Het algemeen welzijn dienen
Grace F. Knoche

 

Voor welk doel gebruik ik op dit moment de krachten van mijn ziel? Onderzoek uzelf op dit punt bij elke stap en vraag u af: ‘Hoe is het met het deel van mij, dat men het meest oorspronkelijke noemt? Wiens ziel bewoont mij op dit moment?    – Marcus Aurelius

Het patroon van ons karakter vormt zich langzaam en door de eeuwen heen, doordat we vastberaden onze individuele verantwoordelijkheden vervullen en het grotere zelf dagelijks het kleinere overwint. Nu en dan wordt in het leven van een enkeling de luister zichtbaar die het wezen van de mens vormt en wordt alles wat in het menselijk gedrag afstotelijk en vervormd is, omgezet in iets hogers, en zien we in dat het dagelijks bestaan een even onverbrekelijk deel van het kosmische plan is als de regelmatige omwentelingen van zonnen en sterren.

Onlangs las ik Meditations [Meditaties]1 van Marcus Aurelius en werd diep getroffen door de sfeer van tijdeloosheid, die van de bladzijden van dit boekje uitgaat. Vaak lijkt het of een zin of alinea voor ons persoonlijk is geschreven en sluiten we het boek verkwikt en met vernieuwde kracht, en soms zelfs met praktische wenken voor de taak die voor ons ligt.

In feite zijn het geen echte ‘meditaties’ als we bij dat woord denken aan een yogi of pseudo-chela uit India of Amerika, die met starre blik in een voorgeschreven houding zit en hoopt dat een of ander groot Wezen zo genadig zal zijn hem een visioen van bovenaardse waarheid te gunnen. Nee, het zijn eenvoudige optekeningen van een volkomen oprechte ziel, die niet allerlei persoonlijke of historische bijzonderheden geeft uit een opmerkelijk leven in een cruciale tijd in de geschiedenis – hij was Imperator Caesar van het Romeinse Keizerrijk in de 2e eeuw n. Chr. – maar die, in de afzondering van de keizerlijke vertrekken of in het soldatenkamp, bij zichzelf overdenkt welke eisen er worden gesteld aan een mens die wil leven in overeenstemming met het hoogste in hem.

Marcus Aurelius Antonius, die leefde van 121 tot 180 n. Chr. was, van aard en uit vrije keuze, stoïcijn en een toonbeeld van het beste in het Romeinse stoïcisme, dat een late en enigszins gewijzigde vorm was van de oorspronkelijke filosofie van zijn stichter Zeno uit de 4e en 3e eeuw v. Chr. Voor de stoïcijnen, en voor vroegere Griekse filosofen als Heraclitus en Anaximander, was de ‘oerbron van het zijn’ het denkvermogen, dat verwant is aan de meest geestelijke essentie die de mens zich kan voorstellen: vuur – geen aards vuur of aardse warmte, maar hun subtiele oorzakelijke essentie. Kortom, denkvuur was het leidende beginsel achter de kosmos en daarom achter elk van de delen ervan, groot of klein. Evenzo was er dus een vuurpartikel of atoom denkvuur in het binnenste van de mens. ‘Alles is theos’, ‘alles leeft’ – pantheïsme in zijn zuivere betekenis van het goddelijke als stuwende kracht in alle levensvormen – was een thema dat voor Marcus Aurelius even vertrouwd was als voor de gehele oudheid.

Heb eerbied voor dat wat in het heelal het hoogste is: namelijk Dat, waaraan al het andere dienstbaar is en dat aan alles de wet stelt. Heb evenzo eerbied voor het hoogste in uzelf: het is één met dat Andere, daar het ook in uzelf datgene is waaraan al het overige dienstbaar is en waardoor uw leven wordt bestuurd.    – v, § 21

Dit is geen boek om achter elkaar uit te lezen en daarna op de boekenplank terug te zetten; we hebben er oneindig veel meer aan het bij de hand te houden, het zo nu en dan open te slaan en een passage te lezen waarop ons oog valt, en ongemerkt ons bewustzijn te verrijken.

‘Houd alleen van dat wat, verweven in het patroon van uw levenslot, tot u komt. Want wat zou beter aan uw behoeften kunnen beantwoorden?’ (vii, § 57)

Want wat de wereld om ons heen ook mag zeggen of doen, ‘mijn taak is een goed mens te blijven zoals een goudstuk, een smaragd of een purper gewaad onophoudelijk in zijn taak volhardt . . . ‘‘het is mijn taak een smaragd te blijven en mijn ware kleur te behouden’’ ’ (vii, § 15). Hier is geen vervelend gemoraliseer, want er zijn geen toehoorders, er is geen zaal met luisteraars en er is nergens een spoor van het uit de hoogte toespreken van anderen. Alleen de kalme aansporing steeds te leven in overeenstemming met het oorspronkelijke deel in ons.

Aldus schreef Marcus Aurelius zijn overpeinzingen neer in beknopte aantekeningen ‘aan zichzelf’ – wat de eigenlijke vertaling is van de oorspronkelijke Griekse titel van het boek – zonder de wens of verwachting dat anderen ze zouden lezen en nog minder dat ze daar een hulp voor zouden betekenen. (Tenzij hij misschien tegen het einde van zijn leven en tijdens de oorlogen aan de Donau, waar hij stierf, de hoop heeft gekoesterd dat zijn zeer geliefde jonge zoon Commodus die hem vergezelde, uit het lezen ervan kracht zou kunnen putten – en er een leidraad in zou vinden voor de zware taak van keizer, die weldra op zijn onvoorbereide schouders zou komen te rusten.)

Het is, hoe dan ook, van grote betekenis dat deze nobele, zichzelf wegcijferende mens, door zich dagelijks voor te houden dat hij zich van het persoonlijke element moest bevrijden, door zich te ontdoen van elk verlangen naar wereldse bijval, door eerst de noden van zijn medemensen te lenigen en dan pas die van hemzelf en niet in de laatste plaats door zijn eigen diepste essentie te verbinden met de essentie van het universele, niet alleen onsterfelijke roem verwierf maar ook de onmetelijke dankbaarheid van het nageslacht.

Misschien hebben we het voornamelijk aan Q. Junius Rusticus, stoïcijns filosoof en Marcus’ privéleraar in de rechtswetenschappen, te danken dat zijn leerling en vriend zelfdiscipline op prijs leerde stellen en als een levensideaal ging beschouwen. Hij was bijzonder streng voor zijn jonge leerling, maar zoals Marcus zonder rancune toegeeft, koesterde hij voor zijn leermeester tot het einde toe een welgemeende achting, want deze had hem al jong geleerd in zijn spreken en wijze van kleden alle overdrijving te vermijden, met aandacht te lezen en over het gelezene diep na te denken, en vooral nooit boosheid in zichzelf of een ander toe te laten zonder een poging te doen ‘weer vrede te sluiten’. Door Rusticus, die hem zijn eigen exemplaar schonk, leerde Marcus als jongeman de Voordrachten van Epictetus van Arrianus kennen.

In onze tijd, waarin idealen met voeten worden getreden en de diepste verlangens van het hart als goedkope waar staan uitgestald, schuwt men instinctief diegenen die het luidst ach en wee roepen, terwijl hun leven lijnrecht in tegenspraak is met eenvoudige en degelijke deugden als eer, plicht en rekening houden met anderen. Het heeft de wereld nooit ontbroken aan mensen die doen alsof, en zoals we er nu mee worden overvoerd, had ook het Rome van de 2e eeuw toegekund met minder vleiers en in plaats daarvan meer nuchtere burgers die voldoende bereid en zorgzaam zouden zijn om reddende middelen te gebruiken als hard werken, edelmoedigheid van geest en het best mogelijke doen voor het welzijn van het geheel.

Gezien de aard van de mens, zijn er lieden geweest – en ze zijn er nog – die Marcus Aurelius voor koud, wankelmoedig en zelfs schuldig aan huichelarij hebben gehouden, maar dat komt omdat ze niet goed zijn karakter hebben begrepen. Hij was onbaatzuchtig en daarin standvastig, maar het verslag van zijn regering als keizer en van zijn eigen gewetensvolle zelfkritiek, zoals dat in deze aantekenboeken wordt onthuld, getuigt van de warme menselijkheid van deze man – een eigenschap die de leidraad vormde voor zijn gedachten en, voor zover zijn positie dit toestond, zijn daden.2

Aan de andere kant was Marcus, als het hemzelf betrof, altijd afkerig van medelijden of toegeeflijkheid; het is mogelijk dat hierin op zijn minst één reden ligt voor het wantrouwen van hen, die zich storen aan karakteradel die ze zelf niet bezitten. Gilbert Murray3 zei hierover: ‘het ademen valt de meesten van ons zwaar op die enorme hoogte van geestelijk leven.’ Volgens hem is Marcus verre van koud: ‘Er is (in zijn uitingen) een even grote intensiteit van gevoel als in de meeste moderne betere boeken over religie, alleen is er een sterkere beteugelende kracht . . . de emotie wordt strikt van aardse droesem gezuiverd.’

We hadden graag een representatieve keuze uit zijn grondgedachten gemaakt, maar dit is nauwelijks te doen zonder het boek van zijn uitzonderlijke kwaliteit te beroven. Het is een en al atmosfeer – niettemin spreekt het tot het hart met een wijsheid die onvergankelijk is. Eén passage willen we aanhalen:

Vele wierookkorrels vallen op hetzelfde altaar; de ene vroeg, de andere laat – het maakt geen verschil.    – iv, § 15

Zij die een studie hebben gemaakt van de brieven die door twee oosterse adepten uit de vorige eeuw zijn geschreven – een verzameling die momenteel is ondergebracht in the Select Manuscript department [de afdeling Bijzondere Manuscripten] van het British Museum – zullen zich een bijna gelijkluidende passage herinneren uit een brief van 29 oktober 1880 aan A.P. Sinnett in Allahabad in India:

Er is meer dan één weg om occulte kennis te verkrijgen. ‘Talrijk zijn de wierookkorrels bestemd voor één en hetzelfde altaar: de ene valt eerder in het vuur, de andere later – het verschil in tijd betekent niets’, merkte een groot man op toen hem toelating en opperste inwijding in de mysteriën werd geweigerd.4

Het is een feit dat, toen Marcus in Athene aankwam na een inspectietocht en vredesmissie naar onder meer Antiochië en Alexandrië, hij in 175 of 176 inderdaad in Eleusis een inwijdingsrite heeft ondergaan. Dit was een wensdroom die hij allang koesterde. Zoals hij aan zijn Griekse leraar Herodus schreef: ‘Ik legde, toen de oorlog op zijn felst woedde, een gelofte af dat ook ik zou worden ingewijd.’5 Sommige geleerden menen dat hij die gelofte heeft afgelegd jegens zichzelf, toen hij vernam dat de tempel van Eleusis was verwoest. Later heeft hij de tempel gerestaureerd en tevens in Athene vier leerstoelen in de filosofie opgericht – voor Plato en Aristoteles, en voor de stoïcijnen en epicuristen.

We weten niet of deze toespeling in de brief aan Sinnett op Marcus Aurelius slaat of op een ander ‘groot man’. Misschien is het citaat een axioma van de mysterietraditie uit het verre verleden, waar ook Marcus van op de hoogte was. Van één ding kunnen we zeker zijn: ‘ingewijd’ te worden zoals Marcus dit werd, en Hadrianus vóór hem, betekende dat men uit die ervaring slechts ontving, wat men er inbracht, niet meer en niet minder. Want de mysteriescholen hadden, door het ontaarden van de innerlijke tucht en de aantasting door formalisme, hun oorspronkelijke zuiverheid allang verloren. Desondanks hadden de mysteriecentra zo’n diepgaande invloed uitgeoefend, dat de filosofen van de Grieks-Romeinse wereld het zelfs tot in de zesde eeuw, toen keizer Justinianus ze ten slotte sloot, nog steeds een eer en voorrecht achtten om hun zonen aan de aloude riten te laten deelnemen.

Het is best mogelijk dat Marcus Aurelius oprecht heeft gehoopt de ‘hoogste inwijding’ waardig te zijn, die eens de beloning kan zijn geweest voor hen, die tot de Grote Mysteriën werden toegelaten. Dit is echter niet van ceremonieel afhankelijk: het innerlijk toetsen van de ziel vindt op elk moment, overal en bij ieder individu plaats – tijdens het vervullen van onze persoonlijke en maatschappelijke verantwoordelijkheden. Bovendien moet Marcus hebben beseft dat voor iemand die door het lot in het heetst van de strijd was geworpen waar de levens van honderden mensen werden geofferd voor het keizerrijk – afgezien van de vraag hoe ‘rechtvaardig’ die zaak wel was of hoe oprecht zijn innerlijke motieven wel waren – de zuiverende wateren van de dood nodig waren, voordat een volgende geboorte hem misschien de gelegenheid zou bieden om deze heilige beproeving te mogen ondergaan.

Het klinkt paradoxaal dat iemand, wiens enige verlangen was het algemeen welzijn te dienen en geen enkel mens leed te berokkenen, zoveel tijd aan vechten heeft moeten besteden, om nog maar te zwijgen over de pestepidemieën, hongersnoden en voortdurende financiële aderlatingen door de buitenlandse oorlogen, waarmee hij had te kampen. Ondanks dit alles heeft Marcus bewonderenswaardige hervormingen in het rechtsstelsel tot stand gebracht en verscheidene belangrijke maatregelen afgekondigd die de hardheid en tegenstrijdigheden in de wetgeving moesten opheffen, in het bijzonder ten aanzien van de ‘zwakken en hulpelozen – weduwen, slaven en minderjarigen’. Men heeft hem zelfs de oprichting toegeschreven van een weeshuis voor meisjes; en bij één gelegenheid heeft hij, toen hij er achter kwam dat de armen niet in staat waren aan de eisen van de belastinginners te voldoen, opdracht gegeven al die belastingaanslagen in het Forum op een hoop te gooien en te verbranden.

Misschien is het achteraf beschouwd toch niet zo ongewoon, want Marcus Aurelius was een voorbeeld van hoe volgens Plato’s droom de ideale heerser dient te zijn, wanneer ‘filosofen koningen zijn, of de koningen of vorsten van deze wereld de geest en kracht bezitten van de filosofie, en politieke grootheid en wijsheid in één mens verenigd zijn’. (De Staat, Boek v.) Marcus Aurelius was inderdaad een heerser, die het kleed van de filosoof boven het keizerlijk gewaad verkoos, de rol van vredestichter boven die van opperbevelhebber.

Toch had karma, of zo men wil hadden de Schikgodinnen, de taak gekozen die hij moest krijgen. Terwijl Julius Caesar door veroveringen het rijk groter had gemaakt, en Augustus meer op het behoud ervan dan op verdere expansie had aangedrongen, hadden latere keizers zijn grenzen enorm uitgebreid. Daarom zag Marcus Aurelius zich niet alleen voor de taak gesteld een einde te maken aan de voortdurende aanvallen van Germaanse stammen uit het noorden, maar ook aan de rebellie van de pas geannexeerde oostelijke provincies. Dit zouden op zichzelf geen onoverkomelijke hindernissen zijn geweest. Maar, zoals zo vaak gebeurt, ontkiemden op het hoogtepunt van de materiële glorie de zaden van het innerlijk verval, zodat Marcus, ondanks de adel van zijn persoonlijke karakter en de achtenswaardigheid van zijn maatschappelijke doelstellingen, in een positie verkeerde waarin hij machteloos was om de krachten van verdeeldheid een halt toe te roepen, die uiteindelijk tot de ineenstorting van het Romeinse keizerrijk zouden voeren.

Wanneer we bedenken dat deze notities ‘aan hemzelf’ met tussenpozen werden gemaakt gedurende de laatste tien jaar van zijn leven, waarvan hij een groot deel op het slagveld doorbracht, zijn ze van nog groter betekenis. De historici hadden graag gezien dat hij er op zijn minst een paar nieuwsberichten in had opgenomen, maar alles wat we hebben zijn een paar droge vermeldingen van plaatsen, zoals ‘bij de Quaden, aan de rivier de Gran’, of ‘te Carnuntum’. Hij was toen allang de bloei van zijn jeugd gepasseerd en verre van gezond, en met om hem heen zoveel soldaten die sneuvelden, wekt het weinig verbazing dat hij zo vaak schreef over de vergankelijkheid van het leven, de ijdelheid van de roem en de altijd aanwezige dreiging van de dood.

Hoewel een enkeling van mening is dat zijn filosofie pessimistisch is getint, is ze dit volstrekt niet. Als gevolg van de gebiedende eis zich innerlijk in bedwang te houden ten aanzien van zijn gedachten en gevoelens, onderzoekt hij zichzelf in elk opzicht, zonder genade en toch steeds met die waardigheid van ziel die het kenmerk is van hen, voor wie zelfdiscipline en dienstbetoon in een zaak die belangrijker is dan henzelf, tot een gewoonte zijn geworden. De in hem levende overtuiging dat een ‘heilige verbintenis’ alle dingen bijeenhoudt, omdat ze alle in het goddelijke zijn geworteld, blijkt door alles heen. Integriteit, zelf-uitdaging, gevoel en begrip voor de zwakheden en behoeften van anderen, en een kalm en rustig vertrouwen in de majesteit en het doel van het levenspatroon – dit zijn de kenmerken van het boek zowel als van deze mens.

 

Noten

  1. In het Nederlands uitgegeven onder verschillende titels: Persoonlijke Notities, en Zelfbespiegelingen, en Overpeinzingen.
  2. We kunnen het tragische martelaarschap van de christenen onder zijn principaat niet wegredeneren. Blijkbaar heeft Marcus Aurelius de Romeinse wet zijn loop laten hebben en kregen daardoor Justinus en anderen, die weigerden aan de druk van de staat toe te geven, de doodstraf. Liefhebbers van zijn Meditations hebben het een uitermate pijnlijk probleem gevonden om dit op redelijke wijze te verklaren, want het is volkomen in tegenspraak met zijn karakter zoals we dat kenen. We moeten echter bedenken, dat er een algemeen heersend fanatisme was, zowel bij hen die dapper de bestaande Romeinse traditie hooghielden, als bij de aanmatigende ‘verdedigers van het nieuwe geloof’, die vaak met opzet hun aanklagers provoceerden om zo hun eigen dood zeker te stellen. –i‘Het bloed van de martelaren is het zaad van de Kerk.’
  3. Five Stages of Greek Religion, blz. 168-9.
  4. De Mahatma Brieven, blz. 19.
  5. Marcus Aurelius, Anthony Birley, blz. 267.
 
Oude culturen/beschavingen en hun spirituele tradities: Italië
 

Uit het tijdschrift Sunrise jul/aug 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency