hoop niet opnieuw wordt
weggewist. Daarmee luistert hij naar de raadgevingen die de grote leraren
door de eeuwen heen hebben gedaan, zoals in de Gulden Verzen van Pythagoras:
‘Gun uw zwaar wordende ogen geen slaap,/ Aleer u elke daad van
deze dag hebt nagegaan./ Waarin was ik nalatig? Wat heb ik gedaan? Welke
plicht werd niet vervuld?'
G. de Purucker waarschuwt ons dat we, bij het terugblikken op de zojuist
afgelopen dag en het richten van onze gedachten op harmonie en vrede,
de ‘toegang [moeten] weigeren aan alle gedachten van afkeer, haat
of boosheid’, zodat bij het ontwaken onze geest ‘automatisch
exact blijft functioneren langs de gedachtenlijnen die men volgde vóór
de slaap’ (stap 10).9
Stap elf moedigt ertoe aan elke dag de tijd te nemen voor rustige studie,
gebed en meditatie – de tijd om het hart te horen spreken. En
stap twaalf is de grondtoon van alle andere. Die gaat over dienen
– zich bekommeren om anderen. Deze stap is een stimulans alle
inspanningen te verrichten, vrij van moedeloosheid, en aan anderen te
denken. Het is de levenszenuw van alle stappen: zich er meer om bekommeren
zijn leven en liefde met anderen te delen, dan zijn persoonlijke groei
uit te meten.10
Wanhoop is dus een ernstige vorm van uitzichtloosheid, terwijl moedeloosheid
een vorm van depressie is waar men overheen kan komen. De ziel die door
een van beide wordt gekweld, heeft veerkracht, vertrouwen en steun nodig
om bestand te zijn tegen die duistere levenscyclus. Velen hebben een
weg gevonden naar het patroon van de twaalf hier beschreven stappen,
vooral als hun depressie werd veroorzaakt door het worstelen met verslaving.
Dat was het geval met de onbekende man uit Quebec, die hierboven ter
sprake kwam. Hij verklaarde dat de verschrikkelijke ervaring die hij
te verwerken kreeg door het ogenschijnlijk wrede antwoord van zijn werkgever,
het keerpunt in zijn leven was. Het besef dat wanhoop een produkt van
hemzelf was en niet opgelegd door een ander, vroeg van hem volkomen
overgave aan zijn hoger zelf. Stap voor stap sleepte hij zich voort
naar lichamelijke en geestelijke gezondheid. Zestien jaar lang werd
zijn leven verrijkt door zijn zorg en aandacht voor anderen, vooral
mensen met een soortgelijke verslaving.
Van John Stuart Mill, die moedeloos werd door op één
ding gefixeerd te zijn, wordt gezegd dat hij in die toestand bleef tot
hij een verzameling gedichten van Wordsworth las. ‘Daaruit’,
zo schreef hij, ‘scheen ik te leren wat de eeuwige bron van geluk
zou zijn als al het grotere kwaad uit het leven zou zijn verdwenen.’
De grote ziel, Arjuna, hoewel geen slachtoffer van verslaving, was
niettemin belast met gehechtheden en onbegrip die hem bijna verlamden.
Vanuit die geestesgesteldheid stelt hij vragen, argumenteert en lijdt
hij en smeekt Krishna tenslotte hem onthechting en uiteindelijke bevrijding
te onderwijzen. Achttien hoofdstukken lang van de Bhagavad-Gita
reageert Krishna met geduldig onderricht. Zijn uitvoerige en inspirerende
verhandeling, in antwoord op Krishna's verzoek: ‘Ik wil, O gij
met sterke armen, de aard leren kennen van het zich onthouden van handelen
en van het afstand doen van de vruchten van handelen, en ook het verschil
tussen deze beide’, beslaat het hele laatste hoofdstuk. Zijn woorden
zijn een prachtige les om van dat wat ons dwingt tot het herhalen van
daden die ons aan de aarde binden, over te gaan naar gebieden van grote
vrijheid. In nederigheid antwoordt Arjuna: ‘Het is door uw goddelijk
vermogen, gij die onwrikbaar zijt, dat mijn begoocheling is geweken;
ik ben mijzelf thans weer meester, ben standvastig en vrij van twijfel
en zal nu handelen, geheel als gij verlangt.’
Er is hoop voor allen. Elk stadium in de evolutie van de ziel
vraagt om verandering en herschikking van de kleuren en schaduwen op
het schildersdoek van ons leven, om het in beeldspraak te zeggen. Het
leven is groots en vraagt om de nobelste houding die ons mogelijk is.
Dan zullen we naar deze woorden leven:
Met altijd het oneindige in gedachte, moeten we toch leven voor de
dag . . . We behoeven niet met angst en beven vooruit te zien naar toekomstige
jaren, maar we moeten uit ons denken al die ideeën verwijderen
die wortel hebben geschoten in ons bloed en die ons tot kinderen van
twijfel en vrees maken en, volgens de oude opvatting, van zonde.11
Verwijzingen
- ‘Cyclic Impression and Return and our Evolution’,
in Echoes of the Orient, Point Loma Publications, San Diego,
1975, 1:499-500.
- The Wine of Life, Women's International Theosophical
League, Point Loma, CA, 1925, blz. 329.
- Bhagavad-Gita, William Q. Judge recension,
Theosophical University Press, Pasadena, 1969.
- Zie T. Subba Row, Notes on the Bhagavad-Gita,
Theosophical University Press, 1978, blz. 3.
- Came to Believe, Alcoholics Anonymous World
Services, Inc., New York, 13e ed., 1988, blz. 13-4.
- Robert Ernest Hume, Prasna Upanishad (I.2),
in The Thirteen Principal Upanishads, Oxford University Press,
Londen,1934, blz. 378.
- The Wine of Life, blz. 258.
- Marcus 10:17-21.
- Bron van het Occultisme, Theosophical University
Press Agency, Den Haag, 1990, blz. 683-4.
- Voor de volledige tekst van de Twaalf Stappen zie
Alcoholics Anonymous, Alcoholics Anonymous World Services,
Inc., New York, 1976, blz. 59-60.
- The Wine of Life, blz. 329.