In deze tijd waarin veel meer aan vergelijkende godsdienststudie wordt
gedaan dan ooit tevoren, wordt geprobeerd de geschiedenis te schrijven
van de verschillende vormen waarin de mens in het verleden uiting gaf
aan zijn verlangen naar het goddelijke. De meeste geleerden geven echter
slechts een opsomming van de uiterlijke gebeurtenissen die plaatsvonden
toen een nieuwe religie werd geboren en zich onder een bepaald volk
ontwikkelde. Die gebeurtenissen geven hoogstens een vage aanduiding
van de innerlijke betekenis van de religieuze ervaringen, die zo velen
in hun tijd aanzetten tot een nieuwe zienswijze en/of een nieuwe levenshouding.
Het doet ons denken aan de ijsberg waarvan slechts een fractie boven
het zeeoppervlak zichtbaar is. In het geval van de religie is wat uit
het leven van de belijders blijkt, het kleine topje dat boven het water
uitsteekt, daaronder bevinden zich de onzichtbare stromingen die ziel
en geest beroeren. In de godsdienstgeschiedenis, zoals wij die in de
standaardwerken aantreffen, ontbreekt een schakel – de ongrijpbare
essentie die uit de geestelijke natuur van de mens stroomt en van eeuw
tot eeuw enkelen inspireert tot het opnieuw formuleren van de oude waarheden
op een eigentijdse manier.
Religies kunnen ruwweg in twee soorten worden geclassificeerd; de eerste
soort betreft een zoektocht waarin de mensen worden aangemoedigd gelijk
te worden aan een bepaalde figuur die wordt gerespecteerd als iemand
die verlichting heeft ontvangen omtrent het leven en de levensproblemen.
De andere soort baseert zich op een ‘openbaring’ ervaren
door iemand van wie de volgelingen in hem of haar geloven als een unieke
figuur die een goddelijke leer heeft ontvangen. De eerste groep verwelkomt
allen die ‘proberen’ – mensen die ernaar streven hun
karakter en inzicht te vervolmaken en een voortreffelijk mens te worden
die de vergeestelijking van zijn menszijn heeft bereikt. De tweede verheft
de leer van de gelovigen die later dikwijls verstarren tot een broederschap
van ‘geredden’, terwijl de anderen worden geacht zich buiten
de tempel te bevinden. De toegewijde aanhangers van beide benaderingswijzen
dringen door tot het hart van het goddelijke, zoals de symbolische Krishna
van de Bhagavad-Gita in dat onsterfelijke klassieke hindoeverhaal
duidelijk maakt.
Wijlen professor Arnold Toynbee opperde de gedachte dat een beschaving
tot stand kwam als gevolg van een gewoonlijk mystieke reactie op een
uitdaging; of met andere woorden, van een menselijke reactie op een
geestelijke uitdaging. Ondanks de kritiek van een aantal beroepshistorici,
bevat zijn theorie veel dat aanbeveling verdient. Iedere historicus
onderzoekt immers een groot aantal documenten en selecteert datgene
waarvan hij vindt dat het relevant is voor het verhaal dat hij wil vertellen;
de betekenis die hij aan een bepaalde zaak toeschrijft wordt bepaald
door zijn reeds gevormde opvatting. De nadruk die de ene opvatting krijgt
boven de andere, is gebaseerd op waardeoordelen die strikt genomen het
gevolg zijn van een vooraf ontwikkeld standpunt. Van een materialist
of een sceptisch historicus kan nauwelijks worden verwacht dat hij een
niet-materialistische onderstroom in de dagelijkse gebeurtenissen zal
zien, laat staan overwegen. Het alleen maar catalogiseren van de verschillende
gebeurtenissen die nu religieus worden genoemd, zal de werkelijke stuwende
kracht, die gloed verleende aan een nieuwe presentatie van de oude grondgedachten,
niet zichtbaar maken.
Neem bijvoorbeeld de verloren gegane geschiedenis van het begin van
het christendom. Het Nieuwe Testament biedt ons niet veel meer dan een
aantal schijnbaar onoplosbare problemen wanneer wij het eenvoudig lezen
als een historisch verhaal. In zijn boek The Pentacost Revolution
(Macdonald and Jane’s, London, 1974, 312 blz., met chronologie
en index) onderzoekt Hugh J. Schonfield de oorsprong van deze godsdienst
in een strikt letterlijke benadering. Hij borduurt daarin voort op het
thema van zijn eerdere boeken: The Passover Plot, Those
Incredible Christians en The Jesus Party, namelijk zijn
sociaal-politieke zienswijze. Zijn boeken getuigen van een nauwgezet
onderzoek en geven een schat aan bijzonderheden, die voor iedere belangrijke
stap in zijn behandeling zijn gedocumenteerd. Maar hij selecteert zijn
materiaal en behandelt de opgetekende gebeurtenissen volgens een methode
die ‘van buiten naar binnen’ is gericht. Dat wil zeggen,
hij behandelt de religieuze documenten op soortgelijke manier als waarop
een academisch historicus zijn gegevens gebruikt over een volk of gebeurtenis,
over mensen of oorzaken, bewegingen, revoluties en contrarevoluties.
Waar is het hart van de Christusleer, die magische essentie of het charisma
waardoor de vroege volgelingen werden aangetrokken en geïnspireerd
en die daarna zovele miljoenen mensen in de verwesterde beschaving tot
steun is geweest?
Weliswaar biedt Hugh Schonfield een kroniek van gebeurtenissen die
hij uit vele bronnen bijeen heeft gevoegd, maar het christos-element
verdwijnt door de mazen van zijn betoog. Zijn poging alles aaneen te
smelten levert een analyse op van de uiterlijke aspecten van de verhalen.
De achtergrond is er wel, maar de hoofdfiguur op de voorgrond –
het mystieke element – ontbreekt. Hij houdt geen rekening met
de bijdragen aan de religie van vele groeperingen in het Midden-Oosten
buiten die uit de kring waarin de avatara1
verscheen. De gnostische sectariërs in Judea en de omliggende gebieden
waren niet de enigen die iets bijdroegen aan de geschriften die wij
christelijk noemen.
De Syrische mysteriescholen leverden aanschouwelijke beelden zoals
de kruisiging, een symbolische ceremonie voor een kandidaat voor geestelijke
verlichting. Hij werd op een kruisvormige bank gebonden als teken dat
zijn leven aan geest en stof was gebonden; waar de twee armen van het
kruis bijeenkwamen was het centrale punt, symbolisch voor het gebied
van zijn manifestatie. Met andere woorden, de ontmoetingsplaats van
stof en geest is waar de twee krachten in evenwicht zijn, waar een wereld
of een mens zich manifesteert. Met banden aan de polsen en enkels, zijn
lichaam in trance, zocht de ziel van de kandidaat bewust zijn weg door
de psychische ervaringen die vergelijkbaar zijn met de toestanden na
de dood.
De mysteriescholen verschaften ook een term als de ‘dieven’
die sloeg op de niet-ingewijden die kruimels wijsheid ‘stalen’
van de tafel van de ingewijden. Dat wil zeggen, de ‘dieven’
waren die neofieten die nog niet door hun eigen innerlijke godheid waren
verlicht. Elk hoekje en gaatje van hun karakter moest tot het uiterste
worden beproefd. Geen atoom egoïsme, eerzucht of meedogenloosheid
mag onbeproefd passeren, want alleen die kandidaten die grondig waren
voorbereid en bezield van het verlangen hun medemensen te dienen, konden
worden vertrouwd om de kennis die zij op hun weg hadden verworven niet
te misbruiken.
De werkelijke geschiedenis die in het Nieuwe Testament is
vastgelegd ontbreekt in de weergave van Schonfield, ondanks de verhalen
die hij over de daarin voorkomende figuren en hun handelingen verzamelt.
Hoe gedetailleerd zulke beschrijvingen ook zijn, ze zijn van weinig
belang naast het grootse thema van de ‘val’ van de geest
in de stof – een proces dat leidt tot evolutie van potentiële
eigenschappen, gevolgd door een involutie tot zelfbewuste goddelijkheid.
In laatstgenoemde betekenis vertegenwoordigen de ‘dieven’
de stoffelijke boeien die wij identificeren met ons lichaam in de dagelijkse
ervaringen, en tussen hen in werd het geestelijke aspect van de mens
‘gekruisigd’. Want deze ‘dieven’ zouden ons
van onze geestelijke aard ‘beroven’, omdat zij de lagere
begeerten van onze emotionele natuur waren, onze neiging om zelfs de
meest onstoffelijke en verfijnde aspecten van ons leven te rationaliseren
en zinnelijk waarneembaar te maken.
Er is beweerd dat het Nieuwe Testament geen nauwkeurige weergave is
van wat er historisch plaatsvond en sommige geleerden hebben zelfs beweerd
dat het helemaal niet historisch is. Albert Schweitzer bijvoorbeeld
wijst in zijn Quest for the Historical Jesus, op het gebrek
aan eigentijdse bewijzen ter ondersteuning van het kerkelijke dogma.
Maar de eerste christenen schijnen de Evangeliën niet als een strikte
weergave van de dagelijkse gebeurtenissen in Judea te hebben bedoeld.
Zij waren er tevreden mee zich ‘chrestenen’ te noemen, dat
wil zeggen aspiranten op weg om christenen te worden of mannen en vrouwen
verlicht door christos, de meedogende ziel van de kosmos.
Indien de geschriften niet als een feitelijk verhaal waren bedoeld,
dan waren ze ongetwijfeld gegeven als een gids voor reizigers op weg
naar de gebieden van ‘innerlijke ruimte’ of bewustzijn.
Wat er tijdens de Romeinse bezetting van het Midden-Oosten ook mag zijn
gebeurd, iedere episode van het Nieuwe Testament is in geestelijk
opzicht waar en vertegenwoordigt datgene wat wij innerlijk allemaal
moeten ondergaan wanneer wij meesterschap over onszelf willen bereiken.
Tijdens de zonnestilstand in december heeft de wedergeboorte plaats
van het goddelijk kind in ons hart – spraken de vroege christenen
in een bijzonder mooie hymne niet van hun christus als ‘sol
invictus’, de onoverwinnelijke ‘zon’ in ieder van
ons? Op de dag- en nachtevening met Pasen gedenken we in werkelijkheid
het ‘lijden’ of het offer van dat hogere element in zijn
pogingen om het lagere, ons menselijke zelf, te helpen. Deze aanschouwelijke
verhalen kwamen niet alleen voor bij de oorspronkelijke christenen,
maar waren algemeen bekend aan de Scandinaviërs en de Kelten, de
Egyptenaren en in feite aan vele mensenrassen. Zij allen herdenken (Driekoningen)
Epifanie of ‘het verschijnen’ van het goddelijk aspect in
het menselijk zelf – de goddelijkheid die in het hart van alle
wezens besloten ligt.
De gnostische ziel van de nieuwe godsdienst werd overweldigd door zijn
verstoffelijkte lichaam toen het christendom een officiële godsdienst
werd en een staatsinstrument van het Romeinse keizerrijk. Laatstgenoemde
predikte de ‘vleselijke leer’ waarvan Paulus zei dat hij
deze niet onderwees, want hij streefde ernaar om allen met wie hij in
aanraking kwam bewust te maken van de godsvonk of christos-essentie
die iedereen is aangeboren.
We moeten niet denken dat er één religie is waarvan de
oorspronkelijke leringen niet zijn overdekt met de dogmatische neerslag
van generaties van mensen met minder inzicht dan hun voorgangers. De
zware last van de systematische theologie rust op de schouders van allen.
Zoals de mystici van het westen hebben gewaarschuwd tegen een overmatige
letterknechterij en getheoretiseer en de gevaren van een orthodoxie
die ex cathedra spreekt en onderwerping aan de kerk oplegt,
zo waarschuwde Tsong-kha-pa in het 14de eeuwse Tibet zijn volk tegen
de ‘brahmanisering’ van een nieuw geschrift dat in zijn
tijd over de ‘boeddha-essentie’ uitkwam; dat alle wezens
een ‘boeddha-essentie’ hadden die wij tot uitdrukking moeten
brengen.
De vier jaargetijden van de oudheid kunnen we vergelijken met de vier
streken van het kompas waaruit al het goede en alle aanmoediging stromen.
Wat wij besluiten te doen met wat we ontvangen, hangt af van onze toewijding
en onze gevoelens voor anderen, omdat we allen onderweg zijn naar de
menselijke verlossing door helpers van de goden van het heelal te worden.
Deze ideeën en wat ze met zich meebrengen voor de mens en de kosmos,
vertegenwoordigen het wezen van religie. Ze komen voort uit het hart
van het zijn, dat voortdurend met nieuw leven klopt en nieuwe uitdrukkingsvormen
nodig heeft. Niets is statisch in dit grote heelal, alles vloeit. Zoals
de opaal zijn lichtgloed uitstraalt uit zijn innerlijke wezen, zo dragen
ook de religies de straling in zich van de inspiratie van hun grondleggers
en van ontelbare toegewijde dienaren. Deze kwaliteiten moeten in onszelf
worden opgewekt en door liefdevolle daden voortdurend worden gekoesterd,
willen we tot de kern van een religie doordringen. Alleen dan gaan we
begrijpen wat de betekenis en het doel ervan zijn, en wat er plaatsvindt
achter de schijn van de dagelijkse gebeurtenissen die ermee zijn verbonden.
Noot
- Avatara is een term uit India voor een wezen van wie
lichaam, ziel en geest uit drie bronnen voortkomen. De ziel of het
tussendeel is van een reeds hoogontwikkeld mens, terwijl het geestelijk-goddelijk
deel de overschaduwing is door een entiteit die zich door en voorbij
het menselijke stadium heeft ontwikkeld.