Het doet ons genoegen het verschijnen aan te kondigen van een nieuwe
studie van het leven en het werk van H.P. Blavatsky, mede-oprichter
van de Theosophical Society: HPB: The Extraordinary Life and Influence
of Helena Blavatsky, Founder of the Modern Theosophical Movement
[HPB: Het bijzondere leven & de invloed van Helena Blavatsky, stichster
van de moderne theosofische beweging] van Sylvia Cranston. Groter dan
HPB’s voortreffelijke gave als schrijfster was haar bereidheid
zich geheel te geven aan het ontvangen en doorgeven van een filosofie
die het goddelijke ziet als de dynamische x-factor, die ieder atoom,
kosmisch en menselijk – ja, ieder wezen waaruit een heelal
bestaat, aandrijft. Als deze eenvoudige maar diepe waarheid werd toegepast
op het dagelijks gebeuren, zou ze heel veel bijdragen aan het herstel
van de waardigheid en gezondheid van de individuele, nationale en internationale
betrekkingen.
Velen vrezen dat er iets fundamenteels is misgegaan, dat we door God
of de goden zijn verlaten, van wie men meent dat ze ons tegen onheil
beschermen; maar misschien ligt de nalatigheid aan onze kant. Onze schakel
met de godwereld werd aeonen geleden gesmeed met de ‘hoogste
Planeetgeesten’ die, bij hun verschijnen op aarde ‘aan het
begin van elk nieuw mensengeslacht’, lang genoeg blijven
‘om de eeuwige waarheden die zij leren zo krachtig op het plastische
denkvermogen van de nieuwe rassen af te drukken, dat ze zeker niet verloren
zullen gaan of in de eeuwen daarna door komende generaties volledig
zullen worden vergeten.’1 Dit betekent
dat de waarheden omtrent onszelf en de natuur niet verborgen liggen
op een of andere verre onbereikbare plaats, maar in ons eigen wezen,
want ze zijn zo diep gegrift in onze onsterfelijke essentie dat iedereen
in elk tijdperk ze kan terugvinden – mits de wil, de moed en het
vertrouwen aanwezig zijn om die door de tijd beproefde discipline en
training te volgen die tot beheersing en kennis van het zelf voert.
Daarnaast kunnen we nog denken aan de meedogende voorziening dat ‘ieder
ras zijn adepten heeft’ die in ontvankelijke hoofden en harten
de oude herinneringen aan eens gekende waarheden opnieuw tot leven wekken.
Periodiek incarneren een Enoch of Krishna, Ahura Mazda, Boeddha of Christus
onder een volk, dat dan voor die tijd het ‘uitverkoren volk’
is, omdat het de levenwekkende aansporing van een Verlichte ontvangt.
Hun boodschap, ontleend aan de oerbron van de waarheid, lest de dorst
van onverschrokken zielen, terwijl de menigten in de wildernis van halfbegrepen
waarheden dolen of de duistere ellende van onwetendheid en begeerte
verkiezen.
Maar hoe staat het nu? Als er een Broederschap van adepten is die het
geestelijk welzijn van de mensheid ter harte gaat, waarom geven ze ons
dan niet de richtlijnen die we kennelijk nodig hebben? Hoe kunnen we
er zo zeker van zijn dat deze Broederschap nu niet werkt om
zoals altijd, op krachtige wijze maar in stilte, en waar karma dat toestaat,
aan een omwenteling en heroriëntatie van onze totale benadering
van het leven ? Vergelijk het denken van de 19de eeuw eens met het onze
op slechts één speciaal punt: de oproep van de Theosophical
Society tot universele broederschap werd in de vorige eeuw als een vruchteloze
utopie beschouwd, terwijl in de laatste decennia van deze eeuw bijna
over de hele wereld wordt erkend dat een steeds ruimere aanvaarding
en toepassing van broederschap een eerste vereiste is om de vrede en
wederzijds respect onder de volkeren van de wereld te herstellen. De
boekbespreking van Cranston’s nieuwe biografie (blz. 67) vermeldt
de dramatische veranderingen die ook op andere gebieden hebben plaatsgevonden
sinds HPB stoutmoedig de treffende waarheden opnieuw verkondigde, die
eens over de hele wereld bekend waren maar sinds lang zijn vergeten.
Deze tijd is inderdaad ongelofelijk gewelddadig, maar het getij is
kerende. Wat de mensheid verdient, zal ze krijgen. Maar mocht iemand
zich wanhopig voelen, laat hem dan moed putten uit het gesprek van Charles
Johnston met HPB (blz. 72), ontleend aan Cranston’s boek. Wij
staan niet alleen: de reeks van weldoende bemiddelaars zal onversaagd
doorgaan met hun meedogende werk totdat de laatste menselijke ziel is
ontwaakt en zich keert naar de zon van zijn eigen innerlijke god.
Noot
- De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz.
46; zie ook blz. 170.