Een ontbrekende schakel in de godsdienstgeschiedenis:
Het vuur van de ziel
Manuel Oderberg

 

In deze tijd waarin veel meer aan vergelijkende godsdienststudie wordt gedaan dan ooit tevoren, wordt geprobeerd de geschiedenis te schrijven van de verschillende vormen waarin de mens in het verleden uiting gaf aan zijn verlangen naar het goddelijke. De meeste geleerden geven echter slechts een opsomming van de uiterlijke gebeurtenissen die plaatsvonden toen een nieuwe religie werd geboren en zich onder een bepaald volk ontwikkelde. Die gebeurtenissen geven hoogstens een vage aanduiding van de innerlijke betekenis van de religieuze ervaringen, die zo velen in hun tijd aanzetten tot een nieuwe zienswijze en/of een nieuwe levenshouding. Het doet ons denken aan de ijsberg waarvan slechts een fractie boven het zeeoppervlak zichtbaar is. In het geval van de religie is wat uit het leven van de belijders blijkt, het kleine topje dat boven het water uitsteekt, daaronder bevinden zich de onzichtbare stromingen die ziel en geest beroeren. In de godsdienstgeschiedenis, zoals wij die in de standaardwerken aantreffen, ontbreekt een schakel – de ongrijpbare essentie die uit de geestelijke natuur van de mens stroomt en van eeuw tot eeuw enkelen inspireert tot het opnieuw formuleren van de oude waarheden op een eigentijdse manier.

Religies kunnen ruwweg in twee soorten worden geclassificeerd; de eerste soort betreft een zoektocht waarin de mensen worden aangemoedigd gelijk te worden aan een bepaalde figuur die wordt gerespecteerd als iemand die verlichting heeft ontvangen omtrent het leven en de levensproblemen. De andere soort baseert zich op een ‘openbaring’ ervaren door iemand van wie de volgelingen in hem of haar geloven als een unieke figuur die een goddelijke leer heeft ontvangen. De eerste groep verwelkomt allen die ‘proberen’ – mensen die ernaar streven hun karakter en inzicht te vervolmaken en een voortreffelijk mens te worden die de vergeestelijking van zijn menszijn heeft bereikt. De tweede verheft de leer van de gelovigen die later dikwijls verstarren tot een broederschap van ‘geredden’, terwijl de anderen worden geacht zich buiten de tempel te bevinden. De toegewijde aanhangers van beide benaderingswijzen dringen door tot het hart van het goddelijke, zoals de symbolische Krishna van de Bhagavad-Gita in dat onsterfelijke klassieke hindoeverhaal duidelijk maakt.

Wijlen professor Arnold Toynbee opperde de gedachte dat een beschaving tot stand kwam als gevolg van een gewoonlijk mystieke reactie op een uitdaging; of met andere woorden, van een menselijke reactie op een geestelijke uitdaging. Ondanks de kritiek van een aantal beroepshistorici, bevat zijn theorie veel dat aanbeveling verdient. Iedere historicus onderzoekt immers een groot aantal documenten en selecteert datgene waarvan hij vindt dat het relevant is voor het verhaal dat hij wil vertellen; de betekenis die hij aan een bepaalde zaak toeschrijft wordt bepaald door zijn reeds gevormde opvatting. De nadruk die de ene opvatting krijgt boven de andere, is gebaseerd op waardeoordelen die strikt genomen het gevolg zijn van een vooraf ontwikkeld standpunt. Van een materialist of een sceptisch historicus kan nauwelijks worden verwacht dat hij een niet-materialistische onderstroom in de dagelijkse gebeurtenissen zal zien, laat staan overwegen. Het alleen maar catalogiseren van de verschillende gebeurtenissen die nu religieus worden genoemd, zal de werkelijke stuwende kracht, die gloed verleende aan een nieuwe presentatie van de oude grondgedachten, niet zichtbaar maken.

Neem bijvoorbeeld de verloren gegane geschiedenis van het begin van het christendom. Het Nieuwe Testament biedt ons niet veel meer dan een aantal schijnbaar onoplosbare problemen wanneer wij het eenvoudig lezen als een historisch verhaal. In zijn boek The Pentacost Revolution (Macdonald and Jane’s, London, 1974, 312 blz., met chronologie en index) onderzoekt Hugh J. Schonfield de oorsprong van deze godsdienst in een strikt letterlijke benadering. Hij borduurt daarin voort op het thema van zijn eerdere boeken: The Passover Plot, Those Incredible Christians en The Jesus Party, namelijk zijn sociaal-politieke zienswijze. Zijn boeken getuigen van een nauwgezet onderzoek en geven een schat aan bijzonderheden, die voor iedere belangrijke stap in zijn behandeling zijn gedocumenteerd. Maar hij selecteert zijn materiaal en behandelt de opgetekende gebeurtenissen volgens een methode die ‘van buiten naar binnen’ is gericht. Dat wil zeggen, hij behandelt de religieuze documenten op soortgelijke manier als waarop een academisch historicus zijn gegevens gebruikt over een volk of gebeurtenis, over mensen of oorzaken, bewegingen, revoluties en contrarevoluties. Waar is het hart van de Christusleer, die magische essentie of het charisma waardoor de vroege volgelingen werden aangetrokken en geïnspireerd en die daarna zovele miljoenen mensen in de verwesterde beschaving tot steun is geweest?

Weliswaar biedt Hugh Schonfield een kroniek van gebeurtenissen die hij uit vele bronnen bijeen heeft gevoegd, maar het christos-element verdwijnt door de mazen van zijn betoog. Zijn poging alles aaneen te smelten levert een analyse op van de uiterlijke aspecten van de verhalen. De achtergrond is er wel, maar de hoofdfiguur op de voorgrond – het mystieke element – ontbreekt. Hij houdt geen rekening met de bijdragen aan de religie van vele groeperingen in het Midden-Oosten buiten die uit de kring waarin de avatara1 verscheen. De gnostische sectariërs in Judea en de omliggende gebieden waren niet de enigen die iets bijdroegen aan de geschriften die wij christelijk noemen.

De Syrische mysteriescholen leverden aanschouwelijke beelden zoals de kruisiging, een symbolische ceremonie voor een kandidaat voor geestelijke verlichting. Hij werd op een kruisvormige bank gebonden als teken dat zijn leven aan geest en stof was gebonden; waar de twee armen van het kruis bijeenkwamen was het centrale punt, symbolisch voor het gebied van zijn manifestatie. Met andere woorden, de ontmoetingsplaats van stof en geest is waar de twee krachten in evenwicht zijn, waar een wereld of een mens zich manifesteert. Met banden aan de polsen en enkels, zijn lichaam in trance, zocht de ziel van de kandidaat bewust zijn weg door de psychische ervaringen die vergelijkbaar zijn met de toestanden na de dood.

De mysteriescholen verschaften ook een term als de ‘dieven’ die sloeg op de niet-ingewijden die kruimels wijsheid ‘stalen’ van de tafel van de ingewijden. Dat wil zeggen, de ‘dieven’ waren die neofieten die nog niet door hun eigen innerlijke godheid waren verlicht. Elk hoekje en gaatje van hun karakter moest tot het uiterste worden beproefd. Geen atoom egoïsme, eerzucht of meedogenloosheid mag onbeproefd passeren, want alleen die kandidaten die grondig waren voorbereid en bezield van het verlangen hun medemensen te dienen, konden worden vertrouwd om de kennis die zij op hun weg hadden verworven niet te misbruiken.

De werkelijke geschiedenis die in het Nieuwe Testament is vastgelegd ontbreekt in de weergave van Schonfield, ondanks de verhalen die hij over de daarin voorkomende figuren en hun handelingen verzamelt. Hoe gedetailleerd zulke beschrijvingen ook zijn, ze zijn van weinig belang naast het grootse thema van de ‘val’ van de geest in de stof – een proces dat leidt tot evolutie van potentiële eigenschappen, gevolgd door een involutie tot zelfbewuste goddelijkheid. In laatstgenoemde betekenis vertegenwoordigen de ‘dieven’ de stoffelijke boeien die wij identificeren met ons lichaam in de dagelijkse ervaringen, en tussen hen in werd het geestelijke aspect van de mens ‘gekruisigd’. Want deze ‘dieven’ zouden ons van onze geestelijke aard ‘beroven’, omdat zij de lagere begeerten van onze emotionele natuur waren, onze neiging om zelfs de meest onstoffelijke en verfijnde aspecten van ons leven te rationaliseren en zinnelijk waarneembaar te maken.

Er is beweerd dat het Nieuwe Testament geen nauwkeurige weergave is van wat er historisch plaatsvond en sommige geleerden hebben zelfs beweerd dat het helemaal niet historisch is. Albert Schweitzer bijvoorbeeld wijst in zijn Quest for the Historical Jesus, op het gebrek aan eigentijdse bewijzen ter ondersteuning van het kerkelijke dogma. Maar de eerste christenen schijnen de Evangeliën niet als een strikte weergave van de dagelijkse gebeurtenissen in Judea te hebben bedoeld. Zij waren er tevreden mee zich ‘chrestenen’ te noemen, dat wil zeggen aspiranten op weg om christenen te worden of mannen en vrouwen verlicht door christos, de meedogende ziel van de kosmos.

Indien de geschriften niet als een feitelijk verhaal waren bedoeld, dan waren ze ongetwijfeld gegeven als een gids voor reizigers op weg naar de gebieden van ‘innerlijke ruimte’ of bewustzijn. Wat er tijdens de Romeinse bezetting van het Midden-Oosten ook mag zijn gebeurd, iedere episode van het Nieuwe Testament is in geestelijk opzicht waar en vertegenwoordigt datgene wat wij innerlijk allemaal moeten ondergaan wanneer wij meesterschap over onszelf willen bereiken.

Tijdens de zonnestilstand in december heeft de wedergeboorte plaats van het goddelijk kind in ons hart – spraken de vroege christenen in een bijzonder mooie hymne niet van hun christus als ‘sol invictus’, de onoverwinnelijke ‘zon’ in ieder van ons? Op de dag- en nachtevening met Pasen gedenken we in werkelijkheid het ‘lijden’ of het offer van dat hogere element in zijn pogingen om het lagere, ons menselijke zelf, te helpen. Deze aanschouwelijke verhalen kwamen niet alleen voor bij de oorspronkelijke christenen, maar waren algemeen bekend aan de Scandinaviërs en de Kelten, de Egyptenaren en in feite aan vele mensenrassen. Zij allen herdenken (Driekoningen) Epifanie of ‘het verschijnen’ van het goddelijk aspect in het menselijk zelf – de goddelijkheid die in het hart van alle wezens besloten ligt.

De gnostische ziel van de nieuwe godsdienst werd overweldigd door zijn verstoffelijkte lichaam toen het christendom een officiële godsdienst werd en een staatsinstrument van het Romeinse keizerrijk. Laatstgenoemde predikte de ‘vleselijke leer’ waarvan Paulus zei dat hij deze niet onderwees, want hij streefde ernaar om allen met wie hij in aanraking kwam bewust te maken van de godsvonk of christos-essentie die iedereen is aangeboren.

We moeten niet denken dat er één religie is waarvan de oorspronkelijke leringen niet zijn overdekt met de dogmatische neerslag van generaties van mensen met minder inzicht dan hun voorgangers. De zware last van de systematische theologie rust op de schouders van allen. Zoals de mystici van het westen hebben gewaarschuwd tegen een overmatige letterknechterij en getheoretiseer en de gevaren van een orthodoxie die ex cathedra spreekt en onderwerping aan de kerk oplegt, zo waarschuwde Tsong-kha-pa in het 14de eeuwse Tibet zijn volk tegen de ‘brahmanisering’ van een nieuw geschrift dat in zijn tijd over de ‘boeddha-essentie’ uitkwam; dat alle wezens een ‘boeddha-essentie’ hadden die wij tot uitdrukking moeten brengen.

De vier jaargetijden van de oudheid kunnen we vergelijken met de vier streken van het kompas waaruit al het goede en alle aanmoediging stromen. Wat wij besluiten te doen met wat we ontvangen, hangt af van onze toewijding en onze gevoelens voor anderen, omdat we allen onderweg zijn naar de menselijke verlossing door helpers van de goden van het heelal te worden.

Deze ideeën en wat ze met zich meebrengen voor de mens en de kosmos, vertegenwoordigen het wezen van religie. Ze komen voort uit het hart van het zijn, dat voortdurend met nieuw leven klopt en nieuwe uitdrukkingsvormen nodig heeft. Niets is statisch in dit grote heelal, alles vloeit. Zoals de opaal zijn lichtgloed uitstraalt uit zijn innerlijke wezen, zo dragen ook de religies de straling in zich van de inspiratie van hun grondleggers en van ontelbare toegewijde dienaren. Deze kwaliteiten moeten in onszelf worden opgewekt en door liefdevolle daden voortdurend worden gekoesterd, willen we tot de kern van een religie doordringen. Alleen dan gaan we begrijpen wat de betekenis en het doel ervan zijn, en wat er plaatsvindt achter de schijn van de dagelijkse gebeurtenissen die ermee zijn verbonden.

 

Noot

  1. Avatara is een term uit India voor een wezen van wie lichaam, ziel en geest uit drie bronnen voortkomen. De ziel of het tussendeel is van een reeds hoogontwikkeld mens, terwijl het geestelijk-goddelijk deel de overschaduwing is door een entiteit die zich door en voorbij het menselijke stadium heeft ontwikkeld.
 
Andere artikelen waarin verschillende religies, tradities, of mythen met elkaar worden vergeleken
 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency