Opnieuw, steeds opnieuw geboren worden: reïncarnatie in het christendom
Nancy Coker

 

Het onderwerp wedergeboorte is zo oud als het menselijk verstand naar het verleden en zo diepzinnig als het menselijk hart naar het innerlijk kan reiken. De herinnering eraan is vastgelegd in oeroude afbeeldingen zoals de Ouroboros (de slang met de staart in de bek) en de vuurvogel Feniks, die oprijst uit de as van zijn eigen brandstapel. In oude verhalen van de hindoes leeft het voort in de dans van Shiva en de dromen van Vishnu, in de Sumerische nederdaling van Inanna, de Egyptische voorstelling van de dood en de wedergeboorte van Osiris en het christelijke verhaal van de kruisiging en opstanding van Jezus.

In de meeste religieuze mythologieën van de wereld wordt de dood niet gezien als een absoluut eindpunt, een algehele vernietiging, maar als deel van een doorgaande cyclus. Hoewel de meeste christenen de gedachte van reïncarnatie afwijzen, zien we er toch sporen van in het denkbeeld van de lichamelijke opstanding. Het lijkt niet mogelijk een scherpomlijnde, ondubbelzinnige christelijke leer te vinden die uitlegt wat de dood is en wat er na de dood gebeurt – wat wel voorhanden is, is niet in tegenspraak met de idee van reïncarnatie. Er zijn zelfs christelijke geschriften die harmoniëren met het beeld van de mens als een reïncarnerend wezen. Het werd immers in de tijd van Jezus vrij algemeen geloofd en begrepen door veel mensen die meer dan 2000 jaar geleden het christelijk denken beïnvloedden.

Reïncarnatie-ideeën treffen we aan in de oude godsdienst van de joden – de tempels waren zelfs polytheïstisch tot ergens tussen de 8ste en de 6de eeuw v.Chr. – en maakten deel uit van de vorming van de vroege kerkvaders. De meeste bisschoppen van de vroege kerk waren heidens van geboorte en opvoeding; velen hielden twee diensten, één in de kerk en één in de tempel van Serapis. Naast kerkelijke verplichtingen hadden ze ook politieke en sociale plichten; offerplechtigheden en bediening van sacramenten behoorden dus tot het normale dagelijkse werk. Terwijl in het Oosten ideeën over reïncarnatie bleven leven, werden ze in het Westen onderdrukt tot ze in de middeleeuwen en later tijdens de renaissance weer tot geboorte kwamen. We zien ze nu opnieuw herleven in het bewustzijn van de volken in het Westen.

Het is verleidelijk te doen alsof we met het verleden niets te maken hebben; we zijn geneigd ons met de geschiedenis en haar waarheden lineair verbonden te voelen – hoe verder we van een gebeurtenis afstaan, hoe zwakker de uitwerking ervan en hoe minder de invloed. Terwijl wij ons leven zien alsof het een rechte lijn is – hoe langer we leven hoe langer de lijn – beschouwden de ouden het meer als een zich uitbreidende cirkel; zij legden de nadruk op de onderlinge verbondenheid in het leven en erkenden de directe betekenis van alle ervaringen. Zij richtten zich naar de seizoenen en niet naar de klok. Gewoonlijk is die wijze van waarneming ons vreemd; wij trekken nuttige maar willekeurige grenzen en noemen die begin en einde, geboorte en dood. Wij hebben meer waardering voor een holistische zienswijze van de tijd als zich eeuwig vernieuwende cyclussen dan als signalen die, hoe verder ze van hun bron afraken, geleidelijk in sterkte afnemen. Gebeurtenissen zijn niet minder echt of invloedrijk en ook niet minder betrouwbaar omdat het gebeurtenissen van gisteren zijn. De christelijke geschriften schijnen deze verschuiving in bewustzijn te weerspiegelen van cyclisch naar lineair, van een onderling verbonden, dynamisch en toch heilig heelal, naar een op zichzelf staande, ongebonden, ontrechte mens, die niet meer is dan een schaduwbeeld van de godheid.

Of het christendom deze ommekeer al dan niet veroorzaakte is moeilijk vast te stellen; wat we wel weten is dat er in die tijd een grote angst of diep geloof heerste dat de wereld op haar einde liep. Nog in de 2de en 3de eeuw n.Chr. hebben mensen in de ‘Fertile Crescent’ [een vruchtbaar gebied in het Midden-Oosten] letterlijk het gewelddadige einde van de planeet verwacht. Van Jezus wordt gezegd dat hij in de volheid der tijden kwam om de ‘eindtijd’ in te luiden; hij voorspelde de Dag des oordeels en grote rampspoed, compleet met oorlogen, hongersnoden, epidemieën, aardbevingen, misleidingen, valse profeten en nog meer (Lucas 21:8-28). De afschuw van de verwachte apocalyps weerspiegelde of beïnvloedde misschien op een of andere manier de verandering van zienswijze van een symbolische naar een meer exoterische of letterlijke. Niet dat de dood van onze planeet onmogelijk is; omdat het begrip wederbelichaming op alle wezens betrekking heeft, slaat het ook op planeten en zonnen. De mogelijkheid van een universele vuurzee was niet onzinnig, maar wel voortijdig.

Volgens de Amerikaanse romanschrijver Tom Robbins hebben veel mensen er moeite mee zich voor te stellen dat ‘God op een bepaalde dag op de remmen gaat staan en de wereld door de voorruit doet schieten’1 – er moet dus een andere verklaring worden gevonden. De kerk kan zeggen dat Jezus door zijn komst het Vissentijdperk inluidde, maar we kunnen ook zeggen dat de Vissencyclus op het punt stond te beginnen en dat daarom Jezus verscheen; er leefde onder de mensen, die gevoelig waren voor de keuze van het juiste tijdstip, de idee dat iets (de oude Ariëscyclus) ten einde liep. Jezus beschreef het einde van een tijdperk (aion); de christenen hebben dat letterlijk opgevat in de zin van het einde van de wereld. Door angst gaat vaak de visie verloren; we mogen verwachten daarvan meer te zien naarmate onze eeuw haar einde nadert.

In de bijbel komen veel ideeën voor die verenigbaar zijn met reïncarnatie. Reïncarnatie gaat ervan uit dat we onsterfelijke wezens zijn. Toen Jezus tot de joden in de tempel van Jeruzalem sprak, zei hij, ‘Staat er in uw wet niet geschreven: Ik heb gezegd, U bent goden?’ (Joh. 10:34). Reïncarnatie houdt ook in dat we door karmische wetten zijn verbonden. De bijbelse geschriften vertellen ons dat zij die naar het zwaard grijpen, door het zwaard zullen omkomen (Matth. 26:52), en dat wat een mens zaait hij ook zal oogsten (Gal. 6:7). Paulus leerde dat elk zaad zijn eigen lichaam krijgt (1 Cor. 15:38). Onze gedachten zijn zaden en onze daden zijn zaden voor meer daden – het kan ontelbare eeuwen duren voor ze vrucht dragen, hun eigen lichaam krijgen – en er kunnen veel wedergeboorten nodig zijn om alle gevolgen uit te werken van oorzaken die we in beweging hebben gezet.

Cyclussen zijn de stuwende kracht in de reïncarnatieklok; reïncarnatie duidt op terugkerende cyclussen. Ondanks het thema van het duizendjarig rijk zijn er geschriften waarin begrip van deze cyclussen bewaard is gebleven: ‘Naar de plaats waarheen de beken stromen, daarheen stromen ze altijd weer.’ (Pred. 1:7); ‘Wat geweest is, dat zal er zijn; . . . er is niets nieuws onder de zon’ (Pred. 1:9); ‘Wat is, was er reeds lang en wat zijn zal, is reeds lang geweest’ (Pred. 3:15); ‘Niemand is opgevaren naar de hemel dan die uit de hemel is neergedaald’ (Joh. 3:13).

Een te letterlijke uitleg is niet verstandig. Sommige kerken beweren dat God iedere ziel gloednieuw schept, maar dat lijkt niet te kloppen met de Schrift. Als er niets nieuws is, zouden we hier eerder kunnen zijn geweest en als we hier eerder zijn geweest, zouden we steeds opnieuw kunnen komen. De dichter Blake heeft gezegd, ‘de kwellingen van eeuwige geboorte zijn beter dan de angsten voor de eeuwige dood.’2

De bijbel staat vol voorbeelden van een veel ruimer beeld van het leven dan dat van slechts één aards bestaan. De profeten werden geacht door het leven heen te reizen en weer terug, maar het is niet duidelijk waar ze daartussen heengingen: de priesters vroegen aan Johannes de Doper of hij Elia was (Joh. 1:21); en er wordt geprofeteerd dat Elia voor de Dag des oordeels zal komen (Mal. 4:5) – waar was Elia dan toen God deze woorden sprak? Herodes denkt dat Jezus Johannes de Doper is (Matth. 14:1-2); en zijn discipelen accepteren dat de mensen Jezus beschouwden als Johannes de Doper, Jeremia of Elia (Matth. 16:14).

Andere voorbeelden die druk uitoefenen op de grenslijnen van het denkbeeld van slechts één aards leven zijn de versregels die een voorbestaan beschrijven, een onderwerp dat in de vroege kerk werd geleerd. De profeet Jeremia zegt dat God hem kende vóór hij werd geboren (Jer. 1:5); Salomo, de zoon van David, zegt dat hij vóór de aarde of de hemelen bestond (Spr. 8:22-30); Jezus zei, ‘Eer Abraham was, ben ik’ (Joh. 8:58).

Naast de reïncarnatie van de profeten en de uitspraken over een voorbestaan, zijn er bewijzen van mensen die uit de dood werden opgewekt. Elia deed een jongetje herleven (1 Kon. 17:22), Jezus bracht het dochtertje van een overste weer tot leven (Matth. 9:18-25) en ook Lazarus, die vier dagen in het graf had gelegen (Joh. 11:44). Nadat Jezus was gestorven, ‘Werden de lichamen van veel gestorven heiligen tot leven gewekt en kwamen ze uit de graven’ (Matth. 27:52-3). Petrus predikte tot de doden (1 Petr. 4:6) en veel kerken hebben gebeden voor de doden. De doden worden verondersteld naar de hemel, hel of het vagevuur te gaan of anders te slapen tot de Dag des oordeels. De dood stelt duidelijk een of andere toestand voor, maar het hedendaagse christendom erkent de na de dood doorgebrachte tijd niet als bestaan. Men vraagt zich af wat de betekenis van die verhalen is als ze niet wijzen op de tijdelijkheid van de dood?

Het lijkt paradoxaal dat een moderne leer wel een heel stoffelijke, definitieve lichamelijke opstanding kan aanvaarden, maar reïncarnatie onaannemelijk acht. De afwijzing schijnt voort te vloeien uit de diepe bezorgdheid voor de ziel die haar eigen lichaam moet krijgen, niet dat van iemand anders (het woord ziel sluit hier het idee van geest in). Het christendom leert dat lichaam en ziel bij elkaar horen – wat slechts een andere manier schijnt te zijn om de zeer nauwe karmische verbondenheid weer te geven.

De evangeliën geven voorbeelden dat lichaam en ziel vóór de geboorte en na de dood zijn gescheiden, wat aantoont dat de ziel moet kunnen bestaan zonder het lichaam. Hoe gaat de terugkerende ziel dan te werk om haar lichaam te vinden of om de bouwstenen voor het lichaam weer te verzamelen? We weten dat de natuur een grote hergebruikster is en dat we allen steeds opnieuw dezelfde stoffelijke atomen gebruiken. Hoe kan een verzameling atomen uitsluitend bij een bepaalde ziel horen? Waar gaan ze heen om de Dag des oordeels af te wachten?

Als we denken aan de miljarden levensatomen die tijdens een leven worden gecreëerd en afgeworpen – men zegt dat we om de zeven jaar praktisch nieuw zijn – dan zouden maar enkele daarvan bij de opstanding met de ziel kunnen worden verenigd. Dit verschilt niet zoveel van de gedachte dat we, als we reïncarneren, onze eigen levensatomen, die ons vroegere lichaam hielpen opbouwen, weer verzamelen; we trekken ze karmisch weer aan. Het is niet zo dat wie de leer van reïncarnatie aanhangt, gelooft dat er hier of daar extra lichamen zijn en dat, als de tijd komt om herboren te worden, hij misschien niet het goede krijgt – maken vlinders zich er zorgen over de verkeerde rups te krijgen?

Paradoxen genoeg; aan de ene kant wordt ons gezegd dat het hedendaagse christendom maar één leven leert, slechts één worp met de dobbelsteen die bepaalt of we een eeuwigheid van vreugde of van leed zullen krijgen; maar aan de andere kant wordt ons verteld dat God liefheeft, wijs is en rechtvaardig. Zelfs de meest vrome fundamentalist gelooft nog in meer dan één kans. Jezus zegt ons niet tot zevenmaal te vergeven, maar, ‘Tot zeventig maal zeven’ (Matth. 18:21-2).

De beginselen van reïncarnatie gaan veel verder dan alleen het mechanisme van het stoffelijk lichaam. Er zijn exoterische en esoterische wetten, stoffelijke en geestelijke wedergeboorten. Heeft Jezus misschien over beide soorten gesproken toen hij zei, ‘alleen wie opnieuw wordt geboren, kan het koninkrijk van God zien’ (Joh. 3:3)?

In India is het idee van geestelijke wedergeboorte een heel oude overlevering; lang vóór Jezus werden ingewijden ‘tweemaal geborenen’ of dvija’s genoemd. Inwijding in de mysteriën werd beschouwd als een geboorte in een nieuw leven en de kandidaat nam een andere naam aan, net als tegenwoordig monniken en nonnen doen als ze toetreden of de sluier aannemen. H.P. Blavatsky geeft aan hoe we dit innerlijke proces van wedergeboorte kunnen begrijpen als zij uitlegt dat het de taak van ieder van ons is de in ons door aardse hartstochten gekruisigde geest tot opstanding te brengen, de geest die we diep in het graf van ons eigen vlees hebben begraven, ‘. . . hij die de kracht heeft de steen van stof weg te wentelen van de deur van zijn eigen innerlijke heiligdom, die heeft de opgestane Christus in zich.’3

Reïncarnatie kunnen we niet echt bewijzen (of weerleggen) – net zomin als we onszelf erop kunnen betrappen te reïncarneren, kan ons waakbewustzijn ons slaapbewustzijn werkelijk begrijpen. Of de belofte van eeuwig leven (28 maal in de bijbel vermeld) letterlijk of figuurlijk is en of men in reïncarnatie of opstanding (dit laatste 41 keer vermeld) gelooft of niet, als we leven alsof iedere gedachte en daad altijd voortleeft, accepteren we de uitdaging van alle religies, oude zowel als moderne.

 

Noten

  1. Skinny Legs and All, Bantam Books, New York, 1991, blz. 302.
  2. ’Vala, or the Four Zoas’, ix, regel 742: The Complete Writings of William Blake, red. Geoffrey Keynes, The Nonesuch Press, Londen, 1957: Random House, New York, blz. 377.
  3. H.P. Blavatsky, ‘The Esoteric Character of the Gospels – 1’, Studies in Occultism, Theosophical University Press, Pasadena, 1973, blz. 134.


Bibliografie

  • Blavatsky, H.P., Isis Unveiled, Theosophical University Press, Pasadena, 1976.
  • Blavatsky, H.P., The New Testament Commentaries of H.P. Blavatsky, red. H.J. Spierenburg, Point Loma Publications, San Diego, 1987.
  • Edge, Henry Travers, Theosophy and Christianity, Manuel No. xii, Point Loma Publications, San Diego, 1974.
  • Eliade, Mircea, The Myth of the Eternal Return, Princeton University Press, Princeton, 1974.
  • Ferguson, Everett, red., Encyclopedia of Early Christianity, Garland Publishing Inc., New York; 1990.
  • Hall, Manly Palmer, Reincarnation: The Cycle of Necessity, Philosophical Research Society, Los Angeles, 1956.
  • Head, Joseph, and S.L. Cranston, red., Reincarnation: The Phoenix Fire Mystery, Warner Books, NewYork, 1977.
  • Henderson, Joseph L., and Maud Oakes, The Wisdom of the Serpent: The Myths of Death, Rebirth, and Resurrection, George Braziller, New York, 1963.
  • Judge, William Q., The Scope of Reincarnation, The Cunningham Press, Alhambra, CA, 1960.
  • Levine, Stephen, Who Dies? An Investigation of Conscious Living and Conscious Dying, Doubleday, New York, 1982.
  • MacGregor, Geddes, Reincarnation in Christianity, Theosophical Publishing House, Wheaton, IL, 1978.
  • MacInnes, O.L.M., Elaine, ‘Teaching Zen to Christians’, herdrukt in de Theosophical Digest, 1ste kwartaal 1991, blz. 88-123.
  • Parrinder, Geoffrey, Avatar and Incarnation: A Comparison of Indian and Christian Beliefs, Oxford University Press, New York, 1982.
 
Andere artikelen over het christendom
 
Andere artikelen over reïncarnatie
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1993

© 1993 Theosophical University Press Agency