Het boek New Metaphysical Foundations of Modern Science (Nieuwe
metafysische grondslagen van de moderne wetenschap), uitgegeven door
het Institute of Noetic Sciences (instituut voor beschouwende wetenschappen),1
levert een aanzienlijke bijdrage aan de discussie over de toekomst van
de wetenschap. Het bevat verhandelingen geschreven door wetenschappers
en filosofen afkomstig uit een breed scala van vakgebieden, die allemaal
de overtuiging delen dat de wetenschap dringend haar impliciete veronderstellingen
over de aard van de werkelijkheid aan een nieuwe beschouwing dient te
onderwerpen, omdat deze hebben geleid tot verwaarlozing of ontkenning
van belangrijke gebieden van menselijke ervaring – vooral de verschijnselen
die met het bewustzijn te maken hebben.
De benaderingswijzen van de veertien auteurs lopen uiteen, maar Willis
Harman, president van het Institute of Noetic Sciences (IONS), haalt
in zijn openende en afsluitende hoofdstukken enkele van de algemene
thema’s naar voren. Hij beweert dat de moderne wetenschap op twee
hoofd-veronderstellingen is gebaseerd: a) gescheidenheid – van
mens en natuur, het denkvermogen en de materie, het organisme en zijn
omgeving, en de scheidbaarheid van onderdelen van een systeem of een
organisme om tot begrip te komen van hoe het ‘echt’ in elkaar
zit; en b) dat het beeld van de wetenschap over de werkelijkheid alleen
gebaseerd behoort te zijn op fysiek waarneembare gegevens. Hij roept
op tot een ‘uitgebreide wetenschap’ of ‘heelheid-wetenschap’,
gebaseerd op twee tegenovergestelde veronderstellingen: a) dat alles
met elkaar is verbonden, zodat het stoffelijke heelal en het bewustzijn,
denkvermogen en materie, samen een fundamentele eenheid of heelheid
vormen; en b) dat er twee ingangen zijn tot het verwerven van kennis
over de werkelijkheid: het objectieve, via de fysieke zintuigen, en
het subjectieve, via de intuïtieve en esthetische vermogens. Hij
schrijft:
Bepaalde aspecten van de eenheid die het Geheel is,
zullen nog steeds met goed resultaat kunnen worden bestudeerd door
middel van de op afgescheidenheid gebaseerde wetenschap. Dit soort
wetenschap zal, als slechts een onderdeel van een meer uitgebreide
wetenschap, echter niet langer het gezag hebben om vol te houden dat
we alleen hier zijn vanwege toevallige oorzaken, en in een zinloos
heelal; en ook niet dat ons bewustzijn ‘louter’ uit de
chemische en fysische processen van de hersenen bestaat.
– blz. 383
Terwijl al onze waarnemingen afhankelijk zijn van ons bewuste zelf,
lijkt de wetenschap die op deze waarnemingen is gebouwd geen plaats
te hebben voor een zelf. Het wetenschappelijk materialisme heeft vanouds
het denken tot een bijproduct van de hersenen gereduceerd en het elke
oorzakelijke rol ontnomen. Een van de auteurs, wijlen de neuroloog en
Nobelprijswinnaar Roger Sperry, is van mening dat de wetenschap deze
fout al in belangrijke mate heeft rechtgezet. Als gevolg van de ‘bewustzijnsrevolutie’
in de jaren ‘70, waar hij een belangrijke rol in speelde, is in
deze tijd de gangbare opvatting dat bewuste mentale toestanden ‘tevoorschijn
tredende eigenschappen’ van hersenprocessen zijn, en in staat
zijn, zoals in op de vrije wil gebaseerde handelingen, oorzakelijke
gevolgen voort te brengen; er is daarom sprake van een ‘benedenwaarts
gerichte’ oorzakelijkheid van het bewustzijn, naast de ‘opwaarts
gerichte’ oorzakelijkheid zoals die door de reductionistische
wetenschap wordt beschreven. Sperry verklaart deze ‘tevoorschijn
tredende eigenschappen’ in zuiver materiële termen; hij zegt
dat ze samenhangen met ‘hogere regionen van hersenprocessen’
en ‘als functionele gehelen werken in de dynamica van neurale
netwerken’, hoewel hij toegeeft dat de wetenschap vooralsnog niet
begrijpt hoe deze processen op hogere niveaus zouden werken. Hij noemt
deze benadering het ‘nieuwe mentalisme’, maar het lijkt
meer op een iets verfijnde versie van het ‘oude materialisme’.
Hij stelt dat verschijnselen als telepathie, helderziendheid, channeling,
reïncarnatie en psychokinese voor een mentalist ‘logische
onmogelijkheden’ zijn en waarschuwt ertegen de deuren van de wetenschap
open te zetten voor ‘het bovennatuurlijke, het mystieke, het paranormale,
het occulte, het anderwereldse’. Harman daarentegen zegt dat de
meeste mensen die de moeite hebben genomen het onderwerp te onderzoeken,
onder de indruk raakten van de bewijzen die pleiten voor paranormale
verschijnselen, een voortbestaan na de dood en reïncarnatie.
Een van de andere auteurs, Richard Dixey, accepteert het concept van
de ‘tevoorschijn tredende eigenschappen’, maar is van mening
dat zij meer dan alleen het product van de interacties tussen de delen
van het betreffende systeem zijn. Volgens hem is het extra ingrediënt
‘informatie’, die naar hij zegt ‘in potentie oneindig’
is en ‘zichzelf bindt’ aan materie, waardoor het wetmatige
gedrag van materie wordt veroorzaakt, en ook de nieuwe eigenschappen,
die tevoorschijn treden als materie in steeds complexere vormen wordt
gerangschikt. Hij zegt niets over de aard van deze informatie, waar
ze vandaan komt, of hoe ze op de materie inwerkt.
Terwijl Sperry volhoudt dat bewustzijn begrepen kan worden zonder de
quantumfysica, voeren Robert Jahn en Brenda Dunne aan dat begrippen
uit de quantummechanica zoals de complementariteit van het golf- en
deeltjeskarakter, barrièrepenetratie en het onzekerheidsprincipe
voorzien in ‘bruikbare analogiën’ voor het begrijpen
van aan bewustzijn gerelateerde verschijnselen, normale zowel als paranormale.
Mae-Wan Ho neemt een soortgelijk standpunt in, en zegt dat bewustzijn
kan worden voorgesteld als een quantumgolffunctie. De quantummechanica
brengt ons echter slechts één stap voorbij de fysieke
materie en haar processen naar het onderliggende quantumveld, en laat
ons nog steeds zitten met een beeld van het denken als zijnde onverbrekelijk
verbonden met de hersenen. Deze benadering lijkt daarom geen ruimte
te bieden voor een leven na de dood en voor reïncarnatie, omdat
deze alleen mogelijk zijn als ons bewuste zelf onafhankelijk van de
hersenen kan bestaan. Een andere auteur, de natuurkundige Arthur Zajonc,
verwijst naar de opvatting van Rudolf Steiner dat mensen niet alleen
een fysiek lichaam hebben maar tevens drie meer fijnstoffelijke lichamen:
een etherlichaam, dat verantwoordelijk is voor vorm en leven; een astraal
lichaam, dat aanleiding geeft tot een gevoelsbewustzijn; en een zelf-bewust
ego. Zajonc schijnt deze ‘fijnstoffelijke lichamen’ echter
te beschouwen als weinig meer dan metaforen, en niet zozeer als substantiële
maar niet-fysieke entiteiten.
De bioloog en Nobelprijswinnaar George Wald bepleit dat het denken
altijd heeft bestaan in plaats van dat het een zeer recente ontwikkeling
in de evolutie van levende wezens is, beperkt tot organismen met de
meest complexe zenuwstelsels, en dat het heelal leven-voortbrengend
is, omdat de allesdoordringende aanwezigheid van denkvermogen daartoe
aanzet heeft gegeven. Daarentegen wijst de bioloog Brian Goodwin het
idee van de hand dat vitale of spirituele krachten een rol in de evolutie
spelen. Hij bekritiseert ook de orthodoxe biologie omdat ze organismen
slechts probeert te verklaren in termen van hun ‘genetische programma’s’.
Hij stelt:
Een genetisch programma kan de moleculaire samenstelling
van het zich ontwikkelende organisme op elk moment in zijn ontwikkeling
bepalen, maar dit is onvoldoende om de processen te verklaren die
leiden tot een hart, een zenuwstelsel of andere organen.
– blz. 223
De nieuwe biologie, zegt hij, moet erkennen dat organismen ‘zelf-organiserende
heelheden’ zijn, voortgebracht door ‘dynamische principes’,
en nauw verbonden met hun omgeving. De onderdelen van een organisme
zijn gerangschikt door een ‘ontwikkelingsveld’ of morfogenetisch
veld, dat hij beschrijft als de ‘dynamische spatio-temporale [=
ruimte-tijd] organisatie’ van een organisme en dat hij interpreteert
binnen de standaardbegrippen van de natuur- en scheikunde. Net als het
‘mentalisme’ van Sperry, is ook de ‘holistische wetenschap
van eigenschappen’ van Goodwin nog steeds in essentie materialistisch.
Harman beweert dat de quantumtheorie heeft aangetoond dat het bewustzijn
van de waarnemer essentieel is voor het bestaan van datgene wat wordt
waargenomen, omdat alleen wanneer een waarneming is verricht de waarschijnlijkheidsfuncties
van de quantummechanica ‘ineenstorten’ tot werkelijkheden.
Harman volgt hier een variant op de conventionele interpretatie van
de quantumfysica, maar vermeldt niet, laat staan rechtvaardigt, de veronderstellingen
waarop deze zijn gebaseerd, noch geeft hij aan dat er andere interpretaties
mogelijk zijn.
Een quantumsysteem, zoals bijvoorbeeld een subatomair deeltje, wordt
wiskundig voorgesteld door een vergelijking bekend als de golffunctie,
die kan worden gebruikt om de kans te berekenen een deeltje te vinden
op elk willekeurig punt in de ruimte. Wanneer een meting is verricht,
wordt het deeltje natuurlijk alleen op één plaats gevonden,
maar als wordt aangenomen dat de golffunctie een volledige beschrijving
van een quantumsysteem geeft – zoals in de conventionele interpretatie
– zou dit betekenen dat tussen de metingen door het deeltje oplost
in een ‘superpositie [opstapeling] van waarschijnlijkheidsgolven’
en zich in potentie tegelijk op meerdere plaatsen bevindt. Vervolgens,
wanneer de volgende meting is verricht, wordt dit golfpakket verondersteld
onmiddellijk op een of ander willekeurige en onverklaarbare manier ‘ineen
te storten’ tot weer een gelokaliseerd deeltje.
Sommige natuurkundigen zijn zelfs nog verdergegaan en beweren dat een
meting alleen niet genoeg is; een golffunctie stort alleen ineen wanneer
de meting wordt vastgelegd in het denkvermogen van een menselijke waarnemer.
Dit lijkt de zienswijze te zijn waar Harman de voorkeur aan geeft. Deze
stelling is recentelijk naar voren gebracht door de natuurkundige Amit
Goswami, die stelt dat fysieke objecten, zoals bijvoorbeeld de maan,
niet in ruimte-tijd bestaan tenzij een bewuste waarnemer naar ze kijkt,
en dat de mens het middelpunt van het heelal is omdat hij het tot aanzijn
brengt en er betekenis aan geeft. Hij merkt op: ‘Als dit klinkt
alsof we een antropocentrische kijk op het heelal weer in ere herstellen,
laat dat dan zo zijn’.2
Men kan sympathie opbrengen voor Roger Sperry wanneer hij schrijft:
Ik neem een realistisch standpunt in dat ervan uitgaat
dat er een wereld bestaat ongeacht of ik of iemand anders haar toevallig
waarneemt. Het met veel moeite uitgraven van een gigantische ammoniet3of
een groot dijbeen van een dinosaurus daterend uit het Krijt laat weinig
ruimte over om geduld te hebben met een filosofie die zegt dat deze
en hun wereld niet bestonden tot het moment van onze waarneming.
– blz. 113
Een andere, meer zinnige interpretatie van de quantumtheorie is ontwikkeld
door David Bohm en zijn collega’s, zoals Basil Hiley, John Bell,
en J.-P. Vigier.4 (Hieraan wordt door Arthur
Zajonc en Mae-Wan Ho kort, maar met instemming gerefereerd, alhoewel
ze ook elementen uit de conventionele interpretatie onderschrijven die
hiermee onverenigbaar zijn.) Bohm neemt het standpunt in dat de quantumtheorie
in zijn huidige vorm niet volledig is; de golffunctie geeft
geen volledige beschrijving van quantumsystemen, en er is daarom geen
behoefte om het slecht gedefinieerde idee van ‘ineenstorting van
de golffunctie’ (en alle paradoxen die daarmee gepaard gaan) te
introduceren. In plaats daarvan stelt hij voor dat deeltjes, hoewel
we hun exacte beweging niet kunnen meten, niettemin banen volgen die
door oorzaak en gevolg bepaald zijn, en die niet alleen door conventionele
fysieke krachten worden bepaald maar ook door een meer subtiele kracht,
de quantumpotentiaal, die vanuit een dieper, ‘impliciet’
(’ingevouwen’) en meer met de geest verwant niveau van realiteit
werkt. Hoewel hij van mening is dat het bewustzijn van de mens geen
quantumsystemen doet ontstaan en de uitkomst van een meting niet wezenlijk
beïnvloedt (behalve in het geval van echte psychokinese), bepleit
hij dat bewustzijn niet eenvoudigweg een bijproduct is van materie,
maar diep is geworteld in de ‘impliciete orde’, en daarom
tot op zekere hoogte aanwezig is in alle materiële vormen. Hij
oppert dat er een ontelbare reeks van impliciete ordes zou kunnen zijn,
elk met een materiële kant en een bewustzijnskant. In de woorden
van Bohm, ‘alle materiële dingen zijn ook mentaal en alle
mentale dingen zijn ook materieel, maar er zijn veel meer oneindig subtiele
niveaus van materie dan we ons bewust zijn’.5
Harman legt sterk de nadruk op Bells nonlocaliteitstheorema dat in
de door Alain Aspect in 1982 uitgevoerde experimenten werd bevestigd.
Deze experimenten lieten zien dat indien er een interactie is tussen
twee deeltjes en ze zich vervolgens van elkaar af bewegen, hun gedrag
samenhangt op een manier die niet kan worden verklaard in termen van
signalen die zich met de lichtsnelheid of langzamer tussen beide voortplanten.
Zulke verbindingen worden beschreven als ‘non-local’, maar
er is geen overeenstemming hoe we ze moeten interpreteren. Harman is
van mening dat ze een voorbeeld zijn van onmiddellijke ‘actie
op afstand’ en niet met het uitzenden van wat voor signalen dan
ook hebben te maken. Hij schrijft: ‘Met de “één-zijn”-
veronderstelling is actie op afstand geen bijzonder probleem; het is
niet nodig hypotheses over velden of uitwisselingen van deeltjes op
te stellen om dit te verklaren.’ (blz. 382)
Een andere zienswijze is dat hoewel alle dingen in essentie één
zijn, ze niettemin op elkaar inwerken door een samenspel van vele verschillende
soorten krachten, zowel niet-fysische als fysische. Bohm en Hiley hebben
aangegeven dat het met toekomstige technologie wellicht mogelijk zou
kunnen zijn experimenteel aan te tonen dat quantumfysische non-locale
verbindingen niet onmiddellijk (oneindig snel) totstandkomen maar alleen
sneller dan het licht, door een ‘quantumether’.6
(Het is duidelijk dat theorieën die opperen dat signalen die zich
sneller voortplanten dan het licht terug in de tijd zouden reizen, dan
hoognodig moeten worden aangepast!) Men zou daar tegenin kunnen brengen
dat als de ether óók uit deeltjes bestaat, de wederzijdse
overbrenging van krachten nog steeds actie op afstand noodzakelijk maakt.
En zelfs als we oneindige reeksen steeds fijnere ethers zouden poneren,
komen, omdat het oneindige nooit werkelijk wordt bereikt, de deeltjes
nooit met elkaar in contact, en zitten we nog steeds met het probleem
van actie op afstand. In dit opzicht zegt Harman terecht: ‘In
de breedste zin is er geen oorzaak en gevolg, alleen een heel systeem
dat evolueert’ (blz. 377). Maar hoewel oorzakelijkheid uiteindelijk
onpeilbaar is, is er geen reden om overhaast de conclusie te trekken
dat er achter de fysische structuren en oorzakelijke factoren zoals
die tegenwoordig door de wetenschap kunnen worden gemeten, geen andere
niveaus van structuur en oorzakelijke werkingen zijn, maar alleen absolute
eenheid en ogenblikkelijke verbondenheid.
Een meer concreet kader voor het begrijpen van de wisselwerking van
bewustzijn en materie, en van reïncarnatie, paranormale verschijnselen
en het doelgerichte karakter van de evolutie, wordt verstrekt door de
oude wijsheid, die leert dat de stoffelijke wereld slechts een octaaf
is van een oneindig spectrum van bewustzijn-substantie, en waar ontelbare
andere werelden zich dwars doorheen bevinden die met onze fysieke zintuigen
niet kunnen worden waargenomen, sommige dichter en sommige meer etherisch
dan onze wereld. En net zoals de fysieke wereld wordt georganiseerd
en gecoördineerd door innerlijke werelden – astrale, mentale
en spirituele – zo wordt ook het fysieke lichaam belevendigd en
georganiseerd door innerlijke energievelden of zielen. Zo bezien, werkt
‘zelforganisatie’ voornamelijk van binnen naar buiten,
en ‘holistische’ of ‘tevoorschijn tredende’
vermogens doen zich voor vanwege het feit dat hoe complexer de uiterlijke
structuur van een organisme is, des te groter het vermogen is invloeden
(’informatie’) uit de innerlijke niveaus van zijn constitutie
op te vangen en daar uitdrukking aan te geven.
Het doel van New Metaphysical Foundations of Modern Science
is het op gang brengen van een dialoog over de veranderende kijk van
de wetenschap op de wereld, zowel in wetenschappelijke kringen als bij
het bredere publiek. Vanwege de academische stijl en nogal technische
aard van veel van de verhandelingen zal de gemiddelde lezer sommige
stukken in het boek moeilijk vinden om doorheen te komen, maar het geeft
een interessante indruk van de richting waarin sommige wetenschappers
gaan. We zijn duidelijk getuige van een verschuiving van een gefragmenteerde
en mechanische voorstelling over een wereld zonder doelgerichtheid,
naar een meer holistische en organische voorstelling waarbinnen doelgerichtheid
een plaats heeft. De veronderstellingen van de ‘nieuwe opkomende
wetenschap’ moeten echter net zo nauwgezet onder de loep worden
genomen als die van de oude wetenschap. De toekomstige richting van
de wetenschap is voor ons allemaal van groot belang want, zoals Willis
Harman zegt, ‘het moderne wetenschappelijke wereldbeeld is door
en door ontsierd en misleidend in opzichten die van vitaal belang zijn
voor het welzijn van het individu en de maatschappij, en bedreigend
voor de toekomstige levensvatbaarheid van de menselijke beschaving’
(blz. 392).
Verwijzingen
- Onder redactie van Willis Harman met Jane Clark, Institute
of Noetic Sciences, 1994; 448 bladzijden, ISBN 0-943951-11-9, gebonden.
- The Self-Aware Universe, blz. 59-60, 141.
- Fossiele schelp van een reeds lang uitgestorven inktvis.
– RED
- Zie ‘David
Bohm en de impliciete orde’, Sunrise, juli/augustus
1993; David Bohm & F. David Peat, Science, Order & Creativity,
blz. 88-101, 172-190.
- Geciteerd in Norman Friedman, Bridging Science
and Spirit: Common Elements in David Bohm’s Physics, The Perennial
Philosophy and Seth, blz. 171.
- The Undivided Universe: An Ontological Interpretation
of Quantum Theory, blz. 293-4, 347.